Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst, in de jaren 1777 en 1778 door Hidde Dirks Kat
Part 1
Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst,
gedaan in de jaren 1777 en 1778 door den kommandeur
Hidde Dirks Kat
met eene kaart van Groenland
Wat zeeman, die de kiel naar ’t barre Noorden stuurde, Bestond er ooit op aard’, die zooveel ramps verduurde Als KAT, die fiere KAT, die ’s lijdens beker heeft Tot aan den boôm geleêgd, en toch, God dank! nog leeft?
Voorberigt. Dagboek gehouden door den kommandeur Hidde Dirks Kat. Vervolg mijner reize. 1778. Naberigt.
Voorberigt.
De uitgever van dit Dagboek vond het na de lezing zoo belangrijk, dat hij den Heer Kommandeur HIDDE DIRKS KAT, thans een zeventigjarig grijsaard, die den avondstond zijns merkwaardigen levens op het eiland _Ameland_ slijt, verlof vroeg, om het door den druk gemeen te mogen maken. Zijn Ed. vond daarin geene zwarigheid; vooral, daar ik zijn Ed. te kennen had gegeven, dat zoowel de meer bejaarden als het opkomend geslacht er welligt nut uit zouden kunnen trekken; te meer wanneer men zich ook verledigen wilde, om, ten dienste der scholen dit verhaal zoo te wijzigen, dat het een Leesboek voor de jeugd vormde. Tot dat einde zou het, mijns inziens, ook eene zeer doelmatige strekking hebben. Als _waarachtig verhaal_ verdient het niet alleen, om de hoogst merkwaardige en zeldzame ontmoetingen, welke daarin voorkomen, de aandacht van leergierige _ouden_ en _jongen_, maar heeft het, na de lezing, de eigenaardige kracht, dat het niet, gelijk zoovele andere uit het onuitputtelijk rijk der hersenschimmen in het rijk der wezenlijkheid overgevoerde en de op nieuwigheden van allerlei aard azende menigte verrukkende droomen, in rook en damp verdwijnt, maar als _geschiedverhaal van daadzaken_ voortduurt en lessen en wenken bevat, die zoo lang van waarde zullen zijn, als de Zeevarende Natiën, en met name ons Vaderland, het van haar belang zullen rekenen, om bronnen, waaruit weleer zoo aanzienlijke rijkdommen opwelden, niet te doen opdroogen, maar zich, op het voetspoor van onvermoeid werkzame en stoutmoedige voorgangers, geene geringe schatting te doen betalen van de gedrogtelijke bewoners des IJs-oceaans. Geschiedverhalen van dezen stempel hebben bovendien voor den mensch, hij zij oud of jong (want op dit punt heerscht er bij ouden en jongen groote overeenkomst) iets bijzonder aantrekkelijks. Het _avontuurlijke_, weet men, valt in veler smaak. Zij zullen daarom dit stuk bij voorkeur willen lezen—en tevens dingen leeren, die in het rijk der _wezenlijkheid_ t’huis behooren, waarvan sommige misschien, te avond of morgen, partij zullen kunnen trekken. Op onze eilanden en aan onze zeekusten, ja rondom op den vaderlandschen bodem ontbreekt het niet aan jongelingen, die het warme hoekje van den haard wel gaarne eens met de frische lucht aan de kusten van _Groenland_, _Straat Davids_ en _Spitsbergen_ willen verwisselen, als er maar geld bij te verdienen valt.—’t Is waar, dit _Dagboek_ behelst meer eene aaneenschakeling van ongelukken en daarmede gepaard gaande zeer zeldzame Lotgevallen dan wel een kort overzigt van hetgeen tot de Walvisch- en Robben-vangst behoort. Wanneer men dit hier meende te ontmoeten, zoude men zich te leur gesteld vinden. Maar er komen zaken in voor, die de Jeugd tot dit weleer zoo gewigtig vak van nationale nijverheid opleiden, er worden ontmoetingen, gevaren, redmiddelen en uitkomsten in beschreven, die hem, die deze wateren eens wil bevaren, grootelijks te stade kunnen komen; er heerscht, om mij zoo eens uittedrukken, een _ouderwetsche_ geest van mannelijke kloekmoedigheid, onvermurwde standvastigheid, ongeverniste Godsvrucht en geheel opregt en eenvoudig vertrouwen op God en zijnen alvermogenden bijstand in, die der jeugd en ook elken leeftijd nimmer zigtbaar genoeg voor oogen gesteld of te diep in het hart geprent kunnen worden, vermits deze loopbaan zich door ontelbare moeijelijkheden en gevaren henen kronkelt, die alleen de man, wiens borst met het driedubbel erts van ware Godsdienstigheid beslagen is, onverschrokken onder de oogen kan zien.—Het ware misschien niet ondienstig der jeugd een Leesboek in handen te geven, waarin zij zich, op eene doelmatige wijze, tot deze belangrijke taak zou kunnen voorbereiden. Zoo de uitgever daartoe eenen genoegzaam bemoedigenden wenk ontving, zou hij zich daartoe (spaart God hem in het leven) gaarne in zijne snipperuren willen verledigen (hoe weinig dit vak van wetenschap ook tot den omtrek zijner eigenlijke Letteroefeningen behoort), aangezien hij zijn vaderland te lief heeft, om niet met de grootste bereidvaardigheid, ten minste eenen enkelen steen aan het gebouw van deszelfs herlevenden welstand in dit vak van _industrie_ te leggen. Om het oorspronkelijke niet te verminken, is er hier en daar slechts een weinigje aan den stijl gevijld en de spelling naar de thans gewettigde gewijzigd. Gemakkelijk had de uitgever het in eenen _dramatischen_ vorm kunnen gieten; doch dit had niet dan ten koste der eenvoudige waarheid kunnen geschieden, welke het blanketsel der kunst niet behoeft, maar in een eenvoudig gewaad, zoo als de brave Kommandeur dezelve heeft ingekleed, altoos het meest behaagt.
Dat ouden en jongen hier iets nuttigs mogen vinden, is de hartelijke wensch van den Schoolopziener van het 3de District in Vriesland, die zich met de uitgave belastte.
M. M.
1817.
Dagboek gehouden door den kommandeur Hidde Dirks Kat.
In den jare 1777, den 5 Maart, zeilde ik met de Brik _de Jufvrouw Klara_, bestemd ter Walvisch- en Robbenvangst, en bemand met 38 koppen, van de stad _Hamburg_ naar _Groenland_, voor rekening van den Heer Boekhouder DAVID HENDRIK REWOEL, te _Hamburg_.
Op den 7den ligtte ik het anker op de _Elve_, liep in zee, en zeilde met eenen gunstigen wind en goed weêr tot den 13den, op welk tijdstip wij, na in goeden staat de Noordzee te zijn doorgezeild, met eenen gunstigen wind _Hitland_ voorbijstevenden, vervolgens de reize voortzetten en op den 5 April (No 1.) voor het Westijs van _Groenland_ op 71 graden 30 minuten Noorder Breedte aankwamen, bij welk ijs wij ons tot den 30sten ophielden, vangende op hetzelve 30 vaten robbespek.
Den 1sten Mei geene robben meer kunnende vangen, zetten wij met verscheidene schepen de reize om de Noord door het ijs voort, koers houdende op _Spitsbergen_, en kwamen den 13 Mei (No 2.) op 75 gr. 30 min. N.B. tegen het Zuidijs; op den 17den (No 3.) raakten wij met verscheidene schepen door hetzelve heen op 78 gr. 30 min. N.B., en, van daar om de West zeilende, kwamen wij op den 26sten aan de Westijsvelden; hier werden door verscheidene schepen eenige Walvisschen gevangen. Vervolgens geraakten wij van den koers af, dreven op goed geluk heen en maakten nu en dan de schepen aan de ijsvelden of schotsen vast.—Op den 1 Julij (No 4.) bevonden wij ons op 72 gr. 30 min. N.B. In dien tusschentijd vingen wij eenen Walvisch van 30 vaten spek. Nu eens dreven wij met 27 schepen in getal in het ijs, dan bevonden wij ons weêr tusschen het ijs op vrij water. Sommige schepen vingen toen nog eenige Walvisschen. Tot den 4den dreven wij onophoudelijk sterk om de Zuid-west, uit hoofde van den stroom en den harden wind uit het Noord-oosten. Tot hiertoe zagen wij geen land, drijvende bestendig met het ijs om de Zuid-west tot den 12den. Toen geraakten wij met 27 schepen sterk in het ijs bezet, en hadden 3 a 4 dagen zwaren storm uit het Noord-oosten en geen gezigt wegens den dikken mist tot den 16den (No 5.).—Toen opende zich de lucht en kregen wij de kust van _Gale-Hamkes_, op eenen afstand van 10 a 12 mijlen, ten Noord-westen, in het gezigt. Wij zagen toen nog 27 schepen rondom ons en dreven sterk om de Zuid-west. Het weêr bedaarde. Van 16 Julij tot 1 Augustus geraakten eenige schepen uit ons gezigt. In dien tusschentijd vingen wij nog eenen kleinen Walvisch in gemeenschap met Kommandeur HANS PIETERS. Voorts dreven wij zonder ophouden door den sterken stroom en wind uit het Noord-oosten om de Zuid-west tot den 6 Augustus (No 6.). Toen geraakten eenige schepen uit ons gezigt, van welke eenige met een gedeelte van het volk vergaan zijn. Wij bleven met 5 schepen in het ijs ingesloten, liggende aan een klein ijsveld vast gemaakt, te weten Kommandeur HANS PIETERS, PIETER ANDERSEN, HANS CHRISTIAAN JASPERS, ALBERT JANS en HIDDE DIRKS KAT, alle vijf met _Hamburger_ schepen. Dit was op 68 gr. 30 min. N.B. Hier zagen wij het land niet meer, maar niets dan ijsbergen, welke, met de toppen in de wolken, het land bedekken. Men kan dezelve wel 16 a 18 mijlen ver zien. Even zoo vond ik naderhand het land op 62 gr. 30 min. N.B. in de _Straat Davis_ benoorden _Kaap Vaarwel_. Van den 6den tot den 16den dreven wij door den sterken Noord-oosten wind en den stroom met het ijs om de Zuid-west. Tot den 18den werkte het ijs geweldig door malkander, hetwelk te midden van den storm afgrijsselijk was te aanschouwen. In dien schrikbarenden toestand werden de schepen van Kommandeur PIETER ANDERSEN en ALBERT JANS door het ijs verbrijzeld. De manschap redde zich op het ijs, wordende een gedeelte van den leeftogt door dezelve geborgen. Wij verdeelden de manschap met den leeftogt op de drie overgeblevene schepen, welke nabij de verongelukte in het ijs beklemd lagen, op ieder van welke zich nu 78 zielen bevonden. Dit gebeurde op 67 gr. N.B. Nadat wij van de 5, 2 schepen verloren hadden, dreef het Walvisch-spek en de Traan om ons heen, op welker reuk de Beeren in menigte af kwamen, waarvan wij eenige dood schoten, die door het volk van de twee bij ons zijnde schepen, wegens gebrek aan leeftogt, werden ingezouten. De zoodanige, die er dadelijk van aten, vonden dit vleesch niet onsmakelijk, maar na verloop van twee dagen, ging hun het vel in den mond en van de tong als mede op andere plaatsen van het ligchaam en van handen en voeten af. Volgens het oordeel van Koopman ANDREAS OELZEN had men het, vóór het inzouten, ter deeg moeten laten uitvriezen, alsdan zoude het een onschadelijk voedsel zijn geworden. De Beeren veroorloofden ons niet, om gedurende den nacht van het een tot het ander schip te gaan en verlieten ons niet, vóór dat wij van het omdrijvende spek verwijderd waren. Voorts dreven wij met onze drie in het ijs bezette schepen gedurig om de West tot den 24 Augustus (No 8.). Toen konden wij uit den top van den mast het eiland _IJsland_ zien en tevens de vrije zee, hetwelk ons hoop gaf, dat wij met onze schepen dit eiland zouden kunnen bereiken, in gevalle het ijs van elkander mogt trekken. Op dit tijdstip, waarin de hoop klein begon te worden, kwam ik zeer dikwijls bij mijnen vriend, den Kommandeur HANS PIETERS, een man van 67 jaren, die aan eene _scorbutieke_ ziekte krank te bedde lag, om met denzelven over de mogelijkheid, om het eiland _IJsland_ te bereiken, te raadplegen. Deze had insgelijks weinig hoop, gevoelende tevens zijn sterfuur naderen. Bij vollen verstande beklaagde hij ons, daar wij in de kracht des levens in zulk eenen naren toestand verkeerden; “Doch,” zeide hij, “God is magtig! Hij zal nog wel eenigen onzer in het leven sparen, om deze gewigtige gebeurtenis aan de nakomelingschap medetedeelen. Hetgeen ons te beurt valt, is niet zonder wijze bedoeling der Voorzienigheid. Welligt kan het nog van dienst zijn voor menschen, die naderhand in soortgelijke omstandigheden komen te verkeeren.” Hij moedigde mij overigens sterk aan, om, bijaldien onze drie schepen vergingen, vooral goeden moed en raad te houden, de scheepssloepen, zooveel mogelijk, in goeden stand te brengen en van leeftogt te voorzien.
Ik legde mijne scheepskaart op het bedde van den kranken HANS PIETERS, en raadpleegde met hem in zijne jongste oogenblikken. “Kommandeur KAT,” zeide hij, “houd goeden moed en gedenk aan mijne gezegden! Poog, is het mogelijk, daar wij _IJsland_ reeds voorbijdrijven, bij den hoek van _Straat Davis_, _Statenhoek_ genaamd, te landen.” Hierop stierf hij welgemoed op den 3 September. Niet lang daarna werd zijn schip verbrijzeld.—Van 24 tot 30 Augustus (No 9.) werden wij zeer sterk door stroom en wind om de Zuid-west gedreven, zijnde bestendig ingesloten door het ijs met eene zware _deining_ of hooggaande zeeën, zoo dat wij ieder oogenblik vreesden met man en muis te zullen vergaan, dat God tot hiertoe nog verhoedde.
Van 30 Augustus tot 6 September (No. 10.) stevenden wij tusschen het eiland _IJsland_ en het vaste land van _Nieuw-Groenland_ door, op eenen afstand van 14 mijlen van den wal, van rondom met ijs bezet. De drie schepen waren bij elkander. Het woei een orkaan uit het Noord-oosten. Van rondom was de werking van het ijs onbeschrijfelijk wreed en schrikbarende. Wij zagen elk oogenblik den dood te gemoet. Dit viel voor op 66 gr. N.B. Wij zagen toen noch Walvisschen, noch Robben (of Zeehonden), noch gevogelte meer. Dit duurde van den 6den tot den 8sten September op gelijke schrikbarende wijze voort. Toen bedaarde het weêr, en wij dreven sterk langs de kust (of de ijsbergen) heen in eene Zuid-westelijke rigting op eenen afstand van 14 mijlen, terwijl wij het land in het gezigt hadden. De wind woei bestendig uit het Noord-oosten tot den 24 September (No 11.).—Toen konden wij van het dek de opene zee aanschouwen, hetgeen ons hoop gaf, om uit het ijs te komen. Onze schepen waren tot heden in eenen tamelijk goeden toestand en van leeftogt voorzien; doch vermits stroom en wind dezelfde streek hielden, opende het ijs zich niet, zoo dat onze schepen bestendig door het ijs ingesloten en nu en dan in hetzelve beklemd waren. Dit duurde tot den 29 September (No 12.) wanneer zich een geweldige storm uit het Noord-oosten verhief. Wij bevonden ons toen eene mijl ver van de opene zee. Onze 3 schepen bleven gedurende denzelven zoo goed als onbeschadigd. Maar op den 30sten September (No 13.), toen de wind allengs begon aftenemen, werden onze 3 schepen door de geweldige werking der hooggaande zeeën (_deining_) tusschen het ijs ingedrongen, en door deszelfs ontzettende stooten in één oogenblik verbrijzeld. De masten buitelden op het ijs. Elk zocht op de best mogelijke wijze lijfsberging op de woedende schotsen. Na het vergaan van onze schepen, hadden wij het geluk van een gedeelte van onzen leeftogt bij ons op het ijs te bergen. Ook redde ik zeven sloepen. Hier stonden wij in dezen angstvollen toestand onder den blooten kouden hemel, zonder schuilplaats, 21 mijlen ver van land op het ijs, in zee, op 64 gr. N.B. Het land was uit ons gezigt. Wij bevonden ons naar gissing 80 mijlen ten Westen van het eiland _IJsland_. Ik en Kommandeur HANS PIETERS bevonden ons met onze schepen, toen dezelve vergingen, digt bij elkander en Kommandeur H.C. JASPERS was twee mijlen verder landwaarts van ons. In dit tijdstip werd diens schip ook verbrijzeld, nemende hij de vlugt naar het schip van Kommandeur KLAAS J. KASTERKOM, hetwelk, schoon buiten ons gezigt, door hem gezien kon worden. Twee sloepen met 12 man bleven bij het verongelukte schip van H.C. JASPERS, welke daar verongelukten. Kommandeur KASTERKOM bevond zich op zijn schip met 286 man, toen het bij _Statenhoek_ verging. Van dit getal zijn slechts eenige te regt gekomen, alle de overige vergaan.
Nu bevonden wij ons, van ieder schip 78 man, op het ijs. Ik H.D. KAT redde zeven sloepen en eenigen leeftogt. De een zag den ander met droefheid aan, in zware gepeinzen verdiept, hoe en waar wij, in dezen treurigen toestand, waarin wij den dood voor oogen zagen, onze levensdagen zouden eindigen. Wij hadden geene zeilen, om eene tent op het ijs opteslaan, waaronder wij ons een weinig zouden hebben kunnen verschuilen.
Op den 1 October was er van onze verbrijzelde schepen niets meer te zien of te vinden. Wij stonden hopeloos op het geweldig stootend ijs, in vreeze, om ieder oogenblik door hetzelve vermorzeld te worden. Het land was buiten ons gezigt. Wij waren nabij de opene zee en werden Zuid-westwaarts aan voortgeslingerd op de schotsen. Dit duurde tot den 3den October (No 14.) wanneer wij ons nog met 78 zielen op eene ijsschots van ongeveer 200 vierkante voeten in de opene zee bevonden. Rondom ons heen was de zee eene vierde mijl ver vol ijsgruis. Dit was ons behoud, vermits wij door middel van hetzelve niet, bij het slingeren van onze ijsschots door de hooggaande zeeën, van dezelve afgespoeld werden. Ondertusschen ging zulks met groot gevaar vergezeld, zoo dat wij alle oogenblikken vreesden om te zullen komen.
Tegen den morgen hoorden wij door het scheepsvolk van Kommandeur PIETER ANDERSEN, bestaande in 78 man, die zich op eene tweede digt bij ons drijvende ijsschots bevonden (No 3.) Gode een gezang toezingen. Maar, toen de dageraad aanbrak, waren zij van de ijsschots vergaan, uitgezonderd Kommandeur PIETER ANDERSEN met eenige manschappen, die zich gered hadden. Om middernacht was onze ijsschots midden doorgebroken ten gevolge van de geweldige deining, waardoor wij 4 van onze sloepen verloren, benevens onze meeste _victualie_ (No 2.); van mijne 78 man (No 1.) verloor ik op dit tijdstip niemand. Dit viel na gissing voor 40 mijlen ten Oosten van _Statenhoek_. Gedurende den nacht waren wij door den stroom het land sterk genaderd.
In den ochtend van den 4 October (No 15.) bevonden wij ons op dezelfde ijsschots, die nu op de helft van 200 tot 100 voeten in het vierkant verkleind was, op eenen afstand van 10 mijlen dwars van het land af. Het weêr was nu goed. Ook hadden wij geene deining of verheffing van zee, zijnde aan alle kanten ingesloten door drijfijs, dat, naar ons bedunken, aan het land vast lag. Nu besloten wij onze drie sloepen te verlaten en, zoo mogelijk, te voet op het land aantegaan, weshalve wij onzen overgeschoten leeftogt onder malkander verdeelden, bestaande eeniglijk in brood, waarvan ieder man omtrent vijf scheepsbeschuiten met een weinigje boter ontving.
Bij nader inzien begrepen ik en Kommandeur ALBERT JANS, om onze drie sloepen op onze kleiner ijsschots, waarop God ons, tot op heden, zoo wonderbaar bewaard had, voor als nog, niet te verlaten. Hiertoe besloten nog 49 andere, terwijl de overige 27 man een zeer aandoenlijk afscheid van ons namen en over ijs naar land gingen. Of deze aan land zijn gekomen, is mij onbekend.
In dezen nacht veroorzaakte eene hooggaande zee met weinig wind, zulk eene zware deining in het ijs, dat de schotsen om ons heen de een tegen de ander opstegen, zoo dat wij ieder oogenblik den dood te gemoet zagen. Doch God was ons genadig. Het speet ons toen zeer, dat wij met de 27 man niet naar land waren gegaan. Deze nacht vertoonde aan ons oog akelige gedaanten. De zee woedde aan de buitenzijde tegen het ijs. De baren verhieven zich als torens in de lucht, makende in den langen donkeren nacht eene verschrikkelijke vertooning, terwijl het zoute water vurige stralen uitschoot. Onze kleine ijsschots van 100 voeten in het vierkant was als met eene borstwering van kleine ijsschotsen omgeven. Deze schoven zoodanig op elkander, dat wij ons naauwelijks konden bergen. Doch wij bleven dezen nacht met onze 3 sloepen nog onbeschadigd.
In den ochtendstond van den 5 October (No 16.) bedaarde het weêr, en de zee werd hand over hand kalmer. Nu maakten wij onze drie sloepen gereed, om er gebruik van te kunnen maken, als de gelegenheid ons voorkwam, en besloten, om zoo lang op onze kleine ijsschots van 100 voeten vierkant, (waarop God ons tot hiertoe zoo wonderbaar bewaard had) te blijven, tot dat wij genoodzaakt zouden zijn, om dezelve te verlaten. Het kwam ons voor, als of die schots voor ons bestemd was.—Ons voedsel was zeer gering. Van onze 5 scheepsbeschuiten hadden wij niet veel meer overig. Den dorst leschten wij met aan een stuk uitgevroren ijs te zuigen. Des namiddags legde ik mij, bij mooi weêr, in eene der sloepen neder, om een weinig te rusten. Ik was naauwelijks een weinig ingesluimerd, toen het volk, (hetwelk in hoopen van 17 man, voor ieder der drie sloepen één, verdeeld was) met groote verbaasdheid in de sloepen viel, en mij, met een luidruchtig geschreeuw, bekend maakte, dat de zee over onze ijsschots heen liep, waardoor dezelve dreigde te zinken. Hierop opende zich boven verwachting het ijs, zoo dat wij ons zeer schielijk op de vrije zee bevonden. Wij zetten toen onze zeiltjes bij (No 16.) met eenen gunstigen Noord-oosten wind en stevenden op _Statenhoek_ aan. Wij hadden een kompas, konden het land zien en zeilden des nachts langs het wit blinkend ijs.
Onze schipbreuk (No 13.) was zeer verschrikkelijk, vergezeld van de smartelijkste gevolgen tot den 5 dezer, maar onze ijsbreuk (No 14.) en het verlies van de schots was niet minder schrikbarende. Wij zeilden bij het ijs langs tot den 6 October (No 17.). Des middags bevonden wij ons, naar gissing, 6 mijlen beoosten _Statenhoek_. Hier dreven wij met het ijs zeer verre in zee op; (No 17.) zoo dat mijn volk uit onkunde en vrees weigerde, om langer langs het ijs zeewaarts in te zeilen, hetwelk nogtans noodzakelijk was, vermits dit ijs aan _Statenhoek_ vast lag en ons om de punt heen leidde. Wij zouden alzoo doende met onze sloepen land hebben bekomen, schoon men zich bij deze onderneming het gevaar van wind en zee moest getroosten. Nu was men genoodzaakt, om, zooveel mogelijk, door het ijs te werken, ten einde het land te bereiken. Hiermede vorderden wij niet meer dan eene halve mijl, wanneer wij genooddrongen werden het werk te staken en de sloepen op het ijs te halen. Hier vond ik eenen ijsberg (zie No 17.) welke, naar gissing, 60 a 70 voeten hoog was. Dezen beklom ik met eenige van mijne manschappen en toonde hun de dwaasheid hunner keuze, hebbende mijnen raad niet willen volgen, om met onze sloepen rondom de ver in zee uitstekende ijspunt heen te zeilen, wanneer wij op _Statenhoek_, waarschijnlijker wijze, hadden kunnen landen. Dit was nu te laat. Wij hielden ons voorts bij onze drie sloepen op het ijs, gekweld door grooten honger en koude en afgesold door vermoeidheid, doordien wij geene rust hoegenaamd genoten.
Op den 7 October (No. 18.) kwamen wij des morgens bij goed weêr, tot het verbazend en ijsselijk besluit, om onze drie sloepen te verlaten, om te zien, of wij te voet over ijs het land zouden kunnen bereiken, aangezien wij aan alle zijden door het ijs ingesloten waren, en onze leeftogt slechts bestond in 3 scheepsbeschuiten voor ieder hoofd. Vóór dat wij dit echter ondernamen, braken wij eerst het hout uit de sloepen, maakten daarvan een vuur aan op het ijs, verwarmden onze ingewanden met wat heet theewater en nam elk onzer een’ beet van zijne drie beschuiten. Sterke drank ontbrak ons ten eenenmale. Na deze verkwikking namen wij een zeer aandoenelijk afscheid van twee onzer lotgenooten, welken wij Gods groote genade toewenschten. Wij moesten hen, door dien zij niet gaan konden, bij de sloepen laten. (No 17.) Vervolgens gingen wij, ten getale van 49 man, op het land aan. De laatste groete aan deze twee achterblijvende mannen viel ons zeer smartelijk. Wij hadden 2 haken, 1 theeketel en 1 biermok, tot ons gerijf, bij ons.