Borneo van Zuid naar Noord

Part 6

Chapter 63,660 wordsPublic domain

Daar werd het zoutverkooppakhuis met grachten en palissaden omgeven, banketten en bastions werden opgeworpen, de bermen, de taluds en het glacis werden beplant met randjoe’s, dat geduchte verdedigingsmiddel tegen den ongeschoeiden inlander; in een woord, die maatregelen werden getroffen, welke het verrezene veldwerk tegen een coup de main moesten verzekeren. Maar vóór nog dat het werk behoorlijk gesloten was, beproefden de Dajaks onder aanvoering van Djoeragan Kaout, een hunner dapperste hoofden, gedurende een stikdonkeren nacht, dat de geheele bezetting, afgemat door den arbeid overdag aan de verdedigingswerken, te rusten lag, en de schildwachten minder waakzaam waren, een aanval, die hun aanvankelijk goed gelukte. Als slangen over den grond kruipende en zich langs het riviertalud bewegende, hadden zij zich achter de struiken, die bij het fort vrij dicht in elkander langs den oever groeiden, verzameld. De schildwacht, die daar de nog ongesloten zijde bewaakte, en op den weg, die tusschen de rivier en het fort doorliep, op en neer wandelde, had in opdracht, aan beide uiteinden van de ruim zestig meter lange face groote houtvuren te onderhouden, waardoor zijn aandacht te veel afgeleid werd. Nadat hij zich bij een dier vuren van zijne taak gekweten had, meende hij, half verblind door het turen in de vlammen, een gedaante over den weg te zien sluipen en het fort binnen ijlen. Hij loste zijn schot, maar het was reeds te laat. Een twintigtal Dajaks met de lans en den gevreesden „mandauw” (koppensneller) in de vuist, vlogen den weg over, het fort binnen en begon daar het bloedbad. In een oogwenk lag de geheele wacht in haar bloed te baden. Bij den eersten alarmkreet was de kommandant van zijn legerstede opgevlogen, had zijn pistolen en sabel gegrepen en stortte naar buiten. Maar in den stikdonkeren nacht was niets te ontwaren. Nog voor hij den drempel van zijn vertrek had overschreden, was hij door een lanssteek doodelijk in den buik gewond. Hij vloog zijn aanvaller niettemin achterna, loste twee schoten op hem en kloofde hem met een flinken sabelhouw den schedel. Daarop begaven hem de krachten en zonk hij met uithangende ingewanden ter aarde. Des anderen daags overleed hij aan de bekomen verwonding.

Intusschen was ook de bezetting te wapen gevlogen; weldra klonk een goed onderhouden geweervuur den aanvallers in de ooren en deed verwarring onder hen ontstaan. Nu traden de verdedigers naar buiten en een flinke bajonetaanval deed de Dajaks voor goed het hazenpad kiezen. Zij namen echter nog den tijd, om hunne gekwetsten en gesneuvelden mede te voeren.

Dat alles was in minder tijd voorgevallen, dan noodig is geweest, om het te verhalen. Men zou het voor een droomgezicht, een zinsbedrog hebben kunnen houden, wanneer men de dooden en gekwetsten niet voor oogen had gehad. Bijna alle Europeanen (een twaalftal) waren door mandauw-houwen of door vergiftigde pijlen gekwetst; een hunner, een kanonnier, was in de chambrée op de plaats doodgestoken. De kommandant was doodelijk getroffen en van de inlandsche soldaten waren velen gewond en stierven enkelen hunner reeds in de eerste dagen.

Hoeveel het verlies des vijands geweest is bij dien stoutmoedigen aanval, is men nimmer te weten gekomen.

Weldra kwam een nieuwe kommandant met eenige versterking van manschappen aan en werd nu met kracht de hand er aan geslagen, om het veldwerk tegen dergelijke overrompelingen te beveiligen.

Onder de eerste maatregelen daartoe, behoorde het afsluiten van de Kapoeas-monding. Want het was uit die rivier, dat de vijandig gezinden opdaagden om het Nederlandsche etablissement te bedreigen en de goedgezinde bevolking, die zich om dat etablissement gevestigd had, te verontrusten. Eerst werd daar in die breede monding een kruisboot op brandwacht gelegd; maar behalve dat haar bewaking bij donkere nachten onmogelijk veel kon geven, werd zij al heel spoedig door de Dajaks afgeloopen en werden haar kanon, hare geweren, hare blanke wapenen, haar kruid en lood en hare levensmiddelen buit gemaakt.

Daarna werd het stoomsleepertje „Kapitein Van Os,” den lezer reeds bekend, met een detachement infanterie aan boord, in die Kapoeas-monding gestationneerd. Maar dat bleek evenmin afdoende, want de vijand legde het er bepaald aan ook dat scheepje te bemachtigen of te vernielen. Zoo gebeurde het eens, dat de Dajaks een groote hoeveelheid hout geveld hadden en dat bij een stikdonkeren nacht aan den stroomdraad hadden overgegeven. De list gelukte volkomen en zou het scheepje in het grootste gevaar brengen. Bij hare evolutiën om tusschen de beide oevers op en neer te stoomen, stootte de boot op die vlottende houtmassa, die krakend langs haren boeg afweek, maar nu tusschen de raderen geraakte. Weldra was dat hout zoodanig tusschen de staven en schoepen gewrongen, dat de machine geen slag meer vooruit of achterwaarts kon doen. Fluks sprongen de matrozen, met bijl en hakmes gewapend, in de raderkasten, om de boot uit dien hachelijken toestand te redden. Maar nog had men zich slechts van een klein gedeelte van dat hout ontdaan, daar kwam een tweede houtberg regelrecht op de boot aandrijven. Hij was nog slechts weinige ellen verwijderd; met angst staarden de opvarenden de onbestemde gedaante aan. Een Javaansch sergeant, op de verschansing gezeten, meende eenige beweging achter dat drijvende bosch te bespeuren. Hij greep zijn geweer; op zijn bevel openden zijne manschappen een goed onderhouden geweervuur. De matrozen verlieten in allerijl de raderkasten, sprongen aan boord, vlogen naar de kanonstukjes; kogels en kartetsen floten door dat drijvende eiland en weldra ontwaarde men een aantal djoekoeng’s, die door vlugge roeispanen in beweging gebracht, van achter dat hakhout te voorschijn schoten en onder een akelig gehuil in de duisternis verdwenen.

Toen die vlucht plaatsgreep, was de vijand nog maar op weinige passen afstand van de boot. Ware hij weinige oogenblikken later ontdekt, dan zoude het pleit met het blanke wapen hebben moeten beslecht worden, en zoude het kleine manmoedige troepje aan boord van den sleeper, door een overmachtigen vijand besprongen, die zoo vreeselijk behendig zijn mandauw weet te voeren, als in een dwarlwind verdwenen zijn.

Men kwam nu op de gedachte, om het fort van Poeloe Petak, alwaar het geene strategische waarde had en slechts diende om de trouw gebleven bevolking gerust te stellen, naar de Kapoeas-monding te verplaatsen. Dat was een beter denkbeeld en zoo verrees op de landtong, gevormd door de samenvloeiing van de Kleine Dajak-rivier met de Kapoeas Moeroeng een versterking, die met vier bastions geflankeerd en met de noodige kanonnen gewapend, en door een gewapende kruisboot gesteund, geheel aan hare bestemming voldeed, namelijk een steun voor de goedgezinden en eene volkomene afsluiting der Kapoeas-rivier; welke afsluiting er veel toe bijbracht, om eindelijk die streken tot bevrediging te brengen.

De geheele bevolking van Poeloe Petak en van het hoogerop gelegen Palingkey verhuisde nu naar de Kapoeas-monding en vestigde zich daar, van het eiland Mangboelau af in een onafzienbaren kampong, die wel twee uren lang was, langs de oevers van de Kleine Dajak-rivier.

V.

De bezetting van Kwala Kapoeas.—Een militaire kampong.—De werving van het Nederlandsch-Indische leger.—De zielenverkoopers.—„Die vader en moeder vermoord heeft is nog te goed voor de Oost.”—De opstand der Zwitsers te Samarang.—De Zwitsers over den geheelen Archipel verspreid en Schlickeisen en Wienersdorf te Poeloe Petak geplaatst.—Plannen tot desertie.—

Al is een fort nog zoo hecht daargesteld en met nog zooveel kanonnen bewapend, zou het wanneer er geen verdedigers waren om de borstweringen te bezetten en de kanonnen te bedienen, niet veel gegeven hebben. En hoewel de Nederlanders in het eigen vaderland de actieve strijdkrachten schromelijk verwaarloozen en bij een oorlog alles van de doode strijdkrachten schijnen te verwachten, zoo moet toch geboekstaafd worden, dat diezelfde Nederlanders in Indië het goedkooper vinden, de beide stelsels te combineeren, door aan de verwaarloosde krijgsmacht ook nog de noodige gelden voor de verdedigingsmiddelen te onthouden. De lezer herinnere zich slechts, hetgeen in een vorig hoofdstuk verhaald werd over de bewapening van de troepen op de buitenbezittingen, dan kan hij er zich bij denken, hoe het er met forten en versterkingen heeft uitgezien.

Volgens formatie, zooals de vakmannen dat noemen, zou het fort te Kwala Kapoeas bemand worden met zestig infanteristen en een achttal kanonniers. Van die cijfers zoude het derde gedeelte uit Europeanen, het overige uit inlandsche soldaten bestaan. Aanvankelijk, bij de oprichting was Europa vrij wel vertegenwoordigd bij dat detachement en leefden Franschen, Duitschers, Belgen, Nooren vrij eendrachtig bij elkander. Ook de inlanders vormden heterogene elementen, maar de Javaantjes hadden toch de meerderheid boven de Sundaneezen, Madureezen en Boegineezen, die bij het detachement aangetroffen werden.

Toen in 1861 een geest van oproer onder de Zwitsers, bij het Indische leger dienende, op Java waargenomen werd en die geest zich te Samarang reeds door daden van gewelddadig verzet vertolkt had, was het meerendeel dier Zwitsers heinde en ver over den Indischen Archipel verspreid en zoo werden ook de Europeanen te Kwala Kapoeas aanwezig, bijna allen afgelost en vervangen door manschappen, die in meerdere of mindere mate aan dien opstand hadden deelgenomen. Onder hen bevonden zich toen een tiental Zwitsers, een paar Belgen, een drietal Sienjo’s, [12] ook nog een paar Duitschers, maar geen enkele Nederlander. Alleen bij het kader werden een paar sergeanten en drie korporaals aangetroffen, die tot de laatstgenoemde nationaliteit behoorden.

Het waren flinke borsten, al die mannen, die den moeielijken dienst met opgeruimdheid torschten. Zij hadden overigens een vrij woelig leven. Des nachts moest steeds de uiterste waakzaamheid betracht worden; des daags werd veelvuldig uitgerukt tot opsporing van kwaadwilligen, ook om de goedgezinde bevolking vertrouwen in te boezemen en de weifelachtigen te toonen, dat op ieder uur van den dag een troep gereed was, iedere poging van verzet te onderdrukken en dat geen schuilhoek voor de Nederlanders onbereikbaar was. Ongelooflijk inspanningsvolle marschen door zwaar moerassig terrein, overdekt met een weelderigen plantengroei, werden daarbij volvoerd en slechts zeer zelden gelukte het daarbij met den vijand slaags te geraken. Met dat al heerschte er nog al tevredenheid onder die mannen en hadde het Nederlandsch-Indische bestuur in die dagen de gewone en ellendige tarieven niet door het hongerlijders-tarief vervangen, waarbij alweer een keer te meer op echte kruideniersachtige wijze: „l’économie des bouts de chandelles”, was betracht geworden, dan zouden zij hun toestand ongaarne tegen een anderen in Indië hebben willen verwisselen. Dat zwaar dienstdoen, dat uitrukken, waarbij in sluwheid moest gewedijverd worden met den listigen inlander, waren kolfjes naar de hand van die mannen, die aan een avontuurlijk leven gewoon, zich tot dienstnemen bij het Nederlandsch-Indische leger hadden laten verlokken, door het vooruitzicht, dat avontuurlijk leven bestendigd te zien. Zij hadden daarenboven permissie bekomen, een stukje grond buiten het glacis van het fort te bewerken, waarop de blanken met goed gevolg Europeesche groenten en de inlandsche soldaten katellapohon, kadjang en obie’s [13] kweekten. Ook was het ieder dier miniatuur-landbouwers veroorloofd op een kleinen afstand van het buitengrachtsboord zich een hutje op te richten, waarbij orde en regelmaat in acht was genomen. Zoo was een militaire kampong verrezen, die, vooral wat het inlandsche gedeelte daarvan betreft, in sierlijkheid kon wedijveren met de Dajaksche kampongs in den omtrek, wat trouwens niet veel zeggen wil. Het Europeesch gedeelte van dien militairen kampong was meer doelmatig dan wel sierlijk ingericht. Men vond daarin flinke luchtige huizen, waarin tafels, banken en stoelen aangetroffen werden, alles van wild hout, ruw uit de hand met het kapmes vervaardigd, waaraan de fijne meubelwerkers-kunst geheel vreemd was, die evenwel meer gemakken aanboden dan onze salonprullen.

In dien kampong had de man na verrichte dienstplichten een te huis, waar hij zich ontspannen kon, waar hij, onder het genot van een pijp tabak, zich met zijne lotgenooten onderhouden kon over het verre vaderland, waar hij zich een oogenblik van den knellenden band der krijgstucht ontslagen voelde.

Nogmaals, er heerschte nog al tevredenheid onder dat troepje en die was voornamelijk bij de onontwikkelden op te merken. Die hadden afleiding, geheel overeenkomstig hunne wenschen. Anders was het echter gesteld met enkelen, die zich van het leven in Nederlandsch-Indië geheel iets anders gedroomd hadden dan de werkelijkheid hun aanbood. De lezers leerden hen reeds in het eerste hoofdstuk kennen. Het waren Schlickeisen en Wienersdorf, twee Zwitsers, die betrekkelijk een vrij goede opvoeding hadden genoten en zich nu misplaatst gevoelden in het leven, waarin zij zich bevonden en wat zij zich zelven eenigermate bereid hadden.

Aanvankelijk stond daarbij hunne positie niet ongunstig. Als mannen van ontwikkeling hadden zij al aanstonds bij aankomst te Batavia een goeden indruk gemaakt en de belangstelling hunner officieren verworven. In betrekkelijk korten tijd waren zij dan ook tot sergeant bevorderd en voorloopig in het aanbevelingsregister bij het Departement van Oorlog opgenomen, wat hun het vooruitzicht opende den officiersrang te kunnen verwerven, wanneer namelijk het onderzoek naar hunnen vroegeren levensloop, dat door bemiddeling van de Zwitsersche kanselarij ingesteld was, een gunstig resultaat zou opleveren. In afwachting daarvan, waren zij te Samarang bij een der veldbataillons geplaatst, om later bij de militaire school te Meester Cornelis over te gaan, alwaar alsdan hunne militaire opleiding voltooid zoude worden.

Die plaatsing te Samarang was evenwel een poets, hun gespeeld door het noodlot. In die plaats toch, alsook in de overige garnizoenen in de 2e Militaire Afdeeling op Java, waarvan Samarang het hoofdkwartier uitmaakt, waren vele Zwitsers aanwezig en onder die heerschte zeer veel misnoegen, waartoe trouwens nog al aanleiding bestond.

Het Nederlandsche volk weet niet, of.... wil niet weten op wat wijze de soldaten voor het koloniale leger worden aangeworven. In der tijd heeft men de tuchthuizen geledigd om de gelederen van dat leger te vullen; schurken van de ergste soort heeft men in den soldatenrok gestoken. Men was daarmee wel voor een kortstondig oogenblik geholpen; men heeft evenwel daardoor den Nederlanders zoo’n schrik voor hunne zoo schoone overzeesche bezittingen ingeboezemd, dat nu nog in zeer vele gedeelten van Nederland als machtspreuk geldt dat: „hij die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost.” Nu is men verplicht zijn toevlucht tot de vreemdelingen te nemen en daarbij volstrekt niet kieskeurig te werk te gaan. Vergde men van die vreemdelingen bewijzen van goed gedrag, zooals dat van de zonen des lands geëischt wordt, dan zou de opbrengst der werving al heel luttel zijn. Men gaat zelfs, wanneer de markt slap en de aanvoer van menschenvleesch schaarsch is, een stap verder. De Nederlandsche wervers voorzien dan hen, die door politie-antecedenten of door hunne aanraking met den rechter voor crimineele zaken soms met den scherprechter zulks noodig hebben, van valsche papieren. Ook hen, die die aanraking zorgvuldig om gewichtige redenen wenschen te vermijden en derhalve hun eigen naam niet kunnen voeren. Het getal Fransche petroleurs, Duitsche sociaal-democraten of Waalsche grevisten en andere nog veel ergere misdadigers, die thans onder een valschen naam bij het Nederlandsch-Indische leger dienen, is overgroot. Is de nood evenwel aan den man, dat wil zeggen, is er een oorlog in Indië uitgebroken, waardoor nog al menschenvleesch verslonden wordt en dus de gewone aanvoer onvoldoende is, dan worden de verfoeielijkste kunstgrepen te baat genomen, om in het te kort te voorzien. De wervers—zielenverkoopers noemt hen het volk—vliegen dan uit als een troep hongerige gieren en verspreiden zich over Europa met het doel vleesch te huis te brengen. Zij slaan dan hun hoofdkwartier op in de beruchtste kroegen, in de speelholen van de ergerlijkste soort, meestal echter in huizen aan de dierlijkste ontucht gewijd en zijn er dan op uit, om van de meest liederlijke hartstochten van de bezoekers misbruik te maken, om hun prooi te bemachtigen. Veelal gaan ook de wervers het land op en verspreiden zich over de dorpen. Daar nemen zij den schijn van gemoedelijkheid aan, weten wonderveel te verhalen van Nederland’s fraaie koloniën, spiegelen den onervarenen wonderen van het soldatenleven in die gewesten voor oogen, vertellen hun, dat het eigenlijk geen soldaat zijn is; dat hij daar meer gewapende landbouwer zal zijn, die van het Indische bestuur, eerst in bruikleen, later in eigendom, een flinken lap grond verkrijgt met een huisje, een paar koeien, een paar buffels, en wat varkens, en dat hij slechts eens in de week zijne wapenen heeft aan te gorden, om wat geoefend te worden of om inspectie te maken. Altemaal niets te beduiden. En zoo worden honderden en nog eens honderden bedrogen. Het hooge bloedgeld is al zeer spoedig in woestheid en ongebondenheid verteerd en wanneer de rampzaligen tusschen de keerkringen uit hunnen roes ontwaken, dan klinkt hun nog als een wreede spotternij de humbug van den Nederlandschen kolonel-kommandant van het koloniaal werf-depôt te Harderwijk in de ooren, toen hij hun de geneugten van „das schöne Java” opvijzelde; hoe zij daar „sambal naar genoegen” volgens de stereotiepe uitdrukking van het reglement op den inwendigen dienst zouden erlangen, en welk „schön Pension” hun te wachten stond, wanneer het hun gelukte hunne beenderen wederom huiswaarts te brengen. Die laatste zinsnede mompelde de geachte hoofdofficier voorzichtigheidshalve onhoorbaar; hij was te goed Nederlandsch ambtenaar, om zich zoo maar iets, wat naar waarheid zweemde, te laten ontvallen. Integendeel hij spiegelde zijnen toehoorders voor, dat zij allen in het genot van „das schöne Pension” zouden treden. Helaas! „das schöne Java” zou voor de meesten hunner een vloekoord worden, alwaar zij, slecht en karig gevoed, als galeiboeven gekleed, zullen leven te midden eener inlandsche bevolking, die zich niet met hen vermengt, en alwaar zij door de Europeanen, ambtenaren en kooplieden als paria’s met de diepste verachting zullen worden bejegend. Slechts zeer weinigen hunner zullen het zoo opgevijzelde „schöne Pension” deelachtig worden; en zij die dat geluk zullen hebben, zullen in hun vaderland terugkomen met een ziekelijk lichaam, uitgeput of verminkt, gewikkeld in een afzichtelijke grijze pij, die een kapotjas moet heeten, om ten toonbeeld te strekken, wat het „schöne Java” voor hen geweest is en wat het hun heeft opgeleverd.

Waarlijk de praktische Hollanders hebben wel gelijk, wanneer zij beweren: „dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost!”

Zoo kwamen dan Wienersdorf en Schlickeisen te midden dier ontevreden slachtoffers terecht. Hoewel zij voor hun persoon niet te klagen hadden en hunne vooruitzichten gunstig stonden, konden zij toch het oor niet sluiten voor de klachten hunner landslieden, die—zij moesten het erkennen—vreeselijk bedrogen waren. Aanvankelijk hielden zij zich op een afstand en vergenoegden zich slechts raad te geven, die, ware hij gevolgd geworden, veel onheil zoude voorkomen hebben. Maar te midden dier Indische maatschappij, die hen uitstiet, geen ander toevluchtsoord hebbende dan de kantine en de kazerne, was hunne voortdurende aanraking met de ontevredenen onvermijdelijk. Van nabij zagen zij de ellende der ongelukkige bedrogenen; zij zagen de slachtoffers van slechte voeding en van slechte behandeling overslaan tot uitspattingen, om eindelijk ten gevolge van die uitspattingen te krommen onder de rietslagen, die met Nederlandsche vrijgevigheid toegeteld werden op dat lichaamsdeel, waar de rug een anderen naam erlangt, zonder dat de machthebbenden ook maar het minste verrichtten, om in den toestand der ongelukkigen verandering te brengen of de hoofdoorzaak der uitspattingen, zijnde de vrije verkoop van sagoeweer [14] aan alle hoeken der straten, weg te nemen.

Bij zooveel rampzaligheid kromp hun het hart ineen en verontwaardiging maakte zich meester van hun gemoed. Rondom hen werden ontwerpen besproken, om uit dien radeloozen toestand te geraken, eerst van desertie, wegloopen, dat natuurlijke middel van den zwakke, om zich buiten het bereik van den sterkere te stellen. Toen evenwel die ontwerpen onuitvoerbaar bleken, werden plannen tot gewelddadig verzet ontworpen. Nog hielden Wienersdorf en Schlickeisen zich daar buiten; hoewel zij reeds aan hun plicht als onderofficieren te kort deden, door het stilzwijgen omtrent die plannen te bewaren, waartoe zij zich genoopt meenden te gevoelen door eene misplaatste meewarigheid ten opzichte hunner landslieden. Bij het bekend worden van het beraamde, zou toch de rotting geducht huishouden. Toen evenwel de aanleggers met groote woorden de bevrijding der Javanen van het juk der Hollanders in hun programma opnamen en daardoor het odium van een militairen opstand wegmoffelden, om daarvoor de bevrijding van een onderdrukt volk in de plaats te stellen, toen begonnen die plannen een aantrekkelijkheid te krijgen, die voor onze avonturiers onweerstaanbaar was. De hongersnood in de districten Demak en Poerwodadi, nog zoo kort geleden, als gevolg van het bouwen van de vesting Willem I in onbetaalde of onvoldoend betaalde heerendiensten, werd te pas gebracht; de bladzijden uit den „Juif errant” van Eugène Sue, waarin verhaald wordt, dat Javaansche moeders hare kinderen ombrengen, om hen aan den hongerdood, aan de slavernij of aan de onteering te ontrukken, werden met geestdrift voorgelezen; Multatuli’s Max Havelaar, pas verschenen in die dagen, waarbij de afpersingen op den Javaan, onder het schild der Nederlandsche regeering gepleegd, zoo helder in het licht werden gesteld, werd gretig verslonden; andere geschriften, waaronder van Hoevell’s tijdschrift voor Nederlandsch Indië, brachten het hunne bij, om die verdwaalden eene bevrijding van den verdrukten Javaan met geestdrift te doen begroeten. Hoogdravende woorden weerklonken, ver reikende plannen werden gesmeed, zelfs een verschijnen van den vrijheidminnenden Garribaldi werd aangekondigd, wanneer slechts eenmaal de beweging in vollen gang zoude zijn.

De raddraaiers lachten in hun vuistje, dat dat alles zoo voor goede munt werd opgenomen. Zij waren te ontwikkeld, om niet in te zien, dat de Javaan, te wantrouwend in zulke omstandigheden tegenover de vreemdelingen, zich stil zoude houden, zoo hij zich niet vijandig tegenover de blanke oproermakers zoude openbaren. In het gunstigste geval was alleen van hem te verwachten, dat hij zich de omstandigheden ten nutte zoude maken, om al de blanken, Nederlanders en oproerlingen naar zee te jagen. Het plan van de belhamels was uiterst eenvoudig. Zij wilden hun slag slaan in de eerste verwarring, onvermijdelijk bij een militair oproer, eenige staatskassen plunderen, zich van ettelijke schepen op de reede meester maken, om God’s wijde zee in te steken; ten einde, zij wisten niet waar, de vruchten van hun roof te gaan genieten. De arme onnoozelen, die bij het opstootje geholpen zouden hebben, zouden het eenvoudig misgolden en voor de akelige grap geboet hebben.

Wat onder zulke omstandigheden met zoo’n slag van volk gebeuren moest, gebeurde ook. De Nederlandsche autoriteiten werden door verraders bij tijds gewaarschuwd, en toen de belhamels bij het bewustzijn van dat verraad, het tot een overijld en onvoorbereid handelen lieten komen, waren alle maatregelen tot beteugeling genomen.