Borneo van Zuid naar Noord

Part 7

Chapter 73,667 wordsPublic domain

Te Samarang had een kortstondig gevecht plaats, waarbij het de schutterij gelukte de oproerlingen binnen hun kwartier te houden. Eenmaal daarin opgesloten, werden zij door een paar compagnieën Amboineezen spoedig gedwongen de wapens neer te leggen. In de vesting Willem I werd een medeplichtig bataillon op behendige wijze ontwapend; op andere plaatsen hadden ettelijke arrestatiën plaats en daarmee was het uit. De beweging was, gelukkig voor alle partijen, in hare geboorte gesmoord.

Nu vergaderden de krijgsraden, die „ultima ratio” naast het kanon van hen, die niet volkomen gelijk hebben. Ettelijke belhamels werden tot den strop verwezen, andere werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, alle die eenigen graad bekleedden en in mindere of meerdere mate in het komplot betrokken waren geweest, werden tot soldaat gedegradeerd en het geheele Europeesche gedeelte van het leger, dat in de 2e Militaire Afdeeling van Java gehuisvest was geweest, werd over den geheelen Archipel verspreid. Dezen naar de Westkust van Sumatra, genen naar de Lampongs, anderen naar Borneo’s Westkust, naar Banka, naar Palembang, naar Riouw, naar Siak, naar Borneo’s Zuid- en Oostkust, naar Makassar, naar de Menahassa, naar de Molukken enz. enz.

Toen het gevaar daar was, werd er flink en doortastend gehandeld. Daaraan is te wijten, dat er geen grootere onheilen gebeurd zijn. Wat minder te prijzen valt, is de geheimzinnige sluier, die over het gebeurde werd geworpen. Naast den officieelen leugen, of beter om dien officieelen leugen te bevorderen en te kunnen kweeken, moet de geheimzinnigheid, waarmede wij Nederlanders onze handelingen bij het besturen onzer overzeesche bezittingen omsluieren, de vloek onzer staatkunde genoemd worden.

Waren de verhooren, door die krijgsraden afgenomen, publiek gemaakt; ware openbaar gemaakt, wat in die verhooren op den voorgrond getreden is, de afzichtelijke wijze, waarop het Indische leger aangevuld wordt, dan, o!—er valt niet aan te twijfelen—zou het Nederlandsche volk, met al de gebreken, waarvan het beticht wordt, het tot een onmogelijkheid gemaakt hebben, dat nog niet lang geleden de Duitsche rijkskanselier zich met de Nederlandsche wervingen moest bemoeien; ook dat, om dien staatsman genoegdoening te geven, een hooggeplaatst Nederlandsch ambtenaar, van zijn ambt moest ontzet worden, om daarna tot spot van wat door een rechtschapen mensch recht en billijk genoemd wordt, op Java weer tot eer en aanzien verheven te worden.

Waren ook destijds de stukken, tusschen de Nederlandsche regeering en den Heer von Bismarck gewisseld, waarop het ontslag van dien staatsbeambte en de gerechtelijke vervolging van een Nederlandsch hoofdofficier door de Duitsche autoriteiten volgde, openbaar gemaakt, dan ware de kitteloorige waarschuwing van den drieharigen staatsman in het jaar 1880 niet noodig geweest. Het Nederlandsche volk zou dan van zijne bestuurders geëischt hebben, dat aan alle verfoeielijke kunstgrepen bij de werving een einde gemaakt werd.

Had men het Nederlandsche volk de waarheid over de aanleiding van zoovele oorlogen in Nederlandsch Indië niet onthouden, de Atjeh-oorlog ware onmogelijk geweest. En nu nog, nu die oorlog nog voortduurt en goed en bloed blijft verslinden, wanneer daaromtrent de geheele onvervalschte waarheid verkondigd werd, dan zou niet alleen een andere annexatie-oorlog in de toekomst onmogelijk worden, maar dan zou het geheele Nederlandsche volk opstaan, om zich tot zijn Koning te wenden met den nadrukkelijken eisch, een einde te maken aan dien onrechtvaardigen oorlog, die met ongeëvenaarde hondschheid begonnen en met Fransche luchthartigheid voortgezet is; maar waarbij behalve de Nederlandsche financiën ook het laatste sprankje van Nederlandsche eerlijkheid en waarheidsliefde dreigen te gronde te gaan onder een aanhoudend weefsel van logen en bedrog, met het doel om den toestand te verbloemen en met het resultaat, dat het volk aan zedeloosheid en leugentaal gewoon gemaakt wordt.

Geheimhouding is de draaispil van de diplomatische bedrevenheid in Indische zaken der Nederlandsche staatslieden; is die niet houdbaar, dan wordt waarheidsverminking aangewend en, is die soms niet genoeg om den toestand te redden, dan wordt niet teruggedeinsd voor het verspreiden van de meest ergerlijke leugen. Bewijs bij voorbeeld voor dit laatste beweren, de zoo hoog opgevijzelde vreemde interventie in de Atjehzaken, waarvan nimmer een jota waar is geweest.

Maar, om tot ons verhaal terug te keeren. De Zwitsers waren dus over den geheelen Archipel verspreid en zoo waren Schlickeisen en Wienersdorf te Kwala Kapoeas verzeild geraakt, alwaar zij zich bij hunne teleurgestelde verwachtingen uitermate verveelden.

Al zeer spoedig waren zij met denkbeelden vervuld, om zich aan dien toestand te onttrekken. Zij ontveinsden zich er de moeielijkheid niet van.

Wel was hun geen slecht lot beschoren; zij hadden het veel erger kunnen treffen. Hun kommandant was een humaan mensch, die aan een gepaste strengheid veel menschlievendheid paarde en innig medelijden had met de arme verdwaalden. Alles deed hij, om hun toestand te verzachten; nu eens kortte hij de verveling op den een of anderen tocht door een gesprek met hen te houden, waarbij zij hunne gaven als ontwikkelde mannen konden ten toon spreiden; zijn bibliotheek stond te hunnen dienste en daar de luitenant lid van een der vele leesgezelschappen was, die destijds ter Zuid- en Oostkust van Borneo bestonden, was dit te meer onwaardeerbaar, wijl zij daardoor de meeste en de beste der nieuwere tijdschriften in handen kregen en zoo op de hoogte van den tijd bleven.

Een andere bezigheid, waarmede de luitenant hun leegen tijd in beslag nam, was het opnemen van het terrein rondom en in niet al te onmiddellijke nabijheid van het fort. Wanneer de officier tijd had, dan leidde hij de werkzaamheden: maar veelal waren onze twee Zwitsers aan zich zelven overgelaten. Toch kweten zij zich uitmuntend van de hun opgedragen taak. Met vaardigheid hanteerden zij de boussole, het planchet en de tranche-montagne, allen instrumenten den luitenant toebehoorende, en waren de schetsen, die zij ontwierpen, zeer verdienstelijk te noemen. Vooral was de tranche-montagne hun lievelingsinstrument; daarmede werden de horizontale hoeken zoo gemakkelijk en toch zoo nauwkeurig gemeten, de terreingolvingen gaf het met een oogopslag aan; terwijl het bij opstelling en vervoer tot zoo weinig omslag mogelijk aanleiding gaf. Een zwerven door de maagdelijke bosschen van Borneo was daarenboven onzen avonturiers niet onwelkom, en zij rekenden tot de heerlijkste oogenblikken huns levens de uren, die zij daar te midden van den meest prachtvollen plantengroei doorgebracht hadden.

Maar dat alles gold slechts het heden, dat zij beleefden en, hoe draaglijk dat heden zich ook voordeed, en hoe verrukkelijk sommige oogenblikken te genieten waren, zoo waren zij toch verplicht een blik in de toekomst te werpen. Wanneer zij hun toestand bespraken, dan was steeds de slotsom hunner redeneering, dat ieder uur, iedere minuut, iedere seconde, die zij nog in Nederlandsch Indischen dienst doorbrachten, voor hunne verdere vorming geheel nul en dus voor een nog mogelijke toekomst verloren was.

Tot die slotsom gekomen, stond het weldra vast, dat zij deserteeren moesten. Dat besluit was echter gemakkelijker genomen dan uitgevoerd. Zij zaten nog al ver in het binnenland van Borneo, dat grootste aller eilanden, omringd door woeste wilde stammen, die een menschenleven net zooveel tellen, als dat van een der duizenden muskieten, die in hunne moerassige wouden gonzen, die allen koppensnellers in hun hart zijn en aan het bezit van een Europeeschen schedel zeer groote waarde hechten en waarvan velen nog van meening zijn, dat menschenhersens als hoofdschotel op iedere feesttafel tegenwoordig moeten zijn. Zij zaten op dat Borneo, waarvan het grootste gedeelte der kustlijnen in de macht was der Nederlanders, die ongetwijfeld wel alle krachten zouden inspannen om de vluchtelingen te achterhalen, al ware het maar om het verleidelijke van het voorbeeld te fnuiken. De naastbijzijnde kust, zijnde de zuidkust, grensde aan de Java-zee. Bij den bestaanden oorlogstoestand was die geblokkeerd en zwierven daar stoomschepen, kruisbooten en gewapende barkassen overal rond. Hetzelfde kon gezegd worden van de oostkust, die aan straat Makasser, en van de westkust, die aan de Chineesche zee paalt. Overal ontwikkelden de Hollanders de grootste waakzaamheid om den invoer van oorlogscontrabande tegen te gaan. Alleen de noordkust stond open, om de goede reden dat langs die kust, die zich nagenoeg 200 geographische mijlen ver van kaap Datoe in noordwestelijke richting uitstrekt, de Nederlanders niets te zeggen hebben. Langs die kust wonen altemaal onafhankelijke stammen, waarvan een zich een Engelschman tot radja gekozen heeft en alzoo onder Britsch protektoraat staat. Maar om die noordkust te bereiken, moest geheel Borneo van het zuiden naar het noorden doorgetrokken worden; de weg zou onvermijdelijk door streken leiden, nimmer door een Europeeschen voet betreden, waarbij de vluchtelingen noodwendig in aanraking zouden komen met volkstammen, die alleen door een vrij onvolmaakte gelijkenis met den mensch van het dier verschillen, in leelijkheid bij den Waw-waw en den Orang-oetan [15] ten achteren staan en door dat alles zooveel levende bewijzen voor de stelling van Darwin opleveren. Daarbij zou het er op aankomen die noordkust in de onmiddellijke nabijheid van Sarawak, het gebied van James Brooke, den bovenbedoelden Engelschman, te bereiken; daar zij, op ieder ander punt aankomende, het vreeselijkste lot zouden te gemoet gaan, dewijl de daar wonende stammen niet in gebreke zouden blijven, hen gevangen te nemen en hen aan de Solorsche zeeroovers te verkoopen. Harde slavernij zou dan hun lot zijn.

Waarlijk de uitvoering der voorgenomen desertie was moeielijk.

Het was al dadelijk niet gemakkelijk tot een beslissing te geraken, welken weg de deserteurs in spe in te slaan hadden. Maar dienaangaande zou een toeval hen helpen en hunne voornemens tot rijpheid brengen, ja, hen eenigszins overijld doen handelen.

VI.

Een nachtelijk gefluister.—Lucullus voor een dier aangezien.—Het komplot.—Plannen van Johannes.—Een dankbare opiumsmokkelaar.—Johannes geeft bewijzen van zijn aardrijkskundige kennis.—Een mirakuleuse vischvangst.—La Cueille’s belofte.—Drinkwater.—Verdere maatregelen.—Het vertrek.

„Stilte in dien hoek! de tamboer heeft licht-uit geslagen. Wat hebt jullie toch nog zoo laat te mompelen? Is de dag niet lang genoeg om te kletsen? Thans is het tijd om te slapen.”

Zoo klonk op een avond de bevelende stem van een korporaal in de kazerne te Kwala Kapoeas. De man had gelijk en deed zijn plicht. Het grootste gedeelte van het detachement had dien dag een vermoeienden marsch gemaakt en had nu rust noodig. De laatste roffel op de trom had weerklonken; op een klein oliepitje na, waren alle lichten uitgedoofd. De reglementen schreven voor, dat de landsverdedigers moesten slapen en zij zouden slapen. Waartoe dienden anders de korporaals?

Oogenblikkelijk was het stil in de kazerne, zeer stil zelfs. Niets liet zich hooren dan de regelmatige ademhalingen of het gesnurk van hen, die reeds onder zeil waren. Buiten trippelden de schildwachten op en neer; van tijd tot tijd liet zich de doffe weemoedige stem van den Gekko [16] hooren.

De stilte hield lang aan, zoo lang zelfs, dat het bevel van den meerdere opgevolgd scheen en men meenen kon, dat allen in slaap gedompeld waren. Toch was dat het geval niet; want in den hoek, waarheen de korporaal straks zijne stem gericht had, begon eindelijk weer een zacht gefluister.

Het waren Wienersdorf en Schlickeisen, die het gestoorde gesprek met gedempte stem vervolgden:

„Ik herhaal het,” sprak de eerste, „ik houd het niet meer uit. Er moet uitkomst komen.”

„St! wind je zoo niet op,” fluisterde de andere, „geduld nog wat, we mogen ons niet overijlen.”

„Geduld! geduld! dat woord ligt in je mond bestorven. We zijn al twee maanden hier en zijn nog even ver als den eersten dag.”

„Wat er aan te doen? zeg. We kunnen geen ijzer met handen breken. Het geldt een onderneming, waarbij ons leven op ’t spel staat.”

„Juist! zeer juist; want als het talmen nog lang duurt, spring ik in de rivier.”

„Een lekker hapje voor den kaaiman, maar een vreemd middel om zijn vrijheid te herwinnen. Tenzij je den dood als oppersten bevrijder huldigt. Ga dan je gang.”

„Ja, liever dood dan nog langer in die ballingschap te zitten.”

„Och, dood is dood. Ik beken ronduit, dat ik liever nog wat „sambal naar genoegen” slik, dan dat ik...”

Schlickeisen kon niet voleindigen. Eene gedaante was onmerkbaar tusschen hunne beide bedsteden gekropen en richtte zich nu op; terwijl zij op de schouders van de beide fluisteraars een hand legde, die hen met eenige kracht dwong in horizontale houding te blijven. Beide Zwitsers waren nog al verschrikt.

„St!....” fluisterde of beter siste de gedaante, „jullie praat als een paar „beo’s” [17] en snatert maar door, zonder op te merken, dat korporaal Dungelhof al meer dan een kwartier op zijn stroozak overeind zit en zich den hals ontwricht, om jullie woorden op te kunnen vangen. Heeft die de geheele hannisserij verstaan, maakt je dan maar gereed, om morgen op ’t rapport bij den kommandant te verschijnen.”

„Voor mijn part, mag hij ons gesprek gehoord hebben,” pruttelde Wienersdorf.

„Maak dat je zuster wijs, maar mij niet,” hernam de gedaante zoo zacht mogelijk. „Als de luitenant maar het tiende gedeelte verneemt van ’t geen hier afgekletst is, dan is zeker een van de twee morgen, voor dat de zon nog heel hoog aan den hemel staat, op weg naar Kahajan. De kommandant speelt er niet mee.”

„Och kom, dat zou zoo’n vaart niet loopen. Maar wie ben jij? misschien nog een haartje erger dan korporaal Dungelhof. Een luistervink is nimmer te vertrouwen,” sprak Schlickeisen hoewel zacht op dreigenden toon.

„Maak je maar niet dik; ik zal jullie niet verraden. Mijn naam doet er van avond niets toe. Maar kijk, kijk, die korporaal den hals eens rekken.”

En werkelijk klonk het andermaal barsch:

„Stilte in dien hoek! ’k herhaal het niet weer. Die niet wil hooren, zal maar moeten voelen.”

Wienersdorf en Schlickeisen hielden hun adem in. Allen hielden zich een wijl doodstil. Plotseling boog zich de geheimzinnige gedaante, die tusschen de kribben gedoken was, over hen heen en fluisterde zoo zacht, dat het slechts een ademtocht geleek:

„Komt morgen na het soepeten in de hut van Johannes, dan zullen we samen praten.”

En weg was de gedaante. Als een slang was zij onhoorbaar onder de slaapkribben doorgeschoven en in het donker verdwenen.

Een tijdlang lagen de twee Zwitsers stil en roerloos. Toen zij vermeenden dat de korporaal ingeslapen was, richtte een hunner zich op:

„Wie was dat?” mompelde hij.

„Zeker Johannes zelf.”

„Ja, ’t was een bruine huid met naakt bovenlijf, ’k Geloof zelfs dat de huid met klapperolie was ingesmeerd, zooals de Javanen doen als voorbehoedmiddel tegen de muskieten.”

„Is die vent te vertrouwen?”

„Wie zal dat kunnen bevestigen? Het beste zal zijn, morgen eens in zijn hut te gaan kijken, we zullen dan wel hooren, wat hij te vertellen heeft. Maar voorzichtig, denk er om, we spelen grof spel. Laat ons nu ook zwijgen, die korporaal Dungelhof is een ware luistervink.”

Beide mannen wikkelden zich in hunne sprei en waren weldra in diepen slaap gedompeld.

Toen zij des anderen daags hunne soep uit de keuken haalden, moesten zij de hut van Johannes voorbij en stond deze in de post van de deur. Bij hunne nadering maakte hij, evenwel zonder een woord te spreken, plaats, maar met een gebaar, alsof hij hen wilde uitnoodigen binnen te treden. Zij schoven naar binnen, zetten hunne gamellen op den grond en namen plaats op een bank aan de tafel. Die tafel was vrij goed voorzien. Behalve de soep, die Johannes ook uit de keuken gehaald en in een zindelijk bord overgegoten had, prijkten daar nog op een schotel met dampende tafelrijst, helder wit en droog van korrel gekookt, een kom „pindang ikan” en een kom „sajoran lodèh,” [18] het alles omgeven door ettelijke schoteltjes met „sambal oelik”, „sambal goreng” en „sambal oedang” [19]. Ook ontbraken er de vleeschspijzen niet. Eenige borden met „dengdeng”, met „troeboek”, „telor-assin” met „sateh” oesi-oesi, [20] waartusschen een gebraden eend in een smakelijke saus te zwemmen lag, die onze Zwitsers watertanden deed, vulden het geheel aan.

„Je bent een Lucullus,” begon Schlickeisen.

„Wat ’s dat voor een dier?” was de wedervraag van Johannes.

„Dat was geen dier, dat was een Romeinsche lekkerbek, die in jouw schaduw niet kon staan.”

„Spot, maar ga zitten,” parodieerde onwetend Johannes het gezegde van een groot man.

„Gaat zitten en tast toe,” vervolgde hij, „ge ziet, ik verwachtte jullie. Als het op is, kunnen we praten; men redeneert nooit zuiverder, dan wanneer de maag zich in een behaaglijke stemming bevindt.”

Dat was het woord van een wijsgeer. De Zwitsers lieten het zich geen tweemalen zeggen. De kompagnie’s menage was schraal en vooral zeer eentonig en daardoor zeer onsmakelijk. In gedachten merkten zij op, dat zoo’n inlandsch kind zich er toch beter op verstond om zijn keuken smakelijk te maken dan een Europeaan. Weldra zat ons drietal te smullen en te kluiven, dat het een aard had. Zij spraken geen woord, daartoe was geen tijd. Men vernam niets anders dan het gesmak der lippen, het gemaal der tanden en het geklingel van lepels, messen en vorken, ook van glazen; want Johannes had zich goed gehouden en ook een paar flesschen wijn en bier op de tafel gezet.

Toen de vleeschdeelen van het laatste eendenkluifje verdwenen waren en de smullenden zich de vette vingers met wellust afgelikt hadden, zette Johannes zijne gasten een kistje met tabak gevuld voor en, toen het drietal de pijpen gestopt en aangestoken hadden, begon hij het vuur:

„En nu vooruit met jullie „perkara” (zaak). Je wilt dus wegloopen?”

Schlickeisen en Wienersdorf keken elkander aan en eenigszins schuw in de rondte.

„We zijn hier alleen; niemand kan ons hooren, de bewoners der hutten rechts en links zijn op wacht. Kom, vooruit met de zaak! Jullie wilt weg, maar waarheen? Misschien kan ik helpen.”

„Maar we willen niet weg. Wie zegt dat?”

„Vertel dat nu maar aan mijn modelschoenen. We zullen kort zijn en open kaart spelen. Gisteren avond heb ik onder jullie kribben gelegen en, heeft Dungelhof zoo ’t schijnt niets gehoord, mij is geen woord ontsnapt. Maar je behoeft je niet ongerust te maken, ik ben geen verrader. Vertrouwt mij, ik herhaal het, misschien kan ik helpen.”

De beide Zwitsers wisselden een langen blik van verstandhouding. Zij begrepen, dat zij in de hand van dien man waren; zij meenden hem te kennen als een loszinnigen snaak, wanneer het vrouwen gold, maar die tot een verklikkerij niet in staat was. Toch aarzelden zij, om hun geheim te openbaren. Eindelijk vatte Wienersdorf het woord:

„Nu ja, we bespraken gisteren een plan van desertie; maar tusschen bespreken en handelen is het verschil groot.”

„Dat zou ik meenen. Maar laat hooren je plan.”

„Och, ’t waren nog slechts woorden. Van een plan kan eigenlijk nog geen sprake zijn. We zijn nog te kort hier, om met de toestanden van het land eenigszins bekend te zijn. Zonder die kennis is volgens mij iedere poging onmogelijk.”

„Je spreekt als een geleerde, en die ben je ook, geloof ik. Als je evenwel wilt wachten tot je de noodige kennis omtrent dit land zult opgedaan hebben, dan heb je tijd om oud te worden. Maar, voor dat de eerste maal door den korporaal stilte gelast werd, hoorde ik zoowat van een wankang [21] mompelen.”

„Daarover hebben we een oogenblik gesproken. Men heeft ons verteld, dat jaarlijks zoo’n vaartuig hier aankomt. We spraken er over den Chineeschen kapitein over te halen ons aan boord te verbergen en ons naar China over te brengen?”

„Mooi! hebt jullie geld?”

„We zullen zoowat een vierhonderd gulden bij elkaar hebben.”

De oogen van Johannes glinsterden. Na een oogenblik van zichtbare ontroering hernam hij:

„Nou, spaart de moeite dan maar. Weet je wat gebeuren zou? Zoo’n Chinees zou bedaard die vierhonderd gulden opstrijken; hij zou jullie ook aan boord ontvangen en zorgvuldig verbergen. Maar bij het verlaten van Kwala Kapoeas, zou hij den kommandant een briefje in handen bezorgen, en nog vóór dat de wankang in zee zou zijn, zou haar een kruisboot achterop komen, die haar met een kanonschot bevel zou geven bij te draaien, waaraan zij stipt voldoen zou. Jullie zoudt dan van boord gehaald worden, maar dan waren ook de poppen aan ’t dansen.”

„Maar waarom zou zoo’n fielt dat doen?”

„Eenvoudig om zonder veel omhaal uw vierhonderd pop op te kunnen steken. Ook om bij de Nederlandsche autoriteiten in een goed blaadje te staan en bij een volgende gelegenheid eenige fleschjes „minjakh poko” of een paar potten „boeang assin” [22] meer van de hand te kunnen zetten. Neen, aan zoo’n ontvluchting valt niet te denken. Maar luistert. Vertrouwen voor vertrouwen. Ook ik heb het plan gevormd het hazenpad te kiezen en heb daarover lang nagedacht. Ik kan er bijvoegen, dat mijn plan nagenoeg tot rijpheid gekomen is. Slechts zie ik er tegen op, de onderneming alleen op touw te zetten. Wel zal La Cueille mij vergezellen; maar dat is niet genoeg. Eenige paren stevige armen meer, zijn op den tocht, dien ik voor heb, niet overbodig. Wel, wat denkt gij?”

„Maar La Cueille is een dronkaard. Is dat de man wel, om in zoo’n onderneming te halen?”

„Op een klein beetje moet je niet kijken; hij is een flinke kerel, die voor geen klein gerucht vervaard is. Daarbij zullen we slechts weinig sterken drank medenemen en dien zal ik nog onder bewaring nemen. Wanneer hij nu niets krijgen kan, is hij de goedigste kerel van de wereld.”

„We dienen toch met je plannen bekend te worden. Maar hoe kom je er aan, je tot ons te wenden?”

„Dat’s eenvoudig. Al lang had ik jullie afzondering in de gaten. Steeds zit je in alle hoekjes te fluisteren, en zelfs des nachts kunt ge den snater niet houden. Ik trachtte jullie te bespieden en dat is mij uitstekend gelukt. Daarbij komt nog, dat ge geenerlei vertering maakt, ter nauwernood een pijp rookt en dus een spaarpotje moet hebben. Nu is geld de zenuw aller ondernemingen. Ik had dus gevonden wat ik zocht: een paar stevige kerels, die even als ik weg willen en daarenboven van splint voorzien zijn. Ik zal ook een groote honderd gulden in de mas bijbrengen. Toen ik ulieden van deserteeren hoorde spreken, sprong mij het hart van vreugde, want ik begreep, dat de dag van uitvoering aanstaande was. Zijt gij met dien uitleg tevreden?”

„Jawel, maar het plan nu?”

Onze drie komplotmakers stopten nog een versche pijp en met bij elkander gestoken hoofden luisterden de Zwitsers aandachtig, wat hun gastheer hun voorhield en wat op het volgende neerkwam.