Borneo van Zuid naar Noord

Part 11

Chapter 113,895 wordsPublic domain

„Wat gebeurde inmiddels in het benedenschip? Op het leven door den val van den dokter veroorzaakt, waren de officieren in de longroom hevig verschrikt van hun legerstede opgevlogen, maar zij hadden niet eens den tijd naar een kleedingstuk of een wapen te grijpen; voor dat zij tot bezinning gekomen waren, lagen zij in hun bloed te wentelen. De roeiers waren namelijk dadelijk naar beneden gestormd en hadden er maar op ingehouwen, zoolang zich iemand in de longroom geroerd had. In weinige seconden dus, in veel minder tijd dan noodig is geweest om het te verhalen, was het schip van zijn bevelhebbers beroofd. Inmiddels waren ettelijke honderden prauwen van achter een nabij gelegen landtong het schip op zijde geschoten, en nu wemelde het op het dek van uitgelaten bloeddronken vijanden, die van blijdschap allerlei luchtsprongen uitvoerden en kreten uitstieten, die niets menschelijks hadden. Wat in dien tusschentijd in het vooronder voorviel, daarvan zal wel nimmer eenig nauwkeurig bericht te geven zijn. Een aantal Dajaks waren naar beneden gestormd en vonden daar een van angst waanzinnige menschenmassa, waar zij de moeite maar te doen hadden van in te hakken. Tegenweer werd niet geboden, het waren slechts gillende en snikkende waanzinnigen, die slechts kermen en klagen konden en niets deden dan onschadelijk voor de aanvallers de handen te wringen. Was de sleutel der wapenkamer in dat noodlottig oogenblik zoek, of hadden de Dajaks door de koenheid van hun overval, de blanken daarvan afgesneden? Wie zal dat ooit uitmaken? genoeg zij het, dat allen weerloos afgemaakt werden en dat van al de Dajaks, die ten aanval stormden, slechts hij omkwam, die den dokter had neergelegd, en van de overigen niemand zelfs maar een schram bekwam. Toen de laatste der opvarenden in het vooronder in zijn bloed lag te rochelen, stegen de overwinnaars naar het dek en nu begon een feest, dat zijn weerga niet in de Dajaksche geschiedenis gehad heeft en ook waarschijnlijk niet hebben zal. Wel werd het een oogenblik gestoord door een viertal Europeanen,—waarschijnlijk machinisten—die uit de diepte der machinekamer opdoken, hunne pistolen wild en verward afschoten, daarna in allerijl op de raderkasten der boot klommen en in de rivier sprongen. Maar toen het bleek dat niemand gekwetst was, verhoogde die episode nog de feestvreugde. Ras waren eenige djoekoengs bemand om de „badjai bapoeti” (witte krokodillen) te vervolgen, en nu begon een vreeselijke jacht, die niet eindigde dan met den meest smadelijken dood van de rampzaligen, die een laatste redmiddel in een overhaaste vlucht meenden gevonden te hebben.”

„Dagen lang duurde het feest, waartoe de dranken, aan boord gevonden, aan de algemeene vreugde het hunne bijdroegen. Zwangere vrouwen moesten aan boord komen, opdat de aanraking van zulk een overwinningsteeken, der vrucht, die zij droegen, voorspoed en geluk zoude aanbrengen. Alle mannelijke kinderen moesten van heinde en ver komen, om het vaartuig met de hand aan te raken, opdat de geestkracht en de moed hunner vaderen in hen zouden varen.”

„Toen het feest afgeloopen was, gingen de Dajaks aan den arbeid. Zij begrepen, dat de blanken alles zouden in ’t werk stellen, om het veroverde schip te hernemen, en ook om consequent met hunne wijze van oorlogvoeren te blijven, die wel toelaat zelf den tegenstander afbreuk te doen, maar dien tegenstander buiten de wet plaatst, wanneer hij eenig succes behaalt, die verovering ten bloedigste te wreken. De Dajaks bouwden dus een fort en kozen daartoe een goed gelegen punt uit aan de uitwatering van de Soengei Lahey, en bewapenden dat met den dertigponder van de „Onrust.” Ik kom nu tot mijn beweren van straks, dat het afloopen van het stoomschip te Loentoentoir niet heeft kunnen plaats hebben, maar hoogerop heeft moeten geschieden. Lahey ligt nagenoeg drie uur stoomens bovenstrooms van Loentoentoir; de stroom in den Doesson aldaar is zeer sterk en nu is het als geheel onmogelijk te achten, dat de Dajaks een zoo zwaar voorwerp als dat stuk geschut met hunne oorspronkelijke middelen zulk een verren afstand zouden hebben kunnen vervoeren.”

„Zouden ze dat niet met behulp van een vlot hebben kunnen verrichten? Ik heb gehoord dat ze verbazend knap in het behandelen daarvan zijn,” vroeg Wienersdorf.

„Een vlot tegen dien stroom! onmogelijk! heb je wel eens een vlot zien hanteeren? Neen? nu daartoe zal je nog wel in de gelegenheid komen, en dan zul je mij gelijk geven.”

„Maar zouden ze het schip niet naar Lahey kunnen gebracht hebben?”

„Kom, wees nu niet mal. Vooreerst van een hanteeren der machine hadden ze geen verstand; ze waren er zelfs in den beginne bang voor, en om nu dat vaartuig tegen dien zwaren stroom op te boegseeren, was even ondoenlijk als dat van een vlot zou zijn geweest. Daarenboven, waarom zouden de Dajaks zooveel omslag gemaakt hebben om het schip van Loentoentoir naar Lahey te brengen en het daarna weer naar eerstgenoemde plaats te voeren en het daar te laten zinken. Neen, het schip is òf te Lahey òf iets hoogerop afgeloopen. Een andere meening is onaannemelijk.”

„Maar ik heb gelezen, dat de kommandant het schip heeft laten zinken en dat het reeds bij het eindigen van het gevecht onder water verdween.”

„Ja, dat heb ik ook gelezen; maar daar is niets van waar. De kommandant is een der eersten gevallen. Welke heldenziel men hem nu ook toedicht, dat feit heeft hij niet kunnen verrichten. Maar er is nog wat. Bij de veelvuldige patrouilles, die later in den omtrek gedaan zijn, hebben de soldaten allerlei voorwerpen gevonden, als zakboekjes der matrozen, papieren en kleedingstukken der officieren, zelfs sieraden, als epauletten en steken, waarop geen spoor te ontdekken was, dat zij in het water gelegen hadden. Is dat niet afdoend? Gelooft me, het schip is dagen, ja wellicht weken lang boven water gebleven en het is niet dan nadat het geheel en al leeg geplunderd was, dat de Dajaks de ankerkettingen hebben laten slippen, na alvorens een gat in den romp gekapt te hebben. Door den zwaren stroom medegesleept, is de Onrust nog eenigen tijd drijvende geweest en is eindelijk te Loentoentoir gezonken. En nu nog, nadat verscheidene jaren over het gebeurde heengegaan zijn, nu ligt de djatiehouten romp van de „Onrust” nog steeds tot schande van de Nederlanders bij Loentoentoir in den Doesson en bij iederen oostmousson, wanneer door het vallen van het water die romp zichtbaar wordt, stroomen de jongelingen en knapen toe, om de „banama assep” (het vuurschip) door hunne vaderen veroverd en aan de Hollanders ontwrongen, te bezien, om dien romp aan te raken en daardoor in de toekomst den moed en den wil deelachtig te worden, eenmaal ook zoo’n heldenfeit te kunnen uitvoeren [36]. Zij keeren dan naar huis terug om de bekkeneelen te beschouwen van hen, die onder den vreeselijken mandauw vielen.”

„Zietdaar,” eindigde Johannes zijn verhaal, „wat ik weet van het afloopen der „Onrust”.”

„Oef!” riep La Cueille, „jullie bent lollige jongens; ’t is om de nachtmerrie te krijgen. Eerst van dat boschspook en van dien doojen pembekel; toen dat verdraaide koppensnellen en nu tot slot die uitmoordingsgeschiedenis. ’k Ben blij dat de dag aan den hemel komt. ’k Ben benieuwd wat mooie geschiedenissen morgen op het tapijt zullen komen? En dan dat bloeddrinken! brr! brr!!”

„Je zult nog wel meer hooren en ook zien, dat beloof ik je,” zei Johannes lachende, „’t Zal steeds zijn: „pas op je kop,” en breng je dien knikker in het Walenland terug, dan mag je wel naar Kevelaar of Scherpenheuvel trekken om daar een schietgebedje te doen.”

„Ik beloof,” prevelde de Waal vroom, terwijl hij aandachtig de handen vouwde, „aan Notre Dame de Montaigu een dubbele waskaars, ieder van twee pond, wanneer ik in mijn land terugkom.”

„Met je kop natuurlijk?”

De Waal rilde, maar antwoordde niet.

VIII.

Een nieuwbakken Dajak.—Een verfpartij.—De Arabier Sjech Mohamed Al Mansoer.—Al te mooie Dajaks.—In de wildernis.—De tong dient den blanken het meest.—De mandoor’s Dasso en Doeta.—Twee flesschen jenever en eenige poeders murias Morphini.—De vogels geknipt.—Een welgemeende vloek.

Met het krieken van den dag wekten de Europeanen, die geen oog toegedaan hadden, de Dajaks, die nog wel wat hadden willen luieren. Maar Johannes nam Dalim ter zijde en praatte een poos heel druk met hem. De twee anderen gingen aan het rijst koken en visch poffen, zooals dat daags te voren geschied was. De Europeanen verfrischten zich en dreven den slaap uit de oogen, door hun lichaam in ’t riviertje te dompelen, waarop de prauw te dobberen lag.

Nadat Dalim een wijl met Johannes gepraat had, trad hij lachende het dichte bosch in en verdween voor een oogenblik uit aller oogen. De andere haalde het pak kleeren te voorschijn, waarover hij des nachts gesproken had, zocht daaruit wat hij noodig had en sprong vervolgens in het water, het voorbeeld zijner makkers volgende en plaste en dartelde, zooals dat alleen een Indo-Europeaan doen kan. Toen hij er genoeg van had, greep hij zijn pakje, kroop daarmede achter een struik en, even later trad een vreemde Dajak met den ontblooten mandauw in de hand op de Europeanen toe, die nog aan ’t baden bezig, een schreeuw van ontzetting slaakten. Een luide lach klonk hun in de ooren, gevolgd door de woorden:

„Hèlo mikèh, olo bapoeti” (niet bang zijn blanke menschen).

De vermomming was volkomen. Toen zij de stem hoorden, herkenden zij Johannes terstond, die daar met de „ewah” voor eenig kleedingstuk en een vuilen hoofddoek om de slapen gewonden, voor hen stond. In het pak van Baba Poetjieng waren ook eenige mandauw’s, het gebruikelijke zwaard der Dajaks, wanneer zij ten oorlog of op „Kajau” (sneltochten) uittrekken. Hij had er een van uitgezocht, dien omgegespt en, om de vertooning nog aangrijpender te maken, het vreeselijke wapen uit de scheede getrokken.

Nadat hij een wijl bekeken en bewonderd was, werd ontbeten. Gedurende het ontbijt kwam Dalim uit het bosch terug. Deze greep een pot, deed daarin een pak bladeren, die hij aangebracht had, goot daar water op, voegde er vervolgens eenige droppels bij van een zwarte verfstof, uit een klein steenen kruikje, dat hij had hangen aan de rottanlus, waarmede hij zijn mandauw omgespt had, zette nu den pot te vuur en nam toen plaats om ook zijn aandeel van het ontbijt te verorberen.

Toen hij daarmee klaar was, kookte zijn mengelmoes. Hij nam den pot van het vuur en verzocht nu Schlickeisen, die zich het dichtst bij hem bevond, de handen uit te steken. Hij had het hemd van Johannes al gegrepen, daarvan een lap afgescheurd en dien in den pot gestoken en zoo bevochtigd. Toen Schlickeisen zijne handen aanbood, wreef hij die een poos met den lap, waarna zij bijna oogenblikkelijk een fraaie bruine tint aannamen, die hem de meest fatterige inlander zoude benijd hebben. Met de handen klaar, greep Dalim den Zwitser bij den nek, draaide hem het hoofd onder zijn arm en waschte hem het aangezicht en hals, zooals hij met een knaap van zes jaren zou gedaan hebben. De omstanders lachten, dat zij het meenden te besterven. Toen de operatie afgeloopen was, was Schlickeisen onkenbaar. Het was jammer, dat geen spiegel in de prauw aanwezig was, om hem gelegenheid te geven zich zelven te bewonderen. Maar Johannes was van meening dat het geheele lijf der blanke vluchtelingen zoo moest toebereid worden, wilde men voldoende gewaarborgd zijn, en dat beaamden allen. Dalim liep dus het bosch weer in om nog meer bladeren te zamelen, ten einde op grootere schaal te kunnen opereeren. Het waren de bladeren van den „Kalampoeït” een boomsoort tot de Rododendrons behoorende, waarvan de Dajaks ook een afkooksel gebruiken, om hun pijlvergift te versterken. Bij het kooksel, dat thans bereid werd, dienden de bladeren slechts als bindingsmiddel. De eigenlijke kleurstof nam Dalim uit het steenen kruikje en het daarin vervatte was het sap van de „Katiting,” een boom tot de Rhisophoren behoorende, dat door verbranding van de houtdeelen verkregen wordt en alsdan als pik zoo zwart te voorschijn treedt.

Een uur later waren onze Europeanen prachtig gebronsd en stapten, in hun „ewah” gehuld, zoo deftig, als waren zij geboren Dajaksche hoofden. Alleen La Cueille werd bevonden minder juist het Dajaksche type weer te geven. Hij, met zijn scherp besneden gelaat, fonkelende oogen, fraaien ringbaard en krullenden haardos, vertoonde na zijn bruineering zoo zuiver het type van den Arabier, dat men hem met algemeene stemmen tot „Sjech” (arabisch praedikaat) verhief en hem Mohamed Al Mansoer noemde. Daardoor verwierf hij het groote voorrecht in de tegenwoordige omstandigheden, een chlamyde, lang hemd in den vorm van een paletot-sac, waarover een gekleurde lange kabaai, te mogen dragen. Zijn hoofd werd met een tulband versierd, en zijne voeten werden geschoeid met sandalen, terwijl hij steeds de kralen van een rozenkrans tusschen de vingeren moest laten glijden. Nu, dit laatste was hem niet vreemd. In vroegere dagen had hij een dergelijk vroom werktuig meer gehanteerd en aan de voeten van het Moeder-Gods-beeld geknield, menig „Ave Maria” en „Gloria Patri” afgepreveld. Waar hij meer moeite mee had, waren de sandalen en het kostte hem veel oefening op die platte zolen, die slechts door een pin tusschen den grooten en eersten teen vastgehouden werden, op eenigszins fatsoenlijke wijze voort te sloffen. Maar met vasten wil kan men alles. Weldra schoof Richard La Cueille daar zoo heilig heen en prevelde zijn „lā ilāha illa-llāhoe” (Er is geen God dan Allah), zoo zalvend, alsof hij in Arabia Petrea het eerste levenslicht had gezien. Daarbij kwam nog dat Dalim, hetzij onwillekeurig, hetzij opzettelijk, den Waal donkerder getint had dan zijn lotgenooten, waardoor de gelijkenis met een echten Sjech voltooid werd.

Er werd afgesproken, dat, bij ontmoetingen met inboorlingen, alleen de ware Dajaks en Johannes, die de landstaal volkomen machtig was, zouden mogen spreken. De beide Zwitsers zouden als „djipen” (pandelingen) een diep stilzwijgen moeten bewaren, terwijl Sjech Mohamed Al Mansoer slechts Maleisch behoefde te brabbelen, en dat te doorspekken met Arabische spreuken en Koran-versetten, die Johannes hem wel leeren zou.

Een laatste bewerking, die de Zwitsers en ook Johannes nog moesten ondergaan, om volmaakt op wezenlijke Dajaks te gelijken, was het verven der tanden. Met behulp van den inhoud van Dalim’s kruikje, met dat zwarte Katitingvocht, was men spoedig klaar en glom het gebit van Johannes en der beide anderen, als ware het van ebbenhout vervaardigd. Dalim beval hun nu nog aan, zich nog eenige dagen achter elkander ’s morgens na het baden, de huid met zijn brouwsel in te wrijven, dan zouden zij in de wol geverfd zijn en behoefden zij niet te vreezen, dat zij in het eerste half jaar verkleuren zouden.

„Jèh tèh olo Ngadjoe bara bahalap haliai.”

„Ge zijt al te mooie Dajaks” was de meening van Dalim en werkelijk de man had gelijk. Wel hadden de drie Europeanen de breede ruime borstkassen, de flink ontwikkelde schouders en de stevige armen van het type, dat zij voorstelden, maar zij misten daarentegen de kromme verwrongen beenen, waaraan de bewoners der laaglanden van het eiland Borneo hun naam ontleenen. Dajak is een verkorting van het woord „dadajak” dat in de taal des lands beteekent: „wankelend loopen”. De benaming Dajak is dus een scheldnaam, die ook zoo opgenomen en alleen door de Europeanen gebezigd wordt. De bewoners van de benedenlanden hebben allen, op zeer weinig uitzonderingen na, kromme onderdanen en als gevolg daarvan een waggelenden gang. De oorzaak van dit gebrek is daarin gelegen, dat zij het grootste gedeelte van hun leven, met gekruiste beenen zittende, in hunne prauwen doorbrengen. Daarentegen is door het vele en aanhoudende roeien hun bovenlijf zoodanig ontwikkeld, dat het van de meesten wel tot model voor een beeldhouwer kan dienen.

In de taal des lands heeten de stammen, die wij Dajaks noemen „Olo Ott”, indien het de bergbewoners geldt; „Olo Ott Danom”, indien men de bewoners van de lagere gedeelten langs de rivieren en stroomen aanduidt; en „Olo Ngadjoe” indien van de kust- of moerasbewoners gesproken wordt. Ter nadere aanduiding wordt daarachter de naam van den berg, den stroom of rivier genoemd, waarbij de bedoelden wonen. Zoo „Olo Ngadjoe Kapoeas”. De Ngadjoe’s van de Kapoeasstreken; „Olo Ott Danom Kahajan” de Ott Danom’s der Kahajanstreken; „Olo Ott Bohong”, de Ott’s die bij den berg Bohong huisvesten.

Toen de herschepping onzer deserteurs afgeloopen was, bonden zij hunne militaire kleeding in een pak te zamen, belastten dat met een goede vracht klei en lieten het in het diepste gedeelte der soengei zinken. Vervolgens werd aan den arbeid getogen om de prauw verderop te doen stevenen. Maar dat was een harde arbeid. De soengei Dahasan is eigenlijk een der vele afwateringskanalen van een uitgestrekt moeras, dat zich in een depressie-plooi tusschen de Kapoeas, de Kahajan en de Troessan gevormd heeft en met een dichte wildernis overdekt is. Het zijn vooral de slingerplanten, die hier in verbazende hoeveelheid voorkomen en den geheelen grond overdekken, de verschillende riviertjes, poelen en kreken met een dicht lover overbruggen, tegen de hoogste woudreuzen opklimmen, ze omstrengelen en hunne kruinen zoo overdekken, dat zij, in vereeniging met de ontelbare woekerplanten, die in die vochtige bosschen bij uitnemendheid tieren, hoog in de lucht op die reuzenstammen een nieuwe plantenwereld vormen. De grootste boomen en de kleinste struiken, stammen en takken zijn bijna met een ondoordringbaar weefsel overtogen. Groepen van overschoone boomen, met stammen zoo recht en glad als zuilen, dragen die parasiet-wouden, die boven haar somber loofdak uitsteken en de eentonige omtrekken dier bosschen schakeeren en schilderachtig verbreken. De reiziger in zulke streken, ongeduldig den voet op den vasten bodem te kunnen zetten, meent in die luchtwouden heuveltoppen en opgaand terrein te ontwaren en ziet zich deerlijk teleurgesteld; want de bodem begeeft hem al meer en meer en somtijds zou hij wegzinken, wanneer de slinger- en klimplanten zijn voet niet tot steun strekten.

Wat op het terrein benoorden de Troessan het meest voorkomt tusschen de reuzenboomen van het oorspronkelijk woud, zijn de rottansoorten, die door de Dajaks met den algemeenen naam: „Oeai” betiteld worden. De rottan is een slingerplant, die veelal op een afstand van vele meters over den grond voortkruipt, zich tegen boomen en struiken naar boven slingert en alles in den omtrek met een warnet overdekt, waarin slechts met de bijl in de vuist een weg te banen is. De scheede, waarin de stam der plant verscholen ligt, is met veelvuldige zeer scherpe doornen overdekt en levert dus voor den woudlooper een geduchten hinderpaal op.

Ons zevental begaf zich in de bedding der soengei te water; en terwijl vijf hunner, met het hakmes in de hand, de takken, struiken en slingerplanten uit den weg ruimden en ten koste van menige pijnlijke schram en van menigen zweet- en bloeddruppel ruim baan maakten, liepen de beide anderen rechts en links van de prauw, soms tot aan het midden in ’t water en stuurden en stuwden haar langzaam door het kronkelende vaarwater, dat eigenlijk niet anders was dan een pad van een djoekoeng, in vroegere dagen door den zachten modder gesleept. Het was een onmenschelijke arbeid, waarbij ook de prauwvoerders menigmaal het hakmes in den dichten doornenwand moesten hanteeren, wanneer het dakwerk van het vaartuig, daarin verward, niet meer toeliet voor- of achterwaarts te stevenen.

Tegen den middag hadden de vluchtelingen nog maar weinige kilometers afgelegd; maar toen waren hunne krachten zoodanig uitgeput, dat zij hijgend naar rust haakten. Ook was door de ingevallen eb het water rondom zoodanig afgeloopen, dat het vaartuig in den modder eindelijk als vastgeklonken, niet meer vooruit te brengen was, welke inspanning men daartoe ook aanwendde. Noodwendig moest de volgende vloedstand afgewacht worden.

Van de gedwongen rust werd gebruik gemaakt, om het middagmaal te bereiden, waarbij de Dajaks zich zeer verdienstelijk maakten, door in de gaten en kuilen van het drooggeloopen terrein eenige „bapoejoe’s” en „gaboe’s” te vangen, waardoor het maal aan verscheidenheid zeer won.

De „bapoejoe” is een visch [37], die in uiterlijk en ook in grootte veel van onze baarsjes heeft; alleen mist hij de scherpe rugvinnen, maar is even lekker als deze. Die visch is van zeer gezelligen aard en trekt in vrij groote scharen over het overstroomde land. Wordt hij door de ingevallen eb verrast, en blijft hij op het droge, dan trekt hij, door zijn instinct geleid, al springende door den modder naar de naastbijgelegen soengei, om daar zijn element weer op te zoeken. Hij kan zoo dagen lang buiten het water vertoeven en het is wezenlijk een verrassend gezicht, soms honderden van die visschen, in een bepaalde richting door den modder te zien spartelen en hunne reis vervolgen, niettegenstaande de menigvuldige hinderpalen, die zoo’n moerassig bosch hun oplevert.

De „gaboes” is ook een moerasvisch, die soms acht d.m. lang wordt en in vorm veel met zeelt overeenkomt.

Toen het maal verorberd was, gingen de Dajaks rottan verzamelen; die zou hun op de verre reis, die zij voor hadden, zeer te stade komen. Zij sneden eenige einden, dertig à veertig meter lang, van die soort, welke door hen „oeai ahas” genoemd wordt. Zij rolden die zorgvuldig op en borgen ze in de prauw. Die zouden wel als kabeltouwen bij de een of andere gelegenheid te pas komen. De soorten als „oeai irit, oeai tapa en oeai hantoe,” die gemengd onder elkander in den handel voorkomen en het materiaal zijn, waarvan stoelmatten en ander vlechtwerk vervaardigd worden, werden op de gebruikelijke lengte van ruim tien rijnl. voet gesneden, vervolgens van de doornen schacht voorzichtig ontdaan en eindelijk in bossen van honderd stuks te zaam gebonden. Wel ware het noodig geweest den rottan eenigen tijd in een sloot of rivier te dompelen om uit te wateren, ten einde vroegtijdig bederf te voorkomen en hem een fraaie witte of gele kleur te geven, maar daarmede konden onze vluchtelingen zich niet ophouden; de gesneden rottan zou het wel uithouden, zoolang hunne reis duren zou. Daarbij, er zou wel gelegenheid zijn om bij noodzakelijkheid den voorraad aan te vullen of te vernieuwen.

Terwijl de eigenlijke Dajaks zich zoo bevlijtigden, zaten de namaaksels uit te blazen van de afmattende vermoeienis; ook ten einde weer krachten te garen, om straks op nieuw met ijver aan den gang te kunnen gaan. In den regel vermoeit de Europeaan in Indië zich meer dan de inlander bij gelijken arbeid. Vooreerst door het voor hem afmattende luchtgestel; maar vooral door de voortvarendheid en—men zou haast kunnen zeggen—door den onbesuisden haast, waarmede hij de handen aan het werk slaat.

Die rust van armen en beenen sloot evenwel de onbeweeglijkheid der tong niet in zich. Aan hunnen landaard getrouw, lieten zij dat lichaamsdeel vrij spel en pleitten ijverig voor het beweren van de inlanders, dat de tong den blanken het meest dient. Er was trouwens nog veel te bepraten en bij de ontwikkeling der toestanden, zouden de reizigers wel nimmer gebrek aan stof tot gedachtenwisseling krijgen.

Ook nu trachtte Johannes zijnen lotgenooten voor oogen te houden, dat alleen de grootste voorzichtigheid tot het beoogde einddoel kon voeren. Hij meende daarop niet genoeg te kunnen terugkomen.

„Ik wil daarmee niet beweren,” vervolgde hij, „dat we ons als lammelingen te gedragen hebben. Voorzichtigheid sluit volstrekt geen lafhartigheid in zich. Komt het er op aan, met onze vuisten of met onze wapens ruimbaan te moeten breken, dan zonder dralen er op in! Een bedaard en berekend moedbetoon, kan dan veel ontzag inboezemen. Maar in de omstandigheden, waarin we zijn, moeten we alles aanwenden, om de gelegenheden te mijden, ruimbaan te moeten maken. Vooral moeten we oppassen met iedereen, die van de benedenstreken komt. Gist de kommandant te Kwala Kapoeas eenmaal, dat we deze buurt uit zijn, dan....”