Borneo van Zuid naar Noord

Part 4

Chapter 43,667 wordsPublic domain

Het kon zoo omstreeks elf uur zijn, toen een Europeesche mijnwerker buiten adem bij den directeur kwam aanloopen en het bericht bracht, dat een groote bende volk met lansen en klewangs gewapend, van den kant van Goenoeng Lawak kwam opzetten en dat zij kwaadwillige bedoelingen had, daar zij bij de tramwaybrug reeds een der Europeesche voorlieden had neergestooten. Nog had de mijnwerker zijn verhaal niet ten einde, toen men den huilenden en tierenden troep in de verte reeds in aantocht zag. In de woning van den directeur waren geene wapenen aanwezig. Men had die naar aanleiding der loopende geruchten naar het huis van den ingenieur overgebracht om in de nabijheid van het mijnetablissement, zoo als het heette, op alles voorbereid te zijn.

Onder den indruk van het verhaal des directeurs omtrent de berichten, door den rondventenden Chinees aangebracht, vlogen de aanwezigen op en trachtten zich door de vlucht langs den tramwaydijk naar het mijnetablissement te redden. Zij werden door den razenden troep op de hielen gevolgd; en weerloos als zij waren, hadden zij het noodlottig voordeel, de mijn nog te kunnen bereiken, slechts te danken aan den ingenieur, die met een zwaren ijzerhouten wandelstok gewapend, van tijd tot tijd zijn vlucht staakte en achterwaarts front maakte om de bende op een afstand te houden. Hij was een stevig Engelschman en bekwaam batonnist. Met talent en met kracht gelukte het hem een tijdlang de vele lansen af te weren. Wanneer het oogenblik hem daarbij gunstig voorkwam, sprong hij vooruit, liet zijn stok fluitend nederdalen, waarbij dan telkenmale een schedel verbrijzeld of een schouder ontwricht werd. Zoo had hij reeds een viertal zijner belagers neergeveld, toen hij op het onverwachtst achterover tuimelde. Front naar den vijand makende en, al schermende, langzaam achteruit tredende, zag hij niet, dat de dijk, waarop hij zich bevond, een vrij scherpe bocht maakte. Hij stortte langs de glooiing omlaag, en nog voor hij zich oprichten kon, waren hem vele lansspitsen in het lichaam gedrongen. Letterlijk was hij aan den bodem vastgestoken.

Dat was wel de grootste ramp, die den ongelukkigen Europeanen daar in dat verloren hoekje kon overkomen. Die ingenieur was een energiek man, die, ware hij nu niet gevallen, ongetwijfeld de verdediging met uitstekend gevolg zoude geleid hebben.

Na zijn val verhief zich een kannibalisch gejuich. Dat was de eerste blanke van eenig gezag, die omgebracht werd. Dat gaf moed. Aller armen daalden neer om deel te nemen aan de slachting. Zelfs de meest vreesachtigen drongen vooruit en wroetten met hunne lansspitsen of hunne klewang’s in het lillende vleesch en smeerden hunne wapenen met het stroomend bloed in. De Hadji’s hadden hun toch verzekerd, dat zulk een wapen, door het bloed van een „kafir” (Christenhond) geheiligd, onverschrokken en onkwetsbaar maakt. In een oogenblik tijds was dan ook de rampzalige ingenieur met ontelbare wonden overdekt. Met ongeloofelijke verbittering werd op den ongelukkige ingehakt. Gelukkig nog, dat die verwoedheid der moordenaars zoo groot was, dat zij maar blind weg hun wapen hanteerden en hem al heel spoedig doodelijk verwondden, zoodat zijn lijden kort was.

Die val en de daarop gevolgde moordpartij gaf den overigen ongelukkigen een voorsprong, waardoor zij het mijnetablissement konden bereiken.

Helaas! daar was alles in rep en roer, in de grootst mogelijke verwarring. Men had den vijandelijken troep zien naderen en het geheele treurspel op den tramwaydijk kunnen waarnemen. Het was als besefte men, dat daar de ware verdediger, de man, die de zwakken ondersteund, de angstvalligen opgebeurd zoude hebben, omgekomen was. In radeloozen angst dwarrelden de vrouwen en kinderen door elkander, handenwringende en wanhoopskreten slakende. Het ondergeschikte mannelijke personeel der mijn was, bij het verschijnen der opstandelingen, dadelijk in twee kampen verdeeld, waarvan het grootste gedeelte helaas! zich voor den naderenden muitenden troep verklaarde. Dat waren de Bandjersche prauwenvoerders en de Dajaksche pandelingen. Slechts enkele mandoor’s (opzichters) en de Javaansche bedienden sloten zich bij hunne meesters aan en nog niet eens allen met goede bedoelingen, zooals straks blijken zal.

Bij aankomst van den directeur in dit benard oogenblik, werd op zijn last de alarmklok geluid en verzamelden zich de Europeesche voorlieden der mijn in het huis van den reeds vermoorden ingenieur, alwaar de vrouwen om diens wanhopige weduwe geschaard zaten.

Er bevonden zich toen een achttal mannen, vier gehuwde dames, drie huwbare meisjes en zes kinderen—allen Europeanen of van Europeesche afkomst—in dat huis bij elkander. Hierbij hadden zich een drietal inlandsche mandoor’s, een zestal bedienden en eenige baboe’s (kindermeiden) aangesloten.

Men sloot en grendelde in allerijl de vensters en deuren, voor welke laatsten in alle haast wat meubelstukken gesleept werden, om ze te barricadeeren. Men was nog niet geheel gereed, toen de moordzieke bende, schreeuwende en tierende, op het terrein der mijn verscheen. Sidin, de Javaansche bediende van den directeur, had van het wapenrek de geweren—een achttal—genomen en had ze geladen, voor welke zorglijke handeling hij door zijn heer met een goedkeurenden knik beloond werd. Toen deuren en vensters gesloten waren, nam ieder Europeaan een vuurwapen en plaatste zich achter de gesloten jalouzieramen. Er was geen tijd tot beraad of tot het nemen van verdere beschikkingen. Och, al had de tijd er ook toe bestaan, de karaktervolle man, die het geheel had kunnen leiden, was niet meer. Er heerschte nu slechts ongedurigheid en weifelachtigheid in die woning, waar in die oogenblikken slechts geest- en wilskracht zich hadden moeten vertoonen. Er heerschte ordeloosheid, waar ieders plaats en handeling scherp afgebakend had moeten wezen. In een woord, er was niemand die bevelen gaf, die ordende; ieder deed wat hem goed dacht.

De bloeddronken bende naderde niet heel spoedig; zij had nog de gelegenheid te baat genomen, om een ouden grijzen mijnwerker, die weigerde zich bij haar aan te sluiten, neer te houwen en haar bloeddorst op eene gruwzame wijze op hem te koelen.

Maar eindelijk aangekomen voor het huis, waarin de blanken zich gebarrikadeerd hadden, hield de bende halt en heerschte er een oogenblik van diepe stilte. Ofschoon reeds twee withuiden dien morgen gevallen waren en hun bloed de klingen der wapens geverfd had, was de menigte nog niet over het prestige heen, dat de blanken gewoonlijk uitoefenen. Men begreep dat hier ernstig tegenstand zou kunnen geboden worden, dat veler leven hier gevaar liep; men dacht na en aarzelde. Had in dit oogenblik een flink salvo weerklonken, dat de voorste raddraaiers in het zand had doen bijten, dan zou die geheele troep dapperen, als een vlucht musschen, door een schot hagel geteisterd, uit elkaar gestoven zijn. Maar niets, niets! de Europeanen hielden zich stil; het was of het huis leeg was.

Daar verhief zich te midden dier stilte plotseling een stem. Het was Hadji Gana, een der meest dweepzieke priesters van het Bandjersche rijk.

„Lā ilāha illa-llāhoe wa-Moēhammadoen rasōeloe-l-lāhie,” (er is geen God dan Allah, en Mahomed is Gods profeet) gilde hij met krijschende stem, terwijl hij de handen, waarin hij een koran en een rozenkrans hield, boven zijn tulband verhief.

„Madjoe! madjoe! sabieloe-l-lāhi!” (Vooruit, vooruit, ten heiligen strijd.)

„Weg met de blankhuiden!”

„Dood aan de Kafirs!” schreeuwde de menigte hem na, joeg als met een sprong vooruit en beklom de trappen, die tot de voorgalerij van de woning toegang verleenden. Maar toen knalden vier schoten van tusschen de zonneblinden der ramen en deden den heldhaftigen troep uit elkander stuiven met een vaart, dat de meesten niet wisten, hoe zij beneden gekomen waren.

Doch.... rondziende, bespeurden de helden geen enkelen gedoode, geen enkelen gekwetste. Een wezenlijk wonder! hoewel die vier geweerschoten te midden van den dichten drom, om zoo te zeggen à bout portant gelost waren, niemand was gedeerd. Er was er een, wiens buisje door de buskruidvlam verzengd was, zonder gewond te zijn. Hoe was dat mogelijk? De Hadji’s maakten er behendig gebruik van, en wezen op de onfeilbaarheid van de uitgedeelde „djimat’s” (talisman) en verklaarden iederen strijder tegen de kafir’s voor „tagab” (onkwetsbaar). Hadji Isa haalde van onder zijn buisje een platgeslagen stuk lood te voorschijn en verklaarde dat dit een kogel der blanken was, die, zonder hem te deren op zijn huid afgestuit was. Dit bewijs van almacht voerde de dweepzucht ten top.

Zoo werd de bende weer moed ingesproken en tegen de trappen opgevoerd. Toen zij boven gekomen was, barstte andermaal een viertal schoten in den dichten drom los, met hetzelfde gevolg dat geheele gespuis weer met bliksemsnelheid naar beneden te doen tuimelen. Maar, ook andermaal was niemand gekwetst. De Hadji’s hadden gelijk, de djimat’s waren onfeilbaar en de zegen des Profeets rustte op het Gode welgevallig werk.

Nu ging er een woest geschreeuw op, en andermaal drongen de dapperen vooruit, om evenwel met al dien heldenmoed bij iedere losbarsting van schoten weer naar beneden te stormen.

Binnen in het huis was men niet op de hoogte van hetgeen buiten gebeurde. Bij iedere losbranding zagen de verdedigers tusschen de beperkte ruimte der zonneblindlatten de aanvallers vallen, wegduiken en vluchten, zoodat er niet aan getwijfeld werd, of de schoten waren raak. Helaas! het verraad speelde zijn treurig spel. De geweren werden slechts met los kruid geladen en met zorg werden de kogels weggemoffeld door de bedienden, die in schijn, om de verdedigers te helpen, de afgeschoten wapens aannamen, om ze dadelijk weder te laden.

Bij zoo’n stand van zaken kon het niet anders, dan dat de aangeboren lafhartigheid der aanvallers tot overmoed oversloeg. Het gros der bende was uit de voorgalerij niet meer te verdrijven en op verschillende plaatsen waren reeds breekijzers tusschen de jalouzielatten der ramen en deuren gebracht, om ze met geweld te openen. Tusschen die latten door, kruisten zich hier en daar reeds klewang’s met sabels en waren de djimat’s krachtvol tegen de geweerschoten gebleken; tegen sabelhouwen schenen zij niet bestand. Althans al heel spoedig lagen eenige gekwetsten met afgehouwen vingers op den grond der voorgalerij, die de handen aan de ramen geslagen hadden om ze open te breken.

Bij dezen zoo noodlottigen stand van zaken liet zich plotseling een brandlucht waarnemen en konden de belegerden bevroeden, dat een gedeelte der bende het gebouw omgetrokken en, daar het van hout was, in brand gestoken had. In dien uitersten nood trad Sidin, de bediende van den directeur, op hem toe, beweerde dat er een misverstand bestond, dat het volk geen kwaad wilde, maar dat het bevreesd voor de geweren was. Wanneer mijnheer hem zijn geweer overgaf, zou hij zien, dat alles op vreedzame wijze opgelost zoude worden en dat niemand eenig leed zou geschieden. Wat moest de directeur doen? De voorgalerij stond stikvol aanvallers, die niet meer te verdrijven waren; in de achtergalerij dreigde brand; een deur en een raam waren reeds opengebroken en vertoonden zich daar woeste aangezichten. Met een zucht gaf hij zijn wapen over aan den bediende, aan wiens trouw hij nimmer getwijfeld had. Deze, met een afschuwelijken grijns op het gelaat, nam het geweer met de linkerhand aan en met de rechter stak hij zijn kris in zijns meesters lijf en haalde hem den buik van onder tot boven open, onder het uiten der spotachtige woorden:

„Djangan mara toean!” (Niet kwaad worden, mijnheer!)

En als ware dat het sein, stormde de bloeddronken bende naar binnen en begon het bloedbad. Al zeer spoedig lagen de mannen vreeselijk verwond in hun bloed te baden. De directeur was met opengereten buik in een hoek van het vertrek gekropen, waar men hem voorloopig ongedeerd liet. Helaas! zijn lijden was nog niet ten einde; schrikkelijker martelingen stonden hem te wachten.

Toen het bloedige werk met de mannen afgehandeld was, kwam de beurt aan de vrouwen. Geen van haar was nog gedeerd. Als een troep schapen bij een onweder zaten zij bij elkander gedoken en deden de lucht weergalmen van haar angstgeschrei en haar gesteun. Langzamerhand verzamelde zich een menigte met woest zwierende haren, met bebloede handen en aangezichten, rondom haar, en daar werden gruwelijke woorden gehoord en van verlangen glinsterende blikken ontwaard. Maar niemand nog vermat zich een vinger naar de ongelukkigen uit te steken. Alles bepaalde zich nog tot onkiesche woorden en tot wulpsche blikken, tot schandelijke verlangens, die zich als het ware door de hijgende ademhalingen lucht gaven. Daar verscheen Radhen Ardjie Kesoema, [9] het vorstelijk hoofd, die de bende ten aanval geleid, maar zich gedurende het gevecht voorzichtiglijk achteraf gehouden had. Hij trad nu in trotsche houding en met gebiedend gebaar voor en eischte de maagden voor zijn deel. Zonder een woord te spreken, met een enkele vingerwijzing duidde hij de drie jonge meisjes aan. Zijne volgelingen, zonder zich aan het gegil en het geweeklaag van de slachtoffers te storen, trokken de aangewezenen bij den arm voort en voerden ze naar Martapoera. Op de dringende bede der meisjes werd ook nog kort daarop hare moeder, eene forsche, flinke, nog goed uitziende vrouw, uit het noodlottige huis gehaald en ook naar de vorstelijke residentie overgebracht.

Nu bevonden zich nog slechts de getrouwde dames in het vertrek, en nog altijd, ofschoon reeds veel verminderd door het ontvoeren der meisjes, stond een hunkerende troep om haar heen, niet wetende wat te doen, tot dat Hadji Gana met zijn onafscheidelijken koran en rozenkrans in de uitgestrekte handen uitriep:

„God is groot! Luistert wat de Almachtige gebiedt: „Oog om oog, tand om tand”! De blanken hebben zoo velen onzer vrouwen en onzer dochteren tot ontucht verleid. Het goud, dat zij den bruinen mensch afstalen of afpersten, hebben zij veelal gebruikt om onze maagden te koopen. Soms zijn deze met geweld uit de armen hunner ouders weggehaald. „Oog om oog, tand om tand”, herhaalde hij met schril krijschende stem. „Oog om oog, tand om tand!” de ure der wraak is gekomen! die vrouwen zijn uw deel!!”

Een vreeselijk gejuich beantwoordde die woeste toespraak. En in minder tijd dan het mogelijk is te vertellen, waren de arme ellendigen overeind gesleurd en haar de kleederen, die hunne tengere ledematen bedekten, van het lijf gescheurd zoodat zij weldra met hun loshangenden blonden haardos naakt voor hunne bruine beulen stonden. Geen gejammer, geen geween, geen klaaggeschrei mochten baten. Zij hadden even goed kunnen pogen rotsgesteenten te vermurwen.

Nu begon een tooneel zoo walglijk, zoo ijselijk wreed, dat—hoe wenschelijk het ook ware, het in zijn algeheele afschuwelijkheid te boekstaven, om aan te toonen, welke vreeselijke gevolgen een slecht bestuur na zich sleepen kan—de pen hare diensten weigert en het brein zich onmachtig toont, die gruwelen te schetsen.

Te midden dier onmenschelijke mishandelingen, die niet dan met den dood der arme teedere wezens eindigden, sprong een klein zesjarig knaapje vooruit om zijne rampzalige moeder te verdedigen. Het was het oudste zoontje van den directeur. Met in den nek fladderende blonde lokken, met fonkelende oogen, hijgende borst en op elkander geknepen lipjes, beukte de brave jongen met zijne vuistjes op de beulen zijner moeder, totdat een slag met een „parang” (kapmes) hem het jeugdige hoofdje kloofde en hij, ruggelings achterover stortende, naast zijn zwaar gewonden vader kwam te vallen.

Waar de gedachten van dien vader in dat oogenblik verwijlden? Dat is den Alwetende alleen bekend. Hij was geheel bij kennis en geen der tafereelen, die zich voor zijne oogen ontrolden, waren hem ontglipt. Misschien omgaven zij met angstige zorg zijne andere kinderen, die in de handen der beulen achterbleven en gewis ook niet zouden gespaard worden. Maar zie, daar boog zich een gedaante over den stervende en fluisterde hem iets in het oor. Ontzet en half radeloos van angst zocht het gebroken oog den spreker te herkennen. God! het was de Chinees, die twee dagen vroeger zoo gruwelijk gekastijd was geworden en die nu, om zijn leven te redden, met afgesneden hoofdstaart, in maleische kleederdracht verscheen. Nogmaals prevelde hij tot den gewonde eenige woorden, richtte zich daarna op en begaf zich naar een hoek des vertreks, waar eene oude baboe twee aanvallige Europeesche kinderen achter haren sarong en slindang trachtte te verbergen. De Chinees sprak haar aan, greep een der kinderen en gevolgd door de baboe met het andere, maakte hij behendig gebruik van de verwarring, die heerschte tengevolge der plaatshebbende vreeselijke tooneelen, en der daarop gevolgde plundering, om ongemerkt naar buiten te sluipen. Eenmaal buiten het gedrang, was het bosch weldra bereikt. Daar gaf de Chinees het kind, dat hij droeg, aan de baboe over, duidde haar de te volgen richting aan, om Bandjermasin te bereiken, ried haar aan om met die twee blanke kinderen alle bewoonde oorden te vermijden en toen hij haar met haar vracht binnen den beschermenden rand der wildernis verdwenen zag, spoedde hij zich terug naar het tooneel van zooveel ontzetting. Toen hij daar aankwam, was een klein gedeelte der bende bezig de lijken der vrouwen bij de haren naar buiten te sleepen, terwijl het gros zich onledig hield met koffers, kisten en kasten open te breken en den buit te verdeelen. Hij vond nog gelegenheid den directeur te kunnen naderen en hem als in het voorbijgaan toe te fluisteren: „in veiligheid.” En, als wachtte de rampzalige op die tijding, om te kunnen sterven, toen hij die woorden vernam, opende hij wijd de oogen, vestigde een blik van onuitsprekelijke dankbaarheid op den Chinees, zuchtte nog eens diep, en... was aan ieder lijden onttogen.

Laat mij, om dit hoofdstuk te besluiten, gauw mededeelen, dat na een omzwerving van ruim vijf weken in de bosschen, die baboe met de twee kinderen gezond en wel te Martapoera te recht kwam, toen die plaats door de Nederlandsche troepen bezet was.

IV.

Nog wat geschiedenis.—Tactiek der inlanders.—Het Bandjermasinsche rijk met forten overdekt.—De oorsprong van het fort te Kwala Kapoeas.—Hoe Nederland zijne nieuwe onderdanen verwelkomt.—Een vernietigde handel.—Wrevel en wrok.—Een drama aan de boorden der Kapoeas-rivier.—Poeloe Petak en Kwala Kapoeas.

Dat was het lot, hetwelk de steenkolenmijn Hermina onderging. Gruwelijk, niet waar? Gruwelijk in den volsten zin des woords. Het mijnpersoneel te Goenoeng-Djabok, de zendelingen met hunne gezinnen te Boentooi aan de Kahajan-rivier, te Tangohan aan de Kapoeas-rivier, de civiele gezaghebber te Tabanio werden even onbarmhartig vermoord, en, hoewel op kleinere schaal, herhaalden zich de afgrijselijke tooneelen, waarvan in het vorige hoofdstuk een schets werd gegeven.

Onder zulke omstandigheden, na dergelijke tooneelen, kon niet langer geweifeld worden. Te Batavia zag men zich door de bestuurders van het in verzet gekomen gewest misleid, en was men voor een opstand geplaatst, welks onderdrukking veel inspanning zoude vorderen en veel bloed en geld kosten.

Eerst werd een bataillon infanterie naar Bandjermasin overgevoerd. Later begreep men, dat ook nu weer de zuinigheid de wijsheid bedrogen had en bij slot van rekening geen zuinigheid was. Achtervolgens werd de troepenmacht zoodanig uitgebreid, dat behalve de garnizoenscompagnie, die de oorspronkelijke bezetting van het gewest uitmaakte, drie veldbataillons, ieder van zes compagnieën, gesteund door een talrijke artillerie en door een ontzagwekkende vloot van niet minder dan zeventien stoomschepen en vijf gewapende kruisbooten op het oorlogsterrein aanwezig waren.

Een hardnekkige oorlog had zich nu ontsponnen, waarbij van weerskanten met verbittering gestreden werd. Niettegenstaande de zoo geduchte macht, die de Nederlanders langzamerhand ontwikkeld hadden, kon maar niet zoo spoedig, als gehoopt werd, de demping des opstands en de bevrediging van het gewest, dat hun de gehoorzaamheid had opgezegd, verkregen worden. Streden de inlanders niet met die eenheid van inzichten ten opzichte van het te bereiken doel, zooals zij dat door hunne tegenstanders zagen betrachten; liet hunne onderwerping aan de beslissing der hoofden veel te wenschen over; was hunne bewapening slecht en de algemeene aanvoering nog slechter, zoo moest toch toegegeven worden, dat veel vergoed werd door den onbezweken moed, door de taaie volharding, die zij aan den dag legden, door hunne matigheid, die hen in staat stelde tot ontberingen, waarvan de westerlingen zich moeielijk eene voorstelling kunnen maken, door hunne beweeglijkheid, die toeliet zich in hunne wouden te verplaatsen met een vlugheid en gemakkelijkheid, die meermalen de best ontworpen plannen in duigen wierpen, waardoor zij nagenoeg het evenwicht herstelden, dat door de betere krijgstucht, aanvoering en bewapening der blanken dreigde noodlottig voor hen verbroken te worden. Zelfs slaagden zij er in, de schaal somtijds in hun voordeel te doen overslaan.

Uiterst moeielijk was het toch, zoo niet geheel onmogelijk, een vijand tot een treffen te dwingen, die besef had, dat dat treffen op zijn ondergang moest uitloopen; die op het goede oogenblik meesterlijk wist te verdwijnen, zich als een nevel op te lossen, wanneer de blanken, na ongehoorde inspanningen, om hem te bereiken, hun slag meenden te kunnen slaan, maar in het ijle sloegen. Men wane niet, dat dat lafhartigheid was, waarachtig niet! De Banajarees toonde herhaaldelijk gedurende den oorlog, dat hij zijnen tegenstanders onder de oogen durfde zien, wanneer hij hunne overmacht geneutraliseerd dacht. Maar dat was zijn tactiek, dat was zijne tegenstanders afmatten, dat was zich aan diens overmachtige slagen onttrekken, niet uit vrees, maar om op andere punten, soms in den rug der vijandelijke krijgsmacht weer te voorschijn te treden, dat was, om den vijand voortdurend te verontrusten en hem slagen toe te brengen, waar en wanneer hij er het minst op verdacht was; in ’t kort, het was de meest rationeele wijze van oorlogvoeren, de eenige mogelijke, met hoop op goeden uitslag tegen over Europeesche aanvoering en bewapening.

Die tactiek noodzaakte de Nederlanders, na vele vergeefsche pogingen om de vijandelijke massa’s aan te tasten, voet voor voet voort te schrijden, telkenmale het veroverde gedeelte te bevestigen en te beveiligen door het oprichten van kleine veldwerken. Zoo werd het geheele Bandjermasinsche rijk met een aanzienlijk aantal posten overdekt en het grootste gedeelte van het expeditionaire legerkorps vastgebonden. De duur van den oorlog regelde zich naar die omstandigheid en uit den aard der zaak kon die niet kort wezen. Een geheel volk moest bedwongen worden en, om dat doel te bereiken, had men een zeer kleine legermacht met betrekking tot de uitgestrektheid van het terrein, waarop geageerd moest worden, die gedeeltelijk in kleine troepjes opgelost en vastgebonden en daarenboven niet altijd voltallig te houden was.

Onder al de fortjes, die verrezen, zal den lezer voornamelijk dat bezighouden, hetwelk aan de uitwatering van de Kapoeas Moeroeng [10] in de kleine Dajak-rivier gebouwd was, dewijl het een voorname schakel van dit verhaal uitmaakt, en zal het niet onbelangrijk wezen te vernemen, waaraan het zijn ontstaan te danken had.