Part 54
[30] De Dajaks gebruiken een rond eenigszins zakvormig net, dat wijd uitgespreid uitgeworpen wordt en veel overeenkomst heeft met het werpnet dat in België en Frankrijk „épervier” genoemd wordt. Aan den rand zijn op korten afstand van elkander looden kogels of ringen aangebracht. Wanneer nu het net wijd uitgespreid op de oppervlakte des waters geworpen wordt, naderen de kogels bij het zinken elkander, tot zij den bodem raken. Al de visch daaronder is dan gevangen; met een touw wordt het opgehaald en de kogels houden de vangst omsloten. Dit net heet djala.
[31] Nipa fructificans is een palmsoort en een der nuttigste gewassen, die de keerkringslanden opleveren. Van de bladeren maakt men matten, die tot velerlei doeleinden maar vooral tot omwandingen van huizen gebruikt worden. De geelachtige mannelijke bloem treedt uit de langwerpige scheede bevallig te voorschijn. Zij is zeer welriekend en lokt door haar rijkdom aan was en honing de bijen aan. De vrucht, die trosgewijze groeit, heeft een zoetachtigen smaak niet ongelijk aan een jonge kokosnoot.
[32] Tjemara Laoet—Casuarina equisetifolia is een cedersoort die op lage stranden in Indië soms in geheele wouden aangetroffen wordt. Op Borneo wordt zij veel afgewisseld met de Nipah-palm.
[33] De Troessan is een natuurlijk verbindingskanaal tusschen de kleine Dajak en de Kahajan-rivieren. In dat kanaal monden vele soengei’s (riviertjes) uit en stellen zelfs gemeenschap met de zee daar. Door de lage gesteldheid des lands vormen die soengei’s een’ waren doolhof van waterwegen, die weer naar de Kahajan of Kapoeas leiden. De Troessan heeft aan de zijde der kleine Dajak een breedte van ongeveer 100 M. Deze breedte behoudt zij langen tijd, doch de Kahajan naderende, splitst zij zich bij een uitermate zwaren boom „bindjai” genaamd, in twee smalle takken, waarvan de noordelijkste geheel verzand is en de andere een ondiep, smal en kronkelend vaarwater oplevert.
[34] Mahatara—God. Heeft een broeder en eene zuster. Zie hier over de Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver, Uitgave van Joh. Noman en Zoon, Zalt-Bommel.
[35] Reaal is een denkbeeldige munt bij de Dajaks, ter waarde van twee gulden.
[36] Op het oogenblik dat dit vel ter drukkerij gaat, twee en twintig jaren na het smartelijk gebeurde, ligt die schandzuil daar nog in den Doesson. De Nederlanders hebben nog de weinige guldens niet kunnen vinden voor eenige ponden kruit, om dat wrak uit den weg te ruimen.
[37] De bapoejoe is de Anabas scandens der ichthyologen, de Pannei Eri der Arabieren. Van dien visch wordt verhaald, dat hij met zijn borstzwemvinnen tegen klapperboomen weet op te werken om zich daar in de okselbladeren, die de bladstengels omgeven en meestal veel vocht inhouden, in den drogen tijd op te houden.
[38] Hoewel de Dajaks met graagte sommige slangensoorten verorberen, raken zij nimmer palingen aan, die toch in menigte in hunne moerassen aangetroffen worden. De redenen, die zij daarvoor aangeven zijn, dat de paling steeds op lijken en krengen aast en dat bij hen afschuw verwekt.
[39] Rambei is een boomsoort, die op Borneo langs de moerassige oevers van de rivieren en soengei’s veelvuldig voorkomt. Het is een boom die, wat stam, twijgen en bladeren betreft, volmaakt op een wilg gelijkt. Hij draagt evenwel een vrucht, die veel overeenkomst heeft in vorm met een appel, aangenaam zuur is en vooral door de apen op hoogen prijs gesteld wordt.
[40] Wanneer de Dajaks juichen, begint een hunner te gillen met een langgerekt: leeeh lèlèlèlèlèlèlè, waarop al de vergaderden met den gil: „ōōōh oeiiit” antwoorden. In gewone omstandigheden heet dit juichen „soerak”; bij oorlog, koppensnellerstochten, menschenoffers enz. wordt het „lahap”, genoemd.
[41] Poenang is vleesch, dat in dunne reepen gesneden en, na met wat zout en kruiden ingewreven te zijn, in de zon gedroogd is. Het is het Maleische „dengdeng”. Van hertenvleesch vervaardigd, is het bijzonder lekker.
[42] Ketan is eene rijstsoort, die veel gluten bevat en bij het koken kleverig wordt. Voor den inlander is zij, met stroop en fijn geraspte klappernoot besproeid, een lekkernij. De ketansoorten worden in de Dajaklanden „poeloet” genoemd.
[43] Is geheel en al historisch. De schrijver heeft een gebeurtenis, zooals hier verhaald is, bijgewoond. Ook het gevecht is niet verdicht, maar heeft plaats gehad zooals verteld is, met uitzondering dat het niet allen Europeanen waren, die de bestrijders van den boa waren.
[44] De handjolotong-boom behoort tot de ficussoorten. Hij erlangt een verbazende dikte; er zijn specimina, welker stam door geen twaalf menschen omspannen kunnen worden. Zijn hout is zeer wit, grofvezelig, kurkachtig en derhalve zeer licht. Dit hout wordt gewoonlijk gekozen om doodkisten van te maken, daar de Dajak gelooft, dat die kist in het verblijf van gelukzaligheid in een gouden schip veranderd wordt „banama boelau”, dat ten dienste van den overledene is.
[45] Tandjoeng Salatan is de zuidelijkste punt van Borneo en ligt ongeveer op 4° 20′ Z.B. en op 114° 40′ O.L. van Greenwich.
[46] In de dagen waarin ons verhaal voorvalt, gebeurde het meer, dat in de wateren van Nederlandsch Indië de Nederlandsche vlag met hoonende bedoelingen omgekeerd gevoerd werd. In 1859 was dat een der oorzaken van den oorlog met Boni op het eiland Celebes.
[47] Historisch.
[48] Batang Moeroeng is de naam van den westelijken arm van de Doesson, van Moeara Poeloe af, waar die rivier zich in twee takken splitst, tot aan zee. Bij de Europeanen heet die arm Kleine Dajakrivier.
[49] Zie over dezen boom de noot op bladz. 211. Er kan hier nog bijgevoegd worden, dat dit hout bij voorkeur tot het beschreven doel gebezigd wordt omdat het door zijn kurkachtigheid het meest overeenkomt met het nekweefsel.
[50] Hem, die omtrent die manipulatie en omtrent de botanische beschrijvingen van de siren- en ipohgewassen meer wil weten, verwijzen wij naar de „Ethnographische beschrijving der Dajaks” door den Schrijver. Uitgave van Joh. Noman & Zoon, Zalt-Bommel.
[51] De ouders nemen in de Dajaklanden steeds den naam van hun oudste kind aan, met voorzetting van de woorden „bapa” (vader) of „indoe” (moeder). De zoon heette hier Andong, bij gevolg zijn vader Bapa Andong; zijne moeder Indoe Andong.
[52] Niboeng is een palmsoort, die bijna van de Pinangpalm niet te onderscheiden is. Voor latwerk is die houtsoort onovertroffen. Zij is hard, laat zich gemakkelijk splijten en bezit, wanneer de innerlijke weeke deelen behoorlijk verwijderd zijn, een groote duurzaamheid.
[53] Gantang is een maat, welker inhoud voor hars ongeveer op 3.75 K.G. kan berekend worden.
[54] De beer.
[55] Takakak is een fraaie soort van boschhaan, die op geregelde tijden des nachts ten 9, 12 en 3 uur ongeveer zijn schel klinkend taaakkekakakak doet hooren.
[56] Poeai; zie daaromtrent bladz. 187.
[57] Harimaoung Boekit beteekent bergtijger.
[58] Sangiangs zijn bovenaardsche hulpvaardige wezens, die als boden van Mahatara (God) den menschen veel goeds aanbrengen. Aan die wezens worden vele offeranden gebracht. Zie daarover Ethnogr. beschrijving der Dajaks door den schrijver dezes.
[59] Van vele boomsoorten wordt de lenige en zachte bast gebezigd om kleedingstukken te vervaardigen. Ziet hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks, van den schrijver.
[60] De standaard van het goudgewicht in de binnenlanden van Borneo is de ringgit of Mexicaansche zonnemat. Twee ringgits worden gerekend gelijk te zijn aan een thaël. De ringgit heeft 2 sadjampol; de sadjampol heeft 2½ sakobang; de sakobang heeft 2 boea kajoe; de boea kajoe heeft 2 boentoeng: een boentoeng heeft 2 satilai; een satilai heeft 2 satali; een satali heeft 1½ brini; een brini heeft 2 matta boeroeng en een matta boeroeng heeft 2 boea bakoeng. Zoodat een boea bakoeng het 1⁄960 is van een thaël.
[61] Felis pardus en felis macrocephalis.
[62] Ursus Malayanus.
[63] Dit zijn de hoogste bergen van het eiland. De top van den Japoh Poerau wordt door de inboorlingen beschreven, zich te vertoonen bij zonsop- en ondergang, als ware hij van goud; over dag evenwel als fraai blinkend zilver. Hierop afgaande, zou hij boven de sneeuwgrens liggen, die evenwel in deze streken zeer hoog aangetroffen wordt.
[64] Batoe = steen; Banama = schip.
[65] In de boven Kahajan bestaat ook zulk een steen, die den vorm van een schip heeft. Deze rots heet Batoe Tangkiring en daaraan is een nagenoeg gelijkluidende legende verbonden. Tangkiri beteekent in het Dajaksch „veranderd zijn in” dus „in steen veranderd.”
[66] Sipet is een blaasroer om vergiftigde pijltjes mede te blazen. Aan dat roer is tevens een lansijzer bevestigd, zoodat het een blaas- en tevens een stootwapen is. Een loendjoh is een eenvoudige lans, door de maleiers „toembakh” genaamd.
[67] Amai beteekent vader. In de bovenlanden worden de hoofden zoo betiteld. Met de Amai van Kwala Kapoeas wordt hier de Tomonggong Nicodemus bedoeld.
[68] Tingang: Rhinoceros of neushoornvogel. Er zijn op Borneo twee soorten. De Tingang bahong is zoo groot als een haan. Zijn hoorn is donkerrood. Zijn lijf is bedekt met zwarte goudveeren. In den staart heeft hij twee sneeuwwitte pennen. De Tingang lajoeng is kleiner, heeft een oranjekleurigen hoorn; zijne vederen zijn licht blauw, en zijn staart is zwart.
[69] Sierappen zijn kleine plankjes, geheel overeenkomende met onze dakleien en ook daarvoor dienende. Op Java worden de sierappen van djatiehout, op Borneo daarentegen van ijzerhout vervaardigd.
[70] Toembang is in het Dajaksch gelijk Kwala of riviermonding.
[71] Poendang is dun gesneden en in de zon gedroogd vleesch. Wordt veelal van hertenvleesch gemaakt. In ’t Maleisch heet het: dengdeng.
[72] Allang-allang is een grassoort, die soms 2 M. hoogte bereikt en in het Dajaksch: garigit genoemd wordt.
[73] Kawawohan boelau is de naam van den Dajakschen Hemel. Zie hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver.
[74] Balian = priesteres en hetaire. Zie hierover, als ook over Tempon Telon de Charon der Dajaks, de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving van den schrijver.
[75] Baloedoek is een waterdier, dat ongeveer een dM. lang wordt, wit van kleur is, met heel fijne schubben bedekt, waarvan het lijf op dat van een visch gelijkt, maar het hoofd veel op dat van een kikvorsch. Het kan niet lang onder water vertoeven. Het wordt overal langs de rivieren op Borneo, maar vooral in groote menigte in de lage moerassige streken aangetroffen.
Hambatar is de larve van een vrij grooten kever, die evenals de larve in vermolmd hout gevonden wordt. Die hambatar is zeer vet en heeft de dikte en de lengte van een vinger.
Kalisi worden alle soorten van huisjesslakken genoemd. De Dajak zou dus de alikruiken en de karakollen onder de „kalisi” rangschikken.
[76] Sawang is een palmsoort. Met sawangbladeren wuiven de Balians veelvuldig om de booze geesten te verwijderen.
[77] Falco Pondicerianus. Zie omtrent het raadplegen van de Antangvlucht het vroeger aangehaalde werk over de Dajaks van den schrijver.
[78] Zie over deze bovenaardsche wezens het meeraangehaalde werk.
[79] Dohong beteekent slagzwaard. Het wordt veel als mannelijke naam gebruikt en beteekent dan in de Oostersche beeldspraak, „dappere.”
[80] Zoo werd Hidajat Oelah, de rijksbestierder van het Bandjermasinsche rijk door de Dajaks genoemd.
[81] Die volzin beteekent: „Vertrouw die witte menschen niet, al zijn hunne lippen olieachtig (al spreken zij vleiend) zij zijn huichelaars.”
[82] Worden bij dergelijke gelegenheden vele pandelingen geslacht, dan is hun lijden betrekkelijk kort, maar duurt toch minstens een uur. Wordt er slechts één omgebracht, dan duurt de martelarij ontzettend lang, en sterft het slachtoffer niet dan ten gevolge van bloedverlies.
[83] Ik zal niet behoeven te verzekeren dat ik hier minder dan ooit verzin. Nederlanders! zulke smulpartijën hebben heden ten dage nog plaats in uwe zoo schoone Oost-Indische bezittingen, in de streken die gij met o! zoo’n schoon verfje op de kaarten als uw eigendom gekleurd hebt.
[84] De pala is de muskaat in den vorm eener abrikoos. Wanneer de vrucht rijp wordt, opent zich de vleezige buitenbast zacht en laat als door een nauw gevormd spleetje de fraaie roode foelie zien, die om de noot gewikkeld zit.
[85] Radja balawang boelau of de koning der gouden poort, wordt ook Radja ontong of koning des geluks genoemd. De woonplaats van dien weldadigen geest is boven de verblijfplaats der Sangiangs, dicht bij die van Mahatara, den allerhoogsten God. Blako ontong beteekent geluk vragen. Hoe dat geschiedt, zal wel later in een der hoofdstukken van dit werk verhaald worden.
[86] De soengei Miri is een linker zijrivier van de Kahaian.
[87] Zie over Kadjanka en zijne attributen, de Ethnographische beschrijving der Dajaks, door den schrijver dezes.
[88] Hoewel op het geheele schiereiland Malakka geen leeuwen te vinden zijn, beteekent Singapoera leeuwenstad. Singa leeuw, Poera vorstelijk verblijf.
[89] Een zeer gebruikelijk spreekwoord bij de Dajaks, om aan te duiden, dat iemand iets geheel overtolligs uitvoert. Het zout namelijk wordt van Java naar Borneo overgevoerd. Op laatstgenoemd eiland wordt geen zout gewonnen.
[90] Anding is de naam in ’t Dajaksch, dien de oudere broeder aan den jongeren geeft. Het is een teedere benaming voor hen, die men lief heeft. Hij wordt veel gebruikt door den meerdere wanneer hij tegenover zijne minderen hartelijkheid wil toonen of het harde zijner lessen of vermaningen wil verzachten. „Pahari”, zegt de broeder tegen den broeder, en is meer gebruikelijk wanneer geen teederheid of verzachting te pas komt. „Kaka” wordt gebezigd door den jongeren tegen den ouderen broeder en is een eerbiedsbetuiging.
[91] Radja balawang boelau. Zie de noot op bladzijde 22 van dit deel.
[92] Drahen tato antang beteekent Koning der Antangs. Zie over den Antang de noot op bladzijde 5 van dit deel.
[93] De Dajak kent ieder voorwerp, levend of niet, een ziel toe. Van levende wezens heet de ziel „liau”. Van alle andere voorwerpen „gana”.
[94] Bij de Dajaks is de lansschacht doorboord. Door dien hollen cylinder worden vergiftigde pijltjes voortgeblazen, die bij verwonding uiterst gevaarlijk zijn. Zie over de pijlvergiften het meergenoemd werk van den schrijver: Ethnographische beschrijving der Dajaks.
[95] Zie over het zinken van dat stoomschip op bladz. 168. Dl. I. Ik verdicht niet. Het bedoelde horloge was een ankeruurwerk en aan den gezaghebber der boot ter hand gesteld om het naar Java te zenden ter reparatie.
[96] De beide eerste soorten hooren tot den Crocodilus biporcatus. De derde soort is de Crocodilus Schlegelii en vormt den overgang van de gavialen tot den eigenlijken krokodil.
[97] Mahatara, de Dajaksche God, heeft een broeder, Djata, en een zuster, Kloweh, die in het wereldbestuur als zijn „wakilans” (plaatsvervangers) optreden. Zie over de godsdienst der Dajaks de reeds vaak geciteerde Ethnographische beschrijving van den schrijver.
[98] Pengawar Djambie is een haarachtige zelfstandigheid, die op een palmboomsoort van dienzelfden naam op den stam, waar de bladsteelen aansluiten, gevonden wordt. Zij is door geheel Ned. Indië bekend.
[99] Badjankang beteekent in het Dajaksch, veel ruimte innemend. En werkelijk met een soort van trots wijzen de kotta Djankangers op hun naam, als aanduidende van welken machtigen stam zij herkomstig zijn.
[100] Bij iedere plechtige gelegenheid, bv. bij geboorten, huwelijken, lijkfeesten, verzoeningseeden, welgeslaagde koppensnellerstochten, enz. enz. snijdt de Dajak een houten beeld, een krijger voorstellende van ongeveer natuurlijke grootte, en plant dat in de nabijheid van zijn huis. Dit is alleen ter herinnering. Eenmaal geplaatst, kijkt hij er niet meer naar om en doet tot onderhoud hoegenaamd niets.
[101] Tempon Telon is de Charon der Dajaks, die de zielen na het overlijden door een louterend vuur naar de Elyzeesche velden brengt. Ziet daarover verder de meer genoemde Ethnographische beschrijving der Dajaks.
[102] Katipei is een harsachtige was, die van een bijna mikroskopische bijensoort, die denzelfden naam draagt, gewonnen wordt. Dit insect bouwt zijn nest tegen de meest knoestige boomen, uit die zelfstandigheid en overtrekt daarmede niet zelden den geheelen boom. Deze was is zeer kleverig, bij verwarming wordt zij evenwel zeer vloeibaar en bij afkoeling zoo hard als steen.
[103] Kajoen pamala wordt in het maleisch ook kajoe boelan genoemd. Het is een fraai witachtig zacht hout, zeer fijn van vezel en gemakkelijk te bewerken; daarbij is het uiterst deugdzaam. Bij insnijdingen in den bast wordt een rooskleurige „njating” (hars) gewonnen, die als reukwerk gebrand wordt.
[104] Zeven en de veelvouden daarvan zijn heilige getallen bij de Dajaks.
[105] Lonokboom hoort tot de Ficussoorten, heeft een buitengewoon dikken en zachten bast, waarvan bij voorkeur kleedingstukken gemaakt worden. Die bast wordt met een plat stuk hout zoo lang geklopt, dat hij als het ware een zacht vilt geworden is.
[106] Tingang = neushoornvogel. Zie de noot op bladz. 339 I Dl.
[107] Een Kiham—in het Maleisch Riam—wordt een plaats in de rivier genoemd, waar door rotsbeddingen de breedte der rivier zeer versmald wordt, zoodat het water als te samen geperst, genoodzaakt is door een smallen doorgang te dringen. Veelal gaat daarmede ook een tamelijk verval van de rivierbedding gepaard. Een eigenlijke val is het in den regel niet. Een waterval, waar het water van een hoogte schier loodrecht neerstort, heet „gohong.”
[108] Koedjang is een knolgewas, dat veel in moerasachtige streken groeit. In de benedenlanden wordt het bijzonder veel aangetroffen en is daar naast de rijst het hoofdvoedsel der bevolking. In de bovenlanden wordt het ook in poelen en moerassen gevonden, doch niet zoo algemeen.
[109] Tobah is een struik, die tot de Rhisophoren behoort. Als zoodanig komt hij in de benedenlanden veelvuldig, in de bovenlanden alleen in moerasgronden voor.
[110] Dit is een veel gebruikt spreekwoord om het doen van vruchtelooze pogingen aan te duiden. Het wordt ook als raadsel opgegeven en luidt dan: „inedjep halit, inedjep halit, en kaom?” Telkens doorstoken, doch immer geheeld, wat is uw antwoord? En dat antwoord is: het water.
[111] Rantèp beteekent, dicht aan elkander sluiten, nauw vereenigd zijn. Waarlijk een schoone naam voor een gerechtshof.
[112] Kamanangang komt van „kamang”, een werkwoord, dat betasten beteekent, als zijnde door betasting behoorlijk op de hoogte der zaak.
[113] Rear, een verbastering van reaal, is een denkbeeldige munt ter waarde van twee gulden en wordt ook wel kiping genoemd.
[114] In 1861 werd in de boven Manohin iemand die bij het „hagalangang” licht gekwetst was, door de tegenpartij gekapt en gekerfd, waarbij evenwel gezorgd werd, dat geen levensgevaarlijke wonden werden toegebracht. Daarna werden die wonden met een sterk aftreksel van lombokh ingesmeerd. Onder de ondenkbaarste folteringen gaf de ongelukkige den geest.
[115] Mata koetjing beteekent kattenoog, bapoeti wit en linoh gladheid, die benamingen doelen op de eigenaardigheden van die soorten. Alle drie zijn fraai doorschijnend, de eerstgenoemde als kristal.
[116] Kroeën beteekent gemengd, toelang beenachtig en anlei vuil, smerig; ook deze benamingen doelen op de geaardheid der soorten, die zij aanduiden.
[117] Over dien smaak is hier niet veel meer te vertellen. Die daarvan meer wil weten, wordt verwezen naar de vaak aangehaalde „Ethnographische beschrijving der Dajaks” van den schrijver.
[118] Totok een soort van bijnaam in N.I. om volbloed Europeanen aan te duiden.
[119] Binnenshuis loopen meisjes en vrouwen met het bovenlijf naakt. Wordt er bezoek verwacht, dan eischt het decorum, dat de vrouw des huizes een badjoe aantrekt, hetgeen dan van blauwe of roode zijde, vervaardigd, niet zelden met gouddraad doorweven is.
[120] Peteh is een peulvrucht. De zeer groote boonen, die geen liefelijken geur verspreiden, worden veel bij de toespijzen tot de rijsttafel gebezigd. „Sambal peteh” is een gewilde lekkernij.
[121] Zie over het goudgewicht de noot op een vorige bladz.
[122] Zie over de zielen der dingen de noot op bladz. 51 van dit deel. Het goud evenwel heeft een afzonderlijke ziel „sarok boelau” genaamd, die bij het metaal blijft, zoolang het niet door den mensch bemachtigd is. Zoodra het in het bezit van den mensch is, verhuist de „sarok,” maar tracht zich dan te wreken, hetgeen voorkomen kan worden door eenige formaliteiten in acht te nemen, waardoor die wraak geen vat heeft.
[123] Nagara is een landstreek met hoofdplaats van denzelfden naam in de Maleische districten van Borneo aan de Bahanrivier gelegen. Aldaar worden de deugdzaamste wapenen van geheel Indië vervaardigd.
[124] Dit is de wortel van een slingerplant, die in de moerassige benedenlanden van Borneo veel aangetroffen wordt. Hij is nog het beste surrogaat van de kina, dat aangetroffen wordt.
[125] Het eerste levend wezen, dat Mahatara volgens de Dajaksche genesis schiep, was een groote waterslang. Op deze verzamelde hij langzamerhand modder en zand en gaf haar zoo de aarde te dragen. Van daar den naam Naga gallang petak of slang tot fondament dienende der aarde. Wanneer die Naga zich beweegt, dan heeft er aardbeving plaats. De kant der aarde, werwaarts haar hoofd gekeerd is, heeft voorspoed te wachten; de kant, werwaarts de staart gewend is, tegenspoed te vreezen.
[126] Tantarah is een soort van boschhaan, die gewoonlijk op de uiterste spits van zeer hooge boomen gezeten, den glorenden dageraad meteen luid tărătărărāā begroet. Niet te verwarren met de takakak, waarvan op bladz. 261, 1e dl., sprake is.
[127] Krassa krapi beteekent den tijd, die noodig is, om rijst gaar te koken. Een andere tijdverdeeling kent de Dajak niet. Het wordt ook wel gebruikt om afstanden aan te duiden. „Ekèh tèh doeèh tèlo krassa krapi kakedjaue” zijn huis is twee of driemaal zoover verwijderd, als noodig is om rijst gaar te koken.
[128] Zie over Radja ontong de noot op bladz. 22 van dit deel.
[129] Tiwah zou volgens ettelijke geleerden van het sanskritsch woord Deva (God) afgeleid zijn. Tiwah beteekent evenwel in het Dajaksch „vrij” of „bevrijd zijn”. Dit komt meer met den aard van het feest overeen. Zie overigens daarover de meer aangehaalde Ethnographische beschrijving der Dajaks.
[130] De groene grasparkiet Melopsittacus Gld.
[131] Het in die streken meest voorkomende hert, soms in troepen van 200 stuks, is groot en slank met bruin-grauwen pels. Het is de Cervus russa der geleerden.
[132] Bakai is een kleine soort van aap, die ternauwernood 1½ voet hoog wordt. Hij heeft een lichtgrauwen pels, die op den buik zuiver wit is. Het dier heeft een staart, die ruim tweemaal de lengte van zijn lichaam meet. Van dien staart bedient het zich als van een hand. De bakai behoort tot de slingerapen of semnopethici.
[133] Boehies is een zwartgrijze aap, die ongeveer drie à vier voet lang wordt. Hij heeft een staart, die langer dan zijn lichaam is. Hij behoort tot de semnopethici of slingerapen.
[134] Ziet over den Beo de noot in Deel I bladz. 89.
Men beweert, dat de beo sterft, wanneer hij bloed ziet. Van daar die uitdrukking.
[135] Njakatan wordt in de Dajaklanden iedere plaats genoemd, alwaar de reis te water eindigt en waar aan wal gestapt wordt, om haar over land te vervolgen.
[136] Boekit Riwoet beteekent windberg. Vele heuvels of bergtoppen voeren dien naam. Vooral wanneer zij alleen staan, dus ongedekt den wind vollen toegang verleenen.