Borneo van Zuid naar Noord

Part 52

Chapter 523,627 wordsPublic domain

„Ja woest was hier het terrein in den volsten zin des woords. Door torenhoog op elkander gestapelde rotsen was de geheele helling gevormd, werd het afdalende pad soms versperd, waren poorten, kloven en huiveringwekkende doorgangen geopend, waardoor men somtijds niet dan gebogen of kruipend heendringen kon. Hier gaapten gevaarlijke rotsspleten met niet te peilen afgronden, op welker bodem het oor den bergstroom hoorde bruischen, maar dien het oog niet kon ontwaren. Elders verhieven zich rotskammen, steil, loodrecht, veelal somber overhellend en met dood en verderf dreigend.

„Toch troffen de reizigers te midden van dien chaos, door ontzettende natuurkrachten bij het vormen van den bodem teweeggebracht, soms oasen aan, welker bodem in zachte hellingen, met kort fijn gras bekleed, hier en daar gestoffeerd met een fraai gepluimden ceder, den reizigers een Alpenweide met hare dennen voor oogen tooverde en hun den uitroep ontlokte: „Een park aangelegd in den verheven scheppingstijl!”

„Bij het betreden van een dier oasen ontwaarden de reizigers een waterval, die op geringen afstand van hen langs een hoogen rotswand nederstortte. Met niet te verzadigen verrukking keken zij naar den hoogen zwartblauwen diorietrand, scherp afgeteekend op het zachte hemelazuur, waar de waternimf haar fladderend gewaad in het ijle liet zweven. De Soengei Oendoep—zoo heette die beek—in haar loop door een paar rotsblokken gestremd, stortte haar wateren ongeveer 400 voet naar beneden. Prachtig groenblauw genuanceerd, zou de voornaamste stroomarm langs den loodrechten rotswand den dalbodem bereikt hebben; maar halverwege ontmoette die straal een vooruitstekende steenmassa, waarop zij met donderend geweld in schuine en fijne stofdeeltjes uiteenspatte, om verder als melk zoo wit en luchtig als een zwevende wolk in het dal neer te dalen. De andere takken van de Oendoep sprongen onstuimig van den bovenrand af, maar ontmoetten al dadelijk steenspitsen en rotsnaalden, waaraan zij zich schenen vast te klemmen, toch echter in millioenen en millioenen schuimblaasjes uiteen spatten, haar saamgeperste zuilen in tal van wolkjes zagen overgaan, die, aan seinvuurpijlen gelijk, hun baan afteekenden om als watervonken een oogenblik onder de keerkringszon te schitteren en langzamerhand en onmerkbaar voor den blik te verdwijnen. De vier vrienden naderden met Hamadoe den val zoo dicht mogelijk en kozen instinktmatig tot plek van beschouwing het punt, waar zij de prachtige regenbogen, allerwege door de breking der zonnestralen gevormd, konden waarnemen. Nog meer naderende, waren zij weldra door een dubbelen regenboog omringd, die als een stralenkrans zoo geheel met ieder hunner samenvloeide, dat hij, zoolang zij zich in die nabijheid bevonden, met hen voor- of achterwaarts schreed, in een woord al hun bewegingen volgde. Aan hunne haren, op hun huid, op de schamele kleeding die hen bedekte, hechtten zich waterdroppels en schitterden daar, ieder op zich zelf aan een diamant gelijk, met onvergelijkelijke pracht in prismatische kleuren.”

De Heer P. heeft zijn boek een ethnografische roman genoemd, juister evenwel ware geweest het een ethnografische historische roman te heeten want er komen vrij wat geschiedkundige bijzonderheden in ter sprake en de verdichte gebeurtenissen worden voorgesteld als in verband te staan met de geschiedenis.

Romanschrijvers hebben zich te allen tijde zoogenaamde dichterlijke vrijheden veroorloofd en ook de Heer P. heeft zich ten deze gansch niet onbetuigd gelaten. Daar het hier een recht geldt door het gebruik gewettigd, vergeven wij hem gaarne tal van onwaarschijnlijkheden en zelfs van onmogelijkheden. Zoodra het nochtans de geschiedenis aangaat mogen wij niet al te toegevend zijn. Wij erkennen dat het weinig schaadt wanneer sommige onbeduidende feiten of toestanden ietwat scheef worden voorgesteld, maar zoodra men uit de geschiedenis ernstige beschuldigingen afleidt tegen nog levende personen of nog bestaande regeeringen dan mag die geschiedenis niet tot een verdichtsel worden vervormd.

Ook mag men eischen dat de individus die de Schr. doet optreden, niet slechts het kleed dragen van den tijd en van het menschenras waartoe zij gezegd worden te behooren, maar ook dat zij daarvan den graad van beschaving en ontwikkeling, den geest, de begrippen en de zienswijzen hebben.

Dit laatste geldt vooral voor een ethnografischen historischen roman. Zulk een roman toch moet dienen om ons op aangename, onderhoudende wijze bekend te maken met een of meer menschenrassen die in een zeker tijdperk leefden, maar het doel wordt niet volkomen bereikt, wanneer men in die rassen moeilijk aan te nemen uitzonderingen laat optreden, zoo niet als verklaarde typen, dan toch als hoofdpersonen. Een Engelschman moet ons in een dergelijken roman doen denken aan het Anglo-Saksische ras in ’t algemeen, een Dajak aan het Dajaksche, en een Sienjoe aan het gemengde Indo-Europeesche. Maar men moet niet van den lezer eischen dat hij, alleen op gezag van den Schr., b.v. uit het beeld van een winderigen franschen kapper een degelijken Brit zal herkennen.

Zoo ontmoeten wij hier een Dajak—Dalim—die genoeg ontwikkeld is om wetenschappelijke verklaringen van natuurverschijnselen, hem door Christen-zendelingen gegeven, te begrijpen, te onthouden en met duidelijkheid weder aan daarmede nog onbekende Europeanen mede te deelen: een Dajak die, zonder dat men van zijn standpunt recht vat waarom en tegen zijn dajak-natuur in, de schoone gelegenheid laat voorbijgaan om vier Europeesche koppen te snellen, of te helpen snellen, die hem en zijne makkers toch, gezwegen van den roem door het feit verworven, ieder ƒ 4000 zouden hebben opgebracht

Ook maken wij te midden der vuile, soms dierlijk barbaarsche Poenan-dajaks, kennis met een schoone aan wie dien naam niet slechts bij wijze van spreken, maar in den volsten, ruimsten, meest aesthetischen zin des woords toekomt; een parel van schoonheid die verstandig is en „wier hart, wier gemoed een diamant van het zuiverste water is, waarvan de weerga in de donkerste ingewanden van het eiland Borneo niet gevonden werd,” een edelgesteente eindelijk dat slechts weinig behoeft te worden geslepen en gepolijst om al dadelijk een waardige plaats te kunnen innemen te midden der europeesche beschaving.

Het is waar dat de Schr. een inlander gelijk Dalim, moeilijk in zijn verhaal had kunnen ontbeeren en .... ultra posse nemo obligatur; het is ook waar dat andere romanschrijvers even goed vrouwelijke juweelen weten te ontdekken in het stinkende slijk onzer groote steden, als de Heer P. onder „menschen eensdeels slechts behebt met den dierlijken lust tot moorden, alleen om te moorden, voor wie het hooren van angstgegil en doodgerochel de grootste streeling, het verhevenste genot daarstelt; en voor wie anderdeels het najagen van zingenot de eenige prikkel in het leven is, de eenige zweepslag die ten arbeid voert.” (bladz. 281, 1ste Dl.). Bovendien worden de schaduwzijden van den dajakschen volksaard, zooals men ziet, voldoende onder de aandacht gebracht om vrees voor onjuiste gevolgtrekkingen ijdel te mogen heeten; maar wij hebben nog meer bedenkingen van denzelfden aard aan te voeren.

Het is niet tegen te spreken dat zich in onze Oost-Indische bezittingen langzamerhand heeft gevormd een gemengd Indo-Europeesch ras, een ras van kleurlingen, van Sienjoe’s en Nonna’s dat in Nederland nog weinig meer dan door uiterlijke aanschouwing bekend is. Dit ras heeft zijne eigenaardige hoedanigheden, zijne kenmerkende goede en kwade eigenschappen. Tot nog toe heeft het in Nederland weinig, misschien niet genoeg de aandacht getrokken. Wel leverde het, in roman of novelle nu en dan een zoogenaamd type, doorgaans een caricatuur, maar daarbij bleef alles. Intusschen heeft het vooral van de zijde van ethnografen en anthropologen, meer en beter verdiend. Het als ras te blijven ignoreeren gaat, dunkt ons, niet aan, het belachelijk te blijven maken zou onedel zijn en onverdiend, en het op te hemelen zou onzin wezen. Al zijne eigenaardigheden, ook de goede in een of meer fiksen bewerkte standmodellen te vereenigen en aan het volk van Nederland voor te stellen, zou een verdienstelijke arbeid zijn. Wij zullen niet beweren dat een dergelijke arbeid in het kader van den roman des Hn. P. zou hebben gepast, maar wij gelooven toch, dat als zulk een Schr. ons een Sienjoe te zien geeft, het dan ten minste een ware, een wezenlijke Sienjoe behoort te zijn. Doet hij dat niet, dan brengt hij zijne met Indië onbekende landgenooten, die hem gewis met graagte zullen lezen, schromelijk in de war, en soms loopt hij gevaar de meening te doen ontstaan dat die voortreffelijke Sienjoe’s ergerlijk worden verongelijkt.

In een der eerste jaren na 1860 deserteerden vier nederlandsche soldaten uit het fort Kwala Kapoeas, gelegen aan de samenvloeiing van de Kleine-Dajakrivier en de Kapoeas-Moeroeng. Zij waren het die de belangwekkende reis volbrachten door Borneo van zuid naar noord. Onder hen bevond zich een Sienjoe, Sienjoe Johannes, geboren te Padang, vader onbekend, moeder de Niassche vrouw Ma Troeni. De Schr. begint van hem te zeggen dat hij is „een van die Indische producten van dierlijken hartstocht, voor wien het een ongeluk moet genoemd worden geboren te zijn.” Na zulk een zwartgallige inleiding zou men het optreden verwachten van een beklagenswaardig wezen, een soort van stompzinnig misgewas, dat zoo geen afkeer dan toch medelijden moet opwekken; maar neen, in Sienjoe Johannes vinden wij een schrander, vrolijk, nu en dan zelfs geestig man, dien het gansch niet hapert aan wetenschappelijke ontwikkeling. Hij is het hoofd, de ziel der moeilijke onderneming en dit komt hem toe want hij weet veel en velerlei; de aardrijkskunde van den Nederlandsch-Indischen archipel kent hij op zijn duimpje; hij herinnert zich, zonder boeken of kaarten, precies op hoeveel graden lengte en breedte sommige punten zijn gelegen, hij berekent daarna, altijd uit het hoofd, hoeveel geografische mijlen ze van elkander zijn verwijderd en hoeveel water en proviand derhalve moet worden medegenomen voor de reis; in de binnenlanden van Borneo is hij als te huis; hij kent den mineralen rijkdom van die gewesten zooals weinig volbloed Europeanen; hij is geen vreemdeling in geologie, zelfs niet in het stoomwezen; hij heeft een zeldzame kennis van de zeden, de gebruiken en den godsdienst der Dajaks zonder ooit onder hen te hebben geleefd; schier alles wat wij aangaande Borneo en zijne bewoners vernemen, hooren wij uit zijn mond. Sienjoe Johannes is een klein wonder; hij weet even goed de eigenaardigheden die een vroom muzelman kenmerken als die welke het deel zijn van een geloovig maar bekrompen belgisch katholiek; hij heeft de gedichten van Schiller gelezen en kende de tegenwoordige theoriën van Darwin en Russel Wallace reeds eer ze waren verkondigd; hij is daarbij matig en heeft uitstekende militaire hoedanigheden.

Men begrijpt moeilijk waarom het voor zulk een man een ongeluk zou wezen te zijn geboren, maar men begrijpt des te beter dat hij de Nederlanders, onder wier vaandels hij het nimmer tot korporaal kon brengen, verafschuwde en van hen deserteerde. Dit is ten minste zeer natuurlijk, en natuurlijker dan dat wij een Sinjoe als Johannes te zien krijgen.

Wij durven niet beslissen of in een ethnografischen roman juist alle volksrassen die er in ter sprake komen, met dezelfde juistheid en onpartijdigheid behooren te worden geschetst. Moet de vraag toestemmend worden beantwoord dan hebben wij nog meer bedenkingen in het midden te brengen. Het Kaukasische ras, hoofdzakelijk door ons Nederlanders vertegenwoordigd, komt er b.v. al zeer slecht af. Van slechts weinigen wordt iets goeds gezegd. Dat daaronder een voorname plaats wordt ingenomen door den wakkeren, kundigen en humanen luitenant die in de benting Kwala Kapoeas commandeerde is weder zeer natuurlijk, want voor een zoo goeden bekende kon de Schr. al niet meer doen. Wij hebben er dan ook vrede mede, maar zelf Nederlander zijnde, kunnen wij geen vrede hebben met het onrecht den Nederlanders in massa aangedaan. Gestrenge consequentie mag men in de eerste plaats eischen bij gestrenge beoordeelingen en het is niet consequent wanneer men, op bladz. 31, 1ste Dl., verhaalt dat de Nederlanders zich jegens de Bandjareezen hebben schuldig gemaakt aan euveldaden als: „ontmanning, afsnijden van neuzen en ooren” en hen daarna op bladz. 160, te verwijten dat zij „ziekelijk menschlievend” zijn. Ook is het niet consequent aan de Nederlanders, op bladz. 58, ten laste te leggen dat hunne soldaten op de buitenbezittingen waren voorzien van geweren „met uitgeschoten loopen..... in een woord, die als een oud roestwinkel rammelden, wanneer men een geweer aanvatte en die voor eigen handen gevaarlijker waren dan voor den vijand” en reeds op de volgende bladz. den vijand door een levendig vuur uit diezelfde geweren zoodanig te laten teisteren dat hij genoodzaakt wordt het hazenpad te kiezen. Waarlijk het schijnt ons toe dat de Heer P. zoowel bij lof als bij blaam, hier en daar in uitersten vervalt. In romantische en dichterlijke verhalen is dit niet zeldzaam, maar beschuldigingen tegen tijdgenooten blijven beschuldigingen. Misschien zijn de Nederlanders nóch zoo wreedaardig, nóch zoo ziekelijk menschlievend als hij ze voorstelt, en misschien waren hunne geweren nóch zoo slecht, nóch zoo verschrikkelijk van uitwerking als hij ze afschildert.

Reeds vroeger werden de aangelegenheden der Zuid- en Ooster-Afdeeling van Borneo door den Heer P. besproken. In 1863 schreef hij, ter plaatse, zijne wandeling door de benting te Kwala Kapoeas, waarvan hij de commandant was, en in 1870, gaf hij zijne Ethnographische beschrijving der Dajaks uit. Beide deze pennevruchten werden, de eene geheel en de andere voor het minst gedeeltelijk, saamgesteld onder den verschen indruk hetzij der gebeurtenissen, hetzij der waargenomen toestanden; in geen van beiden treedt de Schr. op als laudator temporis acti; hij laakt waar hij meent dat gelaakt moet worden, maar hij doet het kalm, ernstig en veelal met welwillendheid. Hij heeft, als wij ons niet vergissen, Borneo sedert dien tijd niet teruggezien; hij heeft dus aangaande het eenmaal beschrevene geen nieuwe indrukken kunnen opdoen; hoe komt het nu dat hij thans, nu hij veel, zeer veel van dat vroeger beschrevene, in een ander meer aanlokkelijk kleed voor het publiek brengt, oordeelt met een hardheid, een scherpte en een overdrijving die hem weleer zoo geheel vreemd waren? Misschien waant hij dat de wel wat bedorven en verstompte smaak van het nederlandsche lezend publiek, geprikkeld moet worden door sterk gekruide spijzen en heeft hij het dààrom de tjabé rawi niet willen onthouden; maar wij verzekeren hem dat de letterkundige schotels, die hij aan het publiek weet voor te zetten, dergelijke scherpe sausen niet behoeven om met gretigheid te worden genuttigd, en dat het zijne ware vrienden leed zal doen, de altijd welgekozen bestanddeelen dier schotels, gekruid te zien met iets anders, dan het oude attische zout, dat condimentum litterarium bij uitnemendheid.

Het is vooral de wijze waarop het nederlandsche leger in Oost-Indië voltallig wordt gehouden die den Schr. aanleiding geeft tot het toedienen van tjabé rawi. Wij zullen de laatste zijn om staande te houden dat in deze alles toegaat zoo als men het zou mogen wenschen; maar als men er zelf meermalen toe geroepen is geweest een stand van zaken daar te stellen, of te helpen daarstellen, die misbruiken uitsloot, dan weet men ook welke onoverkomelijke hinderpalen zich daartegen verzetten. Van de misbruiken geeft de Heer P. breed, veel te breed, op doch van de middelen om het euvel te voorkomen of uit den weg te ruimen vinden wij bij hem geen woord, en dààrop komt het toch vooral aan. Ja! er bestaan misbruiken; Schr. dezes heeft zelf weleer een paar vreemdelingen aangenomen op bescheiden die vervalscht, maar zóó behendig vervalscht waren, dat het misdrijf slechts door een toeval aan het licht kwam. Intusschen zijn zij, die zich van die bescheiden hadden bediend, nimmer in de gelederen van het Oost-Indisch leger maar wel in het tuchthuis te recht gekomen, en dit feit gevoegd bij een reeks van soortgelijke, die zouden kunnen worden aangevoerd, bewijst voldoende dat de nederlandsche regeering volstrekt geen smaak heeft in dergelijke praktijken.

Nog een ander bewijs kan daarvoor worden geleverd. Talrijk zijn reeds de processen voor nederlandsche rechtbanken gevoerd tegen personen die zich van valsche papieren hadden bediend om in nederlandschen kolonialen dienst te treden. Onder de rechtbanken die van de zaak hadden kennis te nemen zijn er die leden van de Staten-Generaal onder hun personeel tellen. Wanneer nu bij de instructiën ook maar iets ware gebleken van rechtstreeksche of zijdelingsche medeplichtigheid der regeering, of zelfs maar van toelating of oogluiking in deze, zouden dan die leden der Staten-Generaal, als zoodanig, niet voor de eer der natie zijn opgekomen? En heeft er immer iets van dien aard plaats gehad?

Eigenlijke wervers heeft de regeering, reeds sedert een groot, zeer groot aantal jaren, niet meer in het veld gehad, zoomin op eigen grondgebied als in den vreemde, en het zou dan ook moeilijk zijn een enkelen door haar gequalificeerden werver bij name aan te wijzen, tenzij in een lang vervlogen tijdvak.

Het Departement van Oorlog staat aan het hoofd der werving zoowel voor de overzeesche bezittingen als voor het moederland, en wie daarmede, onder zijn bevel en toezicht, hier te lande, verder zijn belast is algemeen bekend.

In het buitenland had het weleer, hier en daar, zoogenaamde werfbureaux waarvan de Chefs tot opdracht hadden de recruten die zich aanboden aan een voorloopig onderzoek te onderwerpen en, bij goedkeuring, naar Nederland te zenden. Dergelijke werfbureaux heeft Nederland tot voor korten tijd ook nog gehad in eenige zijner consulaten b.v. in dat te Altona voor het aannemen van Nooren. De instructiën aan de chefs der eigenlijke werfbureaux en die van de consulaten, met betrekking tot de werving, zijn nog voorhanden in de archieven van het Departement van Oorlog, en het hoofd van dat Departement zal—wij zijn er van overtuigd—gaarne inzage van die documenten geven aan wien dit mocht verlangen. Men zal er niets in vinden dan eerlijkheid. Wij durven dan ook staande houden dat Nederland nimmer gewenscht, begeerd of toegelaten heeft dat men het door slinksche middelen of langs oneerlijke wegen, recruten bezorgde voor zijn Oost-Indisch leger.

De regeering staat echter een premie toe—van ƒ 10—aan een ieder die een goedgekeurd recruut heeft aangebracht. Dit aanbrenggeld is het groote, het voorname lokaas tot het verstrekken van valsche papieren aan hen die geen goede kunnen vertoonen, en dus tot het plegen van ergerlijke knoeierijen. Hij die het middel wist aan de hand te doen om de werving, ook in zeer moeilijke tijden en bij dringende behoefte, voldoende vruchtbaar te doen blijven, zonder het uitbetalen van eenig aanbrenggeld, zou aan Nederland een onschatbaren dienst bewijzen. Wij bevelen den Heer P. ernstig aan daarover eens na te denken.

De aanbrengers, die misschien feitelijk, maar nimmer rechtens, als wervers mogen worden beschouwd, kunnen voor hunne bemoeiingen, op niets rekenen dan op de aanbrengpremie, en als sommigen hunner de door hen aangebrachte recruten wellicht nog afzetten, nadat zij hun handgeld hebben ontvangen, dan begrijpt men dat de regeering daartegen niets vermag [148].

Hoe men de zaak ook beschouwe, mits van een onpartijdig standpunt, en met voldoende kennis van zaken, altijd zal men tot het besluit moeten komen, dat de nederlandsche regeering steeds gedaan heeft en doet wat zij vermocht en vermag, tot het bekomen van gezonde recruten van onbesproken handel en wandel. Dat zij daarin niet altijd is geslaagd moet worden erkend, maar niemand heeft dit ooit meer betreurd dan zij zelf.

Een ander kwaad dat aan de wervers (aanbrengers) wordt ten laste gelegd is het schromelijk misleiden der recruten met betrekking tot hetgeen hen in Indië staat te wachten. Die lieden gaan zelfs zóóver, naar de Heer P. beweert, van hen daar te belooven „sambal naar genoegen” en aangezien sambal een lekkernij is, even goed bekend in de dalen van Zwitserland als aan de fiorden van Noorwegen en in de mijnen van België, is dit natuurlijk een zeer gevaarlijke verlokking. Dat ook in deze verkeerdheden plaats hadden en misschien nog plaats hebben zullen wij weder niet ontkennen, maar wel dat de nederlandsche regeering dat ooit heeft verlangd of zelfs maar goedgekeurd. Wij zelf hebben er in der tijd het onze toe bijgedragen om, op tusschenkomst van bevoegden, vaak met eenige schade voor de schatkist, recruten van hunne verbintenis te ontslaan die niet eens konden bewijzen, doch slechts stellig beweerden, dat zij waren misleid.

Zij die het edele bedrijf van werver tot het hunne maakten, blonken nimmer uit door belangloosheid en goede trouw. De behendige wervers van Frederik de Groote en nog meer die van zijn vader, hebben zich op dat stuk een geschiedkundige vermaardheid verworven; de engelsche wervers doen het gild, in onze dagen, nog altijd eer aan, en de fransche van weleer? Hoor lezer wat Alfred de Vigny er, in zijn Grandeur et Servitude Militaire van verhaalt, doch zonder zich boos te maken, en zonder de fransche regeering van dien tijd er hard over te vallen.

De jonge Mathurin, een boerenzoon, wil soldaat worden en begeeft zich naar een herberg aan de avenue de Versailles waar hij weet dat zijn verlangen bevrediging kan vinden. „Dans ce petit carbaret”—vertelt hij later—„je trouvai trois braves dont les chapeaux étaient galonnés d’or, l’uniforme blanc, les revers roses, les moustaches cirées de noir, les cheveux poudrés à frimas et qui parlaient aussi vite qui des vendeurs d’orviétan. Ces trois braves étaient d’honnêtes racoleurs. Ils me dirent que je n’avais qu’à m’asseoir à table avec eux, pour avoir une juste idée du bonheur parfait que l’on goutait éternellement dans le Royal-Auvergne. Ils me firent manger du poulet, du chevreuil et des perdreaux, boire du vin de Bordeaux et de Champagne, et du café excellent; ils me jurèrent sur leur honneur que, dans le Royal-Auvergne, je n’en aurais jamais d’autre.

„Je vis bien depuis qu’ils avaient dit vrai.

„Le lendemain j’avais donc l’honneur d’être soldat au Royal- Auvergne..... Je demandai du poulet à diner, et l’on me donna à manger cet agréable mélange de pommes de terre, de mouton et de pain, qui se nommait, se nomme et sans doute se nommera toujours: la ratatouille........”

Hier werd helaas niet eens voldaan aan de belofte van „sambal naar genoegen”.

Tusschenpersonen, wervers, aanbrengers of hoe ze heten mogen, zijn altijd noodig geweest en zullen altijd noodig blijven, waar een betrekkelijk sterke krijgsmacht door vrijwilligers voltallig moet worden gehouden. Volmaakt eerlijke en belanglooze aanbrengers of wervers te vinden, zou al even gemakkelijk zijn, als het vinden van volmaakt eerlijke kooplieden, en misschien nog niet eens gelukken wanneer men er Christen-zendelingen toe kan bezigen.