Borneo van Zuid naar Noord

Part 51

Chapter 513,751 wordsPublic domain

Drie etmalen later liet de „Rainbow” het anker op de reede van Singapore vallen. De ontscheping was ras geschied. Het eerste bezoek, dat de deserteurs in die wereldstad brachten, was bij den Nederlandschen consul. De veroordeeling door Radja Brooke over hun desertie uitgesproken, had voornamelijk de Zwitsers diep getroffen. Zij wilden weten, welke uitgaven de Nederlandsche staat voor hun aanwerving als soldaat gedaan had. Toen zij dat vernomen hadden, deponeerde ieder hunner bij den consul voor een waarde van duizend gulden aan stofgoud, om die onkosten te vergoeden en om voor den nog te verloopen diensttijd van hun verband een plaatsvervanger aan te werven. Ook verzochten zij dien consul, een fraaien veldkijker en dito boussole met twee keurig bewerkte Remmingtongeweren, die zij hem ter hand stelden, te willen toezenden aan den kommandeerenden officier van Kwala Kapoeas, wiens naam zij hem duidelijk opgaven. Zij erkenden gaarne, dat zij door de instrumenten en wapenen van den luitenant mede te nemen, zich aan de eerlijkheid, vergrepen hadden. De consul, door die gedragingen getroffen, voelde zooveel sympathie voor die mannen, dat hij zich gaarne te hunner beschikking stelde, om hen in hun moeilijken toestand te helpen. Door zijn tusschenkomst maakten zij hun stofgoud en hun bezoarsteenen op de meest voordeelige wijze te gelde en bevonden dat, na Dalim en zijn makker rijkelijk beloond te hebben, ieders deel ruim 25,000 gulden bedroeg, die de consul gedeeltelijk in sovereigns en gedeeltelijk in wissels aan de beide Zwitsers en aan den Waal uitbetaalde. Johannes, die zich te Singapore wilde vestigen, zou voor en na over zijn deel beschikken.

De consul ging in zijn edelmoedige bemoeiingen nog verder. Hij schreef naar Batavia en verkreeg, nadat bij het Indische leger vier plaatsvervangers voor de gedeserteerden gesteld waren, hun papieren en behoorlijk ontslag uit den militairen dienst. Dat had evenwel tijd gekost, maar gedurende de drie maanden, die daarmede gemoeid waren, had hij de twee Zwitsers als schrijvers op zijn kantoor gebezigd en La Cueille bij een wapensmid bezorgd, zoodat zij hun brood ruim verdienen konden, zonder hun kapitaal te behoeven aan te raken.

Van dien tusschentijd maakte Wienersdorf gebruik om zijn ega trapsgewijze in het westersche leven in te wijden. Hij was begonnen met haar in een der voornaamste magazijnen in een Europeesche dame te transformeeren. Hij had de zaken goed en met smaak gedaan, zoodat dan ook het lieve vrouwtje in dat nieuwe toilet er allerbetooverendst uitzag. Overigens was zij van nature goed ontwikkeld, zij had de gave van alles goed en vlug in zich op te nemen, zoodat haar vervorming niets geen moeite kostte. Bij gelegenheid dat de dominé van Riouw eens een uitstapje te Singapore maakte, werd deze in den arm genomen, om het paar kerkelijk in te zegenen. Zijn WelEerwaarde liet zich alle omstandigheden van het Dajaksche huwelijk mededeelen en toen hij dat alles vernomen had, aarzelde hij geen oogenblik, maar zegende den band onder zoo vreemde omstandigheden gesloten, in weerwil dat de geboden niet hadden plaats gehad. Stellig beloofde Wienersdorf, dat bij aankomst in Zwitserland hij de verbintenis ook door den landamman zoude laten bekrachtigen.

Eindelijk waren de papieren van Batavia aangekomen en weerhield niets meer onze Europeanen om naar hun vaderland terug te keeren. Alvorens evenwel te vertrekken, brachten de vier lotgenooten een laatste bezoek bij den Nederlandschen consul, die hen zoo ter zijde gestaan had; hartelijk drukten zij hem de hand, en als bewijs hunner erkentelijkheid boden zij hem het dagregister aan, dat La Cueille te kotta Rangan Hanoengoh van Harimaoung Boekit ontvangen had en waarschijnlijk van den in 1825 vermoorden Georg Müller afkomstig was. Getroffen nam de consul dien foliant aan en maakte het voornemen hem aan het museum voor land- en volkenkunde te Batavia aan te bieden.

Daags daarna stonden onze mannen vereenigd op een der steigers van New Harbour, de aanlegplaats der mailstoomers te Singapore. De Hydaspe, mailboot der Fransche messagéries impériales lag met stoom op en tot vertrek gereed. Aandoenlijk was het afscheid, dat Johannes van zijn makkers nam. Hun aller gemoed was te vol om veel woorden te kunnen wisselen. Zwijgend en snikkend drukten zij elkander de hand en de boot was reeds de straat ingestoomd, die Poeloe Pandjang van het eiland van Singapore afscheidt, toen de drie vrienden nog uittuurden en nog meenden in de verte een zakdoek te zien waaien. Met een snik riep Johannes hen na:

„Dat God hen nu verder geleide! het waren flinke ferme kerels!”

De Hydaspe was weldra uit het oog verdwenen en stevende straat Malakka in.

De kommandant van Kwala Kapoeas had na den terugtocht van kotta Djankang geen poging meer aangewend om de deserteurs in handen te krijgen. Toen hij kort daarop met een stoomschip voor die kotta kwam, vernam hij de ware toedracht van het gebeurde, maar ook dat de vogels gevlogen waren. Zeer verbolgen was men te Batavia, evenwel niet zoo zeer over die desertie; maar Secretarie en IIe Afdeeling van het Departement van Oorlog konden niet verkroppen, dat de verantwoording des luitenants sloot als een bus en dat met diens rapporten in de hand geen zondebok was aan te wijzen. Maar.... behelsden die rapporten wel de waarheid, de geheele waarheid, niets dan de waarheid? In die fabrieken van geflatteerde verslagen en rapporten over rustige rust nam men de vrijheid daaraan te twijfelen. Er werd een commissie gezonden met vertoonbare instructie, om de toedracht van het gebeurde tot klaarheid te brengen; maar met geheime opdracht om stipt na te gaan of des luitenants handelingen geen aanleiding tot die desertie gegeven hadden. De commissarissen, volijverige landsdienaren, namen hun taak volgens die geheime opdracht op en ondervroegen iedereen tot den bijkok toe, of ook de kommandant soms bij de een of andere gelegenheid redenen tot ontevredenheid had gegeven. Toen die bijkok, een rechte snaak, daarop antwoordde, dat niet de kommandant, maar wel het hongerlijderstarief tot gepruttel en wrevel en wellicht ook tot die desertie aanleiding hadden gegeven, werd eerst die uitdrukking uiterst gekuischt geverbaliseerd; maar daar zij niet geheel weg te moffelen was, werd de geheele arbeid van die commissie in den doofpot gestopt. De IIe Afdeeling van het Departement van Oorlog en de Secretarie waren troosteloos.

Geen zondebok! Zoo iets was nog nooit voorgekomen.

Wat zullen ze in den Haag wel zeggen?!!

Eens toen de chef van gemelde afdeeling met een gouvernements-sekretaris over die zaak van gedachten wisselde, kreeg hij een lumineus idée.

„In het jaar 1800.... laat zien,.... zeven?... neen, acht en vijftig werd een kapitein der infanterie gestraft met veertien dagen provoost en overplaatsing, omdat bij het doen van reglementair voorgeschreven saluutschoten op ’s Konings verjaardag een paar manschappen der bediening door het ontijdig afgaan van het stuk ernstig gekwetst werden. Die manschappen werden voor den dienst afgekeurd en een jaar na het gebeurde werd op dien kapitein ook nog verhaald de geldelijke schade aan het rijk door het ontijdig pensionneeren van de gekwetsten berokkend. Het bedrag dier schade werd jaarlijks van zijn traktement gekort.”

„Drommels! drie straffen voor één feit, dat was ook geen vriendje.”

„Dat tot daar aan toe, maar dat kan als antecedent dienen.”

„Ja, daar zijt gij sterk in bij uw departement. Het antecedentensysteem spaart de moeite van te denken uit.”

„Om het even; thans kan het goeden dienst presteeren. Die olijkert daar in de Dajaklanden, die de brutaliteit heeft om te bewijzen, dat hij geen schuld aan het geval heeft en daarenboven de onbeschaamdheid ontwikkelt bij die bewijsvoering een dosis talent voor den dag te brengen, moet op zijn voorman gezet worden. Waar zou anders het prestige der bureaux blijven? Door die desertie is het rijk schade berokkend; schuld of geen schuld, die moet hij vergoeden.”

De legerbevelhebber diende overeenkomstig dit schitterend denkbeeld een voorstel in om den kommandant van Kwala Kapoeas te belasten met een som van 4000 gulden, zijnde het vermoedelijk bedrag van hetgeen die vier deserteurs aan den staat gekost hadden, na aftrek van een redelijk tantum voor de diensten, welke zij Nederland bewezen hadden. Hoewel niemand dan de strafrechter boeten en alleen de rekenkamer vergoedingen opleggen kan, was toch reeds het betrekkelijk besluit geschreven ter Secretarie en zou naar Buitenzorg opgezonden worden, om met de handteekening van den Gouverneur Generaal te worden bekrachtigd, toen van den consul te Singapore een even groote som ontvangen werd om voor de deserteurs plaatsvervangers te stellen. Dat was te erg; dat bracht den geheelen kladwinkel van Batavia in de war.

„Die kerel is met den helm geboren, geloof ik,” werd op zekere kamer van het paleis te Weltevreden gemompeld; „maar.... hij is nog geen kapitein, daar kan ik hem een briefje van geven. Die desertie zal later nog wel dienst doen.”

Een vriendenhand schreef het gansche verloop en den geheelen snooden toeleg naar Kwala Kapoeas. De luitenant legde des avonds toen zij bij elkaar zaten den dokter dat geschrift voor. Toen de esculaap het geheele relaas van den consul te Singapore gelezen had, barstte hij uit:

„Brave Kerle!!”

En meteen vloog hij het vertrek uit, maar kwam een oogenblik daarna weer binnengestoven met een flesch echte Veuve Cliquot in de hand. Zenuwachtig liet hij de kurk knallen, de glazen waren ras gevuld.

„Ik thrink, ik thrink op de wohlgeschlaagde.....”

De luitenant vloog op, hield den medicinae doctor de hand op den mond:

„Je drinkt op de eindbeschikking der Voorzienigheid, die mij voor de betaling van vierduizend pop behoed heeft. Drommels mijn waarde mof, ik beken dat is een dronk waard. Ik dank je van harte. Kijk daar ga je.”

De dokter keek den officier een oogenblik wezenloos aan. Eindelijk scheen hij te begrijpen. Hij bracht het glas aan den mond, maar toch kon de onverbeterlijke Germaan niet weerhouden uit te roepen, alvorens hij dronk:

„Salamat djalang!” (Geluk op hun reis.)

EINDE.

BORNEO VAN ZUID NAAR NOORD.

BORNEO VAN ZUID NAAR NOORD. Ethnografische roman, door M. T. H. Perelaer, gep. hoofdofficier van het Ned.-Ind. leger, gewezen gezaghebber in de Dajaklanden. Rotterdam, Uitgevers-Maatschappij „Elzevier”, 1881. 2 deelen. Prijs ƒ 8,25.

Ieder die bekend is met de vroegere geschriften van den Heer Perelaer, zal met genoegen hebben vernomen dat er weder een nieuw werk van hem ter perse lag, en met verlangen hebben uitgezien naar het oogenblik waarin het zou verschijnen. Ook ons is het zóó gegaan. Reeds voor jaren hadden wij in De Militaire Spectator hulde gebracht aan des Schrijvers letterkundige verdiensten en niet zonder ingenomenheid namen wij zijn Borneo van Zuid naar Noord ter hand. Wij moesten al dadelijk erkennen dat zijn talent intusschen nog was gerezen en dat hij nog meer dan weleer er aanspraak op mocht maken te behooren tot de uitstekende stilisten, tot de opgewekte, boeiende en vloeiende schrijvers. Maar wij kwamen ook tot een opmerking die ons de taak die wij hier volbrengen—en die op verzoek der redactie van De Militaire Spectator werd aanvaard—minder welgevallig maakte. De Heer P., vroeger steeds welwillend oordeelende en bezadigd gispende, is, tot ons leedwezen bitter geworden, en hartstocht schijnt nu en dan zijne pen te hebben bestuurd. Hij is daardoor niet immer onpartijdig en, maar al te vaak, historisch onnauwkeurig. Wij betreuren dit, dewijl het niet aangenaam is een schrijver te moeten weerleggen, die overigens in onze sympathie deelt, maar vooral dewijl dwalingen, verkondigd in voortreffelijk geschreven boeken, nog meer dan anders ingang vinden.

De Heer P. was geruimen tijd gezaghebber in de Dajak-streken en heeft zich de gelegenheid hem geschonken, uitnemend ten nutte gemaakt tot het verkrijgen eener breede kennis van land en volk. Zijne Ethnographische beschrijving der Dajaks en zijne Wandeling door de benting Kwala Kapoeas, (zie Mil. Spect. 1864) getuigen daarvan. Hij is alles behalve een oppervlakkig waarnemer geweest. Hij vergenoegde zich niet met het onthouden of opteekenen van wat hij zag en vernam, maar hij deed ook onderzoek naar oorzaak en gevolg, en naar het verband dat kon bestaan tusschen verschillende handelingen of gebruiken. Hij verzekert u niet alleen dat iets zóó is, maar zegt u ook doorgaans waarom het zóó is en niet anders. Het land is even goed door hem bestudeerd als het volk; hij heeft het beschouwd met een open oog voor zijne schoonheden en met een kennersblik voor zijne rijkdommen. De werken van den Heer P. zijn naar onze meening nog altijd de beste bronnen ter verkrijging van kennis aangaande de Dajaks en hun land. De veel besproken reis van Carl Bock door Oost- en Zuid-Borneo moge onze aardrijkskundige kennis van die oorden eenigszins hebben vermeerderd maar, in hetgeen er tot nog toe van bekend werd, vonden wij weinig voedsel voor onze ethnografische weetlust. Carl Bock heeft veel gezien, maar Perelaer heeft veel gezien en veel onderzocht.

Dat zulk een Schr. ten volle bevoegd is zijne landgenooten, op een andere dan de gestreng beschrijvende wijze, bekend te maken met het schoone, rijke en uitgestrekte Borneo, een land dat voor zoo velen hunner nog een terra ignota is, zal men geredelijk toegeven. Hij heeft het gedaan door het verhalen van een verdichte gebeurtenis die zoodanig is ingekleed dat zij hem gelegenheid schonk op onderhoudenden en vaak wegslependen toon, aan zijne lezers mede te deelen wat hij meende hen te moeten doen weten. Wij gelooven dat hij uitstekend is geslaagd. De dajaksche toestanden waarmede hij ons bekend maakt, zijn fiksch geteekend en levendig, natuurlijk gekleurd; de overtuiging waarmede de Schr. spreekt en de consequentie waarmede hij, over het algemeen, zijne opvatting van het dajaksche karakter volhoudt, pleiten voor de typische echtheid van hetgeen zijne tafereelen ons geven te zien. Hoe geweldig, hoe gruwelijk die tafereelen soms wezen mogen, zij trekken ons aan want men gevoelt dat zij waar kunnen zijn.

Hij die bekend wil worden met den veelzijdigen en onschatbaren rijkdom van het reusachtige eiland Borneo, kan hier zijn weetlust evenzeer ten volle bevredigen. Wij hopen dat Perelaer’s boek er toe zal bijdragen, de aandacht der Nederlanders meer op die onwaardeerbare bezitting te vestigen. Wakkere, ondernemende mannen kunnen daar grootsche dingen tot stand brengen, niet alleen in hun eigen belang maar ook in het belang van het vaderland en van de menschheid in ’t algemeen. De gruwelen waarvan de binnenlanden van Borneo nog maar al te zeer het tooneel zijn, zullen moeilijk door geweld alléén kunnen worden onderdrukt. De wel langzame maar toch zekere hand der beschaving zal hier krachtig moeten helpen. Nederland is begiftigd met schier onmetelijke overzeesche bezittingen, met bezittingen veel te uitgebreid dan dat ze naar eisch kunnen worden geëxploiteerd—in den goeden zin—door een volk dat nauw vier millioen zielen telt. Maar een vorig geslacht heeft, door het aanvaarden en zich doen waarborgen dier bezittingen, tegenover het politieke statenverband der beschaafde wereld, nu eenmaal verplichtingen aangegaan die het tegenwoordige zoo maar niet van zich kan afschudden, zonder groote ongelegenheden en internationale verwikkelingen in het leven te roepen. Men zou de stelling kunnen verdedigen dat Nederland niet minder gelukkig en welvarend zou wezen, zonder het bezit van een eiland waar het niet bij machte is te doen wat stipt genomen zou behooren, en wat het zelf ook zoo gaarne zou doen. Men zou nog daarenboven kunnen betoogen dat het onredelijk is, aan een dergelijk bezit te blijven hechten, dewijl men daardoor aan anderen belet het goede te doen, waartoe men zelf niet in staat is. Maar men komt met dit alles geen schrede verder als men niet tevens onweerlegbaar aanwijst, hoe men van zijn bezitting ontslagen kan geraken, op eervolle wijze en zonder zich tal van moeilijkheden op den hals te halen met andere zeevarende en koloniale natiën. Bij eenig nadenken zal men geredelijk inzien dat het weinig baat over kruideniers-wangunst te jammeren, want Nederland kan geen enkele noemenswaardige zijner overzeesche bezittingen eenvoudig van zijne balans afschrijven en ter beschikking laten van het een of ander volk dat er zich mocht willen vestigen. Het zegt dus weinig dat men, gelijk de Heer P. bij herhaling, en vaak niet zonder heftigheid doet, den steen werpt op Nederland dewijl het, naar zijne meening, op Borneo niet genoeg heeft gedaan en niettemin aan anderen wil beletten er misschien meer te doen. Dáárin heeft hij nochtans gelijk dat Nederland niet stil mag zitten en niet mag berusten in den heerschenden toestand. Kloeke en welberaamde ondernemingen van handel, landbouw of nijverheid, te besturen door eerlijke en kundige mannen, moeten worden aangemoedigd en ondersteund, overal waar hun de veiligheid kan worden verzekerd die zij noodig hebben voor hun bedrijf. Hun streven zal heilzaam en krachtig werken, niet alleen ter bevordering van welvaart ginds en in Nederland, maar vooral tot verzachting der zeden en tot het doen ontluiken van beschaving te midden van thans nog woeste horden. Men vergete niet dat ontwikkeling en veredeling der overheerschten het groote zoo niet het eenige doel is, waarmede een beschaafd volk zich in bezittingen als waarvan hier sprake is, mag verheugen.

Alvorens het standpunt te verlaten waarvan wij tot dusverre het boek van den Heer P. hebben beschouwd, rust op ons nog de verplichting des lezers aandacht te vestigen op de vele litterarische schoonheden die het bevat. Des Schrs. meesterschap over de pen openbaart zich vooral bij het bespreken van het verhevene; daarnaast blinkt hij uit in den deftig historischen en den ernstig beschrijvenden stijl, maar wij zouden haast wenschen dat hij niet dan spaarzaam tot den gemeenzamen afdaalde. Het is aan zoo weinigen gegeven den gemeenzamen toon aan te slaan, zonder plat, soms triviaal te worden. Multatuli, wiens geschriften zoo vaak met voorliefde door den Schr. worden genoemd, behoort er toe; hij blijft altijd gekuischt, wie hij ook laat spreken of met wien hij zich ook onderhoudt. Ons hinderde het o.a. dat de commandant der benting Kwala Kapoeas, waar de roman begint, zijn duitschen officier van gezondheid, zoo dikwerf hij vertrouwelijk met hem spreekt, „mijn waarde mof” noemt. Deze aanmerking moest ons van het hart; als wij ons gedrongen zien te bewonderen, doen wij het zoo gaarne onverdeeld, en of hier stof tot bewondering is, moge de lezer beoordeelen uit de volgende beschrijving van een bandjer.

„.....een gerommel liet zich hooren als van een verwijderden donder, dat al nader en nader kwam. De Europeanen meenden dat het werkelijk het geluid van een onweder was, hetwelk ras naderde, en werden in die meening versterkt, daar het zwerk al meer en meer betrok, de zon reeds achter een dikken wolkensluier verscholen was en eenige groote regendroppels begonnen te vallen, die in het dichte loof van het woud een tikkend geluid gaven, alsof hier en daar een hagelsteen op de bladeren viel.... Alles was doodstil in de natuur, geen blad dat bewoog, geen grashalm die slingerde, geen krekel die kriekte, geen vogel die sjilpte, geen vlinder die fladderde. De wolken drukten zwaar op het aardrijk en veroorzaakten, behalve een ontzaglijke hitte, die de zweetdruppels op de voorhoofden deed parelen, ook nog een spanning van aderen en spieren en een angstige neerslachtigheid, die niet te overwinnen was, en waaronder de geheele organische schepping zwoegde. Alleen het loeien van den nog steeds verwijderden donder deed zich hooren, maar steeds nader en nader, steeds onafgebroken. Die stem beheerschte alles, geweldig, machtig als de stemme Gods, die zij ook was.

„Daar naderde, terwijl het gedonder al dichter bij kwam en nu den heuvel met het woud en de reizigers, die er zich op bevonden, scheen te omgeven, in de rivier een muur van water van twaalf tot vijftien voeten hoog. Als loodrecht opgetrokken in die gedeelten van den stroom, waar de bedding effen was en geen of slechts luttele hinderpalen daarstelde, schreed die muur met de snelheid van een exprestrein voort. Wanneer machtige rotsen den voortgang stuitten, dan steigerde en krulde de ontzaglijk baar met haar geel drabbig water in een halven boog, alsof zij den hinderpaal, die haar in den weg stond, in een woeste omhelzing omklemmen en uit de voegen die hem geketend hielden, dringen wilde, om hem met zich voort te sleuren. Zij overdekte zich dan met een kruin van wit schuim, brak, spatte uiteen bij die ontzaglijke inspanning en donderde, en schuimde, en kookte, alsof het onderaardsche vuur onder een monsterketel aangeblazen werd. Was zij den hinderpaal te boven, dan, als verzamelde de baar zich weder, steigerde en boomde zij zich, om weer aan aan machtigen wand gelijk voort te ijlen. Aan het geloei der wateren paarde zich het geknars der rotsen, die uit hare voegen verwrikt werden, en slagen, alsof zwaar geschut losgebrand werd, wanneer die rotsblokken door den machtigen stroom medegesleept, tegen anderen aanbonsden. Boomen werden ontworteld en door het geweld des waters medegevoerd; groote steenmassa’s werden uit hunne omlijsting van klei in de taluds der rivier uitgespoeld en ploften in het water, waarop zij een poos schenen te drijven alvorens te zinken, zoo groot was de kracht en de snelheid van den stroom.

„Opgetogen hadden onze Europeanen naar dit natuurtooneel staan staren; maar nog voor dat de voortrollende watermuur uit hun oog verdwenen was werd hun bewondering afgeleid. Want alsof die voortijlende watermassa het sein gegeven had, brak het onweder op eens in al zijn majesteit los. Het vuur werd figuurlijk en letterlijk door een verblindende bliksemflits geopend; waarop een ratelende donderslag volgde, die de voorbode was van een menigte andere, die van verscheidene punten van het zwerk zich onophoudelijk lieten hooren. Tegelijkertijd verhief zich een stormwind, die zware boomen ontwortelde, de prachtigste kruinen ter aarde boog, takken afscheurde en als vederen wegslingerde en, beladen met het aan zoovele woudreuzen ontwrongen loof, zich verder spoedde om zijne verwoestingen voort te zetten. Een oogenblik was er alsof alle geluiden der aarde ontketend waren. Aan het geloei van den voorthollenden stroom, paarden zich het rollen van den donder, het gekraak der afbrekende takken, het gebons en geplof van de vallende boomen, het gehuil van den stormwind, het angstig getjilp der vogelen, het klagend geschreeuw der apen, en vormde hoe wanluidend iedere toon op zich zelven ook weerklonk, een verheven harmonisch geheel, dat zich wild en woest verhief maar het hart met ontzetting vervulde en tot bewondering voor de ontboeide natuurkrachten stemde.

„Al dikker en zwarter werden de wolken; al lager daalden zij tot het aardrijk, tot dat zij de watermassa, die zij inhielden, niet meer konden houden en haar begonnen te ontlasten. Het was toen geen regen die viel, geen droppels die nederdaalden, maar waterstralen, die door den wind gezweept, als een golvende watergordijn vormden, welke den gezichtskring beperkte en de voorwerpen belette te zien, die op weinig passen afstands verwijderd waren, waterstralen die vereenigd als beken en stortvloeden, springende, vallende en wild schuimende, de helling van het terrein volgden, om zich in de rivier te storten.”

Natuurtooneelen worden door den Schr. even meesterlijk geschilderd als natuurverschijnselen. Wij kunnen de verzoeking niet weerstaan ook hiervan het bewijs te leveren.