Borneo van Zuid naar Noord

Part 1

Chapter 13,161 wordsPublic domain

BORNEO VAN ZUID NAAR NOORD

ETHNOGRAFISCHE ROMAN

DOOR M. T. H. Perelaer

Gepd Hoofdofficier van het Nederl. Ind. leger. Gewezen Gezaghebber in de Dajaklanden.

ROTTERDAM UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER” 1881

DEN HOOGGELEERDEN HEERE

Dr. P. J. Veth

Ridder van den Nederlandschen Leeuw en Kommandeur van de Leopolds-Orde, Hoogleeraar in de Indische taal-, land- en volkenkunde aan de Rijks Universiteit te Leiden, Voorzitter van het Aardrijkskundig Genootschap te Amsterdam, Officier d’Instruction publique van Frankrijk, enz. enz.

WORDT deze Ethnografische Roman ALS EEN BEWIJS VAN HOOGACHTING EN ERKENTELIJKHEID VOOR HETGEEN DOOR HEM IN HET BELANG VAN DE KENNIS ONZER ZOO SCHOONE OVERZEESCHE BEZITTINGEN GEDAAN IS EN GEDAAN WORDT OPGEDRAGEN TER GELEGENHEID VAN ZIJN 40-JARIG PROFESSORAAT DOOR Zijn dienstwilligen dienaar en vereerder M. T. H. Perelaer. den Haag, 23 Juni 1881.

INHOUD.

I. Bladz.

Een militair rapport.—Vier deserteurs.—Baba Poetjieng.— Een brief.—Een medelijdende dokter.—Zijne overpeinzingen.— Luchtkasteelen.—66.000 gulden ekonomiën.—Klara du warst das Warten müde 1

II.

Eerste kennismaking met Tomonggong Nicodemus Djaja Nagara.—De beet eener slang.—Beraadslaging.—Een zondenbok.—De „titih”.—Een cholerauitvaart.—Een geweerschot, gevolgd door een kanonschot en een salvo.—De eerste maat van een begonnen liedje 15

III.

Een weinig geschiedenis.—De opstand in het Bandjermasinsche rijk.—Wanbestuur.—Pogingen tot herstel van grieven.—Verblindheid.—Vijf en twintig rietslagen.—De moordtooneelen te Kalangan 30

IV.

Nog wat geschiedenis.—Tactiek der inlanders.—Het Bandjermasinsche rijk met forten overdekt.—De oorsprong van het fort te Kwala Kapoeas.—Hoe Nederland zijne nieuwe onderdanen verwelkomt.—Een vernietigde handel.—Wrevel en wrok.—Een drama aan de boorden der Kapoeas-rivier.—Poeloe Petak en Kwala Kapoeas 49

V.

De bezetting van Kwala Kapoeas.—Een militaire kampong.—De werving van het Nederlandsch Indische leger.—De zielenverkoopers.—„Die vader en moeder vermoord heeft, is nog te goed voor de Oost”.—De opstand der Zwitsers te Samarang.—De Zwitsers over den geheelen Archipel verspreid en Schlickeisen en Wienersdorf te Kwala Kapoeas geplaatst.—Plannen tot desertie 70

VI.

Een nachtelijk gefluister.—Lucullus voor een dier aangezien.—Het komplot.—Plannen van Johannes.—Een dankbare opiumsmokkelaar.—Johannes geeft bewijzen van zijne aardrijkskundige kennis.—Een mirakuleuse vischvangst.—La Cueille’s belofte.—Drinkwater.—Verdere maatregelen.—Het vertrek 87

VII.

Dronkenmans-foefje en dronkenmans-redeneering.—In zee.—Eene begrafenis.—Johannes in een Tjemara-boom.—Een jacht.—Een uitmuntende raad.—De Kahajan op.—Een Aeolus-harp.—In soengei Troessan.—In soengei Dahasan.—Een boschspook.—Een muskieten-vestje.—Verdere plannen.—„Pas op je kop”.—Een zwart pak.—Het afloopen van de „Onrust” 111

VIII.

Een nieuwbakken Dajak.—Een verfpartij.—De Arabier Sjech Mohamed Al Mansoer.—Al te mooie Dajaks.—In de wildernis.—De tong dient den blanken het meest.—De mandoor’s Dasso en Doeta.—Twee flesschen jenever en eenige poeders murias morphini.—De vogels geknipt.—Een welgemeende vloek 145

IX.

Op reis.—Een anti-muskietenmiddel.—De soengei Basarang. De Kapoeas.—Achter Poeloe Kanamit.—Het zinken van de „Tjipannas”.—Eene besnijdenis.—De varkenskop.—Een echt Dajaksch maal.—La Cueille wordt zeeziek.—Een vondst in het bosch.—Een Pangareran.—Het uitzetten der vischhaken 162

X.

Een kaaiman aan den haak.—Een jacht te water.—De verrichtingen van den Pangareran.—La Cueille en Johannes te water.—Een ex-voto.—Het zegeteeken.—Een Dajaksche stokerij.—De soengei Mantangei.—Onraad.—Gevecht met een boa constrictor.—Een slapend echtpaar door den boa overvallen.—De reis vervolgd.—Jacht op twee Dajaks 183

XI.

De gekwetsten naar Kwala Kapoeas.—De Mantangei en de Mengkatip.—Op onze schreden terug.—De kommandant op jacht.—In zee.—De raoeng.—De vervolging.—De schoener.—Een noodlottig schot.—De terugkeer.—De postcorrespondentie.—Eindelijk op het spoor 205

XII.

Vertrek van Mantangei.—„Petak bapoeti”.—Een nieuw soort van huwelijksgeschenk.—Borneo en Kalimantan.—Kotta Towanan.—Een kop gesneld.—La Cueille gekwetst.—Gevecht met de koppensnellers.—La Cueille onder behandeling.—Een laatste salvo pijltjes.—Een nachtwaak.—Verkenning in den morgenstond.—Eene begrafenisplechtigheid 223

XIII.

Vaart op de rivier.—Toxicologie.—De „siren en de ipoh”.—De soengei Moeroi.—Een vlot.—Op de Danau Ampang.—De „tanggirangs”.—Een wasinzameling.—De aanval.—Plotseling verlicht.—Het gevecht.—Een kamp op leven en dood.—„Blako ampoen”.—Een tooneel van onderwerping 245

XIV.

Karakter der inlandsche bevolking.—Veertien lijken op het vlot.—Damboeng Papoendeh verschijnt op het tooneel.—Vergeefsche tocht in de soengei-Mantangei.—Het „maroetas”.—Terug naar de Kapoeas.—Het nachtelijke schieten.—De reddende bijen.—Hulp in nood.—De scheiding.—Dichterlijke beschouwing van het meer.—Tegenstelling.—Beschaving en barbaarschheid.—Het ontstaan der meren 266

XV.

Eenzaamheid.—Men nadert Kwala Hiang.—De aanval.—Kanon- en geweervuur.—De bezetting op de vlucht.—De plundering.—Eene illuminatie.—De kommandant van Kwala Kapoeas op vervolging.—Zijne nasporingen te soengei Naning en te soengei Mantangei.—Zijne aankomst te Kwala Hiang.—Vooruit naar kotta Baroe.—Eene monsterkaart 290

XVI.

Kotta Baroe.—Djoeragan Kaout.—Een figuur uit den opstand.—De echtgenoote eens opstandelings.—Geld tegen goed.—Vertrek van kotta Baroe.—De vaart wordt noordwest.—Borneo’s fauna.—Waarom er geen groote verscheurende dieren zijn.—De Batoe Banama in de Doesson.—De olifant en het stekelvarken.—Terreingesteldheid en flora in de hoogere streken.—Harimaoung Boekit 312

XVII.

Verhaal van Harimaoung Boekit.—Wat er te kotta Baroe gebeurd was.—Beraadslagingen.—Vooruit! naar kotta Djankang.—Steenkolen.—Aankomst te kotta Djankang.—Armeering en proviandeering.—Eene vrouw in eene kooi.—Wienersdorf wanhopig.—Johannes redeneerende.—De Zwitser poogt de kooi te openen.—De zielontvoering 335

XVIII.

Verdere maatregelen ter verdediging.—Dajaksche keukenbedrijvigheid.—De verzoeningseed.—Johannes redenaar.—Twee kanonschoten.—De aanval.—Harimaoung Boekit andermaal gered.—Wienersdorf in onmacht.—Een dankbare Poenan.—Een Dajaksche schoone.—Huwelijksaanvraag 1

XIX.

Discussie.—Wienersdorf onbillijk.—Een pleidooi voor een Dajaksch huwelijk.—Wienersdorf laat zich overreden Hamadoe te trouwen.—Een afgezant met een brief.—De kunst om officieele brieven voor te lezen.—Antwoord aan den afgezant—Onverdiend verwijt.—Het pakje aan zijn adres 24

XX.

Beraadslaging.—Het „blako ontong”.—De verdrijving van het ongeluk.—Een kanonsalvo.—De offerande.—Een nationale dans.—Weg met den tulband.—La Cueille verliefd.—La Cueille verloofd.—Zichtbare hemelsche interventie.—Eene conferentie verijdeld door twee geweerschoten.—Staaltjes van dankbaarheid.—Een drijvend eiland.—Een poging tot overrompeling.—Een duivelendans 46

XXI.

Een ongelukkig schot.—Een stervende bode.—Lijkplechtigheid.—Het beleg opgeheven.—Beraadslaging.—Een paniek.—De vlucht—Het bad.—„Badjai hai”.—Eene vrouw gegrepen.—Het gevecht.—Een mineralenmagazijn.—Johannes weer als redenaar.—Een nieuw hoofd en een gezantschap benoemd.—Een uitvaart 68

XXII.

Toebereidselen voor de reis.—Een volksverhuizing.—Het „manobah”.—Onhandigheid.—Wienersdorf te water.—La Cueille brengt het er niet beter af.—Lachbui.—Einde der vischvangst.—„Kalampies”.—Een Dajaksch tribunaal.—Beëediging.—La recherche de la paternité.—De vingerproef.—Het „hagalangang” of het bewijs met de werpspies.—Nabreeuwen 91

XXIII.

De uitspraak der Sangiangs.—Wienersdorf en zijne aanstaande.—Hamadoe een diamant.—Moendoet in de keuken.—De steenkolen bij Kotta Djankang.—De proeven van La Cueille.—Zijne cokes.—Die steenkolen aan boord van de Boni.—De verspreiding der steenkolen op Borneo.—Een misverstand.—De goudzoekers.—De „sarok boelau” vertoornd.—Johannes met koorts bedreigd.—De goudsoorten in de Dajaklanden 116

XXIV.

Belofte maakt schuld.—Een Dajaksche ijzersmelterij.—Een blaasbalg.—De sarok boelau wreekt zich.—Harimaoung Boekit heeft de koorts.—Wienersdorf dokter.—Johannes bezweerder.—Een antoeën.—Eene Dajaksche legende.—Wedervaren van eene vrouwelijke antoeën.—Het ombrengen van een antoeën 140

XXV.

Tijding van Kwala Kapoeas.—Vertrek van Kotta Djankang.—Kotta Batoe Sambong.—De legende van den „batoe sambalajong”.—De Kiham Hoeras.—De bestijging van den waterval.—Koene zwemmers.—De boschbloedzuigers.—De nachtwaak.—Een fraai schot.—Voorwaarts de Kapoeas op.—De „karangan’s”.—Kotta Karangan 161

XXVI.

Een Dajaksch ontbijt.—„Kalamboe-ei” en „bakatak”.—Een eiland.—De „boehies”.—Moordpartij.—De bezoarsteenen.—Een nieuw model soep.—In veilige haven.—De storm.—De „soho”.—Kotta Samoehing.—Oorlogsgeruchten.—Beraadslaging.—Niet terug; maar vooruit naar soengei Sirat.—De laatste dag op de Kapoeas 185

XXVII.

Het verhaal.—Soerapatti’s strooptocht langs de Kahajan.—De ontmoeting bij soengei Troessan.—Nederlaag.—Vernietiging van de Doessonsche heirmacht.—Aankomst te soengei Sirat.—Nachtelijk gevecht.—Het schoonmaken der koppen.—Het „parabah”.—Maatregelen voor den marsch.—Aankomst te kotta Hamiak.—Gevecht.—Verstrooiing der Doessonsche strijdmacht.—Menschenjacht.—Een Dajaksche lekkerbeet 208

XXVIII.

Lijkplechtigheid en lijkverbranding.—Het slachten der krijgsgevangenen.—Een gierenmaaltijd.—Een Doessonsche krijgsgevangene gered.—Berichten van de vijandelijke macht.—Beraadslaging.—Soengei Mantarat.—Over land naar soengei Minjangan.—Gebrek aan water.—De „ngaga’s”.—„Ramon petak kinan”.—Hamadoe dorstig.—Een overval.—Een batonnist 233

XXIX.

Kahio en orang oetan.—De reis hervat.—De ijzerhoutboom.—Aan de soengei Minjangan.—Stroomafwaarts.—Op de Kahajan.—Legende.—Kotta Dewa.—Aankomst te Kotta Oepon Batoe.—Beklimming van den rotswand.—Gevechten.—Een paar mijnen.—Schlickeisen verdwenen 256

XXX.

Vervolging.—Eene bende Doessonners overvallen.—De Kiham Batoe Naroi.—De rangkan tusschen twee vuren.—Schlickeisen gered.—De Kahajan op.—Harimaoung Boekit verwonderd.—Schlickeisen getoetangd.—Terug naar Oepon Batoe.—Vooruit naar soengei Miri 276

XXXI.

Triomftocht.—La Cueille’s neus opgewreven.—Tweestrijd van het Poenanhoofd en Hamadoe’s beslissing.—Souvent femme varie.—Ruilhandel.—Goudzoeken.—La Cueille in vervoering.—Hoe de schatten mede te nemen.—Een nieuwe wijze van handel drijven 294

XXXII.

Reisafspraken.—Rijkdom der goudgronden.—Vermoedelijke herkomst der goudafzettingen.—De diamant van den sultan van Matam.—De diamantdelving.—Het dagboek en de schedel van Georg Müller.—Huwelijksplechtigheden 312

XXXIII.

Vertrek van Kotta Rangan Hanoengoh.—De soengei Miri op.—De Njakatan.—Over land.—„Les noms des fous se trouvent partout”.—Een nieuw model kerkhof.—De Boekit Doesson.—Zijn flora.—La Cueille’s zitvlak op de linie.—De soengei Nanga Boenoet af.—Op de Kapoeas Bohong.—Een inktmeer.—Op het Batang Loepar gebergte 329

XXXIV.

De afdaling van het Batang Loepar gebergte.—Een Borneosche waterval.—De grens overschreden.—Simangang.—Afscheid.—Op de „Firefly”.—Een Sarawaksch fort.—Te Koetshing.—Aan boord van de „Rainbow”.—Te Singapore.—Vertrek naar Europa.—Besluit 346

I.

Een militair rapport.—Vier deserteurs.—Baba Poetjieng.—Een brief.—Een medelijdende dokter.—Zijne overpeinzingen.— Luchtkasteelen.—66000 gulden ekonomiën.—Klara, du warst das Warten müde.

„Luitenant, er mankeeren vier man op ’t avondappel.”

„Zoo, wie zijn dat?”

„Schlickeisen, Wienersdorf, La Cueille en Johannes.”

„Twee Zwitsers, een Belg en een Inlandsch kind (Sienjo)”, mompelde de luitenant bij zich zelven; vervolgens hardop:

„En is men in den militairen kampong gaan zien, of zij zich daar soms verlaat hebben?”

„Dat kon niet luitenant, te zes uur wordt de poort gesloten en mag die zonder uw verlof niet geopend worden.”

„Laat dan dadelijk een patrouille van een korporaal met drie man het noodige onderzoek doen. Middelerwijl bezet de wacht de poort, die na het vertrek der patrouille weer gesloten wordt, evenwel zóó, dat onmiddellijk ondersteuning naar buiten kan verleend worden.”

„Best luitenant.”

„Van den uitslag van het onderzoek in den kampong wacht ik rapport.”

„Best luitenant. Nog iets van uw orders?”

Een ontkennend gebaar was het antwoord op die laatste vraag.

De sergeant bracht de bovenvlakte zijner rechterhand aan de klep zijner kwartiermuts, plaatste den rechtervoet achter den linker, maakte rechtsomkeert door onberispelijk op de beide hielen te draaien en verliet het vertrek.

Toen hij heen was, maar ook eerst toen, rees de luitenant uit zijn achtelooze houding op, waarin hij tot nu toe op zijn luiaardstoel uitgestrekt was gebleven. Eenige onrust was nu op zijn gelaat zichtbaar. Zoo straks was het, of dat gelaat uit steen was gehouwen of in brons was gegoten; geen spier had zich bewogen. Hij draaide de lamp wat op en trad op een archiefkast toe, nam daaruit een lijvigen bundel, legde dien op de tafel en begon daarin ijverig te bladeren. Het was een bundel extracten uit het algemeen stamboek, die beschrijving van het geheele Nederlandsch-Indische leger, welke bij het Departement van Oorlog te Batavia met loffelijke nauwkeurigheid wordt aangehouden.

„Hm! Schlickeisen, Zwitser, geboren te Steinbach in het kanton Glarus, oud 21 jaren, vader Pfarrer”, mompelde de luitenant, en verder bladerende:

„Wienersdorf, ook Zwitser, geboren te Winterthür in het kanton Zürich, oud 23 jaren, vader professor in de natuurkunde.”

„La Cueille, Belg, geboren te Cheratte, provincie Luik, oud 26 jaren, vader mijnwerker in het steenkolenbekken te Jupille.”

„Johannes, geboren te Padang, eiland Sumatra, oud naar gissing 30 jaren, vader onbekend, moeder de Niassche vrouw Ma Troeni.”

De luitenant sloeg den bundel dicht. Veel meer was er niet uit te putten.

„Een aardig consortium”, mompelde hij, „dat nog al beweging in de brouwerij kan geven, als het ten minste geen dronkemansuitstapje is.”

Een vrij dikken foliant uit de archiefkast nemende, bladerde hij daar een oogenblik in:

„Schlickeisen en Wienersdorf waren in het aanbevelingsregister opgenomen om tot officier opgeleid te worden. Tengevolge van den opstand der Zwitsers te Samarang zijn zij geroyeerd. De een was candidaat in de rechten; de andere heeft de reaalschule doorloopen en bezit het testimonium als docent in de natuur- en scheikunde. Beiden hebben te Zürich gestudeerd. Van La Cueille vind ik geene aanteekeningen; van hem schijnt geen curriculum vitae te bestaan; hij heeft mij echter verteld, dat hij als geweermaker bij het atelier te Meester Cornelis geplaatst is geweest, maar dat hij wegens dronkenschap daarvan is verwijderd geworden. En Johannes, ja, dit is een van die Indische producten van dierlijken hartstocht, voor wien het een ongeluk moet genoemd worden geboren te zijn.”

Zoo mompelde de luitenant bij zich zelven, toen geklopt werd, en op zijn „binnen” de sergeant van straks verscheen. In echt militaire houding wachtte deze tot zijn superieur hem ondervroeg.

„Wel, zijn ze gevonden?”

„Neen luitenant, de militaire kampong is geheel en nauwkeurig doorzocht, hij is echter leeg. In de hut van Johannes werd op de tafel deze brief aan uw adres gevonden.”

En dien brief te voorschijn halende, reikte hij hem aan zijn officier eerbiedig over. Deze nam hem met onverschillig gebaar aan, brak hem als zonder er op te letten open, wierp een enkelen blik op de onderteekening, liet hem als achteloos op tafel vallen, maar zette het gesprek voort:

„Hebt gij ook bemerkt, sergeant, of de vier vermisten sterken drank hebben kunnen bekomen?”

„Neen luitenant.”

„Is er ook iemand in opgewonden toestand bij het overige gedeelte der bezetting?”

„Daar heb ik niets van bemerkt.”

„Wie is kommandant van de wacht?”

„Korporaal Grienwoud.”

„Ook al een oude dronkaard. Informeer eens bij hem en bij de schildwachten, of Baba Poetjieng aan den batang is geweest.”

De sergeant verwijderde zich. Baba [1] Poetjieng was een sluwe Chinees, die zich bij de bezetting onmisbaar had weten te maken, door den verkoop van allerlei koopwaren, als: tabak, garen, naalden, bier, groenten- en vleeschblikjes, trassie, uien, papier, pennen en inkt, enz. enz., alles zeer goede waar, puike waar, voor bitter weinig geld. Vergeleek men zijn prijzen met die der Europeesche handelaren te Bandjermasin, zelfs met die op Java, dan kon het niet anders, of de vriendelijke Kee[1] moest er geld bijleggen. En dat deed hij ook, dat verzekerde hij bij de doodkist van zijn vader en van zijn grootvader; maar dat deed hij met genoegen voor zijne goede vrienden de Hollanders. Eens evenwel had de luitenant buiten het fortje een leeg sardijntjesblik gevonden en dat wegens het hem onbekende merk opgeraapt. Terwijl hij het bekeek, werd hij een sterke araklucht gewaar. Een tweede blikje oprapende, rook dit zoo zoetachtig flauw, dat onze officier de gedachte niet van zich kon zetten, dat daarin opium geborgen was geweest. Een andere omstandigheid was onzen luitenant niet ontsnapt, namelijk dat telkenmale, wanneer Baba Poetjieng met zijn koopwaren aan de aanlegplaats was verschenen, een zekere opgewondenheid, zoowel onder de Inlandsche als onder de Europeesche soldaten van het garnizoen heerschte. Alle pogingen evenwel, om den sluwen Chinees te betrappen, hoe listig ook aangelegd, waren steeds mislukt. De blikjes, bij zulk een gelegenheid gekocht, bevatten telkens de prachtigste sardijnen of wel de heerlijkste Californische vruchten op water; en met een grijns van tevredenheid op het gele scheelziende gelaat, vroeg onze Baba den officier bij de eerste de beste gelegenheid, dat hij hem ontmoette, of het gekochte hem gesmaakt had? hij had het met zorg voor den toean uitgezocht. De lezer begrijpt nu, waarom de luitenant zoo speciaal zocht te weten te komen, of Baba Poetjieng heden aan de aanlegplaats verschenen was.

Toen de sergeant na een korte afwezigheid terugkwam, luidde het rapport, dat niemand den Chinees dien dag ontwaard had.

Het bevel klonk nu, dat de sergeant met een patrouille van zes man naar den kampong zou gaan, om het districtshoofd uit te noodigen, dadelijk bij den kommandant te komen.

„Marcheer voorzichtig,” luidde de aanbeveling van den jongen officier, „de wacht blijft de poort bezetten, tot gij terugkomt; de schildwachten moeten hunne waakzaamheid verdubbelen en scherp uitkijken; zelf kom ik straks mij van een en ander overtuigen.”

Toen de sergeant vertrokken was, nam de luitenant den brief, dien hij zoo onverschillig voor zich op tafel had laten vallen, met eenige drift op, en las:

„Hochgeboren und geehrter Herrn Lieutenant!”

De brief was in het Hoogduitsch; wij zullen hem evenwel voor onze lezers in het Nederlandsch overbrengen.

„Hooggeboren en geëerde Heer luitenant.”

„Wanneer gij dit schrijven in handen zult hebben, zijn wij reeds ver weg. Gij zult natuurlijk volgens plicht en geweten alles in ’t werk stellen, om ons in handen te krijgen; het zal echter te vergeefs zijn. Onze maatregelen zijn goed genomen; levend althans zult gij geen van ons beiden terugzien. Wij hebben genoeg van den Nederlandschen dienst.

„Wij danken U, Heer luitenant voor de edele behandeling, die wij van U hebben mogen ondervinden. Wanneer iemand ons ooit met onzen toestand had kunnen verzoenen en ons had kunnen weerhouden van de onderneming, die wij op touw gezet hebben en waarvan wij ons het hachelijke niet ontveinzen, dan zoudt gij het geweest zijn. Wie verzekert ons echter, dat wij U als kommandant zullen behouden? De tijd, dien wij nog te dienen hebben, is nog zoo lang, en het karakter der menschen is zoo verschillend.

„Wij Zwitsers zijn door de wervers, die zendelingen der Nederlandsche regeering, gruwelijk bedrogen. Aan U behoeven wij niet te vertellen, waarin dat bedrog bestaan heeft. Gij hebt de ellende in al hare uitgestrektheid kunnen peilen. Met de meest afschuwelijke arglistigheid zijn wij uit onze schoone dalen gelokt geworden; men heeft ons beloften gedaan, de eene al schitterender dan de andere; en geen enkele daarvan is ook maar in de verte nagekomen geworden.

„Maar waarom U dat alles geschreven? Gij, gij zijt onschuldig aan den toestand, waarin wij gebracht werden. Het wijzen daarop, kan U niet als verwijt treffen. Gij toch wendet alles aan, om dien toestand draaglijk te maken. Maar wij stellen er prijs op, in uwe oogen niet die schuldigen te zijn, die wij voor anderen zullen schijnen. Deserteurs zal men ons noemen en inderdaad zullen wij dat zijn; of wij echter het gevoel van afschuw verdienen, waarmede onze namen door velen zullen genoemd worden, waarachtig Heer luitenant, dat ontkennen wij. Gij althans zult niet verkeerd over ons denken. Als contractanten met het Nederlandsche bestuur zouden wij ons kunnen gebonden achten; maar toen het ons bleek, dat wij de slachtoffers waren van een afschuwelijk weefsel van logen en bedrog, toen kon ons dat contract niet meer binden. Het zou toch al te veel eenvoud aan den dag leggen zijn, te vermeenen, dat bij dergelijke transactiën slechts eene partij verplichtingen te vervullen had, terwijl de andere geheel vrij spel zoude hebben en slechts een klein gedeelte hare plichten zoude kunnen nakomen, naarmate dat in haar kraam te pas kwam.”

„Arme bliksems!” prevelde de luitenant meewarig.