Part 10
Men bleef dus dien nacht waar men was; maar van rusten, waarnaar allen haakten, en van droomen, waarvoor de Waal vreesde, kwam hoegenaamd niets in. Eerst toch moest voor de maag gezorgd worden, die bij allen ten ernstigste protesteerde, dat hij in de laatste vier en twintig uren niets te verwerken had gehad. Eenige droge takken waren gauw gevonden, lucifers hadden de Zwitsers in den zak en weldra vlamde een vroolijk vuurtje, waarboven het maal zoude bereid worden. Door de zorg van Baba Poetjieng waren eenige groene bamboestaken in de prauw aanwezig; daarvan sneed een der Dajaks eenige einden boven en onder de geledingen af, maakte in de aldus verkregen holle buizen, die aan beide uiteinden gesloten waren, een kleine opening, liet daardoor rijstkorrels glijden totdat de buizen bijna gevuld waren en voegde er wat water bij. Vervolgens sloot hij de openingen met een pennetje en wierp de zoo toebereide stukken bamboe in ’t vuur. De Zwitsers zagen verbaasd en nieuwsgierig toe. Zij hadden al eens rondgekeken in de prauw en zich afgevraagd, waarin toch gekookt zou worden; want buiten eenige kleine aarden pannen en een ijzeren kwalie waren zij arm aan keukengereedschap. Na een twintigtal minuten barstten de bamboestukken met een geluid als van een pistoolschot en nam de Dajaksche kok ze uit het vuur, maakte ze verder open en spreidde een smakelijk gaar gekookte rijst uit op een groot blad, dat hij van de eene of andere waterplant in de nabijheid geplukt had.
„Verduiveld!” zei Wienersdorf, „dat’s makkelijk, we behoeven niet bang te zijn, potjes of pannetjes te breken; we hebben de pottebakkerswinkel bij ons.”
„Ja,” lachte Johannes, „en die winkel is gemakkelijk aan te vullen.”
„Dat weet ik nog niet,” meende Schlickeisen, „’k heb sedert ons vertrek geen enkele bamboestruik opgemerkt.”
„In de benedenlanden zal je dat ook niet. De bamboe heeft drogen bodem noodig. Wacht maar, we zullen wel bamboestruiken ontmoeten.”
Onder die bedrijvigheid had een andere Dajak in een aarden pan wat lombokh (spaansche peper) met wat zout fijn gewreven; Johannes had een paar gedroogde visschen boven het vuur gepoft; zoodat in een ommezien het maal klaar was. Heel veel omslag had de bereiding niet gekost, maar het smaakte overheerlijk, want ingespannen arbeid en ontbering gedurende een etmaal geeft grage magen.
Toen ons zevental verzadigd was, wikkelden zij zich zoo goed en zoo kwaad zij konden, de soldaten in hunne spreien en de Dajaks in hunne lompen, en trachtten in slaap te geraken. Met de inboorlingen was dat spoedig het geval; maar den Europeanen werd iedere rust ontzegd, door de zwermen muskieten, die op hen indrongen.
De zuid- en ook de westkust van Borneo is tot op een zeer grooten afstand van zee van zulk een lage gesteldheid, dat het land bij iederen vloed, die de wateren in de rivieren en stroomen terugdringt, allerwege overstroomd wordt en dat slechts zelden een eenigszins uitgebreide plek gevonden wordt, die boven den vloedstand droog blijft. Men kan de voornaamste rivieren op de zuidkust als de Doesson, de Kapoeas, de Kahajan een zestal dagen opstoomen en alsdan nog den invloed van eb en vloed ondervinden, terwijl de aangrenzende oevers dagelijks onder water gezet worden. Bij zoo’n vloedstand zijn die oevers verdwenen en worden de grenzen der rivierbedding alleen aangeduid door de vegetatie der oorspronkelijke bosschen, die uit het water omhoog rijzen. Een eerste gevolg van die periodieke overstrooming is een steeds toenemende moerasvorming in het achterwaarts gelegen terrein, waarin ontelbare zwermen muskieten geboren worden, en daar in hun element zijn. Onze vluchtelingen zouden er nu ter dege kennis mede maken. Wel waren zij in het fort te Kwala Kapoeas door die venijnige insecten ook geplaagd, maar daar hadden zij achter de hooge palissadeering van de versterking nog eenigermate bescherming gevonden tegen de aanrukkende zwermen; ook waren hun van bestuurswege „klamboe’s” (bedgordijnen) verstrekt geworden, waarachter zij een ongestoorde rust hadden kunnen genieten.
Hier in het ongerepte woud was van bescherming geen sprake. Het was te vergeefs dat zij, op gevaar af van met hun buskruit in de lucht te vliegen, in de prauw een vuurtje stookten, om de onzichtbare vijanden door rook te verdrijven; de bloeddorstige insecten drongen met duizenden en nog eens duizenden door en weldra was het gelaat der Europeanen, als ook hun hals en hunne handen met builen overdekt, welker onaangenaam gejeuk iedere hoop op slaap verijdelde, terwijl bovendien de aanval bleef voortduren en het vernieuwd steken en gonzen onverdragelijk was. Wat benijdden die blankhuiden de Dajaks, die daar lagen te ronken, alsof er geen muskiet ter wereld bestond. Eindelijk in arren moede rezen de wanhopigen op, kropen rondom het vuur en trachtten nu met een bladrijken tak gewapend, zich de muskieten van het lijf te houden.
„Die verd.... dieren,” pruttelde La Cueille, „ze zijn nog veel erger dan de vlooien in mijn land. Als we eens een muskieten-vestje aantrokken?”
Een muskieten-vestje aantrekken, beteekent in Nederlandsch Indië zich zoodanig te bedrinken, dat in den daarop volgenden dronkenmansslaap geen stoornis te vreezen is. Voor velen daar zijn de muskieten de grondoorzaak van beginnende zucht naar sterken drank.
„Is de les al vergeten?” beet hem Wienersdorf grimmig toe. „Je krijgt geen droppel jenever.”
„Neen,” bevestigde Johannes, „liever smijt ik onzen geheelen voorraad in ’t water.”
La Cueille zweeg; maar een driftig gebaar met zijn tak duidde aan, dat hij zijn muskieten-vestje toch voor een uitstekend middel hield.
„Nu het toch onmogelijk is te slapen, kunnen we onzen toestand bespreken,” meende Schlickeisen. „Onze omstandigheden zijn geheel veranderd; aan een vlucht over zee valt niet meer te denken, niet waar?”
„Neen,” sprak Johannes, „daarop behoeven we niet terug te komen; de geheele zuidkust zal nog weken, ja maanden lang op het nauwkeurigst bewaakt worden. ’t Is wel jammer.”
„Dat is het; maar wat nu te doen?”
„Dalim wees straks naar het noorden; daar ligt nu de weg. Maar hoe het gaan zal? zie, die vraag waag ik me haast niet te stellen. En toch....” vervolgde Johannes na eenige aarzeling, „toch, we moeten den toestand onverschrokken onder de oogen durven zien; we moeten het voor en tegen goed wikken en wegen, onze maatregelen goed nemen, want de minste onvoorzichtigheid kan ons uitermate noodlottig worden.”
„Spreek, je bent het langst van ons allen in dit land; spreek en wees onze leidsman.”
„Gijlieden zult zeker wel gezien hebben, dat ik straks een oogenblik met Dalim sprak. Ziet hier het uitsluitsel van dat gesprek: We zullen trachten door de soengei Basarang in de Kapoeas te komen. Dan varen we die rivier zoo ver op als we kunnen, trekken het Kamintinggebergte over en trachten dan zoo de noordkust te bereiken. Maar verbeeldt jullie je nu niet, dat dat zoo makkelijk en vlug zal gaan, als ik dat vertel.”
„Neen, dat begrijpen we,” lachte Wienersdorf, „maar we moeten een plan hebben van ’t geen we bereiken willen.”
„Meer weet ik er ook niet van te vertellen. Alleen dat nog, dat we niet voorzichtig genoeg kunnen zijn. In de benedenstreken hebben we alles van de Hollanders te vreezen. Een woord, dat onze tegenwoordigheid op de Kapoeas verraadt, zal aanleiding geven, dat we als wilde dieren gejaagd worden. In de bovenlanden zal het nog minder pluis wezen. Als men daar slechts gist, dat we Europeanen zijn, dan zijn we verloren. Een Europeesche kop heeft daar tot vierduizend gulden waarde.”
„Wat je zegt” riep La Cueille verschrikt, terwijl hij zich den schedel betastte, „heeft die bol zoo veel waarde? Jongens! dat wist ik niet. Het is dan zaak er op te passen.”
„Maar je spot, niet waar?” vroeg Schlickeisen ongeduldig.
„Volstrekt niet. De kop van den Kolonel Georg Müller, die in 1825 op een wetenschappelijken tocht dwars door het eiland van het oosten naar het westen, vermoord werd, wordt nog bij den stam der Olo Ot Panganen, aan de boven Kapoeas Bohong, die we te passeeren hebben, als een reliquie bewaard. Die kop is voor geen schatten te erlangen. De koppen van de Europeanen van de „Onrust”, je weet wel, dat stoomschip, dat in 1859 in de Doesson door de Dajaks is afgeloopen, zijn allen nagenoeg tegen gezegden prijs aan de omliggende stammen verschacherd. Dien van den kommandant der boot hebben ze, na hem van de vleeschdeelen ontdaan te hebben, met droge katjangboonen gevuld en daarna in ’t water gelegd. De boonen zijn gezwollen en hebben den schedel langs de naden in een groote menigte fragmenten uit elkander doen barsten. Het kleinste stukje is voor tweehonderd realen [35] van de hand gezet.”
„Wat doen ze toch met die koppen?”
„Och dat’s een modeartikel, dat zal je in de bovenlanden wel ontwaren. Iedere benting (fort) daar prijkt met een aantal grijnzende schedels op de punten der palissaden. Er is daar geen enkel huis of je vindt er eenige doodshoofden, die als een reusachtige rozenkrans bijeengebonden, bij wijze van sieraad soms als slingerkransen aan den wand prijken. Als een jongeling een meisje ten huwelijk wenscht, wordt niet gevraagd hoeveel rijksdaalders de pretendent medebrengt, wel hoeveel schedels de vrijer kan vertoonen. Begrijp je nu?”
„Ik begrijp, dat het zal zijn: pas op je kop.”
„Ja, juist! Pas op je kop! dat moet onze grondleus zijn. Daar boven wemelt het van koppensnellers; van die luidjes hebt jullie zeker toch wel eens hooren spreken?”
„Voorzeker, maar ik meende, dat het maar grootendeels vertelsels waren,” meende Wienersdorf.
„Ja vertelsels, die nog niet eens het tiende gedeelte der volle waarheid aan ’t licht brengen,” sprak Johannes. „Je begrijpt toch dat die koppensnellerijën voor de blanken zoo geheim mogelijk worden gehouden. Gelooft me, het is en blijft: „pas op je kop.” En om daarop met eenige hoop van slagen te kunnen passen, moeten we vooreerst ons soldatenpakje uittrekken; dat zou ons al heel spoedig verraden; dat zou het reeds gedaan hebben, wanneer we de een of andere prauw ontmoet hadden. Baba Poetjieng, voorziende dat die Europeesche kleeding ons in gevaar kon brengen, heeft een pak medegegeven, dat we straks bij daglicht eens zullen bekijken. Daarin zal wel wat te vinden zijn en dan moet de gedaanteverwisseling maar plaats hebben.”
„Wat zal ik er kostelijk uitzien, slechts gekleed in een „ewah” zei La Cueille. „’k Zal me verbeelden in het paradijs rond te wandelen, met het traditioneele vijgenblad getooid.”
Een „ewah” is een strook grof veelkleurig goed, soms van linnen maar ook van boomschors vervaardigd, die eenige malen zoodanig om het midden gewonden wordt, dat het eene einde achter tusschen de beenen doorgeslagen kan worden en het andere einde, met een franje versierd, voor tot op de knieën afhangt. Dit is bij veld- en bosch-arbeid het eenige kleedingstuk van den Dajak en de lezer begrijpt dat het hem, zoo gekleed, onmogelijk is zijn pantalon-collant te scheuren. La Cueille’s metgezellen lachten over den inval; maar Johannes hernam:
„Je zult er zot genoeg uitzien met je witte huid, dat is zeker.”
„En jij dan met je koffiekleurigen bast?” vroeg de Waal gebelgd.
„Ik...? ik; dat brengt me op een inval. Jullie kunt zoo niet met die blanke bakkessen blijven. Die zouden je dadelijk verraden. Hadt jullie nu maar zoo’n koffiekleurigen bast, maar daarover zal ik straks Dalim eens spreken, daarop zal wel wat te vinden zijn.”
„Je zult zien, dat we allen nog een zwart pak aangemeten krijgen,” lachte de Waal.
„Zeer waarschijnlijk,” zei Johannes droog, „en dat zal je wat deftig staan.”
„Vooral met mijn pantalon-collant.”
Allen lachten met uitzondering van Schlickeisen, die te mijmeren zat. Eindelijk vroeg hij Johannes:
„Hoe heeft zich die overrompeling van de „Onrust” toch toegedragen?”
„Wat zal ik je daarvan zeggen? ’k Zal je vertellen wat ik er van weet.”
Het vuur werd wat opgepookt, een goede hoeveelheid brandhout werd er opgeworpen en toen de vlammen helder opdwarrelden en de aangezichten fantastisch verlichtten van onze avonturiers, neergehurkt in die prauw, die te midden van het sombere woud als buiten haar element verloren scheen, begon Johannes het verhaal van het drama.
„In het begin van November 1859 kwam de „Onrust” te Poeloe Petak aan, waar toenmaals het fort bestond, dat later naar Kwala Kapoeas verlegd is. De luitenant Bangert, die civiel gezaghebber der Afdeeling Doesson en Bekoempai was, bevond zich aan boord en verzocht en verkreeg van den kommandant te Poeloe Petak een peloton van twintig infanteristen, om den tocht mede naar de Boven-Dousson te maken. Ik ben toen mee geweest. Alles was toen heel rustig en we werden goed ontvangen. ’k Hoorde praten dat het doel van de reis naar de Boven-Doesson was, om te trachten Pangerang Antassari, een der hoofdopstandelingen in den Bandjermasinschen oorlog in handen te krijgen. Maar welke aanbiedingen ook Tomonggong Soerapatti, hoofd der Dajaks van de boven Doesson, gedaan werden, tot het schenden der gastvrijheid, die hij den voortvluchtigen vorst verleende, daartoe was de oorspronkelijke Dajak niet in staat. We zijn toen teruggekeerd, uiterst voldaan over de ontvangst, hoewel niet geslaagd in de zending. In plaats van toen naar Poeloe Petak terug te stoomen om de daar opgenomen militaire macht weer af te zetten, stevende de Onrust recht door naar Bandjermasin, alwaar dat kleine detachement, bij het gebrek aan troepen, al spoedig bij verschillende mobiele kolonnes ingelijfd was. Ik vroeg en verkreeg verlof om naar Poeloe Petak terug te keeren, alwaar ik met een vivres prauw zoo wat tegen den 10n December aankwam. Weinige dagen later, ik meen den 16n, kwam de „Onrust” weer voor Poeloe Petak ten anker en bracht voor de bezetting een grooten voorraad vivres en geld mede. De kommandant van de benting ging bij aankomst van het stoomschip aan boord. Als roeier ben ik toen mee geweest en heb bij die gelegenheid een groot gedeelte van het gesprek gehoord, dat tusschen mijn officier en den luitenant Bangert, die andermaal aan boord was, gevoerd werd. Deze laatste vroeg weer om militairen, dat de andere pertinent weigerde. De beide officieren wandelden het niet lange achterdek op en neder en zoo kon ik verscheidene brokstukken opvangen. Zoo hoorde ik mijn kommandant antwoorden:
„Het kan niet. Hadt ge mij de twintig man terug bezorgd, die ge de vorige reis medegenomen hebt, dan kondt gij ze weer medenemen. Nu zit ik in een benting groot genoeg voor een half bataillon met hare vuurlijn van ruim vierhonderd meters met zes en twintig geweerdragende manschappen.”
„O! ik heb in die reis zoo’n zwaar hoofd,” hernam de ander, „geef me dan maar vijf of zes man mede.”
„Geen enkel man”, was het met drift gegeven antwoord, „ik mag die verantwoordelijkheid niet op me nemen. Ge kent den toestand van het gewest zoo goed als ik; de berichten van voorgenomen aanvallen op mijn post zijn zoo stellig, dat het opdagen van den vijand ieder oogenblik kan te gemoet gezien worden. Mag ik bij zoo’n toestand, mijn reeds zoo luttele bezetting nog verzwakken? de gevolgen zouden onberekenbaar kunnen wezen. Maar waarom hebt ge uwe bezwaren te Bandjermasin niet ingebracht? daar had men u versterking kunnen geven, zooveel men wilde.”
„Ik heb er over gesproken, maar de rapporten van den kommandant van het stoomschip luidden zoo gunstig over de gezindheid van Soerapatti jegens de blanken, dat versterking overbodig werd geacht. Je weet ook dat de marine er een hekel aan heeft troepen van de landmacht aan boord te hebben. Maar ik herhaal het, ’k heb een zwaar hoofd in dien tocht.”
„Kom! je stelt je de zaken te zwart voor. Een stoomschip met een bemanning van twee en vijftig koppen, waarvan verreweg de grootste helft flinke Hollandsche jongens zijn, bewapend met flink en ontzagwekkend geschut, midden op stroom liggend of stoomend, is waarachtig geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. En tasten de Heeren Dajaks het aan, dan wou ik wel van de partij zijn.”
„God geve dat je gelijk hebt!” sprak Bangert met een zucht.
Den volgenden dag vervolgde de „Onrust” haar reis, maar is nimmer teruggekomen. In de laatste dagen van December dreef er een zeer groote kardoeskoker en een luik dicht bij het fort aan den wal. Eenige dagen later werd bij den kampong Palingkey een hoofdeloos lijk opgevischt dat in vergevorderden staat van ontbinding verkeerde, en niet meer te herkennen was. Hemd en gestreepte slaapbroek duidden evenwel aan, dat het het lijk van een Europeaan was. Langen tijd vernam ik weinig geloofwaardigs van het gebeurde. Wel liepen een menigte geruchten, maar die waren zoo uiteenwijkend, dat er geen mouw aan te passen was.
Bij een der veelvuldige tochten, die de kommandant van Kwala Kapoeas in de bovenlanden gemaakt heeft, kreeg hij eens een Dajak te pakken. Deze had over het afloopen der „Onrust” veel te verhalen. Of het echter de volle, de geheele waarheid is, dat weet God alleen. Hij was er niet bij geweest, betuigde hij, maar een broeder van zijn vrouw had wel niet meegedaan, maar was in de nabijheid geweest, zoodat hem van het geheele drama niets ontgaan was.
„Toen de „Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten anker was gekomen....”
„Heette die kampong niet Loentoentoir?” vroeg Schlickeisen.
„Neen, ik heb den naam van dien kampong niet vernomen. Maar Loentoentoir is het niet.”
„Ik meen dat toch gelezen te hebben.”
„Jawel, in de rapporten en couranten is dat ook medegedeeld, maar het zal straks blijken dat dat onmogelijk is. Luister slechts. Toen dus de „Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten anker was gekomen, was het omstreeks donker. Toch kwamen nog een paar schoonzoons van het Dajaksche hoofd aan boord en berichtten dat de Tomonggong den volgenden morgen zijne opwachting bij den „toean koemdan” (heer kommandant) zou komen maken. Werkelijk kwam het oude opperhoofd, vergezeld van zes zijner zonen al heel vroeg—zoo omstreeks 8 uur—aan boord. Allen waren slechts gekleed met een „ewah”, alleen de Tomonggong had nog over het naakte bovenlijf een rood lakensch buisje met vergulden kraag. Ook hadden allen volgens nationaal gebruik den „mandauw” (koppensneller) op zijde en een mutsje, een soort van kalotje van apenvel op het hoofd.
„De ontmoeting met de officieren aan boord was allerhartelijkst. Er werden handdrukken gewisseld om er aandoenlijk van te worden. De zeven Dajaksche hoofden begaven zich op uitnoodiging van den kommandant van het stoomschip omlaag in diens kajuit en waren weldra in een diep gesprek gewikkeld over de belangen des lands, maar vooral over de oplichting van Pangerang Antassari, die weer ter tafel gebracht werd. Aan het dek waren twee der roeiers, die de hoofden aan boord gebracht hadden, gekomen en hadden een schuilplaats voor de zonnestralen onder de zonnetent gezocht en zich ergens tegen de verschansing neergehurkt. De schildwachten aan de valreep lieten hen ongemoeid en niemand scheen acht op die beide mannen te slaan, die evenwel even als de hoofden met den mandauw gewapend waren. De vier overige roeiers waren in de djoekoeng gebleven, die zij aan boord geroeid hadden en nu aan de trap aan stuurboordszijde vastgemaakt lag. In het eerste oogenblik verzamelde zich de geheele equipage nagenoeg om de beide Dajaks, die tegen de verschansing zaten, om de fraaie arabesken te bewonderen, die bij beide mannen op het bovenlijf zoowel op den rug als op de borst getatouëerd waren. Met echt Oostersche onverschilligheid lieten zij zich door Janmaat bekijken en keerden zich gewillig om, om alle zijden van het wezenlijk fraai tatoueerwerk te vertoonen.
„Beneden was het gesprek druk aan den gang. Dat gesprek scheen dorstig te maken; althans de kommandant bood zijn bezoekers een glas bier aan, dat dankbaar aangenomen en gulzig in een teug leeggedronken werd. Later werden om die oorspronkelijke gemoederen te winnen en op hunne snoepachtigheid te speculeeren, likeuren aangeboden, waarvan de anisette van Wijnand Focking hun bij uitstek scheen te smaken. Zij likten zich de vingers af, ja brachten de enorme lange tongen in de glaasjes om den laatsten droppel van het verleidelijk vocht op te vangen. Een duplikaatje, zelfs een triplikaatje was niet voldoende om het vrijmoedig maar koddig aandringen andermaal ingeschonken te worden, te bevredigen. Er is geen vroolijker mensch in de wereld dan een beschonken Dajak; hij is dan vol lachlust, uiterst levendig en spraakzaam en legt klaarblijkelijk aanleg tot geestigheid aan den dag. Hij is dan onvermoeid in het bezigen van kwinkslagen, die menigmaal, en met recht, een onbedwingbaar gelach opwekken. Het is opmerkelijk, dat een Dajak in dien toestand nimmer twistziek is; hoevelen er ook van die drinkebroers bij elkander zijn, nimmer zullen zij ruzie krijgen met elkander.
„De kommandant en de officieren vermaakten zich ter dege met den lustigen troep en wellicht onder den indruk van die vroolijkheid hebben zij hunne gasten niet binnen de grenzen eener betamelijke matigheid gehouden.
„Tegen een uur ’s namiddags kwamen de kommandant en de luitenant Bangert met de zeven Dajaks aan het dek om dezen den dertigponder, waarmede het stoomschip gewapend was, te toonen en hun het gebruik uit te leggen. Het was toen ontzettend warm. De zon stond nagenoeg loodrecht boven het schip en geen zuchtje liet zich gevoelen. De bemanning van het schip was beneden, waarschijnlijk in diepe rust bij die aamechtige warmte; alleen de twee schildwachten, die op hun post aan de valreep stonden, en de scheepsdokter waren aan het dek. Deze laatste stond, op zijn elleboog rustende, op de koekoek van de longroom geleund en keek naar voren, waar de uitleg van het gebruik van het kanon aan de Dajaks aan den gang was. Plotseling stiet een der Dajaks, die tegen de verschansing neergehurkt was geweest, zijn „lahap” (oorlogskreet) uit en tegelijkertijd kreeg de geneesheer van achteren een houw tusschen de schouders, zoodat de punt van den mandauw, waarmede de slag was toegebracht, voor tusschen de ribben te voorschijn trad. Zonder een kik te geven stortte de dokter of beter zijn lijk door de koekoek en kwam terecht op de daaronder staande tafel in de longroom. De naastbijzijnde schildwacht doorstak dien aanvaller met zijn bajonet; maar voordat hij zijn wapen nog had kunnen terugtrekken uit het lichaam, viel hij zelf doodelijk getroffen ter neder. Op den uitgestooten oorlogskreet, waren de vier roeiers uit den djoekoeng naar boven gesneld, en hadden zich met den mandauw in de hand onverschrokken op de schildwachten geworpen, die dan ook in een ommezien in hun bloed lagen te baden. Tegelijkertijd met dien „lahap” begon ook de moordpartij voor bij het kanon. De beide officieren stonden geheel ongewapend tegenover de zeven Dajaksche hoofden, die hunne mandauws getrokken hadden. Den kommandant van het stoomschip was het hoofd van den romp gesneld, voordat hij recht begreep wat er gaande was. Met Bangert werd een ondeelbaar oogenblik gedraald. Deze had zeer kort geknipt haar; toen zijn aanvaller hem daarbij wilde grijpen om hem op de gebruikelijke wijze den doodelijken slag toe te brengen, lukte dat niet dadelijk, maar greep de Dajak hem bij den sik. Het slachtoffer had daardoor nog den tijd om zich tot Soerapatti te wenden en hem toe te roepen: Of dat nu de dank was, voor het vele goede, dat hij voor de Dajaks had tot stand gebracht? Waarop Soerapatti hem antwoordde, dat er beraadslaagd was des avonds te voren, om hem, Bangert het leven te sparen; maar dat men er van had moeten afzien, wegens de verregaande kwade trouw der blanken op wier woord geen staat te maken was. Dat het daardoor onmogelijk was, hem naar Bandjermasin terug te zenden; en hem te midden der Dajaks te laten leven, een marteling zou zijn erger dan de dood. Het was dus beter dat ook hij maar gesneld werd. En een teeken gevende, viel de noodlottige slag en hield de gillende Dajak het hoofd boven zijn mond en zwelgde met wellust het fel stroomende bloed op.