Borneo van Zuid naar Noord

Part 8

Chapter 83,756 wordsPublic domain

Eens op een’ donkeren avond, dat Johannes bij de aanlegplaats buiten het fort als schildwacht stond, was de Chinees Baba Poetjieng hem ter zijde geslopen. Deze was begonnen een praatje met hem te maken, had hem een pakje manillasigaren aangeboden en was geëindigd met hem te vertellen, dat hij in een kreek in de benedenrivier een prauw had liggen, waarin voor een aardige waarde aan opium was geborgen, dat hij wenschte binnen te smokkelen. Hij was reeds geslaagd het vaartuig, trots kruisbooten en kustwachters de rivier binnen te brengen. Maar het moeielijkste kwam nu eerst aan. Hij moest het fort voorbij, doch hoopte dat sobat (vriend) Johannes hem zou helpen. De sluwe Chinees verzweeg voorzichtig, dat de eigenlijke lading der prauw, uit buskruit en zout, de beide voornaamste benoodigdheden der Bandjermasinsche opstandelingen, bestond. Hij stopte Johannes een paar rijksdaalders in de hand en deze sprak af, dat hij te middernacht weer op dezelfde plaats als schildwacht zou staan en dat hij het vaartuig dan zou laten voorbij varen. Maar de grootste stilte zoude moeten betracht worden, er mocht niet geroeid worden, het vaartuig moest slechts door den opkomenden vloed voortgestuwd worden. Roeien toch zou de aandacht van andere schildwachten kunnen wekken. Ook liet Johannes zich door den Chinees eenig opium geven; niet dat hij dat tuig gebruikte, maar het kon te pas komen.

Het trof bijzonder goed. De wacht werd gekommandeerd door een Javaansch sergeant en bestond hoofdzakelijk uit soldaten van dien landaard. De eenige Europeanen, die dien nacht waakzaam moesten zijn, waren La Cueille en Johannes; maar dat waren boezemvrienden. Nu ging deze laatste met den sergeant een praatje maken, liet hem het verleidelijke opium zien en het slot der vertooning was, dat al ras een paar palita’s [23] waren ontstoken en al de Javaantjes der wacht er omheen lagen met de pijp in den mond, bezig den heerlijken rook in te zwelgen, door te slikken en door de neusgaten uit te blazen. Toen Johannes tegen middernacht op post trok, sliep de Javaansche sergeant den slaap des rechtvaardigen en droomde van al de hoeri’s van den hemel des Profeets, en waren de overige schildwachten zoo dommelig, dat een stoomschip had kunnen voorbijvaren, zonder dat zij het ontwaarden. Baba Poetjieng kon dan ook zijne prauw in veilige haven brengen.

Die smokkelpartij was zoo goed gelukt, dat onze Chinees verlekkerd, haar nog menigmaal op touw zette en het was om het garnizoen van Kwala Kapoeas gunstig te zijnen opzichte gestemd te houden, dat hij zoo goedkoop was bij het venten zijner koopwaren. Waarlijk, de man verloor bij dien handel, daarvan was de kommandant overtuigd; maar deze bevroedde niet, dat de sluwe zoon des Hemelschen Rijks hem in de luren legde en zijne zaakjes wonderwel bestuurde. Opmerkelijk was het, dat Johannes nimmer een aanzienlijke belooning wilde aannemen, hoezeer Baba Poetjieng daartoe bij hem aandrong. Nu en dan een paar rijksdaalders, was al wat de ontrouwe schildwacht aannam, maar dat was geen betaling in vergelijk van de enorme winsten, die de Chinees opstreek. Maar onze vriend had zijn plan, dat hij gewis ten uitvoer zou weten te brengen. De tijd daartoe was nu gekomen. Hij had den Chinees zijn voornemens bekend gemaakt en deze zou hem op een gegeven oogenblik een prauw bezorgen, van alles voorzien en bemand met drie Dajaks, booswichten van de ergste soort, van wie bekend was, dat zij medeplichtig waren aan de gruwelen op de steenkolenmijn te Kalangan gepleegd en die er dus alle belang bij hadden zich buiten bereik van den Nederlandschen arm te begeven. Al langzamerhand had Johannes zijne kleederen, die van La Cueille, tabak enz. in kleine pakjes verdeeld, die de Chinees bij elk bezoek dat hij met zijn koopmansprauw aan het fort bracht, zoo geheim mogelijk naar zijn huis overvoerde. Het gunstige oogenblik behoefde slechts afgewacht te worden en dat zou, nu de twee nieuwe bondgenooten aangeworven waren, omstreeks nieuwe maan zijn; men had de duisternis noodig om te slagen. Toen men die afspraak maakte, was het eenige dagen voor volle maan, de komplotmakers hadden dus nog ruim veertien dagen tijd om hunne laatste maatregelen te nemen.

„Wat denken de vrienden er van?” zoo besloot Johannes zijne mededeelingen.

Een oogenblik aarzelden de Zwitsers, toen sprak een hunner:

„Wat we er van denken? Het plan tot ontkomen is uitmuntend, daar heb je eer van. Maar me dunkt daarin ligt de grootste moeielijkheid niet. Weg zullen we wel komen, dat fort is geen betooverd kasteel; maar eenmaal op weg, waarheen? dat moet de hoofdvraag zijn.”

„Waarheen! waarheen! wel je doet me lachen. Daar kan geen twijfel over zijn. Stroomaf naar zee; daar ligt de weg. Eenmaal daar, zetten we koers westwaarts; we houden vooreerst het walletje en verbergen wegens de kruisers over dag de prauw in een der kreken die op de zuidkust zoo menigvuldig zijn. ’s Nachts roeien we er lustig op los. Hebben we eenmaal Tandjoeng Batoe Titi, Borneo’s zuid-westelijke punt bereikt, dan zal het veel van het weer afhangen, welken koers we zullen vervolgen. Hebben we goed weer en gestadigen wind, wat in dezen mousson wel te verwachten is, dan blijven we westwaarts sturen en loopen dan vrij spoedig het eiland Biliton in ’t gezicht. Dat varen we om, steken de Gaspar-straten over, loopen langs den noord-oost- en noordwal van het eiland Banka en zoeken weer onze toevlucht onder den Sumatra-wal. Eenmaal daar, is het zwaarste werk verricht. We blijven onder het dichte bosch tot dat we Tandjong Basso bereikt hebben; dan kunnen we ons tusschen de eilanden van den Riouw-archipel wagen en met een beetje voorspoed, komen we spoedig te Singapore aan.”

„Je bent goed op de hoogte, dat moet ik je zeggen. Waar heb je die bijzonderheden vandaan gehaald? Toch niet van Baba Poetjieng?”

„Neen..... die vent is toch slimmer dan jullie wel denkt. Maar het geographisch en topographisch onderwijs aan de pupilleninrichting te Kedong-Kebo, alwaar ik gedrild ben, is niet slecht. Ik heb daarenboven een paar vrij goede zeekaarten, die dienst kunnen doen.”

„Maar hoe lang zal die reis duren, voor wij Singapore bereiken?”

„Op zijn minst drie of vier weken; komt er echter tegenspoed bij in het spel, dan is er geen rekening te maken.”

Den Zwitsers voer eene huivering langs de ruggegraat.

„Vier weken in een notendop op den Oceaan!” barstten zij beiden uit.

„Met je permissie! op de Javazee en een stukje op de Chineesche zee, heeft in dit seizoen niets te beteekenen. Maar als jullie bang zijt, heb ik me in je vergist. ’t Is voor het laten of voor het nemen,” was het flegmatieke antwoord.

„Neen, neen!” meenden de beide Zwitsers en staken hem de hand toe.

„Neen! we gaan mee, al voerde de weg naar de hel.”

De saamgezworenen staakten nu het gesprek en begaven zich naar het fort, om door een langer samenzijn geen achterdocht op te wekken. Zij spraken evenwel alvorens af, niet dan uiterst zeldzaam bij elkander te zijn, op alles acht te geven, wat voor hun plan belangrijk zou kunnen zijn en langzamerhand, zonder opzien te baren, alles in de hut van Johannes bij elkander te brengen, wat zij voor den tocht dienstig oordeelden. Zoo verzamelden zij zooveel mogelijk levensmiddelen, ook buskruit, ofschoon Baba Poetjieng hen daaraan wel helpen kon, maar vooral kogels door bij het schijfschieten het projectiel behendig weg te moffelen en hun schot met los buskruit af te geven. Wanneer dan een misschot aangewezen werd door den schijfwachter, lachten hen de kameraden dapper uit en zetten de onhandigen een onnoozel gezicht.

Met dat al moesten zij nog volle veertien dagen wachten, alvorens hun voornemen ten uitvoer te brengen. Binnen weinige dagen zou het volle maan zijn en het trof juist toevallig, dat twee dagen later de vloed omstreeks middernacht zijn hoogste punt zou bereiken. [24] Wanneer dat zoo samenviel, dat de waterstand gedurende die heldere nachten zijn hoogste punt verkreeg, dan waren het steeds dagen van pret voor het garnizoen van Kwala Kapoeas. De soldaten toch hadden al gauw van de Dajaks afgekeken, dat dezen tegen dien tijd bij eb, die dan ook haar laagsten stand bereikt, alle bochten en kreken zoowel langs de rivier als langs de zee met „kabiendai hempang” een vlechtwerk van bamboelatjes, zoodanig afsluiten, dat bij vloed het water zoo omstreeks een voet over dat staketsel heenstroomt, maar bij eb eene strook van den oever daarachter droog valt. De visschen schijnen nu bij maanlicht in groote scharen te trekken en op en langs de overstroomde oevers hun voedsel te zoeken, waardoor er een groote menigte achter die bamboelatjes gevangen worden. De grachten rondom het fort, waarin eenige spruitjes uitwaterden, en die zoowel in de Kleine Dajak rivier als in de Kapoeas Moeroeng uitmonden, boden voor zulk een vischvangst een uitmuntende gelegenheid aan. Bij vloed stond gewoonlijk zes à zeven voet water in de grachten; maar bij eb vielen zij gedeeltelijk droog of bleef er maar een halve voet water op den zachten modder staan. De beide mondingen werden dan met kabiendai hempang naar eisch afgesloten en bij het aanbreken van den dag sprongen de soldaten, ook hunne vrouwen, zelfs hunne kinderen, met platte manden gewapend, in die grachten en hadden het maar voor het opscheppen. Verbazend groot was dan het getal visschen en groote garnalen [25] en krabben die daar gevangen werden. Het was een koddig gezicht, die mannen, vrouwen en kinderen, slechts half gekleed, in dien zachten modder te zien door elkander loopen, springen, zich bukken, om den buit te bemachtigen, soms vallen en in ’t slijk wentelen. Gegil, geschreeuw en gekibbel was daarbij aan de orde en vreugdekreten verhieven zich, wanneer een groote „baoeng” [26] te voorschijn werd gehaald. Soms gebeurde het wel, dat een groote schildpad of een jonge kaaiman in de dikke brij verrast werden, waarbij vooral de laatste zich door ontzagwekkende sprongen ruim baan trachtte te maken. Dan stoof de menschendrom met een gegil van angst uit elkander voor een oogenblik; maar spoedig waren eenige lansen gegrepen en dan begon een andere soort van jacht, die, niet altijd zonder gevaar, met den dood van het monster eindigde. De vischvangst werd vervolgens hervat, waarbij zelfs de kleinste „ikan soloang” niet werd versmaad. [27] De buit werd eindelijk verdeeld, waarna de vrouwen zich aan het sissen, poffen en braden zetten, en den belusten ontijdig het water in den mond brachten.

Zoo was ook op den bewusten dag de vangst belangrijk geweest, men had korven vol visch opgeschept. Maar in plaats dat er gepoft en gebraden werd, had er een andere vertooning plaats. Johannes namelijk kocht zooveel mogelijk al de gevangen visschen op, zelfs tegen zoo hooge prijzen, dat het de opmerkzaamheid van den kommandant trok. Op diens vraag, wat dat te beduiden had, antwoordde de opkooper beleefd, dat hij die visschen in de zon drogen wilde en hij er reeds een goeden prijs bij Baba Poetjieng voor bedongen had. De zoo gedroogde visch maakt ter zuidkust van Borneo een belangrijken tak van uitvoer uit en is in den handel zoo gewild, dat niet altijd ten volle aan de navraag kan worden voldaan. Het gegeven antwoord kon dus geen argwaan wekken. De slimmerd had echter andere oogmerken. De gedroogde visch moest den voorraad levensmiddelen der vluchtelingen aanvullen. Een ander nut der voorgegeven speculatie was, dat onder het voorwendsel van de gedroogde visch voor en na, zooals zij gereed kwam, te komen afhalen, Baba Poetjieng, zoo dikwijls hij verkoos, in de hut van Johannes kon verschijnen en van daar met zakken beladen kon vertrekken, zonder iemands achterdocht gaande te maken.

Johannes en La Cueille waren dan ook spoedig druk in de weer, die visschen van hunne ingewanden te ontdoen, ze te spouwen en tusschen gespleten bamboelatjes te bevestigen, om ze gemakkelijker aan droogrekken in de zon te kunnen ophangen. Schlickeisen en Wienersdorf deden aan dat werkje niet mede; zij bleven voortgaan met hunne opmetingen in den omtrek. Alleen wanneer zij des avonds thuis kwamen, gingen zij wel eens ongezocht naar den arbeid kijken. Was dan eenig ander militair in de buurt, dan bespotten zij de vischhandelaars dapper, die hun het antwoord niet schuldig bleven. Was het terrein vrij, dan had er al spoedig een ander gesprek plaats. De kennis met La Cueille, als bondgenoot in het desertiekomplot, was spoedig gemaakt. Zijne lotgenooten waarschuwden hem tegen het gebruik van sterken drank en noopten hem een belofte af te leggen, geen jenever te proeven, zoolang de reis niet aanvaard was.

„Dat wil ik wel beloven,” verzekerde de Waal, „ik zal geen droppel sterken drank over de lippen nemen, anders straffe mij God en de heilige Moeder Gods!”

„Amen,” zei Johannes met een glimlach.

„Je zult je belofte, om voor ons vertrek geen sterken drank meer te gebruiken, nakomen, niet waar?” vroeg Wienersdorf nog met nadruk, terwijl hij La Cueille de hand toestak.

„Dat zal ik, zoo waarlijk helpe mij Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel!” sprak de Waal met ontroerde stem.

„Welkom dan in ons midden! De taak van ieder onzer moet nu zijn, alles bij te brengen om de onderneming te doen slagen. Ieder voor allen, moet onze leus voortaan zijn. Zeg Johannes, hoe staan we nu met onze toebereidselen?”

Deze antwoordde, dat hij reeds een vijftal zakken rijst bij Baba Poetjieng had, elk van een pikol of 62½ kilogram. Er was dus van dat hoofdvoedingsmiddel nagenoeg voor drie maanden aanwezig.

„Hoe maakt ge die rekening?” vroeg Schlickeisen, die Jantje sekuur van den troep was, „we mogen ons niet misrekenen.”

„Zes pikols maken 600 katie’s. [28] Een gezond mensch heeft minstens daags ⅞ katie noodig, dat een dagelijksch verbruik van 6⅛ katie maakt. We zouden dus een voorraad voor 98 dagen hebben, maar zoolang zullen we wel niet onder weg blijven. We dienen echter met spillage en bederf rekening te houden, zoodat we aan die vijf zakken niet te veel zullen hebben.”

„Maar we zullen toch wel wat anders te eten krijgen dan droge rijst?” vroeg Schlickeisen verder.

„Stel je gerust,” glimlachte Johannes, „je ziet, ik zorg al voor gedroogde visch. De Chinees zal ook voor dengdeng, voor zout, peper, gedroogde lombokh en kerriekruiden zorgen. We zullen ook wel een vaatje gezouten vleesch in de prauw vinden. Je moet er je echter op voorbereiden, dat je ’t niet altijd zult hebben, als bij je moeder thuis; maar bepaald gebrek zullen we niet lijden. Wat me ’t meeste hoofdbrekens kost, is het drinkwater. Rekenen wij, dat met alles voor ieder man slechts twee liter per dag noodig is, dan geeft dat voor een maand reis ruim 400 liter of acht vaatjes van 50 kan. Die zullen ontzaglijk veel ruimte wegnemen en onze gemakken veel verminderen.”

„Maar we zullen toch geen water voor de geheele reis moeten innemen?”

„Voorzichtigheidshalve ware dat het beste; we zouden dan steeds voorzien zijn en geen moeite en tijd te verliezen hebben. Maar waarlijk, ’t zal onmogelijk zijn; we zouden ons in de prauw niet kunnen roeren. Daarin zal toch al zooveel gestopt moeten worden. We zullen dus maar twee vaatjes of honderd liter meenemen. Met overleg zal dat wel voldoende zijn om ons voor ergen dorst te bewaren.”

„Maar is dat nu weer niet veel te min? nog niet eens het kwart van wat we noodig hebben,” vroeg de voorzichtige Schlickeisen, „dat brengt ons rantsoen op een halven liter.”

„Luister. Zoolang we in de kleine Dajakrivier zullen zijn, hebben we onzen voorraad niet aan te spreken. Ook zullen we geen gebrek hebben, zoolang we ons op de kusten van Borneo zullen bevinden. Over dag moeten we ons schuil houden van wege de kruisers in den een of anderen inham of kreek. Er is misschien geen land ter wereld, dat op gelijke uitgestrektheid zooveel rivieren en beekjes naar zee zendt, als op de zuidkust van Borneo geschiedt. Daar heb je, de Kleine Dajak uitkomende en rechts omslaande, eerstens de Kahajan, een prachtige stroom, die bij volle eb op twee mijlen van zijn monding nog drinkbaar water aanbiedt, dan de Sebangouw, die wel zoo groot niet is, toch een aanzienlijke rivier genoemd mag worden. Verder de Mentawei, de Sampit, de Kotta Waringin en de Djelei, voorname waterstroomen, die benevens een menigte kleinere riviertjes en beekjes zich tusschen 114° 5′, waarop de monding der Kleine Dajak en 110° 15′ O.L. van Greenwich, waarop de zuidwestelijkste punt Tandjoeng Batoe Titi liggen, in de Javazee storten en ons rijkelijk gelegenheid zullen aanbieden, onze provisie zoet water aan te vullen. Maar van den Borneowal overstekende naar Biliton, zullen we zuinig moeten zijn; want dan zijn we nagenoeg in volle zee. Daarbij komt nog dat we op Biliton’s noordkust niet veel te verwachten hebben; de weinige riviertjes, die daar aangetroffen worden, bevatten allen brak water. Op de noordoost- en noordkust van Banka is het weer eenigszins beter; maar daar moeten we door de aanwezigheid van talrijke Nederlandsche nederzettingen zeer op onze hoede zijn en mogen op geen aanvulling rekenen. Maar op de oostkust van Sumatra zullen we weer overvloed hebben. Daar zijn stroomen als de Reteh en de Indragiri met hunne tallooze armen en vele andere kleinere rivieren, die zich in de Chineesche zee werpen, meer dan voldoende om onzen dorst te lesschen.”

„Je bent voor aardrijkskundige in de wieg gelegd, en ik neem mijn hoed af voor het onderwijs te Kedong Kebo,” complimenteerde Wienersdorf.

„Laat kijken je hoed,” lachte Johannes, „’k zie niets anders dan een smerige politiemuts. Laat kijken den hoed dien je wilt afnemen; ’k heb in geen jaren een vijfkop gezien.”

„Nou, dan nemen we onze ouwe politiemutsen af voor je prachtige uiteenzetting; maar....” ging de weetgierige Schlickeisen voort, „’k wou die verhandeling nog wel wat aangevuld zien.”

„Ja, ’k weet het wel, je bent zoo nieuwsgierig als een neusaap. [29] Maar ga je gang, wat wou je weten?”

„Hoe lang zal de overtocht van Borneo naar Sumatra duren?”

„Tandjoeng Batoe Titi ligt op 2° 55′ zuiderbreedte en op 110° 15′ oosterlengte, Tandjoeng Basso de oostelijkste kaap van het eiland Basso, een aanslibbing van de Indragiri-rivier, ligt op 0° 20′ Z.B. en 103° 44′ O.L. van Greenwich. Die afstand zal dus zoo wat in rechte lijn 105 geographische mijlen bedragen. Houden we tot in het gezicht van Banka den zuid-oost mousson, dan kunnen we op een vaart van twintig mijlen per etmaal rekenen. Maar dat zou te veel geluk zijn. Tot bij Biliton zal die mousson ons vrij constant bijblijven; maar dan zullen we waarschijnlijk stilte of wel noorden- of noord-oostenwind krijgen. Die winden zijn ook verre van ongunstig; maar zij zijn in dit seizoen gewoonlijk uiterst zwak. We moeten rekenen, dat we gemiddeld niet meer dan vijftien mijlen zullen maken en zal dus die overtocht zonder wederwaardigheden zeven dagen duren.”

„Dus 7 × 7 × 2 of 98 liter water, die op dat traject noodig zijn.”

„Dat is volgens Bartjens, juist 98 liter.”

„Jongens, dat ’s krapjes, dan is er niets over voor de wederwaardigheden.”

„En ook niet voor het morsen, dat is waar. Maar in Gods naam! we zullen ook misschien wel eens ergens kunnen aanleggen; is het niet op Banka, dan op het eiland Singkep, daar is water in overvloed. In de eerste plaats evenwel moeten we zuinig zijn. Twee kan per man zijn ook voor de omstandigheden ruim berekend en het zal voor een korten tijd ook wel met minder kunnen.”

Zoodanig waren de gesprekken, die ons viertal hield, wanneer zij de ongezochte gelegenheid hadden bij elkander te zijn. Een andermaal deelde Johannes mede, dat Baba Poetjieng een vaatje buskruit van vijftig pond toegezegd had. Dit bracht het gesprek op de bewapening en de munitie, en werd er afgesproken dat, wanneer de dag der ontvluchting aangebroken zou zijn, de saamgezworenen hunne geweren in de hut van Johannes zouden brengen, onder voorwendsel die met zorg te willen poetsen. Men zou ook trachten zooveel patronen mogelijk machtig te worden; maar vooral moest men kogels zien te verkrijgen. Door bij het schijfschieten te smokkelen, hadden zij al een kleine honderd bij elkander en onder voorwendsel van een „djala” [30] te willen maken, had Johannes van den knecht bij het oorlogsmagazijn nog een twee honderd kogels gekregen. La Cueille deelde mede, dat hij van den kommandant twee Remmington-geweren ontvangen had om te poetsen en van den dokter twee revolverpistolen. De bij die vuurwapens behoorende patronen, verzekerde hij, zou hij ook wel machtig worden. Verder werd besloten, dat de Zwitsers de boussole en den veldkijker van den kommandant zouden medenemen.

Zoo verliep de tijd, dien zij nog wachten moesten, om hun plan te volvoeren. Den tweeden dag na nieuwe maan kwam Baba Poetjieng als gewoonlijk zijne waren aan de aanlegplaats bij het fort te koop aanbieden. Hij verkocht dien dag aan den dokter een schaakspel, in ivoor prachtig à jour gewerkt, voor een spotprijs en scheen overigens goede zaken te doen. Hij had onder anderen een factuur doelmatige Duitsche pijpen, die door de soldaten zeer gewild waren. Hij maakte van zijn aanwezen bij het fort gebruik, om nog een paar zakken gedroogde visch af te halen, waarmede die vischhandel afgesloten was, en waarvoor hij Johannes in tegenwoordigheid van verscheidene andere militairen een tiental rijksdaalders afbetaalde. In werkelijkheid gold het geheele bezoek van den Chinees slechts de laatste afspraken, die nog te maken en de laatste goederen, die nog over te brengen waren. Het oogenblik was gunstig. Er was een choleralijder in den kampong gestorven en niemand had zich opgedaan om het lijk te begraven, dan de drie Dajaks, die van de ontvluchtingspartij zouden zijn. Tot 10½ uur zou de vloed loopen, dan zou omstreeks een half uur stilstaand water zijn, waarna de eb met kracht zou intreden. Alle kansen waren dus gunstig. Bij het vallen van den avond slopen de vier verbondenen in de hut van Johannes, en hielden zich daar verborgen totdat de duisternis volkomen was. Toen slopen zij een voor een met hunne geweren gewapend, achter de struiken bukkende langs den rivieroever en bereikten ongezien den kampong, waar zij plaats namen in de prauw, die den overledene naar zijn laatste rustplaats moest overvoeren. Dat alles ging zonder eenige stoornis; de vrees voor de ziekte hield ieder nieuwsgierige op een afstand. Tegen 10 uur omstreeks werd de „Raoeng,” die den overledene bevatte in de prauw gebracht; omstreeks 11 uur kwam de prauw met de priesteressen, die achter het lijk hare gezangen moesten uitgillen. Bij die aankomst was de eb reeds ingetreden; beide prauwen staken dus van wal en weldra waren zij het fort gepasseerd, de lezer weet met welk gevolg.

VII.

Dronkenmans-foefje en dronkenmans-redeneering.—In zee.—Een begrafenis.—Johannes in een Tjemara-boom.—Een jacht.—Een uitmuntende raad.—De Kahajan op.—Een Aeolus-harp.—De soengei Troessan.—In de soengei Dahasan.—Een boschspook.—Een muskieten-vestje.—Verdere plannen.—„Pas op je kop”.—Een zwart pak.