Part 3
„Een beroerde geschiedenis!” ontsnapte den luitenant met een stopwoord, dat zijn gemoedsaandoening moest te kennen geven.
„Ja zeker, een beroerde geschiedenis, maar vooral voor die arme drommels.”
„Maar voor mij niet minder. Behalve de inspanningen en vermoeienissen, behalve de gevaren van allerlei aard, die mij te wachten staan, zullen ook wel de noodige standjes afgeschoven worden. Gij weet, bij ons legt men zoo gaarne de zaken ten nadeele uit en zoekt men daaraan een hatelijken zelfkant. Het zoeken van een zondebok, wanneer iets onaangenaams voorvalt, is eene inheemsche Nederlandsche ziekte.”
„Maar de overste Afdeelings-Kommandant is toch daar de man niet toe!”
„O, die zal het ook niet doen. Het zal wel van hooger komen. O! zij zijn te Batavia zoo snugger! Als het er op aankomt naar het hoofdbestuur in den Haag te kunnen rapporteeren, dat door het geringe doorzicht en de weinig menschkundige handelingen van een luitenant, vier Europeesche soldaten in vollen oorlogstijd gedrost zijn; en als men er dan bijvoegen kan, dat de schuldige ernstig is te recht gewezen, dan is het genot zonder weerga. Men is dan tevreden in den Haag en vraagt naar meer niet. Zelf heeft men immers geen schuld?”
„Geen schuld!!” stoof de dokter woedend op. „Geen schuld!! de geheele schuld ligt in den Haag; want....”
„Tu tu tu, mijn waarde mof, geen politiek, wat ik je bidden mag,” stopte de luitenant bij tijds. „Al heb je gelijk, dan heb je toch ongelijk, zooveel ervaring heb je toch reeds in het leven opgedaan. Kom, het is al laat geworden, laten wij ons mandje gaan opzoeken, het is morgen vroeg dag, althans voor mij.”
De beide mannen reikten elkander de hand; de dokter verliet het vertrek om naar zijn mandje te gaan, zooals de uitdrukking luidde. Alvorens evenwel in het zijne te kruipen, ging de luitenant nog eens de ronde doen om zich te overtuigen, dat de noodige waakzaamheid werd betracht.
Een oogenblik stond hij op het zuidelijk bastion te turen. Die geschutstelling beheerschte de geheele watervlakte, gevormd door de samenvloeiing van de Poeloe-Petak rivier met de Kapoeas-Moeroeng, aldaar ruim twaalf honderd ellen breed. De nacht was in zijne volle pracht; de sterren schitterden aan den donkerblauwen hemel en weerkaatsten met liefelijken glans in den vloed; de bosschen, die de oevers omzoomden, staken scherp en als een zwarte massa tegen den niet geheel donkeren gezichteinder af. Op den oostelijken oever van de Poeloe-Petak rivier ontwaarde men de omtrekken van de Dajaksche woningen tusschen het groen, en hier en daar flikkerde de vlam eener lamp tusschen de boomen en struiken.
Behalve eenige blaffende honden in de verte, was alles doodstil en liet zich het geruisch en gekabbel van den snelvlietenden stroom zacht, maar duidelijk waarnemen.
Terwijl de luitenant daar stond, tegen de borstwering geleund, dat schouwspel aan te staren, en hij in gedachten verzonken scheen, lieten zich plotseling de tonen der „titih” hooren.
De „titih” is bij de Dajaks de doodenklok. Zij bestaat uit vier „garantong’s” (metalen bekkens van verschillende grootte) en weerklinkt de eerste maal, zoodra iemand gestorven is; de tweede maal, wanneer het lijk in de kist gelegd wordt; de derde maal, wanneer het lijk naar zijne laatste woning gevoerd wordt, en eindelijk de laatste maal, wanneer die woning gesloten wordt. Alleen bij de overvoering van het lijk klinkt de doodenklok aanhoudend, zoolang de vaart duurt; de andere keeren weerklinkt zij slechts telkenmale gedurende vijf minuten. Men luidt haar, door met regelmatige tusschenpoozen van ongeveer twee seconden een slag te doen hooren op de drie garantong’s met lichten toon en die te doen volgen door een zwaren toon. Uiterst weemoedig weerklinkt dat ting, ting, ting, toong over Borneo’s breede stroomen en stemt wel tot droefgeestigheid.
Bij de eerste tonen, die weerklonken, had de luitenant het oor gespitst en zich de vraag gedaan, wie er wel overleden kon zijn in den kampong. Maar weldra waren zijne gedachten weer op de desertie, die plaats gehad had, gevestigd. Toen evenwel de „titih” na een poos niet ophield en bleef weerklinken, begreep hij, dat een uitvaart plaats had en dat wekte wel ietwat zijne verwondering. Met dat het zeldzaam zoude zijn, dat de Dajaks hunne dooden bij nacht bijzetten; hoewel nu niet algemeen, gebeurde dat wel meer, vooral wanneer de overledene aan een besmettelijke ziekte bezweken was; maar in den laatsten tijd had de luitenant verzocht geen uitvaarten meer te houden gedurende den nacht wegens den oorlogstijd, en dat alleen te doen bij volstrekte noodzakelijkheid. Sedert lang was op dat verzoek, eer een bevel, geen inbreuk gemaakt en nu, nu, dat was wel toevallig....
„Ha! ik ben er,” zei de luitenant als gerustgesteld, „ik ben er, gisteren heeft mij de Tomonggong verteld, dat er twee gevallen van cholera in kampong Soengei Antassan Barimba waren. Een daarvan zal overleden zijn. De kerels hebben gelijk den doode maar weg te moffelen.”
En werkelijk, heel in de verte, van den kant des genoemden kampongs, verschenen twee prauwen, overvloedig met vlaggen en fakkels versierd, welke laatsten haar rood licht over de watervlakte weerkaatsten. Akelig klonken de tonen der „titih” in de nachtelijke stilte. Toen de prauwen langzamerhand nader bij kwamen, weerklonken nog andere geluiden en kon men duidelijk de gezangen der „balians” (priesteressen), die zij met een dof getrommel op hare „katambong’s” (kleine trommen) begeleidden, waarnemen. Toen de vaartuigen nog dichter bij kwamen, klonk het treurgezang:
„Dadari liau olo matäi, tandjoeng dari liau balongkang, tandjoeng-danoem...” enz. [8] over de watervlakte en bereikte des luitenants gehoor. Alles scheen dan ook in orde; uit de voorste prauw klonken de gezangen en het getrommel der balians; achter dat vaartuig volgde onmiddellijk de prauw, waarin de „raoeng” (doodkist met beeldhouwwerk versierd) geplaatst was, en waarin de „titih” geslagen werd. Om evenwel op alles voorbereid te zijn in een tijd van listen en lagen, teneinde onze posten te overrompelen, deed de luitenant de manschappen der wacht onder de wapens komen en postvatten op het bastion, waarop hij zich bevond. Ook gelastte hij een onderofficier, de naderende prauwen te verkennen en op alles nauwkeurig acht te geven. Toen een der schildwachten zijn „werda” deed weerklinken, werd die roep naar behooren beantwoord en aan het bevel, om aan te leggen, onmiddellijk voldaan. De sergeant doorzocht de eerste prauw, wisselde een kwinkslag met de priesteressen, maar ontwaarde niets verdachts. In de tweede was ook niets te bespeuren. Een akelige stank, eigen aan de lijken van hen, die aan cholera bezweken zijn, steeg uit de raoeng op en noodzaakte het onderzoek te verkorten. De vaartuigen staken van wal en onder den krachtigen roeislag van een twintigtal roeiers, geholpen door den zwaren stroom, schoten zij spoedig het fort voorbij. De luitenant tuurde hen nog na en scheen als in gedachten verzonken, toen plotseling een hoofd zich als een zwarte schim boven de dakbedekking van de tweede prauw vertoonde en een stem zich verhief, die uitriep:
„M....! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!”
Het met M.... aangeduide woord was het woord van Cambronne in den slag van Waterloo, en is bij onze zuidelijke broeders zeer in zwang; zoo ook het „tête de fromage” als scheldwoord tegen de Hollanders.
Onze luitenant was dan ook dadelijk op de hoogte en begreep, dat de vluchtelingen zich in de doodenprauw bevonden. Hij riep den roeiers toe:
„Gagoelong kantoh ikau, mambalik goelongoeloeng!” (Halt! hierkomen, dadelijk omkeeren.)
Tot antwoord klonk nogmaals het M....!, gevolgd door een geweerschot, dat een Javaansch soldaat, naast den luitenant staande, lichtelijk schrampte. Toen draaide de luitenant met behulp van een paar soldaten het kanon, dat op het bastion stond—een 7 Cm. op cirkelaffuit—en steeds geladen was, snel in de richting der prauwen, boog zich over het stuk, gaf het met behulp der stelschroef de noodige inclinatie, greep den vuurstok, waarop de zunder, ontstak dezen aan de steeds brandende lont en.... boum! daar dreunde het schot. Het was echter nacht en het richten vrij onzeker geweest. Daarenboven dreef de snelle stroom de prauwen overhaast voort en repten ook de roeiers zich met inspanning om uit die gevaarlijke buurt te geraken. De kogel sloeg vlak achter de achterste prauw in het water, ricochetteerde, sprong over dat vaartuig en sloeg door de dakbedekking van het voorste en bracht zoo, door de wieling van het water en door den schok tegen het dak, de beide prauwen in groot gevaar van om te slaan en te zinken. Dadelijk daarop en nog vóór dat de algemeene ontsteltenis maar eenigszins bedaard was, weerklonk van het bastion een salvo geweerschoten, dat een hagelbui van kogels door de prauwen joeg, waardoor twee roeiers gedood en een gewond werden. Maar de stroom sleepte de vaartuigen met kracht mede; nog voor dat herladen kon zijn, waren zij aan het gezicht onttrokken en in het nachtelijk duister verdwenen.
„Dat salvo was raak,” zei de dokter, die zijn bed uitgevlogen was, en nu naast den kommandant op het bastion stond, „dat salvo was raak, wat een gegil ging er uit de prauwen op!”
„Ja het was raak,” antwoordde de luitenant ernstig, „maar.... dat is de eerste maat van het liedje, dat gezongen wordt. Ik had mij door den Tomonggong niet moeten laten overhalen, om den tocht tot morgen uit te stellen, wellicht ware dan het nu gebeurde voorkomen geworden. Hebt gij Troenosmito verbonden?”
„Niet noodig geweest, een onbeduidende schramp, die ik met jenever met water heb doen afwasschen.”
„Kom, laten wij dan gaan slapen; ik weet nu waarheen de deserteurs getogen zijn; morgen al heel vroeg kan de vervolging beginnen.”
Beide mannen reikten elkaar nogmaals de hand en weldra verving een diepe stilte het rumoer van straks, een stilte, die slechts afgebroken werd door den rustigen stap der schildwachten.
III.
Een weinig geschiedenis.—De opstand in het Bandjermasinsche rijk.—Wanbestuur.—Pogingen tot herstel van grieven.—Verblindheid.—Vijfentwintig rietslagen.—De moordtooneelen te Kalangan.—
Alvorens met ons verhaal verder te gaan, moeten wij eenige geschiedkundige bijzonderheden in herinnering brengen, die zoowel omtrent plaats en tijd der handeling, als omtrent het verloop der gebeurtenissen de vereischte toelichting zullen geven. Dat zal veroorloven het verhaal voort te zetten, zonder telkens genoodzaakt te zijn, ter verduidelijking den draad af te breken.
Een ieder herinnert zich zeker nog de rilling, die door de natie ging, toen in Junij 1859 als een donderslag de tijding weerklonk, dat in het rijk van Bandjermasin op het eiland Borneo een uitgebreide opstand was uitgebroken tegen het Nederlandsche gezag en dat al de Europeanen op de mijnetablissementen, als ook de Christenzendelingen, op verschillende punten in de binnenlanden gevestigd, vermoord waren. De bijzonderheden, die later van die moordpartijen opvolgend bekend werden, klonken zoo schrikkelijk, dat met recht beweerd kan worden, dat de gruwelen te Hermina (Kalangan), te Goenoeng Djabok, te Boentooi en te Tangohan gepleegd, in wreedheid en afschuwelijkheid voor die, in Engelsch-Indië te Delhi, Lucknow en Cawnpore in 1857 gebeurd, niet onderdeden.
Maar, zoo als bijna immer, was voor die moordtooneelen een grond, een oorzaak. En hoewel gruwelen, zoo als toen gebeurd zijn, ten scherpste afkeuring verdienen en niet genoeg gebrandmerkt kunnen worden, zoo moet toch erkend worden, dat de bestuurshandelingen ter Zuid- en Oost-kust van Borneo haat en wrevel hadden doen geboren worden en dat door gebrek aan waarheidsliefde, toen het gevaarlijk oogenblik naderde, de uitbarsting niet voorkomen, maar eerder geprovoceerd werd. En wanneer bij een onontwikkeld volk lang verkropte woede in lichter laaie uitslaat, wanneer jaren lange miskenning en misleiding, onder het mom van philantropische grondbeginselen gepleegd, vergolden, en niet vergeten euveldaden uit vroegere tijden als: ontmanning, afsnijding van ooren en neuzen, verrekend moeten worden, dan ja.... laten wij dan den steen niet werpen op den Bandjarees, die zulke voorbeelden van ons ontving.
Slaan wij de geschiedrollen van die dagen op, dan vinden wij het Bandjareesche volk als sluw, oneerlijk en hoogst bedorven afgeschilderd. Zeker kon dat volk niet als toonbeeld van maatschappelijke deugden gesteld worden, maar te betwijfelen valt het, of de omgang met de blanken gediend heeft, om het uit zijne verdorvenheid op te heffen. Wat de onontwikkelden van deze zagen, was tot navolging niet opwekkend en, gingen zij tot navolging over, dan was de zedelijkheid daar niet mee gebaat.
Zij zagen toch het hoogste bestuur voor geld veil, de erfopvolging van hun vorstenhuis verkwanselen, om den bastaard, door een hunner Sultans bij eene Chineesche bijzit verwekt, op den troon te helpen.
Zij moesten hunne dierbaarste gevoelens ten opzichte van hun vorstenhuis op de meest vernederende wijze gekrenkt zien, door de verdierlijking, waaraan de onwaardige, die door de blanke overheerschers, met voorbijgang van den rechthebbende, op den troon geplaatst was, door zijn omgang met die Christenhonden ter prooi was. Zij toch, de fijne Mahomedanen, die zoo’n afschuw van sterken drank hadden, zagen veelmalen hun vorst plaatsnemen aan de tafel der blanken, daar hunne uitspattingen deelen, ja die overtreffen, daartoe op arglistige wijze aangezet. Niet zeldzaam zagen zij den ongelukkigen Sultan smoordronken, met zwierende haren, bevlekt en bezoedeld door de gevolgen zijner overdaad, als een zwijn in de voorgalerij van het residentiehuis omvertuimelen; zij zagen hem onmachtig om overeind te krabbelen, door zijne volgelingen naar zijn prauw gedragen, om naar zijn kraton, aan de overzijde der rivier gelegen, geroeid te worden, begeleid van den eenen kant door de weeklachten diergenen zijner onderdanen, die het wel met hem meenden, van den anderen kant door het luidruchtig gejoel en gegrinnik van hen, die er een eer in stelden, hem in dien toestand gebracht te hebben.
„Allah redde hem en verdelge de Kafirs!” gromden de eersten.
„A plein verre! mes bons amis!” of „wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet, nog lang niet”, jubelden en huilden de anderen, terwijl zij met de brandyflesch in de hand „een patertje langs den kant” na het vertrek van den dronken Sultan, op den openbaren weg dansten.
Zij zagen den Christelijken godsdienst bevorderen, terwijl zij in de uitoefening hunner godsdienstplichten zoo veel mogelijk gedwarsboomd werden. En wanneer dan ingezien werd, dat niet altijd de gepaste middelen werden gebruikt, om onder de naburige Dajaks de leer van den Christus, die leer van liefde, van zelfverloochening, van zelfopoffering, te verspreiden; wanneer daartegen over de moeielijkheden gesteld werden, die de vrome Muzelman, wanneer hij volgens de voorschriften zijner leer het graf des Profeets wenschte te bezoeken, vanwege de Christenen, met het woord „verdraagzaamheid” op de lippen, maar niet in het hart, ondervond, dan gloeide de haat en dan zocht de hand wel eens krampachtig het gevest van de kris, dat eigenaardig wapen der Oosterlingen met gevlamd lemmet, als zinnebeeld van Allah’s toorn.
Voorwaar er was brandstof genoeg voorhanden; zij behoefde niet vermeerderd te worden door de listen en lagen, die gebezigd werden, om pandelingen, die slaven onder een modernen naam, voor de Gouvernements- en ook voor de partikuliere steenkolenmijnen te erlangen.
Maar de bevolking der Nederlandsch-Oost-Indische bezittingen is over het algemeen van zulk een zachte en lijdzame inborst, dat zij in den regel niet naar het zwaard grijpt, voor en aleer alle middelen, om tot een vergelijk te komen, aangewend te hebben.
Zoo ook hier.
Na eindelooze pogingen bij het gewestelijk bestuur, werd in 1853 een gezantschap naar Batavia afgezonden om van den Grooten Heer herstel van grieven te verkrijgen. Onder het armzalig voorwendsel, dat de leden van dit gezantschap van te lage geboorte waren, werden zij niet toegelaten het gelaat van hem, die in naam van Neerland’s Koning gezag voert, te aanschouwen, hoewel allen van adellijke en een paar van vorstelijke afkomst waren.
Vijf jaren later, in 1858, toog de bejaarde weduwe van Sultan Adam naar Insulinde’s hoofdplaats, om de rechten van haren kleinzoon, den rechtmatigen troonopvolger te bepleiten en de overige grieven van het Bandjersche volk onder de aandacht van den Gouverneur-Generaal te brengen. De oude Sultane onderging den smaad van ook niet ontvangen te worden. Dat was de druppel, die den beker van ongerechtigheid deed overvloeien. De karaktervolle weduwe keerde naar Bandjermasin terug en van nu af was tot den heiligen oorlog besloten.
Al spoedig, in de eerste dagen van 1859, vertoonden zich in de landschappen Benoea-lima, Moening en Allei mirakeldoeners, die voorloopers van volksuitbarstingen bij dweepzieke rassen, en lokten tot volksoploopen uit. De klewang’s werden gewet, de vuurwapenen gereed gemaakt. Maar men was met blindheid geslagen te Bandjermasin, met zoodanige blindheid, die door het doellooze rondspartelen aan waanzin deed denken. Men oordeele!
Van Batavia werd in Februari 1859 het oorlogsstoomschip Ardjoeno naar Bandjermasin gezonden, om te vernemen, wat toch ter Zuid- en Oostkust van Borneo gaande was, daar van Pontianak, dus van de Westkust van dat eiland, aan de Regeering gerapporteerd was, dat al de onderdanen van den Sultan van het Bandjermasinsche rijk opgeroepen waren om deel te nemen aan een uitgebreiden opstand tegen de blanken. De Ardjoeno kon terugkeeren zoo als hij gekomen was, daar men te Bandjermasin voorgaf, van niets te weten, en daarbij betuigde, dat in het gewest de meest gewenschte rust heerschte.
Een maand later kwam het stoomschip Montrado met dezelfde boodschap; de berichten omtrent het uitbreken van een opstand in het gebied van den Sultan van Bandjermasin, waren ter Westkust van Borneo zoo stellig, dat niet te twijfelen viel. Ditmaal kon niet ontkend worden; de zaken des opstands waren reeds zoo ver gevorderd, dat ze niet meer te bemantelen waren. Had men toen nog maar den moed gehad, rond voor de zaak uit te komen, dan waren vele gruwelen voorkomen. Maar.... ja, men stemde er in toe, dat er eenige ontevredenheid heerschte; dat waren echter slechts twisten van den Sultan met eenigen zijner rijksgrooten, hofkabalen, die niets te beteekenen en hoegenaamd geene staatkundige strekking hadden. Een geringe vermeerdering van het garnizoen zou indruk genoeg maken, om een gewenschte ontknooping van die twisten te mogen veronderstellen en om de algemeene veiligheid te verzekeren. En zoo vertrok in April 1859 de kolonel Andresen met ééne compagnie infanterie naar de Zuid- en Oostkust van Borneo. Had die krijgsoverste een geheel bataillon volgens formatie van zes compagnieën onder zijne bevelen gehad, dan ware dat niets te veel geweest en vele menschenlevens, misschien wel allen, die nu verloren gingen, hadden kunnen gered worden. Het onaanzienlijk troepje; dat nu aan wal stapte, was niet eens genoeg, om de hoofdplaats van het gewest voor alle aanranding te dekken, want daartoe moest een vrij talrijk corps mariniers en matrozen van de oorlogschepen medewerken. De mijnetablissementen, de zendelingsposten en de civiele ambtenaren in het binnenland moesten aan hun lot overgelaten worden.
De aankomst van zulk een kleine troepenmacht had eerder een nadeelige dan wel nuttige zijde; zij verhaastte de uitbarsting. Dat was het resultaat van de onopenhartigheid.
Twee dagen nadat kolonel Andresen voet aan wal gezet had, een tijdperk waarin hij onmogelijk zich geheel op de hoogte van den toestand had kunnen stellen, zoo zeer noodig, om met vaste hand de teugels van het bewind te kunnen grijpen, brak de opstand allerwege uit en werden bijna overal de Europeanen op de meest afzichtelijke wijze vermoord.
Wil de lezer vernemen hoe ver in die dagen de verblindheid van hen ging, die toch op de hoogte van den stand van zaken moesten wezen? Weinige dagen voor de aankomst des kolonels, had de kapitein militaire kommandant ter hoofdplaats, tengevolge van de vrij stellige berichten, die bij hem ingekomen waren van voorgenomen aanvallen op het fort Tatas, de geweren der schildwachten en de kanonnen op de bastions doen laden en verder die voorzorgsmaatregelen doen nemen, die een overrompeling van het hem toevertrouwde punt moesten beletten. Dat geboden hem het gezond verstand en ook de eerste regelen der krijgskunst, omtrent welker toepassing hij alleen te oordeelen had. Doch hij ontving van den resident van het gewest een scherpe afkeuring—daar zijne voorzichtigheidsmaatregelen onrust onder de bevolking stichtten—met den last, om de kanonnen te ontladen en de patronen der manschappen in de magazijnen in te nemen.
En hoe die verblindheid zelfs tot bij hen, die door hunne isoleering het meest op hunne hoede moesten zijn, doorgedrongen was, kan uit het navolgende blijken:
Den 29n April 1859 kwam een rondventende Chinees op de steenkolenmijn Hermina te Kalangan en smeekte den directeur, om toch met alle Europeanen, vrouwen en kinderen naar Bandjermasin te vluchten. Hij had uit stellige bron vernomen, verzekerde hij, dat binnen kort alle blanken zouden vermoord worden. In het midden latende, of de gegeven raad opgevolgd of niet behoorde te worden, was men dankbaarheid schuldig aan den man, die ter goeder trouw dien raad gaf. En welke dankbaarheid viel hem ten deel? De directeur der mijn gaf bevel dien man aan den paal te binden en met vijf en twintig rietslagen ten bloede te geeselen.
Vijf en twintig rietslagen voor een goeden raad, die, ware hij opgevolgd geworden, aller leven zou gered hebben!! Want toen was nog redding mogelijk. Een der voorlieden van de mijn, een Belg van geboorte, werd op den 30n April—dus daags na den raad van den Chinees, om naar Bandjermasin te vluchten—naar de hoofdplaats gezonden, tot het verrichten van eenige boodschappen. Bij zijn doortocht te Goenoeng Lawak, een kampong op ongeveer een halfuur afstands van de steenkolenmijn, had hij eenige moeite om zijn weg te vervolgen, daar het pad door het plotseling rijzen van een naburig riviertje overstroomd en nu onzichtbaar was, hetgeen nog al gevaar aanbood, daar dat pad zich tusschen diamantputten slingerde, die nu als kolken voor het oog verborgen waren. Verscheidene lieden hielpen onzen Waal en zijn paard tusschen die putten door en in den kampong aangekomen, vroeg en verkreeg de reiziger zeer bereidwillig een kopje koffie, wat hij met graagte opslurpte. Wel ontwaarde hij veel volk op de been en daaronder vele vreemde gezichten, maar op zijn navraag daaromtrent, kreeg hij tot antwoord, dat het passardag (marktdag) was. Hij verliet Goenoeng Lawak, trok vervolgens Martapoera door en kwam niet alleen ongedeerd te Bandjermasin aan, maar hij kon ook verzekeren, dat hem overal de meest heusche bejegening was ten deel gevallen.
Vijf en twintig rietslagen!!! o! het is ontzettend. En wat was de beweegreden tot die onmenschelijke bestraffing? De directeur beweerde, dat die man met zijne verhalen maar onrust kwam stoken onder het werkvolk der mijn.
Met wat wrok in het harte moet die Chinees het etablissement verlaten hebben? O! hij zou spoedig gewroken worden. Hij zelf zou zich wreken.
Den 1n Mei—dus twee dagen na die gruwelijke strafoefening—zaten de heeren van het mijnpersoneel, de directeur, de ingenieur en een aspirantingenieur, des morgens na de godsdienstoefening—het was op een zondag—gezellig bij elkander te praten in de voorgalerij van de directeurswoning, die op eenigen afstand van het mijnetablissement zich bevallig op den top van een heuvel verhief. De dames hadden de heeren onder het genot van een glaasje morgendrank alleen gelaten en zich naar de ingenieurswoning begeven, alwaar zij, hoegenaamd geen gevaar duchtende, ook een gezellig kransje hielden.