Part 53
Het vraagstuk is veel te gewichtig dan dat men er zich van kan af maken door oppervlakkigheden, door groote woorden of door beschuldigingen die meer op schijn dan op waarheid rusten. Zeker zou het voor Nederland wenschelijk zijn een stand van zaken in het leven te roepen die iedere immoreele handeling, bij het bijeenbrengen en bijeenhouden eener voldoende krijgsmacht, volkomen uitsloot, en de mogelijkheid daartoe bestaat voor het nederlandsche volk ook alleszins. Dat het eenvoudig het 185ste artikel schrappe uit zijne Grondwet en het is gereed. Wij twijfelen echter zeer of het immer zal besluiten de lotelingen bij de nationale militie naar Indië te zenden, maar is die twijfel gegrond dan moet het ook berusten in den tegenwoordigen toestand, en dankbaar zijn dat het een regeering heeft die doet wat zij vermag om de misbruiken, daaraan onafscheidelijk verbonden, zooveel mogelijk tegen te gaan.
Laten wij thans des Schrs. grieven tegen de koloniale werving wat meer in bijzonderheden nagaan. Wij maken in zijn boek geen kennis met schelmen die met valsche papieren zijn in dienst getreden; hij heeft er de voorkeur aangegeven, zijn personen te kiezen in de categorie der onnoozele misleidden. De onnoozele misleidden die hij (bladz. 3 en 12, 1ste Dl.) laat optreden zijn een duitschen doctor in de medicijnen, en drie der vier gedeserteerden van Kwala Kapoeas, als: een Zwitser die candidaat is in de rechten; een dito die de reaalschule heeft doorloopen en het testimonium bezit voor de natuur- en scheikunde, en een dronken Belg. Den Belg, de lustige persoon van den roman, zullen wij aan zijn lot overlaten, maar wat de anderen betreft moet men bekennen dat onze aanbrengers eer hebben gehad van hun werk. Een doctor in de medicijnen, een candidaat in de rechten en een docent in de natuur- en scheikunde in de fuik te laten loopen, was een waar meesterstuk. Wij nemen nochtans aan dat het is volbracht want die geleerden zijn soms erg dwaas en onhandig in de zaken van het practisch leven; alleen voor den doctor moeten wij een uitzondering maken. Tot heden wisten wij niet dat de nederlandsche regeering ooit tusschenpersonen had gebezigd tot het bekomen van officieren van gezondheid; wij wisten slechts van oproepingen in de Staats-Courant overgenomen door andere binnen- en buitenlandsche dagbladen. Ook wisten wij dat door sommige onzer diplomatieke of consulaire agenten—sedert 1878—ter bekoming van tijdelijke officieren van gezondheid, voor vijf jaren, zooveel noodig worden afgegeven en verspreid, gedrukte stukken die de voorwaarden inhouden waarop men zich kan verbinden. Deze gedrukte stukken bestaan nog en zijn voor Nederlanders zonder moeite bij het Departement van Koloniën te bekomen. Zoowel de genoemde oproepingen als de gedrukten zijn zóó dor en droog van inhoud en van stijl, als een regeeringsstuk maar zijn kan; zij bevatten stellige, duidelijke en volkomen ondubbelzinnige voorwaarden, maar hoegenaamd geen fraaie voorstellingen of beloften.
Niettemin is er, als men wil, één tusschenpersoon werkzaam geweest, maar deze handelde geheel belangloos en uit eigen beweging. Het was Dr. Wittelshöfer, Hoogleeraar in de medicijnen aan de Universiteit te Weenen en redacteur van het voornaamste geneeskundige tijdschrift aldaar. Door hem hebben wij er ten minste een dozijn bekomen en hij achtte den stap alleszins aanbevelenswaardig voor zijne jeugdige landgenooten. Als zij zich niet voor goed aan den nederlandsch-indischen militairen dienst wilden verbinden zagen zij zich, enkel door de niet onaanzienlijke gratificatie van ƒ 6000, die in vijf jaren tijd kon worden verdiend, in staat gesteld een kapitaaltje te verzamelen waarmede zij zich later in hun vaderland konden vestigen. Vele dier tijdelijken hebben evenwel in Indië, en dus met volkomen kennis van zaken, verzocht en verkregen bij het vaste kader van den geneeskundigen dienst over te gaan.
De beste wervers van vreemde officieren van gezondheid voor Indië zijn geweest, zeer velen hunner die zich reeds eenigen tijd daar bevonden en die, dus weder met volkomen kennis van zaken, hunne vrienden in „die Heimath” aanspoorden hun voorbeeld te volgen.
Op bladz. 53, 1ste Dl., vinden wij gewag gemaakt van „de verfoeielijke kunstgrepen, die gedurende den Java-oorlog van 1825–1830 gebezigd waren, om dajaksche soldaten in nederlandsche gelederen te verkrijgen tot bekamping van den Javaan. In 1863 waren die kunstgrepen nog niet vergeten enz.” ’t Is sterk! Maar als men, gelijk Schr. dezes, zelf een geschiedenis van den Oorlog op Java heeft geschreven, en als men daarbij, onder meer, ter zijner beschikking heeft gehad het geheele archief van den nederlandschen Opperbevelhebber in dien oorlog, dan heeft men eenig recht te beweren zoo goed als iemand ingelicht te zijn, aangaande de verschillende pogingen in het werk gesteld ter aanvulling en versterking van de krijgsmacht, in dien tijd tegen de opstandelingen aangevoerd. Wij weten dan ook en hebben melding gemaakt van welgeslaagde wervingen te Menado, Gorontale, Boeton, Tidor en Ternate, zelfs van niet geslaagde zooals te Bali, [149] maar wij verklaren van al dan niet geslaagde wervingen onder de Dajaks, niets te weten.
Op bladz. 74, 1ste Dl. lezen wij: „Het Nederlandsche volk weet niet, of..... wil niet weten op wat wijze de soldaten voor het koloniale leger worden geworven. In der tijd heeft men de tuchthuizen geledigd om de gelederen van dat leger te vullen; schurken van de ergste soort heeft men in den soldatenrok gestoken.” Men moet bekennen dat wij, in den Heer P., te doen hebben met een romanschrijver die het recht tot het bezigen van dichterlijke vrijheden uitstekend weet te gebruiken.
Er zijn in Nederland nimmer tuchthuizen geledigd met welk militair doel dan ook;
Er is daar één enkel tuchthuis—de militaire strafgevangenis te Leiden—waaruit weleer veroordeelden van zekere categoriën, als soldaat naar Indië konden gaan;
Maar die veroordeelden waren geen schurken van de ergste soort;
Het waren zelfs niet eens schurken maar gestraften wegens desertie of misdaden tegen den dienst en de subordinatie.
Het is bovendien billijk steeds iederen maatregel te beschouwen in het licht van zijn tijd.
Er is een generaal geweest, Opperbevelhebber van het leger in Oost-Indië die de militaire eer zóó hoog stelde dat hij een officier, die, zonder daartoe door lichaamsgebreken verplicht te zijn, zijn pensioen begeerde op het oogenblik dat hij te velde zou worden gezonden, eenvoudig en niet eervol uit den militairen dienst liet ontslaan. Diezelfde Opperbevelhebber—de luitenant-generaal Merkus de Kock—zag zich niettemin in 1826, door het dringen van den nood, verplicht, een dertigtal militaire veroordeelden, van het fort Oranje, alle Europeanen, weder in de gelederen op te nemen. [150]
Het komt ons voor dat anderen, sprekende over een lang verleden, wel kunnen berusten in hetgeen een naar verstand en hart zoo voortreffelijk man als de generaal de Kock, toen vermijdelijk achtte.
Tot de geschiedenis der beide hierboven genoemde Zwitsers behoort dat zij betrokken waren geweest in de militaire samenzweringen die in 1850 en 1860 Midden-Java hebben verontrust. Aangaande die samenzweringen zegt de Schr. bladz. 81, 1ste Dl.:
„Toen het gevaar daar was, werd er flink en doortastend gehandeld. Daaraan is het te wijten, dat er geen grootere onheilen gebeurd zijn. Wat minder te prijzen valt, is de geheimzinnige sluier, die over het gebeurde werd geworpen....... Waren de verhooren door de krijgsraden afgenomen publiek gemaakt; ware openbaar gemaakt, wat in die verhooren op den voorgrond getreden is, de afzichtelijke wijze, waarop het Indische leger aangevuld wordt, dan, O!—er valt niet aan te twijfelen—zou het Nederlandsche volk...... enz.” En verder:
„Waren ook destijds de stukken, tusschen de nederlandsche regeering en den heer von Bismarck gewisseld waarop het ontslag van een Staats-beambte en de gerechtelijke vervolging van een nederlandsch Hoofdofficier door de duitsche autoriteiten volgde, openbaar gemaakt, dan....... enz.”
Over het laatste willen wij het eerst een kort woord zeggen. Het gebeurde met den bedoelden hoofdofficier is aan Schr. dezer regelen volkomen bekend, maar hij is niet bevoegd den sluier op te heffen waarmede die aangelegenheid nog altijd is bedekt. Hij vertrouwt echter, het met den Heer P. nog te zullen beleven, dat zij niet meer tot de geheimen behoort. Intusschen vertrouwt hij evenzeer dat de Heer P. hem wel zal willen gelooven wanneer hij hem verzekert dat, door het wegnemen van den sluier, misschien kleine onregelmatigheden zullen aan den dag komen, maar zeker niets verfoeielijks, niets waarover het nederlandsche volk of zijne regeering zich zullen hebben te schamen.
Aangaande de verhooren door de krijgsraden afgenomen diene het navolgende.
Het ligt niet op den weg der regeering van een welgeordenden Staat om de bescheiden openbaar te maken die betrekking hebben op gedingen voor rechtbanken of gerechtshoven gevoerd. De wet bepaalt wat in deze moet geschieden of moet worden nagelaten, en een onafhankelijke rechterlijke macht, gelijk wij hier en in Indië bezitten, zou iedere inmenging der regeering afwijzen wanneer deze daartoe, ter kwader ure, mocht overgaan. Volgens onze Rechtspleging bij de Landmagt zijn de aanteekeningen der gehouden verhooren nu eenmaal geheime stukken, hoe hadden ze dan zonder wetschennis, wij zeggen niet eens door de regeering, maar door de rechterlijke macht zelf, kunnen worden openbaar gemaakt?
Maar daarom zijn de handelingen onzer militaire justitie nog geen werken der duisternis. De vonnissen worden met de overwegingen die er toe hebben geleid in het openbaar uitgesproken, en die overwegingen, door een onafhankelijk rechterlijk ambtenaar gesteld, bevatten—het is overbekend—tevens alles wat tot verlichting en tot verschooning van den beschuldigde kan strekken.
Doch er is nog meer. Wordt er appel van het vonnis aangeteekend—gelijk in casu waar het kon gebeurd is—en komt het geding zoodoende voor het Hoog Militair Gerechtshof dan wordt aan den beschuldigde een practizijn, als verdediger, toegevoegd en zijne zaak verder geheel in het openbaar behandeld. De verdediger in zijn pleidooi, en het openbaar ministerie in zijne repliek, putten dan beide, naar hartelust en zooveel zij nuttig en noodig oordeelen, uit al de stukken van het proces in eerste instantie, en dus ook uit de afgenomen verhooren.
Nu meenen wij te mogen vragen wat de Heer P. die dit alles even goed weet als wij, nog meer kan verlangen.
Misschien zal hij ons antwoorden dat het uitspreken van vonnissen door krijgsraden, en de procedures voor het Hoog Militair Gerechtshof doorgaans slechts door weinigen wordt bijgewoond, zoodat de openbaarheid van een en ander feitelijk niet zeer groot is. Wij zullen hem hierin niet eens tegenspreken, maar hij mag er geen beschuldigingen op gronden tegen wien dan ook.
Maar wij moeten—speciaal in de zaak die het hier betreft—zijne aandacht nog op iets anders vestigen. Alles wat men van die verhooren en vonnissen in billijkheid zou kunnen verlangen te weten, is door onafhankelijke Indische rechterlijke ambtenaren, afzonderlijk en opzettelijk door den druk openbaar gemaakt. Het is verspreid, zoowel in Nederland als in Indië, en het nederlandsche volk heeft er geen aanleiding in gevonden, zijn stem te verheffen tegen zijne regeering.
De HH. Mrs. C. J. Keiser, C. G. Hultman en T. H. der Kinderen, hebben, in het tijdschrift Het recht in Nederlandsch Indië, overzichten geleverd van de strafgedingen gevoerd ter zake van: Het complot tot een militairen opstand te Djocjakarta; De Gewapende opstand te Samarang; Het complot tot desertie te Weltevreden, en Het complot tot militairen opstand alsmede tot desertie te Willem I. Die relazen zijn overgenomen in De Militaire Spectator, jaargang 1861. Men kan nog mag aannemen dat de genoemde H.H. de beschuldigden en veroordeelden, nog na het ten uitvoer leggen der tegen hen geslagen vonnissen, in de publieke opinie hebben willen benadeelen door het opzettelijk verzwijgen van hetgeen ter hunner verschooning had kunnen dienen.
En wat leeren ons nu hunne mededeelingen?
De sergeant Borgeaud, hoofd van het eerstgenoemd complot, was in Zwitserland uit patricische ouders geboren, had een geletterde opvoeding genoten en in zijn vaderland een eervolle betrekking bekleed; hij was reeds in napelschen dienst geweest eer hij zich voor den nederlandsch-indischen verbond; de vurig gewenschte épaulet mocht hij door een samenloop van omstandigheden, veelal aan eigen schuld te wijten, niet deelachtig worden.
Van zijn medeplichtigen wordt gezegd: „Naar de oorzaak hunner ontevredenheid en zucht tot complotmaken gevraagd, gaven zij te kennen, dat het eentoonige garnizoensleven hen verveelde; dat bovenal de corveën hen tegen de borst stuitten, en dat zij verlangd hadden op expeditie te gaan.”
Geen blijk dus van het misleiden door beweerde wervers, geen blijk van afzichtelijke handelingen bij het aanvullen van het Indisch leger.
Van de betrokkenen in den gewapenden opstand te Samarang wordt gezegd: „Onvoldane eerzucht en onbillijke wenschen van eenige woelzieke vreemdelingen, wien het eentoonige garnizoensleven en de onderwerping aan een strenge discipline tegen de borst stuitten, voorts teleurgestelde verwachtingen bij hunne aankomst in Indië schijnen de voornaamste oorzaken geweest te zijn”. Vooral hoorde men klagen door de Zwitsers die vroeger hadden gediend bij de 2de en 4de regimenten, indertijd door den Koning der Beide Siciliën, van hunne wettige verbintenissen ontslagen wegens veelvuldige desertiën en zich telkens herhalende muiterijen.
Van opzettelijke misleidingen of afzichtelijke handelingen andermaal geen woord.
De vijf Zwitsers die te Weltevreden het complot tot desertie vormden en er een begin van uitvoering aan gaven, waren allen weleer in siciliaanschen dienst geweest. Ook zij hadden derhalve behoord tot de beruchte regimenten hierboven genoemd. Wij vinden niets ter hunner verschooning.
Aangaande de deelnemers aan het complot te Willem I lezen wij: „dat de zaamgezworenen meest allen mannen waren, die veldtochten, hetzij in Afrika, hetzij in de Krim hadden medegemaakt of deelgenooten waren geweest in het bekende soldatenoproer te Napels”. Hier had men dus waarlijk niet te doen met onnoozele halzen die in staat waren zich door zwetsende wervers te laten ronselen. Zij klaagden over de handeling die de vreemdelingen ondergingen, maar toen hun door den krijgsraad werd gevraagd wat zij met deze behandeling bedoelden, antwoordden sommigen dat hun op de theorie steeds werd toegevoegd: „Gij eet hollandsch brood, gij moet ook Hollandsch spreken”. Dit is alles wat men ter hunner verschooning aantreft.
Men ziet dus dat er ten aanzien der militaire strafgedingen door den Heer P. bedoeld, inderdaad een zeldzaam groote mate van openbaarheid heeft plaats gehad, maar...... dat zij niets leeren ten nadeele der wijze waarop onze krijgsmacht in Oost-Indië wordt voltallig gehouden.
Wij zullen hier onzen arbeid staken en afscheid nemen van het boek des Heeren Perelaer, dat wij, in weerwil onzer bedenkingen, een schoon boek blijven noemen. Moge de Schr. zich spoedig aangespoord gevoelen zijn landgenooten weder een vrucht aan te bieden van zijn welversneden pen, maar moge het ons dan ook gegeven zijn den altijd levendigen, altijd opgewekten maar ook altijd kalmen en bezadigden Perelaer van weleer, terug te vinden.
15 Februari 1882.
A. W. P. Weitzel.
AANTEEKENINGEN
[1] Baba en Kee zijn benamingen in Nederl. Indië voor de Chineezen. Het eerste woord is meer deftig. Kee is meer vernederend, bijna een scheldnaam.
[2] „Handipèh” beteekent slang; „boemboeng enjoh” is de naam van de fijne nog niet ontwikkelde bladeren van den klapperboom. De slang, aldus genoemd, is een boomslang, wordt zoo wat twee d.M. lang, is zeer dun van lijf, zoo wat ter dikte van een pijpensteel, heeft een fraaie lichtgroene kleur en is zeer vergiftig.
[3] „Panawar” is een slingerplant, welker stam zoo wat een vinger dik wordt. Er zijn twee soorten: de „panawar gantong” heeft geelachtig hout; de „panawar pari” bruinachtig. Deze laatste is zeer bitter en wordt fijngewreven als tegengift tegen slangenbeten gebruikt.
[4] Djoekoeng is een boomstam uitgehold en zoo tot vaartuig gevormd.
[5] Rangkan en djoekoeng zijn vaartuigen, van een uitgeholden boomstam gemaakt. De rangkan is echter veel grooter dan de djoekoeng. In eerstgenoemd kunnen twintig tot veertig personen plaatsnemen, in laatstgenoemd hoogstens drie of vier.
[6] Kalimantan is de naam van het eiland Borneo bij de inlandsche bewoners.
[7] Mahatara en Hatallah beteekenen beide „God”. Het eerste woord zal de Dajak evenwel nimmer gebruiken, wanneer hij tot een Europeaan of een Maleier spreekt. Het andere woord wordt nimmer gebezigd, wanneer Dajaks onder elkander zijn.
[8] Vlucht, ziel des overledenen, stijg op den nevel, vlucht, ziel des gevallenen, des verlorenen, bewandel het water.
[9] Radhen Ardjie Kesoema was de oom van Pangerang Hidajat Oellah, welke laatste door de Nederlandsche regeering niet tot de troonopvolging van het Bandjersche rijk toegelaten werd, waarop hij ten volle aanspraak had.
[10] Er zijn op Borneo twee rivieren, die den naam van Kapoeas dragen. De Kapoeas Moeroeng ontspringt in het midden des eilands op het Kaminting-gebergte en stroomt van noord naar zuid en stort zich in de kleine Dajak-rivier, een tak van de Barito uit. De Kapoeas Bohang ontspringt op hetzelfde gebergte, stroomt van het oosten naar het westen en stort zich door vele mondingen in de Chineesche zee uit.
[11] Niet onwaarschijnlijk werd zij voor een „Tiwah” (doodenfeest) bewaard. Bij zulk een feest worden niet zelden verscheidene menschen geslacht.
[12] Sienjo is een verbastering van Signor. Deze benaming wordt aan alle Europeesche kinderen in N.I. gegeven; voornamelijk aan kinderen door een Europeaan bij eene inlandsche vrouw verwekt. Op lateren leeftijd is het woord „Sienjo”, ofschoon algemeen gebruikt, een scheldnaam, om dat bastaardschap aan te duiden.
[13] Katellapohon is een gewas, dat een mergachtigen stam oplevert, die gekookt, eenige overeenkomst in smaak met onze aardappelen daarstelt. Kadjang is een peulvrucht, die onder den grond gewonnen wordt. De boontjes worden veel geroosterd gegeten, „Katjang goreng,” en hebben dan veel van den smaak van amandelen. Obie’s zijn aardvruchten, die in vorm en aard veel met onze aardappelen overeenkomen. Zij zijn over het algemeen iets meer zoetachtig van smaak.
[14] Sagoeweer is palmwijn, een vocht getrokken uit den sagoepalm. Versch en ongegist is het een heerlijke, verfrisschende drank. Gegist maakt hij erger dan dronken, hij maakt stapel gek, en de veelvuldige gevolgen van delirium tremens bij het Indische leger zijn hem hoofdzakelijk te wijten. Op de hoofdplaatsen van Java, maar vooral te Soerabaya wordt die drank overal op de publieke wegen te koop aangeboden. Niets wordt daartegen gedaan. De civiele ambtenaren vermeenen door de breideling of door het verbod van den verkoop de handelsvrijheid te kort te doen. Dat argument is menigmaal aangehaald.
[15] Waw-waw’s en Orang-oetangs zijn apensoorten. De laatste van te algemeene bekendheid om daarbij stil te staan. Van de Waw-waw bestaan op Borneo twee soorten. De lichtgrijze en de gitzwarte. Het is een fraai apenspecies, welgevormd maar met zeer lange armen en totale absentie van staart. Het gelaat is fraai gevormd en omgeven door een niet te langen maar goed gevulden ringbaard. Haar naam bij de geleerden is: Hylobates concolor.
[16] De Gekko is een groote hagedis, die gaarne in oude boomen en bouwvallen woont, maar ook niet schuwt de bewoonde huizen der menschen te deelen. Het dier ontleent zijn naam aan zijn roep: „gèk-ko,” dat hij herhaalde malen uitstoot, de eerste malen met helderen klank, maar langzamerhand verzwakkende, alsof hem de stem begeeft, zoodanig dat het geroep in een dof gekreun eindigt. Bij de inlanders duidt zijne tegenwoordigheid een gelukkig voorteeken aan.
[17] De beo is een fraaie vogel van de grootte eener kraai, waarmee hij in kleur en gedaante veel overeenkomst heeft. Hij heeft echter een paar roode soms gele lelletjes aan het hoofd ter plaatse waar de ooren zijn. Ook heeft hij een gelen bek. Die vogel, na een kleine kunstbewerking aan de tong, bootst gemakkelijk de stem van den mensch na. Is hij eenmaal volleerd, dan praat hij bijna den geheelen dag en kan men van hem zoowel figuurlijk als letterlijk zeggen, dat hij den bek niet houdt.
[18] Piendang ikan en sajoran lodèh zijn een soort bouillon om bij de rijst te gebruiken. De eerstgenoemde wordt van visch gekookt; de andere van vleesch en groenten. In beiden ontbreekt de lombok (spaansche peper) niet.
[19] Sambal oelik is spaansche peper fijn gewreven met wat zout. Sambal goreng is gebraden spaansche peper in wat klapperolie. Sambal oedang is spaansche peper toebereid met garnalen. Al die sambals zijn toespijs bij de rijsttafel.
[20] Dengdeng is in de zon gedroogd vleesch, gewoonlijk hertenvleesch. Troeboek is gezouten vischkuit. Telor-assin zijn gezouten eieren. Sateh zijn stukjes vleesch aan een stokje, van de lengte en de dikte van een breinaald, geregen en boven het vuur gepofd. Oesi-oesi zijn kippen- of kalfsdarmen gebraden. Al die opgenoemde lekkernijen komen bij de rijsttafel voor.
[21] Wankang is een chineesch vaartuig, geheel verschillend van vorm en van tuigage van onze koopvaardijschepen.
[22] Minjakh poko is een chineesch middel tegen de hoofdpijn. Het komt voor in den handel als fijne kristallen of als een olieachtige zelfstandigheid. Men wrijft er zich de slapen en het voorhoofd mede en ontwaart eerst een branderig gevoel, dat in een heerlijke verkoeling overgaat. Boeang assin is knoflook in pekel ingelegd. Is zeer smakelijk bij de rijsttafel.
[23] Palita is een klein olielampje, waaraan de opiumschuiver het opium in de pijp ontbrandt, den rook inzwelgt, om na eenige oogenblikken hetzelfde te herhalen.
[24] Op de Zuidkust van Borneo bereikt de vloed twee dagen na volle maan zijn hoogste punt. Dan loopen de beide getijen in elkander en heeft men maar eens vloed in de 24 uren. Dit verschijnsel keert zoo regelmatig weer, dat de zeevarenden er gebruik van maken, ten einde het juiste oogenblik te kiezen om over de banken, die voor de riviermondingen liggen met zwaar beladen schepen te komen.
[25] In Oost-Indië heeft men zoetwatergarnalen die in grootte onze rivierkreeften verre overtreffen. Ook de krabben zijn zeer groot en hebben soms een middellijn van 1⅓ d.m.
[26] Baoeng is een zeer vette visch, die ongeveer vijf d.m. lang wordt en de dikte bereikt van een menschenbeen, aan het boveneind gemeten.
[27] Soloang is een vischje, dat in grootte en vorm veel met onzen grondeling overeenkomt. Het is echter niet blank van kleur, maar meer bruinachtig. Is zeer lekker.
[28] Een katie is 1¼ pond. Een pikol is 100 katie’s of 125 ponden. Dertig pikols is een Kojang.
[29] Op Borneo is een soort roodharige apen van de grootte van een knaap van een jaar oud, die een vrij welgevormden neus hebben van ongeveer zes cm. lang, waarin evenwel geen neusbeen aanwezig is, maar die slechts uit een klompje vleesch bestaat, met twee gaten ter gewoner plaatse doorboord. Die neus geeft die apen een buitengewoon koddig, voornaam uitzicht; zij zijn evenwel uiterst teer en sterven spoedig, nadat zij gevangen zijn. Die apensoort leeft nooit in groote troepen, steeds paarsgewijze, en behoort tot de species der symnopethici en wordt derhalve symnopethicus nasicus genoemd.