Part 13
„Nog waren we niet van den schrik bekomen en deinde de sloep nog verschrikkelijk, toen van den wal een vrij sterk geweervuur weerklonk en met de kogels ons ook een aantal vergiftigde pijltjes om de ooren vlogen. Gelukkig werd niemand geraakt, maar onze toestand was toch uiterst benard. Allen waren we in de sloep gevlogen, slechts met de gedachte bezield het lijf te bergen; doch niemand had bij die algemeene ontsteltenis er aan gedacht wapens mee te nemen. Er waren zelfs geen roeiriemen of pagaaien voorhanden; we dreven op Gods genade. Wel lagen een paar oud-model geweren in de sloep; maar patronen waren er niet en die oude verroeste wapenen misten zelfs de bajonet. Gedurende een korten tijd hielden we de vijanden in bedwang door die onschadelijke geweren op hen aan te leggen, maar toen zij ondervonden, dat toch niet geschoten werd, nam hun moed hand over hand toe, en spoedig waren eenige hunner djoekoeng’s bemand en maakten die zich gereed onze sloep op zijde te schieten. We zouden allen verloren geweest zijn, want we waren volkomen weerloos tegenover hunne vreeselijke mandauw’s, doch daar verscheen de „Montrado” aan den noorderingang van het vaarwater en niet zoodra had deze onzen neteligen toestand bemerkt of een kanonschot weerklonk, dat om de ooren onzer belagers een hagelbui van kartetskogels deed fluiten, die, hoewel in haast en slecht gericht, evenwel de goede uitwerking hadden, de Dajaks als schimmen te doen verdwijnen. Weinige minuten later bevonden we ons aan boord van het oorlogsschip en waren we gered.
„Oef!” riep La Cueille, „dat ’s me een pak van ’t hart. ’t Was me, of ik de nachtmerrie had. Je komt er telkens nog al goed af; dat ’s me een troost bij al je nare verhalen.”
„Maar,” vroeg Wienersdorf, „hoe zijn die luidjes thans hier gezind?”
„’t Is nog raar gespuis en als ze ontdekten, dat we blanken zijn, zou ons leven geen oortje waard zijn. Maar we zijn nu Dajaks, „Hèlo mikèh” niet bang zijn,” voer Johannes lachende voort. „In allen gevalle zijn we met ons zevenen en kwaad zal het niet kunnen, als we de wapens onder bereik houden.”
De prauw zwenkte de soengei Naning in en voer deze op, totdat een groot huis bereikt werd. Dalim en een zijner landslieden, vergezeld van Johannes, stegen aan wal en klommen langs een schuins liggenden boom, van inkervingen voorzien, de gewone trap, die toegang tot de Dajaksche woningen verleent, op naar boven en traden het huis binnen. Al de achtergeblevenen in de prauw hadden een geweer gegrepen en hielden zich tot handelen gereed. Maar na een poos, die den wachtenden zeer lang scheen, trad Johannes naar buiten, maakte een gebaar tot geruststelling en riep in het Dajaksch dat men bij vrienden aangeland was. En werkelijk woonde daar een bloedverwant van een der opvarende Dajaks, die zich, als betrokken bij de opstandszaken, daar schuil hield. Het was een Islamsche Dajak, dat wil zeggen, dat hij zijne heidensche gebruiken vaarwel gezegd en den Mahomedaanschen godsdienst omhelsd had. Dat was nog eerst kort geleden geschied en sedert had hij zijn Dajakschen naam „Mihing” voor dien van „Ali Bahar” verwisseld. Maar waarschijnlijk waren de „Sangiangs” (halfgoden) over die bekeering vertoornd, want de Hadji, die hem bekeerd had, was bij het baden door een kaaiman gegrepen en verslonden.
Toen Dalim aan Ali Bahar vertelde, dat een „Sjech” onder het gezelschap was, gaf deze luide zijn vreugde te kennen en stormde hij naar buiten om de reizigers te begroeten en te verzoeken bij hem binnen te treden. Vooral overlaadde hij den Arabier met eerbiedsbewijzen; hij schudde hem de hand zoo als hij dat wel eens te Kwala Koepoeas, in navolging der blanken gezien had, wreef het tipje van zijn neus tegen dat van den pseudo-Sjech, om hem den Dajakschen groet toe te brengen en legde eindelijk zijne beide handpalmen uitgestrekt op zijn voorhoofd onder het prevelen van: „Allah akbar”, zooals hij dat zijn vorigen leeraar had zien en hooren doen.
La Cueille kweet zich deftig van zijn rol, hij boog telkenmale onder het uitspreken van „Bismillah”, afgewisseld met een Waalschen vloek, dien niemand begreep, en liet met veel vroomheid de kralen van zijn rozenkrans onverpoosd tusschen de vingers glijden. Maar toen zijn gastheer hem mededeelde, dat hij twee zonen had, jongelingen van omstreeks veertien en vijftien jaren, en het zijn vurigste wensch was, dat de heilige man die jeugdige Dajaks besnijden zoude, ontsnapte hem een gebaar van ontzetting. In zijn wanhoop sprong de Waal op, strekte zijn handen ten hemel, als om dien tot getuige te roepen, waartoe hij gekomen was. Gelukkig dat Johannes zijn lachlust, door dit koddig tusschenspel opgewekt, had kunnen bedwingen; hij verklaarde thans den verbaasden Dajak, dat de heilige met vervoering Allah dankte, voor het voorrecht hem geschonken, weer aan twee medeschepselen het zichtbare teeken van tot de uitverkorenen des Profeets te behooren, te mogen mededeelen. Maar men moest wachten tot dat de zon aan den hemel gestegen zou zijn ter plaatse door de uitgestrekte armen des Sjech’s aangewezen. Deze zoude zich intusschen afzonderen om zich door het gebed tot de heilige handeling voor te bereiden.
Toen de Waal in de prauw weergekeerd was, gevoelde hij zich zeer neerslachtig. Hij had in zijn leven steenkolen gedolven, stoomketels geklonken, geweerloopen geboord, hanen gefrischt en bajonetten vervaardigd; maar een besnijdenis te verrichten, daartoe achtte hij zich niet in staat. Dat werk was hem te fijn; hij begreep dat hij daarbij fiasco moest maken. In doffe wanhoop greep hij evenwel zijn zakmes, beproefde op zijn duim of het wel scherp genoeg was voor de bewerking en keek uit naar een steen om het nog wat aan te zetten. Johannes keek hem glimlachend aan, maar toen hij begreep, wat dat mes te beduiden had, schaterde hij het uit.
„Steek dat ding toch in je zak,” zei hij, toen zijn lachbui wat bedaard was, „daar komt geen ijzer of staal bij te pas. Dat je dat als Arabier niet weet! je bent nog weinig in je rol. Wacht, ik zal je het werktuig fabriceeren, dat je noodig hebt.”
En een stuk bamboe grijpende, fatsoeneerde hij dat in de gedaante van een mesje met uiterst scherpe snee, waartoe de glasharde bast van de bamboe zich bij uitnemendheid leende.
„Zie zoo,” zei hij, „je hebt nu niets anders te doen, dan de huid tusschen den voorsten vinger en duim te nemen en die met dat mesje een weinig af te schaven, evenwel zoo, dat een paar droppels bloed zichtbaar worden. Kom, kom, je zet een gezicht of je een moord moet begaan; ’k zeg je, alleen de huid maar wat schaven.”
„O!” riep de Waal in wanhoop, terwijl hij het bamboelemmet hemelwaarts ophief, „o! ’k doe de plechtige gelofte, als ik in mijn land terugkom, dit mes bij het altaar van Notre Dame op te hangen!”
„Waarmee je een paar Mahomedaantjes gefabriceerd zult hebben! Ja, daar zal ze nog al op gesteld zijn, daar zal je haar pleizier mee doen. Het idée is prachtig. Maar, om bij de zaak te blijven, vergeet nu maar niet gedurende de bewerking een aantal „Allah’s” en „Bismillah’s” te mompelen; ook niet om na de bewerking de afwassching der handen door den Koran voorgeschreven, te volvoeren.”
La Cueille, zoo door die raadgevingen gesteund, hield zich nog al goed. Op het aangegeven uur volvoerde hij, niettegenstaande het gillen en tegenspartelen der patiënten, de operatie met een handigheid en ook met een zachtzinnigheid, die men niet verwacht zoude hebben, van een hand, die gewoon geweest was, den voorhamer te hanteeren. Maar toen de besnijdenis afgeloopen was, wachtte hem een nieuwe beproeving.
De Dajaks zijn groote liefhebbers van feestvieren; iedere gelegenheid is hun daartoe welkom, en nu was niets natuurlijker dan dat die besnijdenis, waardoor twee heidenen tot kinderen Gods gemaakt en bij de uitverkorenen des Profeets ingelijfd waren, met een goed middagmaal en een flinken teug zoude bezegeld worden. Allen, maar voornamelijk Sjech Mohammed Al Mansoer, gaven hunne ingenomenheid daarmede te kennen en de laatstgenoemde gaf zelfs een spreuk ten beste, waarbij hij meende dat „Allah het best in zijne gaven verheerlijkt wordt.” Maar toen tegen het middaguur allen met de huisgenooten huns gastheers met gekruiste beenen, in een kring geschaard, op het matje zaten, dat tot feestdisch zoude dienen en als eerste schotel een vervaarlijk groote varkenskop, ter nauwernood van zijn grofste borstels ontdaan en even boven het vuur gepoft, op een groot blad opgedragen werd en daarnaast een pot met „toeak” verscheen, boog Johannes zich tot den Waal en fluisterde hem eenige woorden toe. Met zichtbare drift voer deze laatste op:
„Que la peste t’étouffe, vilain animal!!” schreeuwde hij.
Het geheele Dajaksche huisgezin stoof verschrikt op bij die uitbarsting van gramschap, maar Johannes stelde hen gerust door de verklaring, dat de heilige naneef des Profeets zijn verontwaardiging te kennen gaf over de stoutheid om in een pas bekeerd huisgezin en bij zoo’n feest zulke spijzen en dranken op te dragen en vooral hem die voor te zetten.
„Ziet hoe de heilige rilt,” voer hij voort, „hij rilt van afschuw bij het zien van het onreine voedsel, door Ngabehi Mohamed zoo streng veroordeeld.”
En werkelijk de Arabier schoof heen en weder als een bezetene en mompelde binnensmonds een mengelmoes van Waalsche, Fransche en Hollandsche vloeken. Hij begreep, dat hij te wille van zijn kleed van een lekker gerecht, den zoo smakelijk uitzienden varkenskop, waarvan hij zijn deel reeds in gedachte met citroensap en lombokh toebereid had, afzien moest, en dat hij een hartigen teug van den zoo lekker ruikenden „toeak” zou moeten derven.
Met den „toeak”, een uit rijst gegisten, peper, betèlnoten en suiker vervaardigden drank, had hij reeds vroeger kennis gemaakt en hem toen zoo lekker gevonden, dat, nu hij den pot met het verleidelijk vocht had zien verschijnen, hij zich de belofte gedaan had, den inhoud geducht aan te spreken. Maar nu, die verduivelde Johannes! dat die zijn mond niet kon houden. Hij draaide zijn tulband heen en weer op zijn hoofd en had veel trek dat hoofdtooisel door de geopende deur in de soengei te werpen. Maar Indoe Soemping, de gastvrouw haastte zich den wanhopigen Arabier een geduchte portie „tambilok” degelijk gekruid en gepeperd en goed gebraden, en ook eenige stukken „liendoeng”, die in een zure eiersaus dreven, voor te zetten. Nadat de heilige man er een gebed over uitgesproken had, liet hij zich die gerechten bij gebrek aan wat anders, met een flinke portie schijfjes gebakken „Koedjang” goed smaken. Hij verklaarde zelfs later, dat hij die Dajaksche keuken uitermate fijn en lekker gevonden had.
„Dat geloof ik wel,” meende Johannes, die het verkorvene goed had te maken, „’t was het fijnste, wat ze je voorzetten konden. Dàt heb je toch met je besnijdenisbaantje op ons voor gehad. Ons heeft men van die lekkernijen niet gepresenteerd.”
„Maar wat is het, wat ik eigenlijk gegeten heb?”
„Weet je dat niet, orang bodokh? (domkop) Welnu, de Koedjang is een knolgewas, dat in de lage Dajaklanden overal in het wild groeit en de aardappelen vervangt.”
„Die ken ik wel; die heb ik te Kwala Kapoeas genoeg gezien en gegeten. Zoo aan schijfjes gebakken, zijn ze bepaald lekker; maar ik bedoel meer de vleeschgerechten. Hoe hoorde ik ze ook weer noemen?”
„Tambilok” en „liendoeng?”
„Juist, wat zijn dat?”
„Heb je te Kwala Kapoeas, wel eens een ouden boomstam, die lang in de rivier gelegen had, zien opensplijten?”
„Wel zeker; dat is nog zoo lang niet geleden, bij gelegenheid dat het vlot vernieuwd werd, waarop de badinrichting stond.”
„Welnu, wat heb je toen gezien?”
„Wat ik toen gezien heb? Ik begrijp je niet. Wat ik toen gezien heb? Wel, die boomstammen met wiggen opensplijten en naar de keuken dragen, om ze als brandhout te bezigen. Daaraan heb ik mee gecorveed.”
„Ze hebben oogen en zien niet, die Europeanen”, mompelde Johannes. „Heb je niet opgemerkt, dat het hout, van binnen geheel en al in de lengte doorboord was met ontelbare gangen van ongeveer een pink dikte; ofschoon de stam van buiten geheel gaaf was?”
„Wel zeker en die gangen waren van binnen met een harde en witte schelplaag gevoerd.”
„En in die gangen werden lange, vette, witte wormen aangetroffen. Welnu?”
„Welnu....? Wel dat is de paalworm.... dat weet ik wel,” sprak La Cueille aarzelend.
„En het is die paalworm, die de Dajaks „tambilok” noemen, en waarvan ze zulk een lekkeren schotel bereiden.”
„O! Notre Dame de bon secours!” gilde de Waal walgend en kokhalzend.
„En de „liendoeng”,” vervolgde Johannes als in één adem zijn lekkerbekstoelichting, „en de „liendoeng” is een zoo wat drie voet lange waterslang, ter dikte van een mansarm, rood van kleur, met zwarte strepen op den rug, die een zeer gladde huid heeft, maar niet giftig is. Die is de lievelingskost der Dajaks.” [38]
„O! en ik heb die voor paling gegeten!” riep La Cueille met wanhoop uit, terwijl hij het hoofd buiten boord der prauw stak en met het bovenrif bewegingen volbracht, zoo als stumperds bij zeeziekte plegen te verrichten, wanneer zij hun offer aan Neptunus plengen.
„Zie je, dat ’s dwaas van je wat je daar doet,” zei Johannes lachend.
Zoo’n aterling lachte om alles, het was om helsch te worden.
„Nu zal je straks honger hebben,” vervolgde hij half medelijdend, „maar laat je dat niet ongerust maken; ’k heb op Dajaksche wijze een groot stuk van dien varkenskop in een blad gewikkeld, als je je straks wat minder kinderachtig gevoelt, kan je je hart ophalen. Maar wat een poppetjes maken ze toch van jullie in die Walenkwartieren? Kerels, die bleek om hun neus worden, wanneer ze van een paalworm of een slang proeven. Je zult nog wel eens wat anders achter je knoopsgaten moeten steken voor dat je thuis zult zijn.”
La Cueille zuchtte, maar antwoordde niet. Hij legde zich te rusten en.... was het het zalige bewustzijn twee heidenen aan den Vorst der duisternis ontrukt te hebben? Of was het de invloed der aandoeningen, dien dag bij de besnijdenis en na het verorberen der slangen en paalwormen, ondervonden? Wie zal dat ooit uitmaken? Genoeg zij het, dat hij spoedig in een diepen slaap gedompeld werd en dat, zooals hij daar in ’t heilige gewaad uitgestrekt lag met een glimlach op de lippen, hij een fraai beeld vertoonde van den slaap des rechtvaardigen.
Middelerwijl Sjech Mohamed Al Mansoer sliep, waren Johannes, Wienersdorf, Schlickeisen en Dalim onder geleide van hun gastheer Ali Bahar, na eenige ruggespraak met dezen, behoorlijk gewapend het bosch ingetreden. De beide overblijvende Dajaks van het reisgezelschap bewaakten de prauw en hadden daartoe ieder een geweer ter hand genomen. Niets verdachts liet zich evenwel ontwaren en zoo omstreeks een uur voor het vallen van den avond kwamen de anderen terug en brachten een groot pak gereedschap, waaronder schoppen en pikhouweelen mede, als ook twee kleine bronzen één pond kanons, die zij dachten dat hun te pas zouden kunnen komen. Die gereedschappen en die wapens hadden zij, zooals zij beweerden, in een ledige hut gevonden en waren afkomstig van de gezonken „Tjipannas”, die door de Dajaks opgevischt waren. Er moest nog een wandeling gemaakt worden, want daar lag nog een koperen kruitkist, zooals die aan boord der oorlogschepen gebruikt wordt, waarin nog eenig buskruit aanwezig was. Dicht daarbij lagen een vijftigtal kartetsen voor de kanonstukjes; die mochten niet te loor gaan. Verder was er nog een lichte ankerketting van een dertig vadem lengte, die van onschatbaren dienst zoude kunnen zijn.
Tegen acht uur omstreeks was alles aan boord, en toen meende La Cueille, die intusschen wakker was geworden, dat de reis zoude vervolgd worden; maar in stede daarvan zetten zijne makkers zich nog eenigen tijd met den gastheer te praten. Eindelijk, toen die zijn huis ingetreden was en de anderen de prauw instapten en zich gereed maakten om rust te genieten, vertelde Johannes den Waal, dat zij dezen nacht en ook nog den volgenden dag in soengei Naning zouden verwijlen.
„Maar,” vroeg La Cueille, „is het niet gewaagd, hier zoo nabij het Hollandsche fort, langer dan noodig te verblijven?”
„Langer dan noodig, zou zeker gewaagd zijn. Maar we mogen niet te veel haast aan den dag leggen, dat is zoo strijdig met den aard en de gewoonten der Dajaks, dat wij groote achterdocht zouden opwekken. Je hebt onzen gastheer hooren vertellen, dat je voorganger, zijn vroegere godsdienstleeraar, door een kaaiman gegrepen is. Nu heeft hij ons verzocht, hem morgen te helpen dat beest te vangen. Dat is een uitnoodiging, die geen Dajak mag afslaan. Dat zou de bloedigste tooneelen veroorzaken.”
„Een kostelijk mooi baantje. Goddank! ik heb van zoo’n jacht geen verstand, zoodat ik stilletjes hier zal kunnen blijven!”
„Mis; je hebt er integendeel een rol bij, die niemand anders vervullen kan.”
„Ga dan je gang, als ’t maar weer niet geldt slangen of paalwormen te eten. Dan pas ik.”
„Vertel nu geen domheid. Luister. Ik heb mij uitgegeven voor Pangareran....”
„Ik voor een afstammeling van den Profeet; jij nu voor een Pangerang; ik zie den dag nog aanbreken, dat de twee Zwitsers Radja zullen worden. Nu, als ons dat naar de noordkust zal kunnen tooveren, mij wel.”
„Nogmaals, verkoop geen onzin. ’k Heb me niet voor Pangerang (vorst) maar voor Pangareran uitgegeven.”
„Zoo, is daar onderscheid in? Zeg me dan eerst wat een Pangareran is.”
„Dat is iemand die er werk van maakt, krokodillen te vangen.”
„Zoo, zoo; maar als jij je daarvoor uitgegeven hebt, dan ben ik bij dat werkje niet noodig.”
„Wel zeker; een Pangareran gaat nimmer uit, om zijn vak uit te oefenen, zonder een priester bij zich te hebben, die gebeden prevelt. En, waardste Arabier, in onze associatie komt jou het biddersbaantje van rechtswege toe.”
De Waal verschoof zijn’ tulband eens, bedacht zich een oogenblik en sprak toen:
„Maar ’k dacht dat de Dajaks heidenen waren? Een Mahomedaansch gebed is dus zeker te onpas.”
„De meeste Pangareran’s zijn Maleiers, dus Mohamedanen. Je weet toch ook wel, dat de Dajaks geen kaaiman durven vangen.”
„Waarom niet?”
„Omdat Djata—een broeder van Mahatara, de God der Dajaks—de vader van alle krokodillen is en zelf onder de gedaante van een kolossalen kaaiman in den hemel vertoeft. Voor geen schatten der aarde zullen daarom de Dajaks een dier monsters dooden en worden zij door de bloedwraak daartoe gedwongen, dat wil zeggen, wanneer een hunner bloedverwanten, vrienden, gasten of buren verslonden is, dan: je weet „il y a des accommodements avec le ciel”, wordt een Maleier betaald, om den misdadiger te dooden.”
„Met je permissie, hoe weten ze, wie de misdadiger is? Hier in deze wateren zwemt nog al wat van dat ontuig.”
„Dat er bij zulk eene wraakpartij een enkel onschuldig zoontje van Djata omkomt, is zeker, maar dat schijnt de Dajaks niet te deren. De jacht wordt niet opgegeven, voor dat een kaaiman gevangen is, in welks ingewanden overblijfselen van het slachtoffer zijner vraatzucht gevonden worden. Je herinnert je toch nog wel, toen dat lieve Dajaksche meisje, de kleine Biengies, bij het fort te Kwala Kapoeas door een kaaiman weggehaald was. Toen zijn zeker een vijftigtal van die ondieren aangebracht, totdat eindelijk ruim zes weken na het ongeval een zeer groote gevangen werd, in wiens maag een dicht ineengewerkte bos menschenhaar en de koperen braceletten, die de deern gedragen had, gevonden werden. Toen was de jacht uit.”
„Of ik mij dat nog herinner? Wel zeker; ’k heb toen de Javaansche soldaatjes geholpen om het vet uit al die krengen te koken; zij brandden dat ’s avonds in hunne lampjes. Wat een zacht vet was dat, nog zachter dan de fijnste reuzel. Ik wilde toen een voorraad bewaren; ik ben overtuigd dat kaaimannenvet een uitmuntend middel moet zijn tegen winterhanden en wintervoeten.”
„Verduiveld, daar zul je hier last van hebben, geloof dat vrij; maar let nu op. Straks tegen middernacht ga ik de haken uitzetten en daarbij moet je tegenwoordig zijn. Je hebt immers flink geslapen?”
„Ja dat heb ik; maar.... de haken uitzetten? wat is dat en wat heb ik er bij te doen?”
„Wat dat is, dat zul je wel zien; wat je er bij te doen hebt, och, niet veel; alleen maar gebeden prevelen; en daar we waarschijnlijk in het holle van den nacht met ons beiden alleen zullen zijn, kun je ook dat bidden achterwege laten. Maar denk er om, dat je morgen, wanneer een kaaiman mocht gevangen zijn, deftig en zalvend bidt. Je moet zelfs het ondier overlezen, anders krijg ik een ongeluk. Zie hier een beduimelde Maleische bloemlezing van Roorda van Eysinga, die kan best dienst doen voor Koran; ze is er smerig genoeg toe.”
Na die bespreking volgden de beide mannen weldra het voorbeeld hunner makkers. Zij wikkelden zich in hunne spreien, maar bleven voorzichtig waakzaam en uitkijken.
Toen de „Taloetoek”—een kleine uilensoort met zwarte donsachtige veeren op het lijf, maar met roodachtige vleugel- en staartpennen—te middernacht zijn droefgeestig: „khoekh, khoekh” deed hooren, wenkte Johannes den Waal en maakte een der Zwitsers wakker, om voor de algemeene veiligheid te waken. Beiden bestegen vervolgens een djoekoeng, waarin lange rottan-einden aan elkander gebonden lagen, zoodat zij kabels van dertig tot veertig meter lengte vormden, aan welker uiteinden stevige ijzeren haken van anderhalven voet lang en nagenoeg een vinger dik bevestigd waren. Na een lampje aangestoken te hebben, beijverden zich beide mannen de haken van aas te voorzien, waartoe zij hoofdzakelijk levende eenden gebruikten. Haak en eend werden op een vlotje van pisangstammen zoodanig bevestigd, dat bij het te water laten de eend drijvende en levend bleef. Toen zij daarmee klaar waren, blies Johannes het lampje uit; beiden grepen de beseai’s en zakten zachtkens en zonder gedruisch te maken de soengei af, op hun weg slechts voorgelicht door de millioenen en millioenen vuurvliegjes, die op de bladeren van de Rambei-boomen [39] langs de oevers van het smalle riviertje als zoo vele heldere vonkjes schitterden.
In de soengei werden een paar haken uitgezet; maar de uiteinden van de rottankabels, aan een zwaar stuk hout gebonden en dit laatste zoodanig aan eenige takjes aan den oever bevestigd, dat deze bij een eenigszins heftigen ruk moesten breken om het stuk hout drijvende te laten. In de monding der Naning werd ook zulk een vischtoestel geplaatst, alsook nog een paar daar tegenover, aan den westelijken oever van het eiland Kanamit.
Toen dat alles goed besteld was, roeiden onze beide Europeanen zachtkens naar hunne prauw terug en legden zich ter ruste.
X.
Een kaaiman aan den haak.—Een jacht te water.—De verrichtingen van den Pangareran.—La Cueille en Johannes te water.—Een ex-voto.—Het zegeteeken.—Een Dajaksche stokerij.—De soengei Mantangei.—Onraad.—Gevecht met een boa constrictor.—Een slapend echtpaar door den boa overvallen.—De reis vervolgd.—Jacht op twee Dajaks.
Toen weinige uren later de dageraad met zijn gulden tooi verscheen, werden spoedig, zoowel de bewoners van het huis, als de opvarenden van de prauw luide gewekt. In hun ongeduld waren toch een paar kleine jongens met een djoekoeng de soengei afgezakt en hadden de tijding aangebracht, dat de eend, aan de monding van het riviertje geplaatst, verdwenen was; maar dat zij heel in de verte, bovenstrooms van het eiland, een stuk hout ontwaard hadden, dat met kracht tegen de stroomrichting scheen opgevoerd te worden.
Iedereen haastte zich op die tijding en toen het ontbijt—wat gekookte rijst van gisteren met gedroogde visch—verorberd was, snelden allen naar de djoekoengs, die gereed lagen, en weldra schuimde het water van de kleine soengei Naning onder de krachtige pagaaislagen en waren de vaartuigen spoedig uit het oog der twee Zwitsers, die als wachthebbenden in de prauw achterbleven, verdwenen.