Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst, in de jaren 1777 en 1778 door Hidde Dirks Kat

Part 3

Chapter 33,845 wordsPublic domain

De huizen hebben de gedaante van de letter T. BB is de lengte, b.v. 100 voeten, dan is de breedte 16 en de hoogte 8 voeten. Zij zijn gebouwd van zwart potleem. De muren zijn naar gissing dik 3 voeten, het dak met sparren is een weinig schuins gelegd en met zwarte aarde overgepleisterd. Voorts is het met Zeehonden-vellen digt gemaakt. De streep van A tot C verbeeldt den gang, die naar het huis loopt. Dezelve is 14 voeten lang en zoo laag, dat men er op handen en voeten door moet kruipen, om in het huis te komen. De twee openingen tot den gang zijn bij de letters DD en de daarbij geplaatste stipjes. In het huis zelf kan men regt overeind gaan. Het is afgedeeld met schermen van Robbe-vellen van ongeveer 5 voeten hoogte en 7 voeten lengte. Het overige gedeelte der ruimte langs het huis heen voor alle deze zes afgeschutte woonplaatsen langs is met steenen belegd, waarop zij hunnen arbeid verrigten, hebbende ter wederzijde van den langen gang één venster nevens de stipjes in den winkelhoek van de T. Ieder venster heeft 3 voeten in het vierkant. De glazen zijn gedroogde en aan elkander genaaide Zeehonds-darmen. Aan het einde van dezen gang is nevens A een rond gat, waardoor zij de schuitjes uit en in huis steken. Ook worden dezelve binnen ’s huis vervaardigd op de met steenen belegde plaats, die voor de schermen langs loopt. Hunne lampen zijn van eenen uitgeholden steen gemaakt, waarin zij traan branden, zijnde de pitten van mos. Ook maken zij zelve potten van zwarte aarde, die zij met traan en mos vullen, bekleedende zulks de plaats van een vuur, waarover zij koken. Deze vuurpot hangt voor hunne slaapplaats, waarover zij in eenen kleinen pot hun Robbevleesch en Visch koken. Hunne lampen geven goed licht, maar het een en ander veroorzaakt veel stank in huis, vermits alle rook den gang uit moet, langs welken zij in huis gaan of kruipen. Zij hebben geen’ schoorsteen—dus is het zeer benaauwd in huis. Door den langen gang in huis komende, vindt men aan de eene zijde van het _Huis_ of _Poortje_ zonder deur eene door hen zelve vervaardigde ton met loopend water, waarin een stuk ijs staat, om het koel en smakelijk te houden. Dit is hunne drank, waarop zij zeer gesteld zijn. Aan de andere zijde van dit Poortje staat eene groote balie met hun eigen water of _urine_. Mannen, vrouwen en kinderen zijn gewoon zich alle avonden in dat stinkende water te wasschen. De vrouwen binden het haar, daarmede gewasschen, in een’ top op het hoofd te zamen. Zij zijn klein van statuur, doch in ’t gemeen zijn de vrouwen grooter dan de mannen. De mannen zijn platachtig van aangezigt en neus, en bruin van tint, hebbende in ’t gemeen bruine oogen en geenen baard, dien zij, naar men zegt, uitplukken. Doch ik heb zulks niet gezien. Mannen en vrouwen hebben deels lang bruin of zwart grof haar. Hunne tanden zijn wit. Ouders en kinderen liggen door malkander met een ruig honden-vel overdekt, zijnde hetzelve als een deken gevormd. Bij vermeerdering van gezin wordt de slaapplaats met vellen afgeschut. Staande dat tijdstip zijn de mannen en kinderen verwijderd. Zulk eene vrouw gaat gemeenlijk met drie a vier dagen weder aan haar werk. Steenpuisten zijn hun voornaamste ongemak. Kinderpokjes kennen zij niet. Van andere ziekten onder hen weet ik niet. De dooden worden in een vel of vacht genaaid en dadelijk met alle de gereedschappen, waarmede zij den kost plagten te winnen, onder de steenen begraven. Zij schreijen alle morgens en alle avonden een vierde uur lang over de afgestorvenen en wel met tranen. Daarna zijn zij vrolijk en leven zeer vreedzaam. Zij zingen niet. Spreken en lagchen is hun vermaak. In den zomer slaan zij hunne tenten op langs de kust. Dan komen zij bij elkander, bedrijven vreugde, huppelen en springen en leggen in hunne eenvoudigheid groote vergenoegdheid aan den dag. Schoon de zindelijke mensch groote morsigheid in hunne levenswijze opmerkt, ziet men in tegendeel, dat zij veel vernuft bezitten in het konstig maken van hunne kleederen, in het bereiden der vellen en in de wijze, waarop zij hunne kleederen naaijen. Op de nevensgaande Kaart ziet men eenen Wildeman in zijn schuitje afgebeeld. Dit stuk is bewonderenswaardig. Hetzelve ligt, als de Wildeman er in zit, met het middelste gedeelte, 4 duimen boven water. Hij heeft de zwarte _halve geut_ (of run) A in zijn’ regterhand nevens het hoofd. B verbeeldt den pijl, waaraan nog drie kleine pijltjes (of harpoentjes) beneden aan de schacht zitten. C verbeeldt een blaasje, dat op den pijl vastgemaakt is. De Wildeman is zoo sterk en geschikt, dat hij, op eenen verren afstand, met zijne regterhand den pijl B wegschiet uit de _halve geut_ (of run) A, en den vogel treft. Is het misgeschoten, dan drijft de pijl B op het water aan het blaasje C, hetwelk aan den pijl is vastgemaakt. Hij schiet den pijl over den mast van een schip heen. D is een pijl of harpoen, welks punt in den voorsteven van het schuitje rust. Het ander einde rust op een tafeltje, dat drie pootjes heeft, waarop de lijn G in goede orde in bogten is gelegd. Deze lijn is van een Robbe-vel vervaardigd en zeer kunstig in het rond uitgesneden. Dezelve is vastgemaakt aan den langen harpoen en het ander einde aan de blaas E, welke door een houtje, als eene veer, op het schuitje achter den Wildeman wordt vastgehouden. Zoodra de Wildeman met den langen harpoen D eenen Zeehond (of Rob) schiet, dan loopt de lijn van het tafeltje en rukt de blaas E van het schuitje of onder de houten springveêr H weg, hetwelk zoo kunstig is gemaakt, dat, slipte de blaas niet goed van het schuitje, zoo zoude hetzelve in wanorde komen en de Wildeman zou moeten verdrinken. Nadat de Rob moê of afgemat is, slepende de blaas E achter zich, wordt hij gevangen en voorts afgemaakt. De blaas E is een welbereid Robbevel, of een geheele Rob, zeer kunstig bereid en voorzien met eene beenen _bus_, welke daarin vastgemaakt is, en waardoor een gaatje loopt, waardoor zij de blaas vol wind blazen, er een pennetje in stekende, om er den wind in te houden. Zij komen met hunne welgemaakte schuitjes (hoedanige ik op bladz. 25 beschreven heb) zelfs bij stormachtig weêr bij onze schepen in zee, wanneer wij genoodzaakt zijn, om voor klein zeil te zeilen. De zee spoelt gedurig op hunne zitplaats over het schuitje heen. Zij liggen als een vogel op zee, zoo wel en luchtig zijn dezelve gemaakt. Eén man kan zulk een schuitje dragen. Hoe vlug deze Wilden zijn, kan men daaruit opmaken, dat zij, zittende in het schuitje (zie de figuur) zich met hetzelve in het water kunnen kantelen en zeer snel met den riem F weder oprigten, of liever, zij tuimelen met het schuitje eenen slag in het rond, hetwelk eene verwonderenswaardige vertooning oplevert. I is een in zee zwemmende Zeehond of _Rob_.—F is de roeispaan, welken zij met de linkerhand vasthouden, liggende dwars over het schuitje heen. Aan de einden van het schuitje is een beenen knopje en aan de voorstevens een stukje been, hebbende ten doel, om het schuitje tegen het aanstooten van het ijs te wapenen. Al dit kunstwerk is zeer bewonderenswaardig. Hunne schuitjes zijn zoo geschikt, om er in onstuimig water mede te werken, dat geen bouwmeester hier te lande in staat is, iets dergelijks van leder zoo waterdigt te maken. Hunne welbereide en zeer kunstig genaaide kleederen zijn even verwonderenswaardig.

Ik vond in de valleijen van het gebergte boompjes, doch niet hooger dan ongeveer 10 voeten, zonder vrucht, sommige lage boompjes (of heesters) met blaauwe bessen. Des morgens gaan de mannen met hunne voornoemde schuitjes naar zee op de Robben- of Zeehonden-vangst, en, des avonds komen zij weder t’huis. Dan halen de vrouwen de gevangene Robben op het land, snijden ze in lange reepen en deelen daarvan mede aan hunne kinderen, gelijk wij er mede onze portie van kregen. Hiervan eten zij met smaak en het bekomt hun ook wel. Wij, door grooten honger geperst, gebruikten er desgelijks van, vermits wij niets anders konden krijgen. Doch het bragt bij ons een’ fellen buikloop te weeg, waardoor wij ongemeen verzwakten. Aangezien wij door den traan zeer morsig waren, vonden wij ons genoodzaakt, om ons met het voornoemde stinkende water uit de balie te wasschen, welks stank en sterkte wij ter naauwernood met neus en oogen konden verduren. Doch wij gingen, na het wasschen, naar buiten en wieschen ons vervolgens met water en sneeuw af, hetwelk ons dan weder frisch maakte. Zoo moesten wij ons aan hunne levenswijze gewennen. Dit gebeurde binnen _Kaap Vaarwel_ op 60 gr. 15 minuten N. Breedte. Uit hoofde van het slechte weder moesten wij hier met de te voren genoemde vier dagen, in het geheel vijfentwintig dagen doorbrengen.

Den 17 November. Ik wist de Wilden in dien tijd te beduiden, dat zij tabak voor mij moesten halen; vermits ik wist, dat er, het zij van nabij, het zij op eenen verren afstand, Christenen op deze kusten moesten wonen. Op sterk aanstaan besloten zij eindelijk hiertoe en namen de moeijelijke reis met hunne snel varende schuitjes aan. Zij gaven mij te verstaan, dat ik schrijven moest. Ik gebruikte daartoe een wit Robbevel en schreef daarop mijnen naam, met vermelding van mijnen toestand, met Robbenbloed.

Ik gaf aan de aanzienlijksten in huis mijn horologie, voorzien zijnde van eene gedreven kas, waarop zij zeer gesteld schenen, tot een geschenk. Hierop gingen zij naar de volkplanting op reis.

Heden ontving ik eenen brief van mijnen Stuurman, die mij meldde, dat Kommandeur MARTEN JANZEN en JELDERT JANS DE GROOT bij hem waren geweest. Zij waren gelukkig om _Kaap Vaarwel_ met twee vrouwe-booten heengekomen.

Doordien de Wilden met deze snelvarende schuitjes in den tijd van 12 uren 20 mijlen kunnen afroeijen, zoo kan men daaruit opmaken, welk een eind weegs zij konden afgelegd hebben, toen zij, na een tijdsbestek van drie dagen, weder terugkwamen. Zij lieten volstrekt niet blijken, dat zij iets voor ons hadden en droegen hunne schuitjes naar hunne woning, waaruit zij mij, uit het achtereinde, eenen brief, benevens pennen, inkt, papier en tabak overreikten. Dit alles kwam van eenen Hernhutter met name JAN SIBRANDS. Het lezen van den Hoogduitschen brief, die door een’ Christen geschreven was, veroorzaakte ons groote blijdschap. Dezelve is naauwelijks te beschrijven. Bij dien brief ontvingen wij tevens vierentwintig Eendvogels, die ons grootelijks verkwikten. Doch, wegens gebrek aan zout, waren dezelve min smakelijk. Wij namen daarvoor in plaats Robbenbloed met zout water gekookt, hetgeen ons echter in ’t geheel niet voldeed.

De brief van den Duitschen broeder behelsde, dat wij ons onder goede Wilden bevonden; hebbende zij last gegeven aan dezelve, om ons, wanneer de gelegenheid gunstig was, bij hem te brengen. Uit hoofde van slecht weêr en harde vorst bleven wij, na de ontvangst van dien brief, er nog tot den 19 October (No 28.) wanneer wij in den ochtendstond, bij goed weder, met eene vrouwen-boot, onder het geleide van verscheidene mannen en vrouwen, die deels in onze boot, deels in afzonderlijke schuitjes nevens ons roeiden, vertrokken. Des avonds waren wij bijna dood gevroren. Wij kwamen echter in den nacht bij andere Wilden om de Noord behouden aan land. Een der Wilden gaf ons te verstaan, dat hij een Christen was, met name LODEWIJK. Hij bragt ons in den nacht in zijn huis, zijnde hetzelve van het vroeger omschreven maaksel. In dit huis woonden verscheidene huisgezinnen. Ik beschouwde dit alles met verwondering. Aan een’ pilaar, waarop het huisdak rustte, zag ik onder andere Duitsche zaken een vaderlandsch spiegeltje. Dit verrukte ons ten hoogste. Het huis verder in oogenschijn nemende vond ik voorts, aan denzelfden pilaar, maar tot mijne droefheid, eene Hoogduitsche _Courant_. Een mijner vier mannen dezelve lezende vernam ik daaruit, tot mijn innig leedwezen, dat mijn zwager, Kapitein KORNELIS HIDDES, van _Amsterdam_ uitgevaren naar de _Middellandsche Zee_, door den _Turk_ genomen, en te _Larassy_ in _Turkije_ opgebragt was. Dit verdubbelde mijne smart. Kort daarna kwam de Duitsche broeder JAN SIBRANDS bij mij in huis en verwelkomde mij met groote liefde. Hij nam mij mede naar zijn huis, dat, gelijk hier te lande, van steenen gebouwd was, doch klein, bevattende drie vertrekken. Zijne vrouw reinigde mij van het ongedierte en gaf mij een schoon hemd, dat mij zeer verkwikte. Hier waren drie Duitsche Hernhutters, van welke twee gehuwd waren, hebbende één kind. Wie zal zich een duidelijk begrip vormen van de streelende gewaarwording, welke mijn afgemat ligchaam nu alreede te beurt viel! Dit is in waarheid onbeschrijfelijk.—Eerst verwelkomden zij mij met een glaasje _liqueur_, daarna in den nacht met melkspijs, welke wij met zilveren lepels aten—vervolgens sliep ik op een zacht bed van veren.—Ach! hoeveel dankbaarheid gevoelde ik wegens dat alles jegens den goeden barmhartigen God, die ons tot dus verre door zijne genade geleid had. Ik genoot dezen nacht goede rust.

Op den 20 November werd ik des morgens bij het opstaan, onthaald op een kopje koffij met eene boterham.—Nu naar alles vragende, verhaalden zij mij, wie daar al van tijd tot tijd geweest waren. Ik deelde hun hierop het verhaal mijner lotgevallen, tot hiertoe, mede. Zij namen zeer veel deel in ons wedervaren. Deze volkplanters betoonden ons Christelijke vriendschap, doch deze overtrof in geenen deele het onthaal, hetwelk wij genoten hadden bij de arme Wilden, bij welke wij het eerst waren aangeland. Hier zullen ongeveer twee honderd gedoopte menschen zijn geweest. De Duitsche broeder JAN SIBRANDS verhaalde mij, dat hij, vierendertig jaren geleden, met zijne vrouw, door Kommandeur ITS ALDERTS van _Amsterdam_ derwaarts gebragt was. Hij had een aantal schapen. Het land was aan den benedenkant van het gebergte vlak en groen. Ik onthield mij hier drie dagen lang met veel genoegen. Hem verzoekende, of ik aldaar met mijne vier mannen, gedurende den winter zou kunnen blijven, vermits wij niet verder om de Noord meenden te kunnen reizen, weigerde hij zulks, oordeelende het beter te zijn, dat wij ons verder Noordwaarts op naar _Juliaans Hoop_ begaven, zijnde een _Deensche_ volkplanting op 61 graden. Ik kreeg van deze Hernhutters mijn horologie weder, dat zij van de Wilden, aan welke ik het ten geschenk had gegeven, ingeruild hadden tegen tabak, schietgeweer, spelden en naalden. Deze Hernhutters voorzagen ons voorts van leeftogt voor zeven dagen.

Den 21 November (No 29.) gingen wij op vrouwe-booten op reis, vergezeld van Christen-wilden, namelijk één man en eenige vrouwen, en voorts, tot hulp en gezelschap, nog twee mannen, ieder in een afzonderlijk schuitje. Na eene reis van zeven dagen bereikten wij de voornoemde volkplanting _Juliaans Hoop_.

Op den 28 November kwamen wij bij den Koopman ANDRIES OELZEN. Wij hadden, gedurende deze reis van zeven dagen, ons nachtverblijf bij Wilden, die geene Christenen waren, maar ons vriendelijk bejegenden en ons dikwijls van hunne armoede nog iets mededeelden, als Robbevleesch en gedroogde spiering. Gedachte Koopman ANDRIES OELZEN was met eene inlandsche vrouw gehuwd. Hij had bij dezelve tien kinderen, vijf zonen en vijf dochters, van welke twee zonen en drie dochters in leven waren. Hij en één zijner zonen waren zeer ervaren in de muzijk, spelende op verscheidene instrumenten. Hij had zesendertig jaren lang in _Straat Davids_ geweest. Zoodra ik hem zag, herkende ik hem. Hij was in het jaar 1763, toen ik met Kommandeur HANS BARENDS van _Holland_ voer, met zijne vrouw en kinderen in de rivier of baai, _de Suikertoppen_ genaamd, bij ons aan boord geweest. Hij herinnerde zich zulks terstond. Ook bragt ik hem te binnen, dat hij destijds het behoud van ons schip was geweest. Vermits ons scheepsvolk, vermoeid van de Walvisch-vangst, zich ter ruste had begeven, had hij brand in den schoorsteen ontdekt, welke alreede zoo ver gevorderd was, dat het dek gevaar liep vlam te vatten. Ook dit herinnerde hij zich zeer duidelijk. Het was bewonderenswaardig, dat wij elkander na zoovele jaren, op deze wijze ontmoetten!—

Bij dezen Koopman vonden wij eenige manschap van de andere verongelukte schepen, die met vrouwe-booten verder om de Noord dachten te reizen. Bij deze bevond zich Kommandeur ALBERT JANS. Ik gebruikte bij ANDRIES OELZEN het avondbrood en vernachtte aldaar. Hij bejegende mij zeer vriendelijk.

Op den 29 November (No 30.) ontmoette ik zeven mannen, die voor dezen Koopman, langs de kust om de Noord, handel dreven in Vosse- en Robbevellen en traan. Ik verzocht den Koopman ANDRIES OELZEN, of ik den winter bij hem zou kunnen doorbrengen. Dit werd mij geweigerd, doordien hij gebrek had aan levensmiddelen, en aldaar in twee jaren geen schip was geweest met proviant. Toen Kommandeur ALBERT JANS mij in de volkplanting _Juliaans Hoop_ verliet, gaf ik hem twee brieven mede, welke in de maand Junij van het volgende jaar beide in het vaderland te regt zijn gekomen. Ik trad vervolgens, na overleg met den Koopman, met de voornoemde zeven mannen in onderhandeling. Deze wilden mij vier mijlen ver mede terugnemen. Ik zou mij dan zoo lang bij de Wilden ophouden, tot dat de overige manschap van hier vertrokken zou zijn. Zij wilden mij dan naderhand van de plaats, waarheen zij voornemens waren ons nu te brengen, weder afhalen. Toen ontzonk mij de moed. Ik moest met mijne vier mannen van de Christenen weder terug naar de Wilden, die ons vervolgens tien dagen lang, in hunne woning, met Robbenvleesch en Spek, waarbij wij niet dan met veel tegenzin het leven rekten, onderhielden.

Den 9 December (No 31.) schreef ik eenen brief aan voormelden Koopman ANDRIES OELZEN in de Kolonie _Juliaans Hoop_, waarin ik hem verzocht, om voor mij aan den Hernhutter JAN SIBRANDS te schrijven, of ik bij dezen niet zou kunnen overwinteren, aangezien ik hier den winter niet kon doorkomen. Na de ontvangst van dezen brief zond Koopman OELZEN mij dadelijk zijnen zoon en dochters en meer anderen, die mij en mijn volk van daar afhaalden.

Wij kwamen den 10 December voor de tweedemaal in het huis van Koopman ANDRIES OELZEN. Kommandeur ALBERT JANS was toen met zijn volk om de Noord vertrokken, zijnde Kommandeur HANS CHRISTIAAN JASPERS daar gebleven. Hier kon ik nu, op aanbod van Koopman ANDRIES OELZEN, bij hem den winter doorbrengen, zijnde de voornoemde manschap vertrokken, onder voorwaarde, dat ik des middags Robbevleesch voor lief zoude nemen, zullende hij mij tot avondeten vaderlandschen kost, te weten, gebroken gort en witte erwten, voordienen. Ik nam zulks met blijdschap aan, en verdeelde mijne manschap onder de Wilden, die zich met derzelver kost moesten vergenoegen.

Terwijl ik intusschen kennis maakte met de arbeiders in de volkplanting, welke wekelijks hun rantsoen vaderlandschen kost van den Koopman ontvingen, kocht ik zulks van hen, onder voorwaarde, dat ik hen, te _Kopenhagen_ komende, zoude voldoen. Dit stelde mij in staat, om mijn volk alle Zon- en Woensdagen bij mij ten eten te vragen, om hen op voornoemden voorraad te onthalen.

De Kolonisten wetende, dat Koopman ANDRIES OELZEN nog een vaatje bier in zijn’ kelder had, verlangden zeer, om daarvan eens te proeven, zeggende, dat mij zulks ook wel zoude smaken;—doch de kelderdeur bleef gesloten. Maar op den 11 Januarij 1778 (No 32.) vierde de zoon van ANDRIES OELZEN, die met een inlandsch meisje ging trouwen, zijne bruiloft. De trouwplegtigheid werd waargenomen door eenen inlandschen Kandidaat, die desgelijks met eene inlandsche vrouw gehuwd was en aldaar woonde. Vóór deze bruiloft riepen deze Kolonisten mijne tusschenkomst in ter verkrijging van eenen dronk biers. Ten einde zulk te bewerken, verzocht ik den Koopman verlof, om ons op de bruiloft vrolijk te mogen maken, hetwelk hij mij met blijdschap toestond.

Bruidegom, Bruid, Kandidaat en Vrienden kwamen nu met muzijk ter bruiloft, en begonnen eenen vrolijken wilden dans. Het huis was van binnen vervuld en van buiten omringd met vrolijk gezelschap, en, bij die gelegenheid werd het vaatje bier uit den kelder gehaald. Op deze wijze kreeg elk eenen dronk bier ter eere van het jonge paar. Zeer toevallig kwamen in den voornacht drie Wilden met hunne schuitjes van de volkplanting _Frederiks Hoop_, (alwaar het Proviantschip van den Koopman, op eenen afstand van 30 mijlen om de Noord, bevroren lag) brengende mede eenige ponden suiker, koffij en thee, welke den Koopman, het jonge paar en ons allen zeer te stade kwamen. Zij hadden in langen tijd niets van dien aard gehad. Thans werd de koffij spoedig gebrand en gebruikte men op de bruiloft koffij en thee met boterhammen, hetwelk ons ongemeen verkwikte en vervrolijkte.

Wij bragten den winter, na zooveel doorgestane ellende, op _Juliaans Hoop_, met zooveel opgeruimdheid, als mogelijk was, door. Des nachts zagen wij de schoonste vertooning van het afwisselend en spelend Noorderlicht (No 41.) dat zich zoo wonderbaarlijk met alle kleuren aan het oog opdoet, dat geene pen in staat is, zulks te beschrijven; zijnde het voor menschen, die er niet aan gewoon zijn, zeer schrikbarende.

Waarschijnlijk ontstaat het Noorderlicht door de wederomkaatsing van het glad in zee omdrijvend ijs, hetwelk op 71 gr. 30 min. en verder Noordwaarts op naar de pool gevonden wordt en door stroom en wind in eene sterke beweging is, daar het in de lucht uitstekende hoog ijsgebergte met alle zijne zeer diepe dalen en blinkende brandpunten zich in de lucht spiegelt en zich, rondom de Noordpool des hemels, in de vloeibare deelen vertoont; welke spiegelende en spelende vertooning zich misschien ook wel gedeeltelijk aan ons oog opdoet, doordien de aarde zich alle 24 uren zeer snel om hare as wentelt.

Dit althans is proefondervindelijk. Wanneer men in _Groenland_ van rondom in het ijs is ingevroren, en geen water kan zien, dan ontdekt men de gaten, welke, groot of klein, zonder dat men dezelve kan zien, op eenen afstand van 1, 2, 3 ja van 10 mijlen enz. in het ijs scheuren, op gelijke wijze aan de lucht, als dezelve natuurlijk in het ijs zijn.

Gedurende dezen winter lag het ijs bestendig aan het land aangesloten tot aan de maand Mei, zoo dat het proviant-schip niet bij ons kon komen, hetwelk 30 mijlen van ons om de Noord lag ingevroren, maar in het laatste van Junij ontving onze Koopman ANDRIES OELZEN op _Juliaans Hoop_ eenen brief van Koopman KAREL BRUIN van de Kolonie _Frederiks Hoop_, waarin deze hem meldde, dat 16 mijlen benoorden ons twee vrouwe-schuiten (of _koene booten_) lagen, welke hij met levensmiddelen naar ons had afgezonden, en welke Koopman OELZEN, wanneer de gelegenheid zulks toeliet, van daar moest laten afhalen. Ook berigtte hij, dat het proviant-schip nog tusschen het land en het ijs in zijn gezigt lag, met bestek, om de reis naar _Juliaans Hoop_ voorttezetten. Wij bragten daarop de Noordsche Jol van onzen Koopman in gereedheid en HANS CHRISTIAANS en ik voeren beide mede tot hulp. Na verloop van vijf dagen kwamen wij op eene plaats, alwaar wij voornoemden Koopman BRUIN dachten te vinden; doch wij ontvingen berigt, dat Koopman KAREL BRUIN den voorgaanden dag met twee geladene koene-booten terug was gegaan naar de Kolonie _Frederiks Hoop_. Wij achtervolgden hem, en, na verloop van nog vier dagen (zijnde naar gissing de 9 Julij (No 33.) kwamen wij bij den Koopman KAREL BRUIN in de Kolonie _Frederiks Hoop_, vindende daar tevens het Proviant-schip, dat anderhalf jaar in dit land was geweest, vermits het, uit hoofde van de bezetting van het ijs, de proviant niet ter bestemde plaats had kunnen vervoeren. Wij verblijdden ons hartelijk, dat wij het schip bereikt hadden, en hoopten met het genoemde vaartuig dit jaar naar het vaderland te kunnen terugkeeren.