Part 12
„Dan, dan,” viel La Cueille hem ongeduldig in de rede, „dat heb je ons al verteld, dan worden we als wilde beesten gejaagd enz. enz.”
„Bleef het bij dat enz. maar. Buiten die jacht zou je wel eens stukjes zien vertoonen, waarvan je nooit gedroomd hebt en die ook onmogelijk te voorzien zijn. Als de kommandant ons op ’t spoor is en zich eenmaal in ’t hoofd gesteld heeft, ons machtig te worden, dan deinst hij voor weinig middelen terug om zijn doel te bereiken. We kunnen dan niet voorzichtig genoeg zijn. Wil jullie een voorbeeld van de kunsten die hij weet uit te halen? Zeker heb je wel eens van de gevangenneming van de mandoor’s Dasso en Doeta gehoord? Die leeft althans in de overlevering van Kwala Kapoeas voort.”
„Ik heb er wel van hooren praten,” zei Schlickeisen, „maar het fijne weet ik er niet van. Wie waren die lui?”
„Luistert, dat zal ik je vertellen. Dasso en Doeta zijn Dajaks van Poeloe Petak en hebben daar en in de beneden-Kapoeas vele verwanten. ’k Geloof zelfs dat Dalim een halve broeder van eerstgenoemden is. Beiden en ook de drie Dajaks, die ons nu vergezellen, waren, bij het uitbreken van den opstand in dit land, werkzaam bij de steenkolenmijn te Kalangan. Dasso en Doeta waren „mandoor” (opzichter), de anderen eenvoudige mijnwerkers. Alle vijf hebben zich schuldig gemaakt aan de moordtooneelen, die daar plaats gegrepen hebben.”
„Een mooi zoodje, waarmee je ons in gezelschap gebracht hebt,” meende Schlickeisen.
„Net of anderen zoo maar voor ’t grijpen waren, bij zoo’n onderneming.”
„Maar zijn ze te vertrouwen?”
„Ik meen meer dan iemand anders. Ze hebben zich in ’t hoofd gezet, Singapore te bereiken en daartoe hebben ze onze hulp noodig. Bij de voorgenomen reis over zee, had ik hun slechts de rol van roeier toebedacht, dus een zeer ondergeschikte. Bij de verandering van reisplan, treden ze meer op den voorgrond, omdat ze met land en volk zeer goed bekend zijn. Ze kunnen ons onschatbare diensten bewijzen, ja ik durf beweren, dat zonder hen de tocht, dien we ondernemen, onuitvoerbaar zou zijn. Daarbij komt nog, dat ze in deze streken vele familieleden bezitten. Dat is een soort waarborg voor ons; want menigeen zal afgeschrikt worden hen aan de blanken te verraden, uit vrees voor weerwraak, die voorzeker volgens de Dajaksche gewoonten uitgeoefend zou worden.
„In zoo verre juist geredeneerd; maar als zij zelven verraad plegen?”
„Dat is met hun verleden en met hunne plannen moeielijk aan te nemen. Het is evenwel voorzichtig hen niet uit het oog te verliezen, op alles voorbereid te blijven en bij ontdekking zich door geen dwaze en ziekelijk menschlievende overweging te laten weerhouden, maar de onverlaten onmiddellijk neer te steken.”
„Goed zoo besproken! Ga nu voort met je verhaal.”
„Van Dasso en Doeta was het bekend, dat ze niet alleen aan het moorden hadden deelgenomen, maar ze waren aangewezen als de eersten, die de Europeesche vrouwen onteerden en vermoordden. Na die schandalen waren de twee snuiters na veel omzwervens in de Dajaklanden teruggekeerd en hadden zich metterwoon in de soengei Kajoe, die wij morgen, hoop ik, voorbijvaren zullen, gevestigd. De luitenant had er al gauw kennis van en was er te eer op uit die kerels op te pakken, daar sedert hun aankomst in het gewest, een geest van lijdelijk verzet zich onder de bevolking openbaarde, die tot nadenken moest stemmen en ook andere gebeurlijkheden moest doen vreezen. Wat we toen gemarcheerd hebben, daarvan is geen begrip te geven. Soms twee ja drie malen per dag rukten patrouilles uit; later werden nachtelijke tochten beproefd; maar jawel! kijk eens Piet of ze komen! Bekaf van vermoeidheid, uitgeput van honger en dorst, nat en modderig van je hielen tot op de kruin van je hoofd, door het baggeren te midden van dat kostelijk terrein en door soengei’s, die we soms uren lang volgen moesten, keerden we in het fort terug. En alles was te vergeefs; als we aankwamen, waren de vogels gevlogen. Meestal stond de rijst nog op het vuur of was hun legerplaats nog warm.”
„Maar me dunkt dat het gevangen nemen van die schoeljes toch zoo moeielijk niet kon zijn,” meende Schlickeisen alweer, „met behulp der bevolking moesten ze geknipt worden.”
„Ja, daar zat het hem juist. De bevolking hielp volstrekt niet mede; het tegendeel was waar. Bijna al de bewoners van het district waren familieleden van die twee mandoor’s. Als er een patrouille uittrok, dan werden van uit hooge boomen, die aan ons gezicht onttrokken waren, signalen gegeven en dan kon je loopen zooveel je maar wilde. ’t Gaf toch niets. De luitenant heeft het ook, onder toezegging van hooge premiën, met bevolkingspatrouilles geprobeerd; maar dat gaf nog minder.”
„Maar je vertelde zoo even, dat de aankomst van die onverlaten in de negorij verraden was. Kon de luitenant die verraders niet bezigen? Me dunkt met geld...?”
„Slim ben je niet, dat moet gezegd worden, al heb je meer geleerd dan ik. Begrijp je dan niet, dat zoo’n vent die wel het hart heeft om tusschen licht en donker den luitenant zoo wat in ’t geniep te komen vertellen, bij dag een paar pootige kerels niet aandurft, voornamelijk ook alweer uit vrees voor de bloedwraak van wege de familiebetrekkingen? Neen, daar viel al heel weinig aan te vangen. Maar wat gebeurt? Luistert nu goed toe. Op een namiddag zie ik den kommandant, uitgestrekt op zijn luiaardstoel, onder de voorgalerij zijner woning zitten. Hij had een kop thee bij zich staan; maar ik merkte op dat hij aan ’t „pikeren” (peinzen) was. Strak keek hij voor zich uit en beet daarbij op zijn nagels en op zijn schralen knevel, alsof die het er bij inschieten moesten. Duivels! ik kende hem, en begreep, dat er wat aan ’t handje was. Plotseling roept hij een der politie-oppassers, die, zooals je weet, ter zijner beschikking zijn, en gelastte hem een der matrozen van de stroomop liggende kruisboot te halen. Die vent verscheen spoedig genoeg, maar wat de luitenant met hem besprak, heb ik niet gehoord; dat zal evenwel straks blijken. Toen hij weer weg was, werd ik geroepen; ’k was destijds magazijnsknecht en moest twee kelderflesschen jenever bij den kommandant brengen, hem helpen daarvan de papieren stempels, die het lak dekten, voorzichtig af te nemen, en de flesschen openen. Ik dacht eerst dat de luitenant een hartigen teug wilde nemen, misschien was hem de thee te flauw. Maar neen, hij nam uit de medicijnkist die doos met poeders, je weet wel van die, welke hij hun geeft die bloeddiarrhee hebben.”
„Jawel, murias Morphini,” zei Wienersdorf.
„Juist, hooggeachte geleerde. Hij wierp zoo ongeveer een zestal van die poeders in iedere flesch, schudde ze daarna duchtig, liet ze mij weer dichtmaken en plakte zelf de stempels er weer op. Een apotheker had het hem niet kunnen verbeteren. Toen liet hij mij die flesschen in een hoek zijner kamer gereed zetten, waarna ik mocht heengaan.
„Tegen het vallen van den avond kwam de matroos nog een praatje met den kommandant maken en verliet het fort met de twee flesschen jenever onder den arm. Hij steeg in een djoekoeng, die aan de aanlegplaats gereed lag, greep de beseai en roeide de Kapoeas op. Eenige uren later scheepten de sergeant Greefkes met een achttal soldaten zich in een prauw in en kozen ook dien weg. De geheele bezetting verdiepte zich in gissingen; maar ik dacht er het mijne van. Des nachts om twee uur stond ik op post op het westerbastion, toen ik in de verte op de Kapoeas een prauw ontwaarde, die ik aanriep. Op mijn „werda” antwoordde de sergeant, die zoo luid hij kon: „goed volk” schreeuwde, terwijl tevens een rood licht in de prauw ontbloot werd en ons tegenschitterde. Dat was een signaal. De luitenant werd gewekt, en toen de prauw aangelegd had, werden daaruit drie kerels gedragen, die zoo slaapdronken waren, dat ze niet wakker te krijgen waren en waarvan er twee met de voeten in het blok, dat bij de politiewacht stond, gesloten werden. Jullie had die gezichten des morgens bij het ontwaken eens moeten zien! ’t Waren de mandoor’s Dasso en Doeta, die geknipt waren en nu in ’t blok wakker werden.”
„Sacré nom de tonnerre!” brulde de Waal, „’k Heb een haat aan de Hollanders, maar dat doet me toch pleizier, dat die smerige kerels gepakt zijn. Maar... ik begrijp het niet goed, hoe zich de zaak toegedragen heeft. Kon die matroos dan tooveren?”
„Voor een likkebroer is die vraag vrij onnoozel. Die matroos, een Bandjarees van geboorte, was vroeger mijnwerker te Kalangan geweest, maar daar wegens wangedrag ontslagen. Hij kende dus die mandoor’s zeer goed. Voor eenige blanke rijksdaalders ging hij naar de soengei Kajoe, vertelde daar aan zijn vroegere makkers, dat hij van de kruisboot gedrost was en zich bij hen kwam voegen. Hij legde daarbij een innigen haat tegen de Hollanders aan den dag en besprak menig plan met de mandoor’s om dien haat bot te vieren. Evenals onze Waal, zijn de Dajaks hartstochtelijke liefhebbers van sterken drank. De jenever, dien de matroos meebracht, werd met gejuich ontvangen en zoo hartelijk door het drietal aangesproken, dat, toen sergeant Greefkes op het tooneel verscheen, hij niets te doen had, dan bevel te geven de moordenaars aan handen en voeten te binden en hen in de prauw te dragen.”
Na dat verhaal heerschte een oogenblik stilte. Toen vroeg Schlickeisen aan La Cueille of hij de strekking van het verhaal begreep? Deze boog het hoofd en keek voor zich.
„Niet alleen voor onzen Arabier heb ik die gebeurtenis verhaald,” sprak Johannes, „voor ons allen moet zij een waarschuwing zijn. We kunnen niet achterdochtig genoeg zijn. Het verraad zal onder allerlei vormen ons naderen. En laten we niet vergeten, dat van alle zijden ons leven bedreigd zal zijn. We zijn in tijd van oorlog met medeneming van onze wapenen gedeserteerd, een feit dat met den strop gestraft wordt. Van den anderen kant begeven we ons naar het land der koppensnellers en kannibalen. Het is en moet steeds blijven onze leuze, waarheen we ons ook zullen wenden: pas op je kop.”
„De geachte spreker wordt voor zijn boeiend verhaal met eigenaardige toepassing, bedankt,” betuigde Wienersdorf deftig. „Hij zou evenwel de kroon op zijn verhaal zetten, wanneer hij ons mededeelde, hoedanig de misdaad gestraft werd. Bij elk flink opgezet drama moet het vijfde of eindbedrijf daaromtrent uitsluitsel geven.”
Johannes lachte, maar die lach getuigde van bitterheid.
„Luistert,” sprak hij, „luistert nog een oogenblik, ik zal kort zijn. Die kerels werden opgezonden om voor den krijgsraad te Martapoera terecht te staan. Onderwijl hunne zaak geïnstruëerd werd, zag een amnestiebesluit het licht en de zoo ziekelijk menschlievende Nederlanders sloten van dat genadebewijs uit: Pangerang Antassari en zijne familieleden, Tomonggong Soerapatti en zijne zonen, alsook nog eenige Goestie’s (vorstentelgen), mannen, die niets anders gedaan hadden, dan zich tegen roof en verdrukking met het zwaard in de vuist verdedigd en daarbij den inlandschen oorlog met nadruk in al zijne gevolgen gevoerd te hebben; terwijl schobbejakken van de ergste soort, kerels die zich aan het gemeene recht vergrepen en de gelegenheid te baat genomen hadden om hunne vuige lusten aan de onschuldige echtgenooten en dochters hunner slachtoffers bot te vieren, waarna zij de onteerde schepsels op de meest gruwzame wijze vermoord hebben, op vrije voeten gesteld werden, met opdracht dat zij, als onder het opzicht der politie gesteld, wekelijks eenmaal hunne gemeene gezichten moesten komen vertoonen aan den officier, die niets onbeproefd had gelaten om hen aan den wrekenden arm der gerechtigheid over te leveren. Nimmer heb ik hartiger vloek in mijn leven gehoord, dan die van de lippen van onzen gewezen kommandant ontsnapte, toen de beide mandoor’s voor de eerste maal na hunne invrijheidstelling hem hunne gemeene tronies kwamen vertoonen.
„O!” brulde hij, toen zij den rug gekeerd hadden, „O! had ik die ellendige komedie kunnen voorzien, dan hadden zij nooit het fort betreden.”
Ieder weldenkende zal dien kreet voorzeker begrijpen.
IX.
Op reis.—Een anti-muskietenmiddel.—De soengei Basarang.—De Kapoeas.—Achter Poeloe Kanamit.—Het zinken van de „Tjipannas.”—Eene besnijdenis.—De varkenskop.—Een echt Dajaksch maal.—La Cueille wordt zeeziek.—Een vondst in het bosch.—Een Pangareran.—Het uitzetten der vischhaken.
Toen de Dajaks den ingezamelden rottan in de prauw opgeborgen hadden en de vloed eindelijk genoegzaam gestegen was, om het vaartuig uit den modder los te kunnen werken, werd de reis hervat. Aanvankelijk hadden de reizigers met dezelfde bezwaren te worstelen als des morgens; ten laatste evenwel kwam de prauw in een tak van de soengei Basarang te recht en, hoewel de moeielijkheden der vaart nog aanzienlijk moesten heeten, zoo konden de opvarenden thans toch plaats in het vaartuig nemen en het met roeien en door met lange bamboestaken te boomen, voorwaarts brengen. Wel moesten zij nu en dan nog eens te water om een moeielijke plaats te passeeren of om bladeren en struiken op te ruimen, die zich als zoovele hinderpalen in den weg stelden, maar de soengei werd al breeder en dieper, en begon al meer en meer de sporen te vertoonen, bevaren te zijn geweest, waardoor die hinderpalen opgeruimd waren. Toch was de zon al heel nabij den horizon genaderd, toen zij de soengei Basarang zelve bereikten.
Dalim was toen van oordeel om hier te blijven, totdat de nacht eenigszins gevorderd zoude zijn. In weinige uren zou men dan de Kapoeas kunnen bereiken en het zou van de ontmoetingen afhangen, of alsdan de reis zoude kunnen vervolgd worden. In den nanacht zou er veel kans bestaan, geene vaartuigen tegen te komen; in dat geval zou een goed eind weegs afgelegd kunnen worden. Zoo gezegd, zoo gedaan. De prauw werd zooveel mogelijk onder overhangende struiken langs den oever verdekt; de reizigers bereidden hun maal, en toen dat genoten was, trachtten zij rust te genieten. Die poging gelukte geheel en al naar wensch; allen sliepen als mormeldieren, in weerwil van de legioenen muskieten, en wel door een bijzonder toeval.
Wienersdorf had opgemerkt, dat hunne Dajaksche vrienden, toen het eten klaar was, een soort van kleinen theepot te vuur hadden gezet en zich, voordat zij gingen liggen, ijverig met den inhoud het geheele lichaam inwreven. Zelfs dronken zij een paar teugen er van. Toen Johannes hun vroeg wat dat beteekende, vernam hij, dat het „brotoali,” een cactusplant was, waarvan de vierkante stelen behoorlijk uitgekookt een heerlijk middel tegen de muskieten opleverden. Wie dagelijks eenige kopjes van dat afkooksel dronk, had van die bloeddorstige insecten geen last; een inwrijving van die deelen des lichaams, die aan hunne aanvallen blootstonden, verzekerde de goede uitkomst. Toen de Europeanen klaagden, dat zij den vorigen nacht geen oog geloken hadden, deelden de Dajaks bereidwillig hun middel mede, hetgeen tot gevolg had, dat geen insect de slapenden naderde en deze allen een rustigen slaap genoten.
Tegen middernacht werden allen gewekt door Dalim, die zich met de taak van schildwacht belast had. De prauw werd nu in den stroom gebracht en zakte voorzichtig de soengei af. Dicht bij de monding ontwaarden de vluchtelingen een open plek in het woud, te midden waarvan eenige verkoolde boomstammen zich verhieven, die naast elkander geplant, vroeger blijkbaar een vierkant omzet hielden, dat zoowel de soengei als den hoofdstroom beheerschte. Dat waren de overblijfselen van een Dajaksche benting, aan de oevers van dat riviertje gebouwd. Het was de eerste versterking, die na het uitbreken des opstands op de zuidkust van Borneo verrees. Manmoedig werd zij door Pembekel Soelil verdedigd, eerst met goeden uitslag tegen het Nederlandsche oorlogschip „Montrado”, dat haar vruchteloos beschoot; later tegen de „Onrust”, waarbij de Pembekel den dood vond, hetgeen den verdedigers de schrik om het hart deed slaan. De inneming van de benting te soengei Basarang was het laatste wapenfeit van de „Onrust”, die kort daarop zelf door Dajaks genomen en vernield werd.
Toen de vluchtelingen de soengei Basarang uitvoeren, lieten zij het oog over de breede watervlakte der Kapoeas weiden. In het zuid-oosten zagen zij een paar lichten schitteren en de sombere omtrekken van het fort aan de Kapoeas-monding zich verheffen. Overigens was niets te zien zoover het oog kon peilen. De rivier was veilig en met krachtigen roeislag werd nu de lange reis aanvaard. Ja, aanvaard is het ware woord; want na twee dagen omzwervens, bevonden de vluchtelingen zich bijna op dezelfde plek, van waar zij uitgingen en hadden zij niets anders gedaan, dan het fort, waaruit zij ontvluchtten, om te trekken. Als daar ginds, waar die lichten schitterden, geweten werd, dat de deserteurs zoo nabij, nog niet eens op een kanonschot afstands zich bevonden! Maar alles daar was en bleef stil. Het fort bleef in ’t donker gehuld en de nachtelijke stilte werd slechts verbroken door twee slagen op een heldere metalen klok, die aanduidden, dat het twee uur in den morgen was. Een luid veldgeschreeuw der schildwachten kwam tot de vluchtelingen over als teeken, dat, hoe rustig alles ook scheen, de noodige waakzaamheid niet verzuimd werd.
Nog eenige roeislagen en het fort zou achter „Tandjoeng Djoeking Koempai”, de eerste stroombuiging in de Kapoeas, verdwenen zijn. La Cueille, die met strakke oogen naar zijne vroegere garnizoensplaats had zitten turen, liet nu zijn pagaai zakken en zuchtte diep. Johannes hoorde zulks:
„Heb je berouw?” vroeg hij. „Spreek, ’t is nog niet te laat. We kunnen je daar op dien hoek achterlaten. Jij kunt je afwezigheid aan een dronkemansuitstapje wijten. Mits je ons niet verraadt, kan je vertellen wat je wilt. Nu.... spreek, zullen we je afzetten?”
„Naar die kaaskoppen terugkeeren! Sacré nom de tonnerre! dat nooit!” riep de Waal wild en woest.
„Nu, dan ook geen zuchten meer; dat is goed voor vrouwen en kinderen; mannen moeten weten te handelen.”
„C’était plus fort que moi,” bromde La Cueille. „Voor een oogenblik rezen al die mooie verhalen, waarop gijlieden mij gedurende de twee laatste dagen vergast hebt, mij voor den geest en pardieu! toen ik dat fort zag, waar we als in Abrahams schoot, ver van alle boschspoken, koppensnellers, bloeddrinkers en vrouwenschenders, zouden zitten, dat fort, alwaar we met weinige roeislagen konden aankomen, toen, ja ik beken het, had ik een zwak oogenblik. Maar wees volkomen gerust, dat is nu over.”
En zijn pagaai in het water slaande, hielp hij met kracht mede, om het vaartuig de grootst mogelijke snelheid mede te deelen. Weldra was dan ook het fort aan het gezicht onttogen en passeerden de vluchtelingen een groep kleine eilandjes, „Poeloe telloe” geheeten.
Bij het gloren van den dageraad, bevonden de deserteurs zich ter hoogte van het eiland Kanamit.
Dalim oordeelde het onraadzaam, de reis verder voort te zetten en raadde aan een toevlucht te zoeken in soengei Naning, een riviertje, dat op den rechter oever der Kapoeas, achter het eiland uitwatert. Toen de prauw den smallen rivierarm ingestevend was, die Kanamit van den vasten wal scheidt, wees Johannes met den vinger een plek aan, zeggende:
„Daar zoo wat, zijn we eens ter nauwernood aan de mandauw’s der Dajaks ontsnapt.”
„Och God! dacht ik het niet?” gilde La Cueille, „daar zul je weer een mooi verhaal hebben.”
„Je kunt voor mijn part je Walenooren toestoppen; maar dit hier is een plek op Gods aardbodem, die voor mij nog zeer levendige herinneringen bevat.”
„Kom, laat die Waal grommen,” zei Wienersdorf, „ik geloof dat hij bang voor heksen en spoken is. Dat heeft men meer bij menschen die in steenkolenmijnen gewerkt hebben, niet waar Richard?”
„Jawel, maar dat de Waal mij nu het woord late. Wat ik te vertellen heb, is alweer een bijdrage tot de kennis van het volk, waarmede we ongetwijfeld innig in aanraking zullen komen.”
„Het was in Juli 1859. Er waren berichten ingekomen, dat de vijand zich op Poeloe Kanamit en aangrenzende oevers geducht versterkt had. Het oorlogsstoomschip „Montrado” was derwaarts gezonden en dat had tot „bateau-mouche,” tot voorlichter de „Tjipannas” een klein rivierstoomertje, dat sedert het uitbreken van den opstand in deze streken zeer gewichtige diensten had bewezen. Maar het scheepje was oud, zijn machine ratelend als een oudroestwinkel en zijn stoomketel volgens deskundigen zoo dun als een velletje postpapier. ’t Was dan ook treurig die kleine boot soms in een stroomsnelheid van 1,80 meter, die de rivieren hier bij vol ingetreden eb kunnen erlangen, te zien sukkelen. Zij mocht haar stoomspanning slechts op tien kilogram houden en daarmee was niet altijd tegen den stroom in te werken. De gezagvoerder had al menigmaal geprutteld en op het hoogst gevaarlijke van zoo’n toestand gewezen; maar.... er was geen ander stoomscheepje om de „Tjipannas” in die wateren te vervangen; zoodat, zoo luidde het officieele antwoord op die dringende vertoogen, „maar met alle omzichtigheid en wat minder angstvalligheid gehandeld moest worden.”
„Kom, dat is gekscheren, niet waar,” viel Wienersdorf in. „Zoo’n antwoord is onmogelijk.”
„Volkomen vrijheid om het voor gekscheren op te vatten, mijn waarde Zwitser, en ik kan me best begrijpen dat jij, een afstammeling van een vrijheidminnend volk, dat den beer der wouden in zijn wapen voert, geen begrip kunt hebben van zulke fabriekmatige volzinnenmakerij. Men is op de bureaux te Batavia daar zeer sterk in en wordt daarin slechts door de Nederlandsche kommiezerij, welker vaderschap trouwens te eerbiedigen valt, voorbij gestreefd.”
„Maar dat antwoord, dat met alle omzichtigheid en wat minder angstvalligheid gehandeld moest worden, is klinkklare onzin.”
„Toch niet,” glimlachte Johannes, „toch niet. Let eens goed op de beteekenis. Gebeurt er een ongeluk, dan is het bestuur geen schuld aan te wrijven; want.... alle omzichtigheid was aanbevolen. Heeft nu de gezagvoerder die omzichtigheid uit het oog verloren en gestoomd met een ketel, die de geringste spanning niet meer verduren kon, dan moet hij ook al de verantwoordelijkheid van het onheil dragen. Weigert evenwel die gezagvoerder te stoomen en gebeurt er ten gevolge van die omzichtigheid een ongeval, dan heeft men met een lafaard te doen, dien aanbevolen was minder angstvallig te zijn. Je ziet, hoe het ook uitvalt, de kat komt steeds op haar pootjes te recht en is de Regeering te Batavia steeds gedekt. De rest is bijzaak. Maar laat me nu voortgaan.”
„Den bewusten dag hadden we—want we waren met een twintigtal soldaten aan boord van de „Tjipannas”—Poeloe Kanamit afgepatrouilleerd en daarop niets gevonden dan veel modder. ’t Is, zooals ge zien kunt, een laag, moerassig eiland met zwaren plantengroei overdekt, dat met iederen vloed onder water komt; ’t is ongeveer een half uur lang en slechts een paar honderd el breed. Toen we aan boord terug waren, zouden we naar den vasten wal oversteken, om ook daar het terrein te onderzoeken. Maar ten halverwegen van het vaarwater vernamen we een doffen slag, gepaard met een vrij hevigen schok en, voor we ons eigenlijk rekenschap konden geven, wat er gebeurde, begon het scheepje te zinken. Gelukkig dat de sloep slechts met een eind aan de valreepstrap bevestigd was, anders waren vele ongelukken te betreuren geweest. Nu behoefde zij slechts bijgehaald te worden; maar er was niet meer tijd dan noodig om er in te stormen. Nauwelijks toch was de sloep losgemaakt en eenige kabellengten van de boot verwijderd of deze begon een golvende beweging te vertoonen, dook eerst over den voorsteven, verhief zich weder, waarbij de achtersteven wegzonk; daarop dook de voorsteven nogmaals maar nu voor goed en verdween het geheele schip in de diepte.