Part 2
„Maar,” vervolgde hij den brief, „er is omtrent die desertie wel eenige verschooning bij te brengen en ons geweten is dienaangaande vrij gerust; dat geweten verwijt ons toch wat anders. De onverbiddelijke noodzakelijkheid dringt ons evenwel te handelen, zooals wij doen. Oordeel. Gij leendet ons uw tranchemontagne en uw kijker, uw zaksextant en uw boussole, om ons nuttig bezig te houden en om onze vaardigheid in het terreinopnemen te onderhouden. Bij de reis, die wij gaan ondernemen, zijn ons eenige dier instrumenten onontbeerlijk, want zonder deze zouden wij al heel gauw geen weg of steg meer weten. De tranchemontagne is ons evenwel van te veel omvang en zou ons in onze vlucht slechts hinderlijk zijn; van den zaksextant zal te midden der eilanden, die Borneo omgeven, niet veel nut te trekken zijn; die instrumenten laten wij dus in de hut van Johannes achter; maar de kijker en de boussole nemen wij mede. Vergeef ons die oneerlijke daad. Mocht het ons gegeven zijn te ontkomen en weer onder beschaafde menschen terug te keeren, dan, wees er zeker van, zullen wij alle pogingen aanwenden, om U het verlies, dat wij U berokkenen, te vergoeden.
„En nu, Heer luitenant, God loone U voor de menschlievende behandeling ons aangedaan. Wij gevoelen het, de menschenjacht gaat beginnen. God zij ons genadig! Vaarwel.
(w.g.) Schlickeisen. Wienersdorf.
„P.S. Mochten wij bij onze poging om de vrijheid te herwinnen, omkomen, dan zal die afloop niet lang voor U verborgen blijven. O! bij alles wat U dierbaar is, bij de heilige gedachtenis uwer moeder, geef onze ouders dan kennis van ons uiteinde. Ons militair zakboekje zal U omtrent hun adres voldoende inlichtingen geven.—Nogmaals vaarwel!”
„Arme bliksems!” herhaalde de luitenant, terwijl hij schuchter een traan wegveegde, als schaamde hij zich die verteedering.
„Wat een leven gaan die mannen te gemoet!” riep hij uit, terwijl hij den brief met een zucht op tafel liet vallen.
Bijna terzelfder tijd werd hij in zijne overpeinzingen gestoord door den dokter van het garnizoen, die met een gramstorig gezicht en opgewonden gebaren het vertrek instormde. Het was een lange opgeschoten slungel, met borstelig rood haar en een paar goudkleurige knevels, die met behulp van veel cosmetiek opgestreken en opgekruld waren, alsof zij tot bestemming hadden eenmaal met de punten eene schuilplaats te vinden achter de ooren, welker boorden zij reeds raakten. Ook hij scheen een brief ontvangen te hebben, althans hij hield er een in handen.
„Himmelskreuz! der Bube ist durchgegangen!” schreeuwde hij bij zijn binnenstormen. De man was blijkbaar een Duitscher en nog wel een Zuid-Duitscher.
„Wat? Wie?” vroeg de luitenant.
„Der Wallon! das Vieh! en hai heeft maine instrumenten en revolvers mitgenommen!”
Ook La Cueille had een brief achtergelaten, om het meenemen te verontschuldigen van ’s dokters trousse en pistolen, die hij als geweer- en instrumentmaker ter reiniging in ontvangst genomen had. Maar hij had den dokter ook nog de aanbeveling gedaan, den kommandant zijne (La Cueille’s) verontschuldigingen aan te bieden, dat hij tevens de twee Remmington-geweren, die hij van den luitenant ter reparatie had, medegenomen had. „Men kan zich toch niet weerloos op zoo’n reis wagen”, was de redeneering van den Waal, „de luitenant zou wel weten, welke gevaren daarbij te loopen waren.”
De luitenant gaf den brief, dien hij ontvangen had, aan den dokter over.
„Dan zain zai zuzammen ausgeknepen”, zei de dokter, nadat hij gelezen had, in zijne koeterwaalsche poging om Hollandsch te spreken.
„Waarschijnlijk.”
„Arme Kerle! aber wat zult gai nu thoen?”
„Ik heb het districtshoofd laten roepen. Wellicht heeft die eenig bericht. Zijne mededeelingen zullen den aard mijner handelingen bepalen.”
„Gai zijt toch van meening, ze hinternach te zetten.”
„Ja zeker.”
„Aber de Sicherheit van den post, die u zuvertraut ist?”
„O, mijn waardste mof, die zal ik niet in gevaar brengen.”
„Wie so? De Besatzung is niet stark. Gai kunt er niets von abnemen ohne Gefahr.”
„Ja maar, ik neem niets van de bezetting af. Ik zal ze door een bevolkingspatrouille laten nazetten.”
„Das ware grausam! Aufgehetzt von Dajacken!”
„Teer zijn die luidjes niet, dat is zoo; maar wat blijft mij over te doen? Zoo als gij zegt, van de bezetting is niets af te nemen. En werkeloos kan ik onmogelijk blijven. Maar voor dat het districtshoofd hier is, valt niet te oordeelen, wat er gedaan moet worden. Wellicht loopt alles met een sisser af; wellicht ook zijn onze grappenmakers reeds door de kampongwacht ingerekend en zijn onze beslommeringen voorbarig. Kom, ik ga intusschen eens rondkijken, of de schildwachten hun plicht nakomen. Gaat gij mede?”
„Donnerwetter! het is wat schöns, so im Dunkel herum zu kriechen.”
„Nu laat het dan. Maar blijft nog een poosje wachten; het districtshoofd zal aanstonds komen; gaarne zag ik, dat gij bij ons gesprek tegenwoordig waart. Ik ben dadelijk terug.”
En onze luitenant trad naar buiten. Het was slechts een korte wandeling, die hij te maken had. Het fortje was niet groot, zelfs zeer klein, en had dus slechts een beperkte vuurlijn. De schildwachten stonden op de vier bastions en keken scherp in het nachtelijk grauw uit. De brug over de gracht was neergelaten, de poort stond op een kier. Maar buiten aan de overzijde der brug stond een piket van zes man het voorgelegen terrein gade te slaan en achter de poort stond de geheele wacht aangetreden met het geweer bij den voet. De luitenant was tevreden en reeds wilde hij, gedachtig aan zijn gast, naar zijn woning terugkeeren, toen hem een korporaal tegentrad, met de hand aan de klep van zijn kepi:
„Wat is er?”
„De geweren van Johannes, La Cueille, Schlickeisen en Wienersdorf ontbreken in de kazerne op het geweerrak en de meeste patroontasschen der overige manschappen zijn leeggeplunderd.”
„Zoo, neem dadelijk op, hoeveel patronen ontbreken, en zeg aan den sergeant der artillerie de ontbrekende onmiddellijk uit het oorlogsmagazijn aan te vullen. Ik verwacht zoo spoedig mogelijk van die aanvulling rapport.”
Nog voordat de officier evenwel uitgesproken had, trad de korporaal plantonkeuken te voorschijn en rapporteerde, dat in de dispens vier zakken rijst en een zak koffie ontbraken. Er moest op nieuw gefourageerd worden, al was het ook laat; anders zou de bezetting den volgenden morgen niets te eten hebben. De luitenant gaf de noodige bevelen. Hij kwam zoo langzamerhand tot bewustzijn, dat de aard der desertie zich vrij wel afbakende. De deserteurs hadden levensmiddelen wel niet in groote verscheidenheid, maar het waren stoute mannen en die zouden wel de kampongs, die zij voorbij kwamen, het woud, dat zij doortrokken, de rivieren, die zij zouden oversteken, weten schatplichtig te maken. Zij hadden wapens en munitie, zij zouden dus het gevaar onder de oogen kunnen zien; zij hadden instrumenten, waarmede zij de richting van hun tocht konden bepalen; van verdwalen in de maagdelijke bosschen van Borneo was dus geen sprake.
„Ja”, sprak de luitenant bij zich zelven, „er daagt een karrewei op, die beenen en pennen in beweging zal brengen. Laatstgenoemde zullen bij de inktziekte, die in Indië heerscht, nog meer dienst doen dan de beenen. Maar die arme, arme kerels!”
Middelerwijl had de dokter zich in een luiaardstoel uitgestrekt. Weldra was hij in diep nadenken verzonken. Hij betreurde den wanhopigen stap van de arme duivels, maar kon hun geen ongelijk geven. Integendeel. Hij vreesde voor den afloop der onderneming; maar ware hij niet door een eed gebonden, dan zou hij zich bij hen voegen, om hun raadsman, hun gids te zijn. Maar.... hij was in het Nederlandsch-Indische officierscorps opgenomen, hij had gezworen trouw aan Neerland’s Koning, gehoorzaamheid aan de Nederlandsche wetten, onderwerping aan de krijgstucht van het Nederlandsche leger. De brave kerel achtte zich gebonden, met onverbreekbare banden gebonden. Maar, wat een wreed spel was ook met hem gedreven! Men had hem een goede plaatsing voorgespiegeld, alwaar hij door de uitoefening van de civiele praktijk al zeer spoedig 5 à 600 gulden ’s maands boven zijn traktement zou verdienen. O! de stem des verleiders klonk hem nog zoo duidelijk in de ooren. Behoorde hij niet tot de ongelukkigen, sprak deze overtuigend, dan kon dat spoedig tot duizend gulden klimmen. Tot de ongelukkigen had hij zich toenmaals nimmer gerekend; en.... was zijne redeneering destijds zoo geweest: van mijn traktement zal ik kunnen leven, dat is klaar. Er zijn zoo vele officieren bij het Indische leger, die daarmede rondkomen. Ik leg dan ieder jaar 12000 gulden op zijde; dat maakt dan in vijf jaren tijd met een matigen interest, bijna 66000 gulden. Vijf jaren zijn gauw om. Ik keer dan naar Wurtemberg terug, huw „meine niedliche Klara” en vestig mij als arts te Gmünd.
Te Gmünd! in de „Rauhe Alp”, als een roos in een ruiker gelegen, aan de spoorbaan van Stuttgart naar München.
„En nu?”... Hij zuchtte diep bij die beelden, die rondom hem opdoemden. „En nu?”
Het was reeds vier jaren geleden, dat hij te Batavia aangekomen was. Al spoedig na zijn aankomst in het prachtige Insulinde, in het land zijner hope, was hij naar Bandjermasin in de Zuid- en Ooster-Afdeeling van Borneo gezonden en in die buitenbezitting naar Pengaron geplaatst geworden. Daar, bij de Gouvernements-steenkolenmijnen Oranje Nassau, had hij vele zieken te behandelen gehad; maar zijne inkomsten, alles bij elkander gerekend, hadden nimmer meer dan 250 gulden ’s maands bedragen. Om daarmede fatsoenlijk rond te komen, was al een vrij ingewikkeld financiëel vraagstuk geweest. Het overleggen van 66000 gulden, was geheel en al in het rijk der mythen overgegaan.
Later, toen hij zijne zieken, de arme mijnwerkers, had beginnen lief te krijgen en hij zich met zijn toestand verzoend had, was hij naar de hoofdplaats der afdeeling overgeplaatst, om zijn chef aldaar in zijne drukten bij te staan. Hij kon toen de ervaring opdoen, dat het geldverdienen voor geneeskundigen in Indië niet geheel en al een ijdele klank is. Zijn chef bekeek tongen van Chineezen, trok den rijken Arabieren werkelijk en ook in figuurlijken zin kiezen, voelde den pols aan Bandjareesche rijksgrooten en spekte zoo niet onaardig zijn eigen zak; maar hij liet geen brokstukje over voor den jeugdigen arts, die op de hoofdplaats nog meer moeite had, om rond te komen. Dezen was de militaire praktijk, ook die der behoeftige burgers overgelaten. Hij had het daarbij zeer druk gehad en, hoeveel liefde onze jonge esculaap voor zijne lijders ook gevoelde, toch had hij soms met een bangen zucht zijn schoenzolen bekeken en opgemerkt, dat dat onverpoosd heen en weer draven, zich verwoestend deed gelden.
Toen in 1859 de opstand tegen de Nederlanders was uitgebroken, was hij aan een mobiel kolonne toegevoegd, had heen en weer moeten marcheeren van het noorden naar het zuiden, van het oosten naar het westen, tot dat het lichaam, door al die inspanningen uitgeput, zijne eischen deed gelden. Toen werd hij tot verhaal op een klein fortje in de binnenlanden geplaatst, met goedgunstige toezegging dat, zoodra zijn gezondheidstoestand het wederom zoude toelaten, het nomadenleven door woud en dal weer voor hem zoude aanbreken.
„En nu?”...
Die vraag herhaalde hij zich bij al die overpeinzingen. Plotseling haalde hij een portefeuille te voorschijn, nam daaruit een portret en bekeek het lang, terwijl een traan in zijn oog parelde. Het was het portret zijner Klara.
„Du warst das Warten müde!” zuchtte hij, en met een wrevelig gebaar borg hij portret en portefeuille weg, toen hij buiten naderende voetstappen hoorde weerklinken. De luitenant trad binnen. Hij was vergezeld van het districtshoofd Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara, een Dajakker van een goedig uiterlijk, waarover later meer te vertellen zal vallen.
II.
Eerste kennismaking met Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara.—De beet eener slang.—Beraadslaging.—Een zondenbok.—De „titih.”—Eene cholerauitvaart.—Een geweerschot, gevolgd door een kanonschot en een salvo.—De eerste maat van een begonnen liedje.—
„Neem plaats, Tomonggong,” zei de kommandant met plichtpleging, terwijl hij een stoel naderbij schoof, „ik ga even sigaren krijgen.”
De Tomonggong trad middelerwijl op den dokter toe, boog ongedwongen het hoofd, stak hem de hand toe en prevelde zijn groet:
„Tabeh toean, saja harap toean ada baik” (Goeden dag mijnheer, ik hoop dat mijnheer wel is).
De dokter was uit zijn gemakkelijke houding opgesprongen; hij deed een stap voorwaarts, greep de hem toegestoken hand en drukte haar met warmte. Van de kortstondige afwezigheid van den luitenant gebruik makende, fluisterde hij het districtshoofd toe, na eerst behoedzaam en angstig rondgekeken te hebben:
„Zij moeten gered worden, zij mogen niet in handen der Hollanders vallen!”
De Tomonggong sloeg een doordringenden blik op den dokter; zijn goedaardig gezicht teekende verbazing. Aan verraad en valschheid gewoon, te midden daarvan om zoo te zeggen levende, is het eerste gevoel van den Oosterling, hoe rechtschapen hij zelf moge wezen, een gevoel van wantrouwen. Hij denkt steeds, dat hem een strik gespannen wordt. Zoo ook de Tomonggong, bij die voor hem zoo raadselachtige woorden.
„Dat zal moeielijk gaan”, fluisterde hij, „de Heer kommandant zal zijn maatregelen wel goed nemen; en ik..... ik”, vervolgde hij na een oogenblik van weifeling, „ik moet gehoorzamen.”
„Bij Mahatara! Tomonggong, red hen, red hen. Zie, ik smeek het. Als gij meent, mij eenige dankbaarheid verschuldigd te zijn, sla dan mijne bede niet af. Het zijn mijne landslieden!”
Met saamgevouwen handen, in gebogen houding stond de dokter voor den Dajak. De omstandigheid, waarop hij hier scheen te duiden, trof het hoofd. Kambang, de oudste dochter, de lievelinge des ouden Tomonggongs, was eens door eene „handipèh boemboeng enjoh [2],” een zeer gevaarlijke slangensoort, gebeten geworden. De vader in zijn verbijstering liet „obat panawar pari [3]” halen. Middelerwijl had onze dokter, die bij het ongeval tegenwoordig was, maar geen hulpmiddelen op dat oogenblik ten zijnen dienste had, met groot levensgevaar de wond uitgezogen en ze daarna met een stuk hout uitgebrand. Zoodoende had hij de lieve maagd behouden. Bij die herinnering greep nu de vader, alle wantrouwen latende varen, aangedaan de hand van den redder zijns kinds en prevelde iets met bewogen stem, dat de dokter niet verstaan kon, daar de luitenant met een gevulden sigarenkoker uit het aangrenzende vertrek te voorschijn trad, ieder der aanwezigen een geurige manilla aanbood en zelf eene opstak; waarna hij zich op een stoel neervleide en, als vervolgde hij een reeds aangevangen gesprek, zich tot den Tomonggong richtte:
„En niemand in den kampong heeft van die vlucht iets bemerkt, niemand heeft die soldaten gezien?”
„Neen Heer.”
„Dat is zonderling, hoogst zonderling. Maar hoe weet gij dat, Tomonggong? Zij hebben toch een vaartuig moeten meester worden, want een ontvluchting over land is onmogelijk.”
„Indien iemand een djoekoeng [4] of prauw gemist had, zou daaromtrent zeker een klacht bij mij zijn ingekomen. De ontvluchting van blanken uit het fort daarenboven zal opzien genoeg baren; ik zou daarvan wel wat vernomen hebben, wanneer er reeds iets van bekend ware.”
De luitenant bedacht zich een oogenblik. Hij scheen in tweestrijd. Eindelijk hernam hij:
„Tomonggong, ik moet die menschen in handen hebben. Eensdeels om het aanlokkelijke van het gegeven voorbeeld bij onze jonge soldaten tegen te gaan, maar ook om vechtpartijen en gruwelen te voorkomen. Want voorzeker zullen zij aangerand en misschien vermoord worden, wanneer zij te midden der stammen in de bovenlanden geraken.”
„Ja zeker Heer, zullen zij dat. De „olo kajau” (koppensnellers) zullen hen niet ontzien. Maar zoudt gij denken, dat zij zich naar de binnenlanden, zouden begeven?”
„Naar zee is een vlucht zoo goed als onmogelijk,” was het antwoord van den luitenant. „Voor de monding der rivier liggen twee kruisbooten op brandwacht, terwijl de geheele zuidkust door stoomschepen geblokkeerd is. Maar gesteld zelfs, dat zij door dien gordel heen komen, wat dan? Zullen zij zich in een nietige prauw of djoekoeng—want over een zeewaardig vaartuig zullen zij wel niet te beschikken hebben—op de open zee wagen, vooral in dit seizoen, nu de westenwinden met kracht doorblazen? Dat zou met zelfmoord gelijk staan. En dan nog waarheen? Ja, waarheen? Naar Java? dat zou het eenige zijn; maar daar zouden zij ter nauwernood geland zijn, of zij zouden zich in handen der politie bevinden. Men is daar zeer op zijn hoede. Mijns bedunkens kunnen zij niet anders, dan zich in de binnenlanden werpen. Zij zullen de bewoonde oorden vermijden en trachten Sarawak op de noordkust des eilands te bereiken.”
„Zouden zij dat niet kunnen over zee?” mengde zich de dokter in het gesprek.
„Dan moeten zij eerst de kruisbooten voorbij, dan moeten zij de blokkade verbreken en, is dat alles gelukt, zijn zij Tandjoeng Batoe Titi, de zuidwestelijkste punt van Borneo, omgezeild, dan komen zij in de koerslijn der vaartuigen van Oost-Java naar Borneo’s westkust en naar Singapore; zij komen dan in de volle Chineesche zee, waar in dit seizoen honderd gevaren aangrijnzen en honderd kansen bestaan, om om te komen of opgepakt te worden, tegen niet een kans om te slagen. Ja, naar Sarawak zullen ze trachten te komen, maar dwars door het eiland heen!”
„Maar dat is zeer ver Heer,” sprak de Tomonggong ernstig, „en de gevaren zijn niet minder, dat weet gij.”
„Ja, dat weet ik, Tomonggong, maar dat zijn gevaren waar tegen te strijden valt en, geloof mij, het zijn kloeke onversaagde kerels. Zij zullen alles beproeven en ik verzeker u, zij zullen alles op het spel zetten. Komaan! er mag niet getalmd worden. Ieder oogenblik is kostbaar. Ga nu naar uw woning terug; roep onmiddellijk de hoofden van de meest nabij gelegen kampongs bijeen. Laat ze een vijftigtal mannen te zamen brengen, voorzie die van levensmiddelen voor een paar dagen. Zij moeten hunne wapenen medevoeren. Dat alles moet over twee uren gereed zijn om te vertrekken. Ik kom dan zelf zien en mijne bevelen mededeelen.”
„Maar zal de gevangenneming goedschiks geschieden, Heer?”
„Daaraan twijfel ik; maar daarom zei ik de wapenen mede te nemen. Ik stel er hoogen prijs op, de vluchtelingen levend en ongedeerd in handen te krijgen. Mochten zij zich echter te weer stellen en van hunne wapenen gebruik maken, dan.....”
Hier aarzelde de luitenant, hij wist hoe zwaar zijne woorden hier golden. De dokter stond doodsbleek met krampachtig gebalde vuisten. De kommandant vervolgde na een oogenblik peinzens met een stem, als bleef hem iets wrangs in de keel steken:
„Mochten zij van hunne wapenen gebruik maken, dan is tegenweer geoorloofd. Laat een uwer invloedrijkste hoofden, bij voorbeeld Damboeng Papoendeh, den tocht aanvoeren. Stuur dien man dadelijk bij mij, dan kan ik hem vertellen, wat hij te doen heeft.”
De luitenant sprak op afdoenden toon, als gewoon bevelen te geven, als gewoon schielijk maatregelen te beramen en beslissingen te nemen. Zijn geestkracht werkte aanstekelijk op den Tomonggong, die reeds opstond, om heen te ijlen. Een blik op den dokter geworpen, stemde hem tot nadenken. Het gezicht van den medicus teekende angst en vertwijfeling. In een oogenblik, dat de luitenant hem niet opmerkte, namen zijne oogen zulk een smeekende uitdrukking aan, dat de Dajak hem begreep. Deze streek met de hand over zijn sarong, alsof de plooien hem hadden gehinderd en ging daarop weer zitten.
„Heer, met uw verlof,” sprak hij zacht maar vast, „het zal niet gaan. Het is reeds laat. Welke opschudding zal een dergelijk bevel in de kampongs niet geven?”
„Wel, wat zou dat?” stoof de luitenant op.
„Vrouwen en kinderen zullen zeer beangst worden. Men zal in de zaak geheel iets anders zien, dan er in is, en gij weet Heer! dat, niettegenstaande uwe pogingen tot bevrediging der negorij, een groot gedeelte van de bevolking nog niet geheel te vertrouwen is. Daarenboven loopen geruchten—ik deelde ze u gisteren reeds mede—dat Doessonsche koppensnellers met hunne rangkan’s [5] in de buurt verschenen zijn en, hoewel ik daar niet aan geloof, zou het niet onmogelijk te achten zijn, dat een aantal huisgezinnen nog dezen nacht hunne woningen verlieten, om in de wildernis een toevlucht te zoeken.”
„Maar Tomonggong!”.... wilde de luitenant hem in de rede vallen.
„Geloof mij Heer,” hernam het districtshoofd ernstig en met vaste stem, „geloof mij, gij kent mij, ik ben een trouw onderdaan van de Hollanders. Het doel van die nachtelijke oproeping zal niet, of zal verkeerd begrepen worden. Allen zullen beangst worden en niet het minst de familieleden van hen, die voor dien tocht zullen geprest worden. Daarenboven, werwaarts zullen de uittrekkenden zich wenden? Gij zegt wel, dat de vluchtelingen zich niet zeewaarts zullen begeven hebben. Dat Mijnheer het mij vergeve, mij duizendmaal vergeve; maar ik kan zijn gevoelen zoo maar niet deelen. Maar, al ware het uitgemaakt, onbetwistbaar duidelijk, dat de vluchtelingen landwaarts ingetogen zijn, dan nog herhaal ik mijne vraag, werwaarts zullen mijne Dajaks zich wenden? Het eiland Kalimantan [6] is zeer groot, en wie zal hen in de dikke duisternis op het goede spoor brengen?”
„Maar wat dan?” vroeg de luitenant ongeduldig.
„Wachten Heer, wachten,” was het bedaarde antwoord. „Morgen al heel vroeg zal ik wel te weten komen, hoe uwe soldaten ontvlucht zijn en ik verzeker het u, ik zal hen dan gauw op het spoor zijn. Zij hebben het district niet ongemerkt kunnen verlaten; maar waar nu bij de duisternis van den nacht en bij de loopende geruchten aarzeling en vrees heerschen om mij te komen inlichten, zal ik morgen, als de dag helder schijnt, wel spoedig op de hoogte zijn. De bevolking zal dan ook ras weten, wat het doel van den tocht is; vergissing of opzettelijke misleiding is dan niet meer mogelijk, en ongetwijfeld zal het mij dan hoegenaamd geen moeite kosten het noodige getal vrijwilligers bij elkander te brengen. En mocht Mijnheer het niet afkeuren, dan wenschte ik zelf morgen den tocht aan te voeren; iets wat ik heden avond onmogelijk zou kunnen op mij nemen.”
De luitenant aarzelde een oogenblik en dacht na. Het was stil in de kamer. Alleen hoorde men de hijgende ademhaling van den dokter en buiten weerklonken de voetstappen der op en neer wandelende schildwachten op de bedding van het geschut, waarbij zij op post stonden. De officier scheen eindelijk een besluit genomen te hebben, althans hij hernam:
„Gij hebt gelijk Tomonggong, geheel en al gelijk, en ik dank u voor de goede raadgeving. En toch wenschte ik wel, dat de vervolging nog heden avond had kunnen beginnen; want hoe spoediger in mijne handen, hoe minder de arme drommels te lijden zullen hebben. Zij zullen hun uitstapje duur genoeg betalen,” vervolgde hij bitter en met een zucht: „wie weet wellicht met hun leven!”
„Ja, dat weet Hatallah [7] alleen,” zei de Tomonggong met vromen eerbied in zijn stem, „het gevaar dat zij te gemoet treden is groot.”
„Welnu dan,” hernam de luitenant, „tot morgen! al heel vroeg wacht ik eenig bericht. Maar wacht, ik weet nog beter. Om geen tijd te verliezen, kom ik nog vóór zonsopgang bij u, Tomonggong. Wij kunnen dan alles te zamen verder beschikken. Ik ga nu bevelen geven om u uit te laten.”
En daarop verliet hij het vertrek.
Een oogenblik alleen met het districtshoofd, sprong de dokter op en drukte hem met warmte de hand.
„Zij hebben nu een voorsprong van ruim zes uur,” zeide hij met verrukking.
„Dat is niet veel”, meende onze Dajak.
„Toch genoeg voorshands; o! wat dank ik u!”
De luitenant kwam binnen; zij konden het gesprek niet voortzetten.
Nadat de Tomonggong afscheid genomen en het fort verlaten had, zaten de kommandant en de dokter nog een poos bij elkander, om de flesch te ledigen, die zoo even ter eere van het districtshoofd ontkurkt was.