Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst, in de jaren 1777 en 1778 door Hidde Dirks Kat

Part 2

Chapter 23,687 wordsPublic domain

Van 7, 8, 9 tot den 10 October (No 19.) liepen wij, afgemat door honger en koude, van het eene stuk ijs op het ander, om land te winnen. Het ijs ging door de zeewelling of deining onophoudelijk met geweld open en toe. Sommige onzer, pogende van de eene op de andere schots te komen, geraakten, door de gladheid van het ijs, tusschen de schotsen, in het water, verdronken en werden tusschen het ijs verpletterd. Ik zelf geraakte tweemaal van het ijs af, doch werd telkens weêr opgehaald en gered door de twee haken, vóór dat het ijs zich weêr toesloot, en moest zoo met mijne natte kleederen al den volgenden tijd gaan, hetwelk mij ongemeen verzwakte. Ik had toen nog twee scheepsbeschuiten. Men beseffe eens, welke kracht de goede God ons in deze omstandigheden verleende! Ziende de zwarigheden, die wij nog moesten te boven komen, was het schier niet om uit te houden.—Dagelijks overviel ons de vrees voor wild gedierte, en onder het voortwandelen opende zich van tijd tot tijd eene groote ijsspleet voor onze voeten, waarin velen onzer hun graf vonden, vermits het ijs zich dadelijk, bij het terugkeeren van het water, toesloot. Des avonds bevonden wij, dat wij nog twee mijlen van het land verwijderd waren. Doch daar het ijs niet aan het land vast lag, moesten wij hopende wachten, of het zich aan het land mogt aansluiten. Terwijl wij dezen nacht met een diep neerslagtig hart doorbragten, lag de een en zat de ander op het ijs, terwijl een derde stond. Ik zat in het midden van twee ter regter en linker zijde naast mij liggende mannen, welke des morgens dood gevroren waren.

In den morgenstond van 11 Oct. (No 20.) bevond ik, dat Kommandeur ALBERT JANS met eenige manschappen, gedurende den nacht, door de uitwerking van het draai-ijs van mij was verwijderd geraakt. Ik zag dezelve hier niet weder. Dezen morgen dreef ons eene lange strook ijs voor den mond eener rivier voorbij. Deze stiet tegen onze ijsschots. Wij stapten er dadelijk op over, met uitzondering van één’ man, die niet verder voort kon. Wij moesten hem met hartverscheurende smart verlaten. Deze lange strook ijs bragt ons aan land. Wij hadden aan beide zijden van dezelve de opene zee, en kwamen des na den middags bij _Statenhoek_ aan. Deze hoek ligt op 59 graden 30 minuten N. Breedte. Wij vonden in de valleijen eenige groente en boompjes, waaraan blaauwe bessen groeiden. Wij plukten die bij menigte en aten ze met veel smaak. Onze blijdschap, dat wij aan land waren gekomen zonder vooruitzigt, waar wij belanden zouden, was onbeschrijfelijk groot. Hier bevonden wij nog 18 in getale te zijn. Waar de overige gebleven zijn, behalve de voorgemelde 27 man, die naar land waren gegaan, is ons ten deele onbekend. Deze nacht viel ons lang en bang, door het vallen van menigvuldige sneeuw en eenen harden kouden wind, alsmede door gebrek aan voedsel, drank en warmte. Ook konden wij niet gaan leggen, aangezien onze kleederen doornat waren. In dezen toestand konden wij ons eenigermate een denkbeeld vormen van het lijden van onzen Heiland JEZUS CHRISTUS, althans hetzelve behoorlijk waarderen, daar wij nu zelve lijden moesten ondergaan.

De dageraad van den 12. October (No 21.) verblijdde ons. Onze bij voorraad voor den volgenden dag geplukte bessen, waren alle onder de menigvuldig gevallen sneeuw verloren gegaan. Wij zetten nu onze reis landwaarts in voort, om inwoners te ontdekken. De een zette zich hier, de ander dáár vermoeid en moedeloos neder. Mij viel in de gedachten, om weder den zeekant te kiezen, vermits de bewoners zich van de zee moesten generen. Terugkeerende namen wij de hier en daar nedergezetenen weêr op. Zij hadden zich vermoeid en afgemat nedergelegd, om te sterven—wij spraken hun moed in, zooveel onze krachten en onze hoop, om nog eens geholpen te worden, toelieten. Wij kwamen voorts te zamen weder aan den zeekant en volgden dezelve om de Noord, om menschen te vinden.

In het omloopen van eene rivier vonden wij, kort daarna, op een’ uithoek aan den zeekant een spits heuveltje, door menschen handen van steenen op een gestapeld. Dit gaf ons nieuwen moed, dat wij ten langen laatste inwoners zouden vinden. Hier konden wij niet verder komen, vermits het strand ons verliet, staande de zee tegen een steil gebergte aan. Ook lag hier bij het land geen ijs, waarop men om deze punt heen konde loopen. Wij moesten hier dus _halte_ maken, op hoop dat wij, bij laag water, om den voet van het gebergte heen zouden kunnen gaan. Doch ook met laag water was zulks onmogelijk. Wij vonden tot onzen troost door Gods genade, bij de invallende ebbe, voedsel voor onze afgematte ligchamen. Dit bestond in groote Mosselen, die wij gretig verzamelden, om onzen overgrooten honger te stillen. Wij bragten deze Mosselen bij eenen steen, die boven den vlakken grond uit het gebergte uitstak, welke plaats wij tot schuilplaats uitkozen. Ook vonden wij hier, tot meerdere vertroosting, een teeken, zijnde drie tent-plaatsen van 18 a 20 voet in het vierkant, omringd van een groen begroeid dijkje van één voet hoogte. Men kon zien, dat de wilden hier in den zomer hunne tenten opsloegen. Dit dijkje dient, om het van het gebergte afvloeijende water aftekeeren. Wij stonden nu in overweging, hoe aan vuur te komen; welke zwarigheid zeer onverwacht werd weggenomen door een’ vuurslag, hetwelk een der Officieren, buiten zijn weten, bij zich had. Op de hoogere plaatsen van het strand vonden wij vrij wat droog hout, dat ons zeer verblijdde. Daarna beproefden wij met alle omzigtigheid, om van drooge hemdslippen (voor zoo verre wij nog droog linnen aan het lijf hadden,) eenen nieuwen voorraad van tonder te maken, hetwelk ons door middel van den voornoemden vuurslag gelukte. Wij hadden (gelijk gezegd is) een klein theeketeltje en een biermok. Toen nu ons vuur aan den gang was, kookten wij van tijd tot tijd een keteltje vol Mosselen, die ons als honig smaakten. Ook plukten wij middelerwijl bessen, die wij desgelijks kookten en waarvan wij het sap dronken. Dit verkwikte ons ongemeen. Hier bleven wij drie dagen. Wij waren nog 18 in getale. Door het gemis van rust verzwakten onze ligchamen uitermate; te meer daar wij, bij dag en nacht, de koude van sneeuw, wind en vorst moesten verduren. Wij hielden ons wel nabij het vuur, maar onze oogen konden hetzelve niet verdragen. In den loop van deze drie dagen werd iemand onzer, die zich bij nacht van het gezelschap verwijderd had, des morgens dood op de klippen gevonden. Schoon onze moed dagelijks afnam, schonk het slechte weêr ons somtijds weder hope, dat de Wilden, zoodra het weêr bedaarde, wel op zouden komen dagen.

Op den 15 October (No 22.) kwam een der manschappen mij vragen, of men niet eens eene kans zoude wagen, om over het hoog klippig gebergte heen te klimmen, ten einde ons voornemen, om menschen om de Noord te ontdekken, voort te zetten. Dit kwam mij onuitvoerlijk voor, aangezien eenige van mijn volk, ten gevolge van de koude en het langdurig afmartelen van het ligchaam, opene handen en voeten hadden. Des ongeacht nam de man, die zulks voorstelde, de reis over het klipachtig ijsgebergte aan, wenschende ons een zeer aandoenlijk vaarwel. (No 34.) Geen eenig man van mijn volk was in de _Straat Davids_ geweest en verstond dus een enkel woord van de landtaal. Ik had in mijne jonge jaren drie reizen uit _Holland_ derwaarts gedaan, en eenige woorden van die taal in het geheugen bewaard. Des namiddags ging een mijner Officieren, met name PIETER HENDRIKS, op eene hoogte van het gebergte, om eens uittezien. Van daar ontdekte hij zeewaarts in, in den mond van de rivier, drie voorwerpen in de gedaante van vogelen op het water. Hij riep mij toe, wat men daar van denken moest? Ik liep met haast naar hem toe, en zag terstond (doordien ik in vroegere dagen meer zulke vertooningen gezien had), dat het Wilden of inboorlingen konden zijn. Nu kwam het geheel gezelschap naar ons toe. Wij verhieven tweemaal een luid geschreeuw, dat door gezegde Wilden gehoord werd, die diensvolgens op ons af kwamen. Wij liepen gezamenlijk naar het zeestrand, om hen in onze armen te ontvangen. Ten gevolge van onze overgroote blijdschap, dat wij, buiten ons, weêr menschen zagen, bleven die lieden met hunne kleine schuitjes, die naauwelijks boven het vlak van de zee uitstaken, op eenen afstand van ongeveer 100 roeden van de kust liggen. Doordien ik de landtaal niet magtig was, en niet wist, hoe die Wilden omtrent ons gezind waren, besloot ik mijn volk naar de voornoemde plaats terug te doen keeren. Nu stond ik daar alleen, en noemde in mijne verlegenheid een woord, waarvan ik zelf de beteekenis niet wist, te weten (_ome kageit_). Dit woord beteekent, gelijk de _Hernhutters_ mij naderhand zeiden, (_vriend kom hier!_) Daarop kwamen zij, bij drieën in een schuitje, bij mij. Ik hielp hen uit hunne schuitjes en omhelsde hen; hetwelk zij met wederliefde beantwoordden. Dit waren ongedoopte Wilden. Ik vergezelde hen naar onze verblijfplaats, waar mijne overige manschap zich bevond.

Zij namen alles naauwkeurig op. Toen zij vernamen, dat wij noch voedsel noch rustplaats hadden en onze ligchamen uitgemergeld waren, kon men zien, dat zij medelijden met ons hadden. Met naar de Zon te wijzen gaven zij ons te kennen, dat zij den eerstvolgenden dag weder zouden komen, om ons te helpen. Het weêr was nu vrij goed, ’s avonds namen zij hun afscheid, en keerden naar hunne woningen terug. Het baarde ons nu veel droefheid, dat één van ons volk ons vrijwillig verlaten had, om over het gebergte te gaan, daar wij het nu met malkander zoo ver gebragt hadden. Terwijl wij hem verloren schatten, begon onze hoop van tijd tot tijd levendiger te worden, vermits wij nu menschen gevonden hadden, die ons, zooveel wij hen begrijpen konden, wilden helpen.

Den 16 October hadden wij storm met sneeuwjagt. Ofschoon wij met reikhalzend verlangen uitzagen, ontdekten wij heden nog geene helpers. Wij schreven dit toe aan het slechte weêr. Dit gaf ons troost. ’s Nachts bedaarde het weêr. Wij bleven onder de voorschreven uitstekende steenklip van het gebergte.

Den 17 October (No 23.), des morgens was het mooi weêr; wij zagen uit naar onze helpers en deze kwamen des voormiddags ten 11 ure bij ons, bij drieën in een afzonderlijk schuitje. Ik gaf hun onze onmagt en ons gebrek aan voedsel te verstaan. Zij begrepen dit en besloten mij medetenemen op de volgende wijze.

Ik plaatste mij (na vooraf afscheid van mijn volk genomen te hebben, onder voorwaarde, dat zij zich van deze plaats niet zouden verwijderen, aangezien de Wilden hen van daar zouden afhalen) des middags ten 12 ure, achter één’ der Wilden op een schuitje, hetwelk zij vooraf op zijde van een ander vastgebonden hadden, en zoo roeide de Wilde met mij voort, hebbende een riemspaan in de hand, welks beide einden met een blad voorzien waren. Op deze wijze bragten zij mij een vierde mijl voorbij het steil gebergte, daar wij wegens de diepte niet om heen konden komen. Het schuitje, waarop ik mij bevond, kan, van den voor- tot den achtersteven, lang geweest zijn ongeveer 20 voeten en iets breeder dan de dikte van een gewoon mensch. De Wilde zit in een rond gat in het midden op den bodem neder, met de voeten voorwaarts onder het dek. Zijn ligchaam steekt dan, van de lendenen af gerekend, boven het dek uit. Hij zit in een kleed (of rok) van leder, dat aan het schuitje vastgehecht is, zoo dat er geen water aan zijn lijf of in het schuitje kan komen. Zijne handen en gezigt alleen zijn bloot. De uiteinden van dit schuitje loopen van het midden af spits toe. Wanneer de Wilde er in zit, ligt het schuitje in het midden van het dek ongeveer 4 duim boven water. Het geheel is van Robben-vellen en de inhouten van zeer dun en taai hout, dat daar te lande groeit, gemaakt. De Wilde zette mij op de voorschreven plaats, doornat aan land. Vervolgens bragten zij mij bij twee spelonken, in iedere van welke tien personen beschut konden wezen tegen het onweder. Deze bergspelonken waren overdekt tegen allen aanval van regen en sneeuw. Zij dienen den Wilden in den zomer tot het droogen van Spiering en Zee-honden of Robbevellen en vleesch. Hier bleef ik alleen staan. Hunne menschlievenheid dreef hen tot mijne achtergeblevene manschap, welke zij, op gelijke wijze, overbragten, doch niet verder dan om de steile punt van het hoog gebergte, om welke wij, wegens de diepte, niet hadden kunnen heen loopen. Dit geschiedde wegens het vallen van den avond. Mijne togtgenooten liepen toen aan den voet van het gebergte langs het strand en kwamen, één voor één, zoo als zij overgezet werden, des avonds bij mij, met uitzondering van één man, die terugbleef. Hier zijnde verzocht mijn volk mij, dat ik met de Wilden naar hunne woningen op reis zoude gaan, om, dus doende, zooveel te spoediger bij de Wilden ruste te vinden voor hunne afgematte ligchamen. Dit stonden de Wilden toe, en alzoo ging ik met mijn’ Stuurman, de een na den ander, op twee zamengebondene schuitjes achter de Wilden zitten. Maar wij moesten over eene rivier, die twee mijlen breed was. Het kwam hier op stil zitten aan. Door het toenemen van het onweder met sneeuwjagt werden wij tot over het hoofd doornat, vermits wij, twee mijlen ver, bestendig in het water moesten zitten. Deze twee schuitjes waren ieder met het gewigt van drie man beladen, en het water spoelde onophoudelijk over de schuitjes heen. Wij waren schier dood gevroren en stijf van de koude, ja geheel magteloos. De Wilden bleven droog in hunne schuitjes, uitgezonderd hunne handen en aangezigten, uit hoofde van hunne wel gemaakte lederen rokken.

Men verbeelde zich eens de sterkte en geschiktheid dezer Wilden.—Twee mannen, hebbende Kommandeur KAT achter zich zitten, deden deze moeijelijke reis van twee mijlen, door eene onstuimige zee, met sterken wind, in twee kleine of smalle schuitjes, door het gewigt van drie man zwaar beladen, terwijl het water onophoudelijk over dezelve heenspoelde, en zulks ondanks den voorafgaanden arbeid van dezen dag!—Des avonds ten 5 ure kwamen wij, de een na den ander, over deze rivier aan land. Nadat zij het een en ander tegen ons gezegd en ons eenige teekenen gegeven hadden, welke wij niet verstonden, namen zij hun afscheid. Hier stonden wij nu doornat en verkleumd, uitgehongerd, geheel zonder vuur, spijze en drank.—In deze verlegenheid namen wij het besluit, om onze bevrorene en afgematte ligchamen, zooveel mogelijk, in beweging te houden. Wij liepen dus langs den vlakken oever van de rivier, in hope, dat wij licht in de woningen zouden aantreffen. Doch dit was, gelijk wij des anderen daags ondervonden, verkeerd van ons gedaan. Na anderhalf uur gewandeld te hebben, legden wij ons ’s avonds, ten 7 ure vermoeid en afgemat neder, zonder iets ontdekt te hebben. Hier lagen wij nu magteloos op steenen in de sneeuw, bereid zijnde, om dáár onzen geest aan onzen Formeerder terug te geven.—Wij bragten echter dezen nacht in onze doornatte kleederen, met diepe ellende, door.

Op den 18 October (No 24.) vroeg mijn Stuurman bij het aanbreken van den dageraad: Kommandeur! leeft gij nog? Ik kon dit naauwelijks met ja beantwoorden. Hij klaagde over zijne opgezwollene beenen en pijnlijk ligchaam; en, wegens zijne smart, met veel moeite overeind gaande zitten, kon hij de rivier, welke digt bij ons was, zien. De Wilden, die ons den vorigen avond een eindweegs van _hier_ aan land gezet hadden, zochten ons heden morgen, zijnde vier in getal, ieder in een afzonderlijk schuitje, op dezelfde plaats weder, maar vonden ons niet, doordien wij van die plaats verwijderd waren. Zij voeren toen met hunne schuitjes voort langs de kust, om ons op te zoeken. Het was _zeer opmerkelijk_, dat de overgroote pijn, welke de Stuurman liggende doorstond, hem bewoog, om, met veel moeite, overeind te gaan zitten. Dit was een groote zegen voor ons, doordien wij anders vermoeid zijnde niet zouden zijn opgestaan. Nu ontdekte hij door zijn oprijzen de Wilden en maakte mij zulks bekend. Ik kon naauwelijks overeind komen. Nadat ik mij met mijnen Stuurman met veel moeite opgerigt had, hieven wij een luid geschreeuw aan, zoo dat de Wilden ons hoorden, en dadelijk met hun vieren op ons toe kwamen. Wij stortten oogenblikkelijk weder op den grond of liever op de steenen in de sneeuw neder, door pijn en zwakheid geheel overmeesterd. De Wilden vonden ons bij hunne komst bijna als dooden nederliggen. Zij namen ons onder de armen op en leidden ons aan den oever van de rivier, alwaar eene vlakke rots was. Hier torschten zij ons heen en weêr, om ons weder aan den gang te helpen. Na verloop van een uur gelukte zulks. Onze bevroren ledematen werden weder buigzaam. Vervolgens bonden de Wilden, met meer dan Christelijke hulpvaardigheid bezield, de vier schuitjes, zijnde van de voren omschreven gedaante, twee aan twee te zamen, zetten ons achter zich daarop, en voeren zoo met ons heen tot 3 ure in den namiddag, op welk tijdstip wij allen, met levensgevaar, digt bij hunne woningen aan land kwamen. Hunne vrouwen, die ons op eenen verren afstand van de klippen of van het gebergte gezien hadden, kwamen toeloopen en hielpen ons van de schuitjes in hare woningen. Dit was tusschen _Statenhoek_ en _Kaap Vaarwel_, doch het naast aan eerstgemelde, op 59 gr. 55 min. N. Breedte. Hier vonden wij een huis, waarin vijf huisgezinnen zamen woonden, bestaande naar gissing in twintig zielen zoo oude als jonge. De vrouwen trokken ons oogenblikkelijk onze natte kleederen uit, omwonden ons met ruige land-honden-vellen en leidden ons tot eene rustplaats op eenen brids, één’ voet boven de aarde of den steenen bodem verheven. Hier ontdekten wij, dat het onmogelijk was geweest, dat de Wilden ons, bij hunne eerste komst, konden medenemen, vermits zij op eenen te verren afstand van hunne woning verwijderd waren. Wij gevoelden ons als uit het graf verrezen. De overgroote liefde dier wilde menschen, welke waarlijk die van vele Christenen te boven gaat, maakte onze harten weemoedig en dankbaar tot God. Het schreijen van kinderen te mogen hooren bevredigde ons met ons lot. Het scheen ons, als of wij in ons eigen huis waren. Zij verkwikten ons met eene soort van soep van Zeehonden- of Robbevleesch met water gekookt. Niemand, die zulks niet ondervonden heeft, kan gelooven, hoe smakelijk wij daarvan aten. Wij bevonden ons daarna zeer wel. Gedurende dezen nacht konden wij echter niet in slaap geraken, doordien onze hersenen opgevuld waren van treurige nagedachten, en, aan den anderen kant, van blijdschap, dat wij ons alreede onder goede menschen bevonden, terwijl onze hoofden suisden als het razen van den wind. Wij bespeurden hier groote warmte in huis en werden geplaagd van ongedierte.

Op den 19 October (No 25.) gingen eenige mannen en vrouwen in den ochtendstond, bij goed weêr, met twee vrouwe-schuiten (in de taal der Wilden _koene booten_ genaamd) in zee, om mijn achtergebleven volk uit de voornoemde spelonken te halen. Intusschen geraakte ik met mijn’ Stuurman in slaap, drie uren lang. Wij bevonden ons na den slaap vrij wat verkwikt. Des avonds, om half vier ure, kwam mijn achtergebleven volk, bestaande in dertien man, met de vrouwe-schuiten bij ons. Wij waren van weêrzijde hartelijk blijde. Zij zeiden mij, dat JAN WIT, die drie jaren met mij gevaren had, na de overvaart om de steile klip (gelijk voorheen gezegd is) niet bij hen was gekomen. Zij wisten niets van hem. Voorts kregen deze dertien man dezelfde verkwikking, welke wij genoten hadden; doch, vermits zij niet doornat waren, werden zij, na zich alvorens gewarmd te hebben, zonder honden-vellen, bij ons gebragt. Wij verhaalden hun ons doorgestaan lijden, sedert wij door de Wilden waren afgehaald geworden. Nu verheugden wij ons te zamen, dat wij, na drie weken alle mogelijke gevaar en lijden onder den blooten hemel doorgestaan te hebben, zoo verre geholpen waren.

Na drie dagen lang bij de Wilden vertoefd en alle bedenkelijke vriendschap van hen genoten te hebben, reisden wij, den 22 October (No 26.) des morgens, vijftien man in getale, onder het geleide van twee Wilden, over eene groote vlakte om de Noord, alwaar wij des namiddags aan den zeekant twee huizen vonden. Hier ontmoette ik tot mijne groote blijdschap, mijnen vriend ALBERT JANS met eenige manschappen, die, gelijk gezegd is, op den 11 October met zijne ijsschots van mij was afgedwaald. Ik verstond van hem, dat hij in den avond van den 11 October op zijne ijsschots voor de woningen der Wilden was aangeland, waar de Wilden hem te hulp waren gekomen. Hij verklaarde, mij niet meer te kennen, zoodanig was ik, gedurende den tijd van acht dagen, waarin hij mij gemist had, door mijn omzwerven en doorgestane ellende veranderd. Maar, toen hij vernam, wat wij in dien tijd van acht dagen hadden uitgestaan, deed het hem geen wonder, ons in dien toestand te ontmoeten. Hier kreeg ik mijn horologie weder, dat ik hem, een’ tijd lang geleden, had gegeven, bij gelegenheid, dat ik doornat was van zout water. Den nacht sleten wij hier gezamenlijk in de woning dezer Wilden, welke nog ongedoopt waren. Ook kregen wij iets van hun armoedig voedsel, zoo dat ik de liefde der Wilden, aan ons bewezen, niet genoeg kan roemen.

Den 23 October (No 27.) verdeelden wij ons des morgens in partijen, van drie, vier en vijf man, zijnde hier geen voorraad van spijze voorhanden. Des namiddags gingen wij met vrouwe-booten op reis. Mij, benevens vier man, viel het lot te beurt binnen _Kaap Vaarwel_ door, mijnen Stuurman JENS JESSEN, desgelijks met vier man op _Kaap Vaarwel_ te trekken en de overige werden in de woningen, waarin wij ons bevonden, verdeeld. Des avonds kwam ik binnen _Kaap Vaarwel_, alwaar ik een huis vond, waarin zes woonplaatsen afgeschut waren. Wij waren daar met mannen, vrouwen en kinderen een en twintig zielen sterk. Wij bleven vier dagen bij deze ongedoopte Wilden, die ons zeer vriendelijk bejegenden, en ons zooveel voedsel van Robbe-vleesch gaven, als zij konden missen. Wij konden wel meer Robbe-spek krijgen; doch daaraan moesten wij eerst door grooten honger gewennen, om het te kunnen verdragen. De Robbe-lever en nieren smaakten ons wel. Het zout ontbrak ons eeniglijk.

_De Huizen en Levenswijze der Wilden_

zijn als volgt: