Borneo van Zuid naar Noord

Part 5

Chapter 53,624 wordsPublic domain

Al sedert geruimen tijd waren de Dajak-landen, die vroeger aan de souvereiniteit van de Sultans van het Bandjersche rijk onderworpen waren, met het eiland Tatas, waarop de hoofdplaats Bandjermasin gelegen is, bij verdrag overgedaan aan de Nederl. Indische regeering. Die nieuwe meesteres vond in de Dajaks een goedhartige, gedweeë bevolking, die met den ruil van beheerscher zeer ingenomen scheen en dat ook in de eerste tijden was. Hadden de blanken die streken volgens gezonde beginselen bestuurd, waren er pogingen in ’t werk gesteld, om die bevolking tot welvaart te brengen, dan zouden zij daarin ook een trouwe bevolking gevonden hebben, die tot steun zoude gestrekt hebben, toen de naburige Maleiers de oproervaan ontrolden en hunne leenplichten opzegden. Maar wel verre van dien; het eerste wat de Nederl. Indische regeering deed ter verwelkoming van hare nieuwe onderdanen, was, natuurlijk ter wille van een fiskaal belang, hunne rivieren voor den handel te sluiten en hen te noodzaken de voortbrengselen van hun grond naar Bandjermasin te voeren. Dat was een moeielijke, inspanningsvolle reis, die groote onkosten vereischte en daarenboven niet altijd doenlijk was. Die fraaie regeling gaf den oorspronkelijken Dajak gekneveld en gebonden aan den Maleischen tusschenhandelaar over, die hem, wanneer hij na een maandenlange reis met zijne vlotten te Bandjermasin was aangekomen, met spotprijzen voor zijne producten afscheepte; hij moest zich daaraan dan wel onderwerpen, daar de terugreis met die gevaarten stroomopwaarts onmogelijk te volvoeren was. De artikelen, die hij noodig had, zooals lijnwaden, zout, tabak enz., moest hij schreeuwend duur betalen, zoodat hij zich van twee kanten gevild zag. Het gevolg van die regeling was, dat de Dajaksche stammen, die de mondingen der Lopak, der Kleine Dajak, der Kahajan, der Sebangouw en Mentaweirivieren bevolkten, hunne zeewaardige vaartuigen, waarmede zij tot op dat noodlottige oogenblik met het beste gevolg handel gedreven hadden en naar Makassar, naar Java en zelfs naar Singapore gestevend waren, en waarvan zij nu geen nut meer trokken, van de hand gedaan en zich in de wildernis teruggetrokken hadden, waaruit een zekere handelsvrijgevigheid hunner vroegere meesters hen voor een wijl te voorschijn had gehaald. Een volledige teruggang in beschaving dus, door die opvatting van bestuur teweeggebracht. De lezer kan nu gissen, hoe de stemming jegens de blanken was en of zulk een bejegening geschikt was, om de verfoeielijke kunstgrepen te doen vergeten, die gedurende den Java-oorlog van 1825–1830 gebezigd waren, om Dajaksche soldaten in de Nederlandsche gelederen te verkrijgen, tot bekamping van den Javaan. In 1863 waren die kunstgrepen nog niet vergeten en openhartig als het Dajaksche volk is, werd den blanke, die het oor opende, om ook de stem der verdrukten te vernemen, menig ergerlijk feit in den hen kenmerkenden boertigen verhaaltrant medegedeeld.

Was het te verwonderen, dat, toen bij de heerschende ontevredenheid nog gevoegd werden de zedelooze handelingen, onder Neerland’s wapenschild gepleegd, om pandelingen voor de Gouvernements- en partikuliere steenkolenmijnen te werven, de gemoederen rijp waren, om de zaden van verzet en opstand in zich op te nemen; dat de bevolking gewillig het oor leende aan hen, die verandering in de toestanden kwamen voorspiegelen, verandering, die echter niet zoude kunnen verkregen worden, dan na verdrijving der withuiden?

Met grooten tact hadden de hoofden, die in het Bandjermasinsche den opstand voorbereidden, van de omstandigheden partij getrokken en het vuur aangeblazen; zoodat, toen in April 1859 de Resident twee honderd gewapende Dajaks opriep, om de hoofdplaats tegen overrompeling te dekken, de bevolking in verzet kwam en liever dan die bevelen op te volgen, zich in de wildernissen terugtrok. Toen Pembekel Soelil en Goesti Assin, door de Martapoerasche rijksgrooten afgezonden, om zich aan het hoofd der beweging in de Dajak-landen te stellen, te Poeloe Telloe, een kampong nabij de Kapoeas-monding, verschenen, schaarde zich het grootste gedeelte der bevolking van de afdeeling om hen en was gereed het zwaard te trekken.

Eene bijzonderheid, die hier niet weerhouden mag worden, is dat de neophyten of Christen-Dajaks allen, op zeer enkele uitzonderingen na, tot de opstandspartij toetraden en bij den moord der zendelingen te Tangohan en te Boentooi de meeste verbittering en verreweg de grootste wreedheid aan den dag legden, terwijl het overtuigend gebleken is, dat de Dajaks, die zich tot het omhelzen van den Islam lieten overhalen, zich allen onzijdig gehouden, althans aan moordpartijen geen deel genomen hebben.

Bij aankomst te Bandjermasin begreep kolonel Andresen hulp te moeten verleenen, zoover de door hem meegebrachte militaire macht reikte. In allerijl zond hij vijf en twintig soldaten onder bevel van een luitenant met het stoomslepertje „Kapitein Van Os” naar Poeloe Petak aan de kleine Dajak-rivier gelegen, om den civielen gezaghebber en de predikers van het Rijnsch zendelinggenootschap met hunne huisgezinnen te beschermen; met opdracht tevens, al het mogelijke te beproeven, om de zendelingen te Tangohan, aan de Kapoeas-rivier gevestigd, te hulp te schieten en hen met die te Poeloe Petak te vereenigen. Toen de „Van Os” ter laatstgenoemde plaats aankwam, vond hij de zendelingen met vrouwen en kinderen in de grootste radeloosheid. Allen vielen den luitenant te voet en begroetten hem als hun redder. Toen deze er evenwel van sprak naar Tangohan door te stoomen, om de andere Europeanen daar op te nemen, barstten een geween en gejammer los, die een steen zouden vermurwd hebben. Wanneer de boot naar de Kapoeas vertrok, zou niemand terugkeeren, zoo beweerden de radeloozen; zoo’n klein vaartuig was niet tegen zulk een ontzettende overmacht bestand. Een dergelijke tocht was God verzoeken, dat was het gevaar opsporen en wee hem! die het gevaar zoekt, want hij zal er in vergaan! Nu was terugkeer naar Bandjermasin nog mogelijk, dat zou over een paar dagen, wellicht over een paar uren niet meer zijn. De officier, verbijsterd door die wanhoopskreten, geslaakt ook door op den grond wentelende vrouwen, wist niet wat te besluiten en vroeg inlichtingen aan den civielen gezaghebber, die met hem dat jammertooneel onthutst stond aan te staren. Deze verklaarde, dat al de ingekomen spionberichten van een macht spraken van 10000 strijders, die onder de bevelen van Soelil gereed zoude staan om Poeloe Petak te bespringen. Hij meende evenwel, dat die macht overdreven kon genoemd worden en zij waarschijnlijk niet eens de helft van de opgegeven sterkte zoude bereiken, dewijl Goesti Assin met een deel der opstandelingen naar de Kahajan-rivier was vertrokken, om daar de zendelingen om te brengen. De vijanden waren overvloedig van vuurwapenen voorzien, hadden talrijke prauwen, waaronder een zestal ijzeren laadschouwen, die over zee van Kalangan naar de kleine Dajak-rivier gebracht waren, om er versterkingen op te bouwen, en waren dus geducht genoeg, om een stoomscheepje als de „Van Os” met hoop op goed gevolg te kunnen aantasten.

Die mededeeling was wel geschikt om tot nadenken te stemmen. Een tocht naar de Kapoeas stelde het leven van de thans geredde huisgezinnen in gevaar, zoowel door hen te Poeloe Petak achter te laten, als door hen mede te nemen, waaraan trouwens door de geringe binnenruimte van het vaartuig niet kon gedacht worden. Terwijl de luitenant nog in twijfel was, welk besluit te nemen, kwam de gezagvoerder van het bootje rapporteeren, dat hij bij het overhaast vertrek van Bandjermasin niet zijn volle lading steenkolen had kunnen innemen, en dat op dat oogenblik slechts zooveel brandstof aan boord was, om met overleg en zuinigheid de hoofdplaats te kunnen bereiken. Dat rapport gaf den doorslag. Van een tocht naar Tangohan werd afgezien en in beraad genomen, wat er verder te doen stond. De luitenant was van meening, dat het zoutverkooppakhuis, een planken gebouw, met stevig geraamte, zeer goed tot verdediging in te richten was en dat er ruimte in overvloed gevonden werd om, behalve de militairen, ook de zendelingen en hunne huisgezinnen te bergen, tot er veilige gelegenheid zoude zijn, om naar Bandjermasin te verhuizen. Toen evenwel die meening geopperd werd, hieven de zendelingsfamiliën een nieuw misbaar aan; en in een vlaag van wanhoop werden al wederom de knieën van den luitenant omhelsd. „Er was geen verdediging mogelijk,” werd er uitgegalmd, „de vijand zou in grooten getale opdagen, of een nachtelijke overvalling beproeven, hij zou het houten gebouw in brand steken, enz. enz.” Wezenlijk, men maakte den luitenant zijn taak zwaar. Golden ook al de aangevoerde argumenten van de angstvalligen bij hem niet veel, gedachten van een hoogere orde hielden hem bezig en deden hem den toestand zeer donker inzien. Vooreerst was het detachement van vijf en twintig man onder zijne orders klein, zeer klein te noemen. In Indië echter wordt in zulke gevallen door verhoogde dapperheid te gemoet gekomen; maar dan moet men ook valide mannen te bevelen hebben en dat was hier het geval niet. Vele ouden van dagen en gebrekkigen van ledematen werden er onder aangetroffen; inlandsche soldaten met sneeuwwit haar, Europeanen die een volle kwarteeuw ter Zuid- en Oostkust van Borneo hadden doorgebracht. Goede, brave dienaren, die in het vredesgarnizoen bij voldoende rust en niet te karig voedsel nog een zekere figuur sloegen, maar die totaal ongeschikt waren om de inspanningen, de ontberingen en vermoeienissen van het oorlogsleven te gemoet te treden. Daarbij kwam nog, dat de bewapening van het detachement geen naam mocht hebben. Ter wille van de schatkist waren destijds de troepen op de buitenbezittingen in Nederl. Indië gewapend met, bij de deskundigen bekend als getransformeerde silex-geweren, model 1815, oude uitgeschoten loopen, aan laden en kolven verbonden door uitgesleten banden en beslag, met waggelende hanen en rondgierende bajonetten, oude rommel in één woord, die als een oudroestwinkel rammelde, wanneer men een geweer aanvatte en die voor eigen handen gevaarlijker was dan voor den vijand. Ja, dat waren de overwegingen, die het hoofd des luitenants bestormden en hem tot een spoedigen terugkeer naar Bandjermasin deden besluiten.

Helaas! toen die beslissing genomen werd, leefden de ongelukkigen te Tangohan nog; zelfs den volgenden dag was hun nog geen leed geschied en hadden de opstandelingen zich nog niet vertoond. Met een weinig geestkracht, met wat voortvarendheid waren zij voorzeker te redden geweest. Het gebrek aan steenkolen toch was niet van zoo overwegend bezwaar, dat men van een tocht, die de geheele reis slechts een zestal uren zoude verlengd hebben, maar waarbij verscheidene menschenlevens te redden waren geweest, had behoeven af te zien. Te Poeloe Petak stonden toch vele verlaten woningen, welker ijzerhouten draagpalen, dwarsbalken en stijlen een kostbare brandstof hadden kunnen opleveren voor een veel grootere reis. Van die brandstof is later, gedurende den oorlog, bij veel mindere noodzakelijkheid, veelvuldig en steeds met den meest gewenschten uitslag gebruik gemaakt.

Kolonel Andresen was zeer ontevreden over dien terugkeer. De handelingen van den luitenant werden aan een scherp onderzoek onderworpen en slechts noode liet die kommandeerende officier zich weerhouden den weifelachtige voor een krijgsraad te recht te stellen. Hij deed echter onmiddellijk het stoomschip Tjipannas, dat beter bewapend en geapprovisioneerd was, met een detachement infanterie onder een ander officier, naar de Dajak-landen terugkeeren; met last, om alles in het werk te stellen, de Europeanen daar te redden en vervolgens post te vatten te Poeloe Petak en zich in het zoutverkooppakhuis aldaar te versterken.

Zonder zich ergens op te houden stoomde de „Tjipannas” de Kapoeas in, den vijandelijken kampong Poeloe Teloe voorbij, de ettelijke geweerschoten, die haar daar begroetten, verachtende, met het doel de verblijfplaats der zendelingen zoo spoedig mogelijk te bereiken. Bij het rondstoomen van Tandjoeng Loenoek Pandjang had men reeds den kampong Tangohan in ’t gezicht, toen eensklaps achter het stoomschip, uit eenige soengei’s (riviertjes) en kreken een groot aantal prauwen en djoekoeng’s te voorschijn schoten, welker talrijke opvarenden een heftig geweervuur op de „Tjipannas” openden en door hunne uittartende kreten en gebaren de Nederlanders tot het gevecht uitdaagden. De gelegenheid was te schoon; de luitenant besloot dan ook de overmoedigen een goede les toe te dienen. De „Tjipannas” wendde en, na met een paar goed gerichte kartetsschoten verwarring onder de aanrukkende vaartuigen te hebben doen ontstaan, stoomde zij met kracht op de saamgedrongen prauwen in, waarvan de meeste opvarenden in radeloozen angst ternauwernood meer wisten te sturen. Een paar djoekoengs sloegen om en hunne bemanningen, thans te water, deden de lucht van haar noodgeschrei weergalmen. Een wilde vlucht begon, en zij, die den aanval wilden doorzetten, werden nu door een levendig geweervuur geteisterd en genoodzaakt het hazenpad te kiezen. Aan boord van het stoomschip had men geen enkelen gekwetste; van de Dajaks evenwel dreven verscheidene lijken met den stroomdraad mede, terwijl eenige wrakke vaartuigen, die denzelfden weg volgden, aanduidden dat de ontmoeting met het stoomschip voor hen noodlottig geweest was. Ras naderde nu de boot den wal, waaronder de vluchtenden in de veelvuldige riviertjes een toevlucht gezocht hadden, deed eenige kartetsschoten door het dichte bosch gieren als afscheidsgroet, doorzocht daarop eenige kreken, waarin prauwen, op ’t strand gehaald, gevonden werden en vervolgde, na die verbrand te hebben, de reis naar Tangohan.

Daar was middelerwijl een roerend tooneel voorgevallen.

Van de zendelingen en hunne gezinnen, die daar gevestigd waren geweest, was slechts eene vrouw aan het bloedbad ontkomen. Waarom die gespaard werd, is nimmer bekend geworden. Zij was op meer dan middelbaren leeftijd en had daarbij nimmer op lichamelijke schoonheid kunnen bogen, waarom niet aangenomen kan worden, dat zij eenigen hartstocht zou hebben ingeboezemd. Hoe het ook zij, door tusschenkomst van een invloedrijken Dajak, Bapa Kotong geheeten, en diens ouderen broeder, den lateren Tomonggong Singa Nagara, werd haar het leven geschonken. Maar haar lot was daarom niet minder treurig en haar toestand uiterst onzeker. Nog voor dat al hare metgezellen en gezellinnen onder hare oogen op de meest wreedaardige wijze waren omhals gebracht, werd zij van al de kleederen, die zij aan ’t lijf had, beroofd en lieten haar de onverlaten slechts een gescheurd vrouwenhemd behouden, om hare naaktheid te bedekken. Dat hemd werd daarenboven nog in het laatste oogenblik gedrenkt door het bloed van haren echtgenoot, op wiens vreeselijk mishandeld lichaam zij zich in haar wanhoop bij zijn doodstrijd geworpen had. Toen alles afgeloopen was, had men haar in een rijsthok opgesloten, van waar zij de feestvreugde kon waarnemen, die op de moordpartij volgde en volgens Dajaksche gewoonte vele dagen moest duren. Van tijd tot tijd werd haar een handjevol droog gekookte rijst met een klapperdop vol water verstrekt, om haar ellendig bestaan te rekken. Wat men met haar voorhad, is nimmer aan ’t licht gekomen; veel goeds zeker niet; want, had men haar gespaard, om haar het leven te redden en haar aan hare landgenooten terug te geven, dan ware zij liefderijker behandeld geworden. [11]

Zij zat daar al zoo verscheidene dagen dof en wezenloos, der wanhoop ter prooi, telkenmale opschrikkende en haar einde nabij achtende, wanneer het gegil en gejuich der feestvierenden klom en met meer kracht tot haar doordrong, toen zij eensklaps een vervaarlijk geschreeuw vernam, dat eer schrik dan vreugde aanduidde. En door de reten der bamboeomheining glurende, zag zij den woesten troep in overijling de woningen verlaten en volledig gewapend, maar met helsch geschreeuw, het nabijgelegen bosch intrekken. Zij wist niet wat daarvan te denken en meende tennaasten bij dat men een twist gewapenderhand ging beslechten. Zij ving echter een paar woorden op, die de aftrekkenden elkander toeriepen en haar het hart van hoop in den boezem deden kloppen.

„Banama apoei! banama asep hai!” (een vuurschip! een groot rookschip!) weerklonk het allerwege. De arme vrouw keek, keek, maar zag niets. Naar de rivierzijde was haar gezichtsveld zeer beperkt. Zij durfde geen poging te doen, om de deur te openen; het was haar op doodstraf verboden haar rijsthok te verlaten. Zij kon niet anders doen, dan voorloopig wachten. Het geschreeuw en gegil der Dajaks was langzamerhand afgenomen en eindelijk in het dichte woud geheel weggestorven, zoodat een doodelijke stilte de vroegere luidruchtigheid verving. De arme gevangene, besluiteloos wat te doen, spitste de ooren en luisterde aandachtig; maar in de eerste oogenblikken werd niets, hoegenaamd niets door haar vernomen, dan in de verte een paar hanen, die elkander al klapwiekend en kraaiend uitdaagden. Zou zij de deur openbreken? Ja, maar als die onverlaten terugkeerden; hunne blikken verrieden zoo veel haat, ongetwijfeld zouden zij dan hunne bedreigingen volvoeren. Als evenwel een stoomschip in aantocht was? o! dan was daar redding! Maar als dat stoomschip, onwetend in welke droeve gevangenschap zij daar zat, voorbij voer? O, zij was radeloos en wrong zich in haar wanhoop de handen.

Maar stil!... wat hoorde zij daar?... Kukuluku!! Och, die verwenschte haan! wat een wreede bespotting! Zij luisterde; zij hield haar adem in, meenende dat het geluid daarvan haar belette te hooren. Zij had haar hart het stilzwijgen willen opleggen; dat gebons daar in die borstkas overvleugelde, volgens haar, ieder ander geluid. Zoo stond zij een oogenblik, met licht voorover gebogen bovenlijf en gestrekten hals, de eene hand als een schelp aan het oor, gereed om iederen toon op te vangen, de andere hand krampachtig op de borst gekneld, als wilde zij de bewegingen daarvan onderdrukken, met starenden blik en verwrongen doch strakke en wezenlooze gelaatstrekken, ademloos zonder eenige beweging of trilling, aan een standbeeld der wanhoop gelijk. Eindelijk voer een waas van verrukking haar over het gelaat; ja, thans had zij goed gehoord. Poeh poeh poeh, poeh poeh poeh! klonk of dreunde het in de verte, zeer zacht, als op de vleugelen van een briesje overgebracht. Zij luisterde. Haar geheele levenskracht scheen in de gehoorzenuwen te zijn overgegaan. Poeh poeh poeh, poeh poeh poeh! klonk het thans iets duidelijker, thans iets meer nabij. O! verrukking! nu viel niet meer te twijfelen, een stoomschip naderde; dat geluid was het geklepper der schepraderen op de oppervlakte des waters. Poeh poeh poeh! poeh poeh poeh! klonk het al nader. Nu ontwaakte zij uit haar verrukking; zij vloog naar de deur, maar die was gesloten. Wat zou echter die vrouw kunnen weerstaan, plotseling door zulk een hoop bezield? Toch geen Dajaksche afsluiting, die in den regel slechts uit rottan-lussen, door een houten pen bevestigd, bestaat. Zij trok, zij wrong en met de kracht der wanhoop verbrak zij de sluiting en was buiten. Zij vloog het pad af, dat naar de rivier leidde en was in een oogwenk op den „batang” (vlot), dat aan den oever op den stroom lag en tot aanlegplaats diende. Zij keek, zij keek nogmaals, maar zag niets. Was haar gehoor straks ingespannen geweest, thans scheen haar geheele wezen in haren blik te zijn saamgevat. Nog altijd klonk het geklepper der raderen haar nu reeds veel duidelijker in de ooren; en eindelijk werd daar bij gindschen hoek een lichte rook, die zich voortbewoog, boven het geboomte zichtbaar en kwam een boot te voorschijn. O! nu was zij gered! daar waren blanken; daaraan was niet te twijfelen. Zij kon reeds den schoorsteen, den mast onderscheiden, iets later ook de Nederlandsche vlag, die vroolijk in de bries wapperde. Nog een half uur, dan was zij te midden der haren. Och! dat die boot toch ettelijke dagen vroeger ware gekomen, dan waren haar echtgenoot en de andere Europeanen ook gered geweest.

Terwijl zij daar zoo stond te mijmeren, half in verrukking, half weemoedig gestemd, wendde eensklaps de stoomboot den boeg, wendde nogmaals en stoomde met volle kracht terug. Door den stroom geholpen, was zij in weinige oogenblikken verdwenen achter den hoek, van waar zij straks te voorschijn was getreden. Dat gezicht was voor de ongelukkige vrouw, daar eenzaam op dat vlot staande, verschrikkelijk. Zij schreeuwde, zij bad, zij wuifde met de hand, zij bewoog krampachtig het bloedige vod, dat hare naaktheid dekte, zij sprong aan den wal, scheurde met de kracht der wanhoop een grooten tak van een nabijstaanden boom en wuifde en wenkte, alsof haar arm uit het lid moest. Alles te vergeefs. De boot wendde, bleef wenden en verdween weldra achter dien hoek voor hare radelooze blikken. Nog een oogenblik bleef zij staren; toen evenwel niet meer te twijfelen viel, toen zij van dat schip, hetwelk zich een poos te voren als een bode der hoop vertoonde, niets meer zag en zij nog slechts flauw den raderslag en het gestamp der machine kon waarnemen, toen zonk zij op de knieën en zocht haar toevlucht bij Hem, die aller adem in Zijne machtige hand heeft.

Hoe lang zij daar op dat vlot geknield gelegen heeft? ach, zij heeft het zich nimmer kunnen herinneren. Zij lag daar wezenloos en vernietigd en had slechts eene gedachte, een klank, een grondtoon: God!

Maar wat was dat?... daar klonk een kanonschot... nog een... nog een. Geweervuur knetterde daartusschen, liet zich eerst krachtig hooren, verflauwde dan alsof het zou wegsterven om evenwel een seconde later met vernieuwde hevigheid los te barsten. Daarbij voegden zich kreten van woede, gillen van smart en angst, gejubel van overwinning. Gespannen luisterde de arme vrouw. Dat vuren hield een poos aan, nam af, nam weer in kracht toe, om eindelijk geheel op te houden. Wie zou overwinnaar zijn? O! de Nederlanders waren dapper, dat wist zij; maar de Dajaks waren talrijk en hun haat scheen onverzoenbaar. Zij wachtte, niet wetende wat te denken van dat plotselinge zwijgen van ieder krijgsgeluid. De minuten schenen haar jaren toe. Eensklaps weerklonk opnieuw een salvo kanonschoten en niet lang daarna zag zij de boot weer te voorschijn komen en fullspeed koers zetten naar het vlot, waarop zij stond. In de nabijheid werd gestopt, het anker plompte in ’t water, de ketting ratelde door de kluisgaten en weldra was een sloep te water gelaten, die behoorlijk bemand en bewapend, het vlot op zijde schoot, de rampzalige vrouw opnam en naar boord voerde.

Wie zal het wagen de gevoelens dier vrouw te schetsen, toen zij zich te midden harer stamgenooten bevond? Wie zal de gewaarwordingen kunnen wedergeven van die mannen, die daar in dat oogenblik geschaard stonden om de ongelukkige, die alles verloren had, wat haar dierbaar op aarde was, maar zich toch zoo hoogst gelukkig gevoelde dat bloedbad, wellicht erger, ontkomen te zijn?

Toen de kommandeerende officier vernam, dat niemand meer te redden viel, stak hij de wrekende fakkel in het verraderlijke Tangohan en keerde terug om te Poeloe Petak post te vatten.