Part 9
De twee Zwitsers waren woedend op La Cueille over zijn ontijdig geschreeuw. Ook Johannes toonde zich ontstemd. Een blik evenwel op den Waal loste het raadsel op. Gedurende den tijd, dien de ontvluchting voorafging, had deze stipt zijn woord gehouden en geen droppel jenever geproefd. Zelfs had hij de oorlammen niet gedronken, die den soldaat op voet van oorlog van Gouvernementswege uitgereikt worden. Maar hij had het toch jammer gevonden dien jenever ongebruikt te laten en daarom had hij den kommandant verlof gevraagd, zijn ration sterken drank in een kommetje te mogen ontvangen om er zijne voeten en beenen mee te wasschen, die hij voorgaf dat opgezwollen waren. De algemeene regel is, dat de soldaat zijn oorlam bij den foerier, die het hem aanreikt, terstond uitdrinkt. Toen de officier, achterdochtig tegenover zoo’n dranklustige, en een foefje vermoedende, om genoegzaam drank te kunnen besparen, ten einde eens ter dege dronkenmannetje te spelen, La Cueille de voeten deed ontblooten, vertoonde deze een paar, die zoo opgezet en zoo rood ontstoken schenen, dat de gevraagde permissie zonder aarzeling verleend werd. Aan die voeten mankeerde evenwel niets; de oolijkerd, de achterdocht van den luitenant voorziende, had zich met een paar touwtjes de beide beenen boven het kniegewricht zoodanig afgebonden, dat de bloedsomloop gestremd was en van daar de opgezwollen en branderige voeten. Zorgvuldig bewaarde de Waal nu dien jenever en zoo had hij ruim anderhalven liter verzameld, die in de veldflesch van Johannes en de zijne door Baba Poetjieng aan boord was gebracht. Toen hij nu des avonds, na zijn ontsnapping uit het fort, in de prauw gedoken lag, in afwachting dat het uur van vertrek zoude komen, streelde zijn hand met innig welgevallen de beide veldflesschen en watertandde hij bij de gedachte, dat het oogenblik nabij was, waarop hem vergund zoude wezen, eens een hartigen teug te nemen. Wat kropen die uren langzaam om! Wat was het mistig en kil op het water! Zou dat wel gezond wezen? Langzamerhand begon de overtuiging zich bij hem op te dringen, dat hij toch reeds geheel en al zijn woord gestand had gedaan. Van het oogenblik af, dat hij dat woord verpand had, om vóór het vertrek geen jenever te drinken, was geen droppel drank hem over de lippen gekomen. Maar nu was het vertrek daar; hij was reeds in de prauw, van den wal af. Een ellendig stuk rottan verbond nog maar het vaartuig met het vlot, waaraan het vastgemeerd lag. Zou nu in waarheid kunnen beweerd worden, dat de ontvluchting niet feitelijk begonnen was? Jawel, dat was zij zeker! dat zou de kommandant hun wel aan het verstand brengen, wanneer hij hen nu ontdekte. Kom! een enkele teug zal nu toch geen kwaad meer kunnen stichten. Hij greep een der veldflesschen in het donker, ontkurkte haar voorzichtig en onhoorbaar en nam een flinken teug. Hé! dat smaakte en verwarmde hem; de nachtlucht was toch zoo onaangenaam vochtig. Een tweede teug volgde en was in volumen niets minder dan de eerste.
„Train de plaisir de ma bouche à mon estomac,” prevelde de Waal, die zich nu in een uiterst aangename gemoedsstemming begon te gevoelen. Wat duurde het lang, eer dat dat verwenschte lijk gebracht werd. Om den tijd te korten, liet hij den pleiziertrein nog eens rijden. De eerste veldflesch was bijna ledig.
Eindelijk! daar kwam men met den doode aandragen. Poeah!! wat een stank; dat was om de cholera op het lijf te krijgen! De rijken drinken champagne en cognac als verweermiddel tegen de ziekte; jenever zal toch wel hetzelfde uitwerksel hebben. En zoo ging het teug op teug en zoo was de inhoud van de tweede veldflesch op weg de eerste te volgen.
Toen de Balians met hare prauw aangekomen waren, en de lijkstaatsie zich in beweging stelde, zat La Cueille wezenloos uit te turen, maar hield zich doodstil. De boomen en struiken op de oevers stoven in het nachtelijk duister voorbij, als waren het spookgestalten. Somber en klagend weerklonk de titih over de watervlakte, terwijl de roeiers den vloed met hunne „beseai’s” (pagaaien) kliefden. Achter de doodenprauw gilden de Balians hunne doodengezangen. De vluchtelingen roeiden mede en tuurden overigens stilzwijgend naar de voorbijzwevende oevers. Daar doemden de sombere omtrekken van het fort op. De stem van een schildwacht liet zijn „werda” hooren en kort daarop het bevel om aan te leggen. Daaraan moest voldaan worden. Het hoofd van een sergeant boog over de lijkprauw, maar toen die onderofficier den stank in den neus kreeg, dien de doode verspreidde en hij vernam dat het de begrafenis van een choleralijder betrof, trok hij zich eenigszins verschrikt terug en liet de beide prauwen de reis voortzetten. Nog een paar roeislagen en de vaartuigen waren de landtong voorbijgeschoten. Maar toen kon de dronkaard zijn overmoed niet meer bedwingen:
„M....! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!” klonk over het water. Wel sprong Johannes op en wilde den Waal den mond dicht houden; maar het was reeds te laat.
„Beseai goeloeng goeloeng!” (roeit snel) vermaande hij.
Toen het bevel van het fort weerklonk om terug te keeren, brulde La Cueille in volle dronkenmanswoede nogmaals zijn M....! en voordat iemand het hem beletten kon, greep hij zijn geweer en vuurde het in de richting van het fort af. Al heel spoedig daarop, zagen de opvarenden een groote vlam flikkeren en bijna onmiddellijk daarop dreunde een kanonschot als een vervaarlijke donderslag door de lucht. Tegelijkertijd deinden de prauwen alsof zij beschonken waren en knetterde een levendig geweervuur van den wal. Wat er eigenlijk voorviel, wist niemand der opvarenden bij de algemeene ontsteltenis. Toen het geweervuur ophield, dreven de vaartuigen door den sterken ebstroom voortgezweept, in het midden der zeer breede rivier.
In de prauw der Balians waren van de veertien roeiers twee gedood en een gewond. In die der deserteurs was niemand gedeerd en waren allen met den schrik vrij gekomen. Ieder greep zijn „beseai” en roeide met alle kracht, want iedereen begreep, dat een nachtelijke vervolging niet onmogelijk was. Zoo, door zes paren krachtige armen voortgestuwd, terwijl de zevende stuurde, vloog de prauw vooruit en deed het witte schuim onder haren voorsteven opstuiven. Die vaart werd volgehouden totdat de dag aan den hemel gloorde. Voor zich bemerkten toen de vluchtelingen de open zee, waarvan de blauwe golfjes onder den invloed van den zuidoosten wind zich met zilverwit schuim kroonden. Van de Balians-prauw was sedert lang niets meer te bespeuren geweest; die was voorzeker onder de oevers geloopen en zou bij het aanbreken van den dag wel naar Kwala Kapoeas teruggekeerd zijn. Maar dat deerde de deserteurs niets, want noch de priesteressen, noch de roeiers wisten iets van het komplot af.
Toen de oostelijke hemel zich in purper hulde, nam Wienersdorf den kijker en liet den blik langs den gezichteinder glijden. Heel in de verte waren twee kruisprauwen zichtbaar, die scherp bij den wind omstreeks noord-oost koersten, alsof zij de Barito-monding wilden halen. Nog verder werd de rook van een stoomschip ontwaard; welke richting dat volgde, kon wegens den afstand niet bepaald worden. Iets om de zuid-west, zoo wat een paar mijlen uit den wal, stevende een prauw, die in haar uiterlijk veel op het vaartuig onzer avonturiers geleek en die den steven naar de kleine Dajak-monding gewend had. Zoodra men de monding uit was, werd om de west gestuurd, waarna een der Dajaksche opvarenden den raad gaf, den wal aan te doen, vooreerst om zich van het lijk te ontdoen, maar voornamelijk om nipah-bladeren [31] te snijden, ten einde het dak der prauw met versch groen te bedekken en haar zoo aan het waakzaam oog der kruisprauwen te onttrekken. De Europeanen waren van meening dat het eenvoudiger was, het lijk over boord te zetten en, hoewel dat wel weerzin bij de Dajaks verwekte, hadden zij de meerderheid en ploften de kist in zee. Overigens werd de gegeven raad gevolgd, en weldra waren in overvloed bladeren gesneden, waarmede de prauw zoodanig overdekt werd, dat van de lichtgele dakbedekking niets meer te zien en het vaartuig tegen het groen van de dicht begroeide kusten niet te ontwaren was. Men vervolgde nu de reis en hoopte, zoo langs den wal varende, geheel onopgemerkt te blijven. De beseai’s werden met de uiterste voorzichtigheid gehanteerd om in de zonnestralen geene glinsteringen in de wateroppervlakte te veroorzaken. Er werd besloten de Kahajan-monding in te loopen, zich daar in de eerste de beste kreek te verbergen en te wachten tot dat de avond zou zijn gevallen, om de reis westwaarts te vervolgen. Dat alles slaagde naar wensch, hoewel de kruisbooten, na een langen slag bij den wind afgelegd te hebben, gewend hadden en westwaarts waren gestevend, nagenoeg evenwijdig aan de kust, evenwel op zoo’n grooten afstand, dat zij de prauw niet opmerkten. Eindelijk kwamen zij voor de kleine Dajak-monding ten anker. De prauw, die men in het zuid-westen ontwaard had, scheen een handelsvaartuig te zijn, dat zwak bemand was, en in den wind en de vrij holle zee niet veel gang maakte en zwaar werkte. Zacht roeiende bereikten onze vluchtelingen zoo omstreeks het middaguur de Kahajan-monding. Zij voeren die in, vonden spoedig een geschikten inham, waarin zij de prauw onder eenige dicht voorover hangende struiken verdekt opstelden, waarna zij eenige rust trachtten te genieten, want zij waren zeer vermoeid en de aanstaande nacht zou hun weer inspanning genoeg opleveren. Een hunner zou de wacht houden.
Zij konden daar zoo omstreeks een paar uren gelegen hebben, toen eensklaps een paar geweerschoten weerklonken, die al vrij spoedig door een kanonschot gevolgd werden. Allen sprongen op en vlug als een kat klom Johannes in een nabijstaanden Tjemara-boom, [32] die een ruim uitzicht naar de zeezijde opleverde. Wat hij zag, was weinig geruststellend.
Een aantal prauwen kwamen de kleine Dajak-rivier uitschieten en deden signalen aan de kruisbooten. Deze laatsten wonden hunne ankers op, heschen de zeilen en maakten zich gereed de prauwen te gemoet te stevenen. Het handelsvaartuig had den boeg gewend, zeil bijgezet en voor den wind afhoudende en door forsche roeislagen geholpen, trachtte het uit de voeten te komen. Toen de prauwenflotille de kruisbooten bereikt had, scheen er raad gehouden te worden, die evenwel niet lang duurde; want al spoedig weerklonken drie losse kanonschoten als bevel aan het handelsvaartuig om bij te leggen. Dat stoorde er zich evenwel niet aan; integendeel, met nog meer kracht dan mogelijk scheen, doorkliefden de roeiers, die nu eensklaps talrijk bleken, het water. Het scheen een flink vaartuig, dat vlug vooruitschoot en zich met gemak op de achteraan rollende deining verhief. Nu begon eene wilde jacht. De kruisbooten zetten zoo veel zeil bij als zij maar konden; de lange roeiriemen geeselden het water. Ook bij de prauwenflotille werd veel inspanning aan den dag gelegd, om te kunnen volgen. Maar het gejaagde vaartuig scheen zijn afstand te behouden; althans Johannes kon niet merken, dat die afstand verminderde. Een paar kanonkogels ricochetteerden op de golvenkruinen; maar voor die ellendige gladziels-vuurmonden van zeven c.m., waarmede de kruisbooten in Nederlandsch-Indië bewapend zijn, was de afstand te groot.
Eindelijk kon Johannes van zijn observatiepost niets meer onderscheiden dan een paar onduidelijke stippen in het west-zuid-westen aan den horizon. Toen liet hij zich naar beneden glijden en met een zucht verweet hij La Cueille:
„Daar heb je de gevolgen reeds van je dronkemansgeschreeuw. Vervloekte sopie! Men is ons nu op ’t spoor.”
„Maar wat heb je gezien?” vroeg Wienersdorf.
Johannes vertelde nu wat hij waargenomen had en herhaalde dat verhaal ook in het Dajaksch en besloot met de verzuchting:
„De prauw, die zij nazetten is een smokkelprauw van Baba Poetjieng; ik had haar heden ochtend reeds herkend. Maar wat zal er gebeuren, wanneer zij die prauw inhalen? De luitenant is zeker aan boord van de flotille en die zal wel gelasten de geheele kust scherp te onderzoeken. Eer we vier en twintig uren verder zijn, hebben we meer dan tweehonderd vaartuigen zwervende langs de zuidkust,” en knarsetandende vervolgde hij:
„Ik wou dat die dronken Waal....!”
Wienersdorf lei hem de hand op den mond:
„Schelden en verwijten baat niet op het oogenblik. Er moet gehandeld worden; wat staat ons te doen?”
„De geheele onderneming ligt in duigen. Langs de zuidkust kunnen we niet meer voort. Niet waar Dalim?” vervolgde hij tot een der Dajaks en herhaalde in diens taal zijn beweren.
„Djaton mandanan augh,” was het antwoord. „Er valt zich zelf niet te bedriegen, de weg is daar afgesloten.”
Na een oogenblik met zijne makkers geraadpleegd te hebben, voer hij voort, terwijl hij met de hand naar het noorden wees:
„Hetèh!” (daarheen).
„De Kahajan op?” vroeg Johannes ontsteld.
„Dia” (neen) was het antwoord. „Daar zouden we niet doorkomen. Ook zal de Kahajan wel doorzocht worden; en daarenboven weten we er den weg niet.”
„Maar wat dan?”
„De Troessan [33] in.”
„Zou die niet doorzocht worden?” vroeg Johannes bitter.
„Wel zeker; maar we moeten voort maken. In de Troessan watert de soengei Dahasan uit en die staat in verbinding met de soengei Basarang, die ten noorden van het fort in de Kapoeas hare uitwatering heeft. Niemand weet daarvan iets; ik heb dat eens ontdekt bij het rottan-snijden. Komaan, voort! we hebben geen tijd te verliezen. Eenmaal in de Kapoeas, zal men ons daar voorshands niet zoeken.”
Die raad was in de tegenwoordige omstandigheden uitstekend; dat gevoelden allen. Maar allen moesten zich ook bekennen dat, nu de tocht over zee onmogelijk geworden was, men een vreeselijke toekomst tegemoet ging. Maar er viel niet te dralen; ieder oogenblik talmens kon ook dien uitweg onmogelijk maken en daar bleef niets over dan of door zelfmoord een einde aan de ellende te maken, of in handen hunner vervolgers te vallen. Het duurde dan ook niet lang of de prauw, uit haren schuilhoek gehaald, was in volle vaart en erlangde een vrij groote snelheid, daar de vloed begon op te loopen.
Zwaar werd er geroeid; maar toch vond men nog gelegenheid om te morren tegen den rampzalige, die de oorzaak van dien tegenspoed was. La Cueille erkende ten volle schuld en begreep dat, hadde hij den mond gehouden, zij een heel eind in de goede vaart en niet meer in te halen zouden geweest zijn, wanneer men te Kwala Kapoeas al iets van hun spoor vernomen zoude hebben. Met gebukten hoofde hoorde hij stilzwijgend de verwijten zijner kameraden aan en trachtte slechts zijn leedwezen te kennen te geven, door met zijn pagaai, zoo krachtig hem maar mogelijk was, het water te klieven.
Maar.... wat was dat? Plotseling hielden de Europeanen met roeien op en keken uiterst verbaasd uit. De Dajaks staakten den arbeid en keken ook uit, omdat zij hunne metgezellen zulks zagen doen. Een geluid liet zich hooren als van een Aeolusharp, nu eens ver verwijderd, zacht en vloeiend doch steeds duidelijk; dan weer zoo dichtbij, alsof het aan den buitenwand der prauw ontstond. Het was een volmaakt akkoord dat weerklonk, afwisselend zacht en smeltend, nauwelijks waarneembaar als de adem van een lispelend windje; of vol, krachtig en forsch, alsof de stormwind door een reusachtig snareninstrument joeg. De Europeanen keken elkander schier beangst aan en wisten er niets van te maken. La Cueille sloeg angstig een kruis en prevelde binnensmonds iets, waaruit: „étoile de la mer, priez pour nous” verstaan kon worden. Daaromtrent waren allen het eens, dat het voor hen onverklaarbaar was. Toen de Dajaks begrepen, waaraan die angstige verbazing toe te schrijven was, begonnen zij te lachen. Voor hen was het een gewoon verschijnsel, wat zij „rioeng” (spektakel) ook wel „riwoet haroesan” (adem des vloeds) noemen en waaromtrent zij de navolgende legende verhaalden.
De eerste vorst van Bandjermasin, Lamboeng Mangkoerat, van goddelijken oorsprong, had met behulp van Djata-Soerassa, een krokodil, nauw verwant aan Djata, den broeder van Mahatara [34], zich een rijk gesticht langs de boorden van de Doesson en hare nevenrivieren. Bij overeenkomst was bepaald, dat, zoodra Lamboeng den troon beklommen zoude hebben, hij aan den kaaiman twee en veertig schoone jonge maagden zoude overleveren, ter voldoening aan diens gruwelijken wellust. Toen het oogenblik daar was om die schuld aan te zuiveren, begaf de nieuwe vorst zich met het begeerde getal jonge meisjes op weg, om die te Kwala Mengkatip af te leveren. Om de langwijligheid der reis te korten, was op de prauw, waarop Lamboeng zich ingescheept had, ook een prachtig gamelanspel aanwezig. Dit scheen evenwel geen genoegzame tijdkorting, want de vorst liet de oogen gaan langs de rij schoonen, en verliefde op eene harer. Verlangen en de lust om te bevredigen is bijna gelijkluidend voor Indische vorsten. Maar de straf liet zich niet lang wachten. Djata-Soerassa, verontwaardigd dat men hem zoo bedriegen wilde, deed met een hevigen slag van zijn staart de prauw kantelen, waardoor de meisjes en het gamelanspel in de diepte verdwenen. Met moeite redde Lamboeng Mangkoerat het leven en had dat slechts te danken aan zijn verheven oorsprong. Het zachte klaaggeschrei der maagden en de wegstervende tonen der Gamelan, bleven op het water zweven en verkondigen zoo nog voortdurend de wraak die Djata-Soerassa genomen heeft.
Dalim voegde er echter bij, dat de Europeesche zendelingen de navolgende verklaring van het verschijnsel gegeven hadden: Wanneer de vloed zoo lang gestegen is, dat eerst het rivierwater, daarna het brakke water teruggedrongen is en het onvermengde zeewater begint op te komen, dan komt dat in aanraking met de zoetwaterdeelen, die zich nog bevinden in de tegenstroomingen, die allerwege door de bochten, de inhammen en kreken der rivier gevormd worden. De wrijving der zoutdeelen van het opkomende zeewater met die zoetwaterstroomingen zou dat harmonisch geluid te voorschijn roepen. Die meening wordt vrij aannemelijk doordat het slechts zoo ver vernomen wordt, als het zeewater met den vloed de rivier binnendringt. Bevindt zich een prauw, wanneer de vloed met kracht doorkomt, juist op de grens van zulk een tegenstrooming, zoodanig dat zij het heldere zeewater aan de eene zijde en het gele of bruine rivierwater aan de andere zijde heeft, wat men dikwijls kan waarnemen, dan zal het melodieuse geluid aan den zeewaterkant vernomen worden, zacht en smeltend, wanneer de prauw weinig vaart loopt, of slechts door den stroom voortgestuwd wordt; daarentegen krachtig, vol en doordringend, wanneer de prauw met inspanning voortgeroeid of zeilend door een flinke bries voortgezweept wordt.
De „adem des vloeds” begeleidde de vluchtelingen tot aan den ingang der Troessan, dien zij tegen het vallen van den avond bereikten. Toen zij die soengei binnengestevend waren, was eensklaps alles stil en hoorde men van de Aeolusharp niets meer.
„Oef!” riep La Cueille, „dat ’s een pak van m’n hart. Het was of geesten rondom de prauw muziek maakten. Wanneer dat den geheelen nacht had moeten duren, was ik gek geworden.”
„Narai augh hetèh” (wat is dat voor een gebabbel), bromde een der Dajaks en zich naar Johannes buigende, fluisterde hij dien wat in het oor.
Met gedempte stem beval deze nu stilte aan; omdat men zich in een nauw vaarwater bevond, waarin men al heel licht een andere prauw achterop loopen of tegemoet kon komen. Vooral het spreken eener andere taal dan de Dajaksche zou dan allicht aanleiding kunnen geven, dat hun spoor verraden werd.
Met inspanning van alle krachten werd nu voortgeroeid en tegen acht uur werd de monding van soengei Dahasan bereikt. Men voer die nog een goed eind naar binnen; maar toen verklaarde Dalim, dat de dag moest afgewacht worden, daar men licht kon verdwalen, wijl hier vele riviertjes elkander kruisen. Dat was waar, maar dat was toch de ware reden niet, waarom hij de reis wenschte gestaakt te zien. Vooreerst waren allen zeer moede; niemand had nog iets gegeten en ook van slapen was niet veel ingekomen; daarenboven begreep Dalim, dat, waar hij bij het rottan snijden met een uitgeholden boomstam tot vaartuig doorgeschoven was, het veel moeite zal kosten, een prauw als die, waarmede de vluchtelingen de reis maakten, er door te brengen. Het daglicht was daarbij onontbeerlijk.
„Maar,” vroeg Wienersdorf, „is het hier veilig om den nacht door te brengen? Ware het niet beter nog wat verder door te dringen?”
„Neen,” beantwoordde Dalim de laatste vraag. „Hier is volkomen veiligheid. Geen Dajak waagt zich hier. En de „toean Koemdan” (heer kommandant) zal van ons nog wel geen bericht hebben. Die is nog buiten op de jacht achter de prauw van Baba Poetjieng. Als hij morgen avond aan de kleine Dajakmonding terug is, mag hij blij zijn. We hebben gelukkig geen enkel vaartuig, noch in de Kahajan, noch in de Troessan ontmoet. Onmogelijk kan men gissen, dat we hier zitten; want niemand kent dezen doorgang. We hebben dus een paar dagen voor ons om onze maatregelen te kunnen beramen.”
„Maar waarom zouden de Dajaks zich hier niet wagen?”
„In 1859 kwam Pembekel Soelil om het leven door het springen van een stuk geschut, dat hij eigenhandig tegen de Hollanders afschoot, bij de verdediging zijner benting, bij de monding van de soengei Basarang gebouwd. Om zijn lijk aan de schendende hand der Hollanders te onttrekken, werd het in de soengei Dahasan dicht bij de monding begraven. We zijn straks de plek voorbij gevaren. Maar sedert wordt deze soengei door een Pampahilep bewaakt en wee hem, die het verboden terrein betreedt!”
„Een Pampahilep wat is dat?”
„Een vreeselijk boschspook, dat iedereen ombrengt, die onder zijn bereik komt. De Pampahilep die hier huist, is er eene van het vrouwelijke geslacht. Wanneer het haar gelukt, een mannelijk individu te bemachtigen, dan noodzaakt zij hem haar echtgenoot te zijn. Na voldoening harer hartstochten verworgt zij haar slachtoffer.”
„Brr! quelle canaille!” mompelde de Waal met afgrijzen, „ik wou thans wel een vrouw zijn.”
„Dan zou zij een zwagerin van u maken,” zei Dalim lachende. „Zij heeft ook broertjes.”
De Waal zuchtte diep en wijdde een vrome gedachte aan Notre Dame de Montaigu.
„Maar zijt ge dan niet bang?” vroeg Schlickeisen den Dajak.
„Die „sansana” (fabel) bracht ik in de wereld, omdat ik een verborgen weg noodig had om zout, kruit en lood aan de „brandals” (muitelingen) in de Kapoeas te kunnen brengen. Die vrouwelijke Pampahilep houdt iedereen op een afstand.”
„Maar gelooven de Dajaks dat maar zoo grif weg?”
„Ze zijn zeer bijgeloovig; er zijn vele plekken in hun land, die door boschspoken bewoond worden en waar een Dajak voor geen schatten ter wereld zich zal wagen. Daarenboven had de plotselinge dood van Pembekel Soelil aller gemoederen diep getroffen. In zijn verscheiden werd de hand van den God der blanken gezien en bij den eerbiedvollen schrik, dien ieder inlander in de nabijheid van lijken ondervindt, zou niemand dan met ontzettenden angst vervuld, Soelil’s graf naderen.”
„Een prettige buurt in den nacht,” pruttelde La Cueille, „ik zat liever in een estaminet.”
„Maar,” vroeg Schlickeisen, „straks verteldet ge, dat om het lijk van Soelil aan de Hollanders te onttrekken, het hier begraven werd. Schenden de Hollanders dan lijken?”
„Zij verbieden het koppensnellen aan de Dajaks, maar nemen zelf de koppen van de lijken mede.”
„Hebt ge dat gezien?”
„Neen, maar ’t is een algemeen verspreid geloof; ik heb zelfs vernomen, dat die koppen in het zout worden gelegd.”
„Och loop heen,” hernam Johannes, „’t is eens of tweemalen geschied, dat het hoofd van een voornaam brandal naar Bandjermasin is opgezonden, om de identiteit van den gesneuvelde te constateeren en het volk van diens dood te overtuigen, maar daarna zijn die koppen begraven.”
„’k Wou dat jullie met je spoken en dat koppengemaal ’k weet niet waar zat. Ik zal er gewis van droomen heden nacht,” morde La Cueille.