Borneo van Zuid naar Noord

Part 50

Chapter 503,586 wordsPublic domain

„Ja, die kleur heb ik al op de Blitang opgemerkt,” antwoordde Wienersdorf. „Maar hier op het meer vind ik, dat dit somber getinte water juist in een omlijsting als deze past. Aanschouwt dien zwarten spiegel, die zich achter ons eindeloos ver uitstrekt en onder de zonnestralen als een onmetelijke oppervlakte van git glinstert, terwijl voor ons het donkergroene loof van het hoogwoud, dat de hellingen van het gebergte bedekt, daarbij scherp afsteekt en de trapsgewijze overgangen van de zachtste tot de stoutste en de steilste vormen van dien bergwand te helderder doet uitkomen en zoo een afwisseling vormt van het liefelijke en het verhevene, zooals nauwelijks eenig ander punt op den aardbol, zoo nauw vereenigd, kan aanbieden.”

De Zwitsers zaten in volle bewondering. Als een prachtige schilderij, door een geniale meesterhand ontworpen, ontrolde zich voor hun oogen een berglandschap, dat met onweerstaanbare kracht hun gedachten naar den geliefden geboortegrond terugvoerde. Waren de wateren van het meer helder, doorschijnend en kleurloos of lichtblauw getint geweest, waren de berghellingen en rotspartijen bedekt en bekroond geweest met slanke dennen, in groepen geschaard of wel afzonderlijk staande, had zich hier en daar een kerktorentje of een witgepleisterde villa tusschen het groen der wouden vertoond, dan ware de begoocheling volkomen geweest, dan hadden de Alpenzonen daar te midden van Borneo kunnen wanen op het Bodenmeer te dobberen. Op het punt, waar zij zich met hun rangkan bevonden, was de overeenkomst verrassend en riepen zij juichend uit, dat zij de omstreken van Lindau herkenden. In het zuiden en zuidwesten strekte zich de heerlijke waterspiegel eindeloos ver uit; in het westen was het Tomodok gebergte zichtbaar; in het noorden verhief zich trapsgewijze het Batang Loepar gebergte, terwijl zich in het noord-oosten de piramiden en massieve rotsblokken van het Sareboe Saratoes gebergte opstapelden, waarachter de hoogere toppen van het Medai gebergte kwamen uitkijken, en dit laatste op den achtergrond bekroond werd door een hel lichtenden top, die onder de keerkringszon als vloeibaar zilver blonk, de Japoh Poerau, bij de Engelschen Boekit Tebong geheeten.

„Ein Firn!” juichten de Zwitsers, in hun landstaal, terwijl zij elkander den glinsterenden top aanwezen.

„Hebben wij dien te beklimmen?” vroegen zij met een zucht van heimwee.

Harimaoung Boekit schudde ontkennend het hoofd en wees naar het noorden heen. Zij zouden dus dien sneeuwtop rechts laten liggen. Dat was een teleurstelling, maar waaraan niets te veranderen viel.

Het was ongeveer middag, toen de reizigers den noordelijken oever van het meer bereikten. Onmiddellijk werden de draagmandjes opgenomen om de reis te voet te vervolgen.

„De plus fou en plus fou” mompelde La Cueille, toen hij het gekibbel waarnam van Wienersdorf met Hamadoe, welke laatste er nu op stond, om haar gedeelte van de te vervoeren vracht te dragen, maar welken eisch haar echtgenoot slechts met een kus op de malsche lippen beantwoordde. De Waal voelde zich buiten staat tot zoo’n liefdesvervoering en zoo’n opoffering en was in zijn hart blij, dat zijn vrijerij met Moendoet afgesprongen was.

„Ik zou haar pakje ook hebben moeten dragen,” gromde hij met een grijns, „en ik heb waarachtig aan het mijne genoeg.”

Nadat de rangkan behoorlijk langs den oever onder eenige afhangende struiken verborgen was, waar Harimaoung Boekit hem later hoopte terug te vinden, om bij den terugtocht te gebruiken, ging het moedig voorwaarts.

Aanvankelijk leidde het pad door een moerassige streek, die het meer omzoomde, maar na een marsch van een half uur was die doorgeworsteld en begonnen de eerste terreinhellingen zich voor te doen. Het pad was vrij goed; men kon zien, dat hierlangs een druk verkeer plaats had, hoewel noch woning noch sterveling ontwaard werden. Ons reisgezelschap stapte flink voort en vorderde zoo goed, dat, toen de avond begon te vallen, het hoogste punt van den zadelrug van het Batang Loepar gebergte bereikt was. Daar werd in het lommer van het hooggeboomte het bivouak betrokken en sliep het reisgezelschap weldra onder de hoede der wachthebbenden rustig in.

XXXIV.

De afdaling van het Batang Loepar gebergte.—Een Borneosche waterval.—De grens overschreden.—Simangang.—Afscheid.—Op de „Firefly”.—Een Sarawaksch fort.—Te Koetshing.—Aan boord van de „Rainbow.”—Te Singapore.—Vertrek naar Europa.—Besluit.

Na het ontwaken en toen de nachtnevelen door de eerste zonnestralen weggeveegd waren, ontrolde zich een wonderschoon schouwspel voor de oogen onzer reizigers. De zuidelijke helling van het gebergte, hetwelk zij den vorigen dag beklommen hadden, was met hoogwoud bedekt, waardoor ieder vergezicht verhinderd was geweest. De zadelrug, waarop zij overnacht hadden, was ook nog overdekt met prachtexemplaren van de flora der intertropische hoogzone. Maar toen zij den rand der noordelijke helling naderden, was het alsof de rijke plantenwereld, die hen tot hier begeleid had, plotseling verdween, om slechts een woest door elkander geworpen natuur te vertoonen.

Ja, woest was hier het terrein in den volsten zin des woords. Door torenhoog op elkander gestapelde rotsen was de geheele helling gevormd, werd het afdalende pad soms versperd, waren poorten, kloven en huiveringwekkende doorgangen geopend, waardoor men somtijds niet dan gebogen of kruipend heen dringen kon. Hier gaapten gevaarlijke rotsspleten met niet te peilen afgronden, op welker bodem het oor den bergstroom hoorde bruisen, maar dien het oog niet kon ontwaren. Elders verhieven zich rotskammen, steil, loodrecht, veelal somber overhellend en met dood en verderf dreigend. Toch troffen de reizigers te midden van dien chaos, door ontzettende natuurkrachten bij het vormen van den bodem teweeggebracht, soms oasen aan, welker bodem en zachte hellingen, met kort fijn gras bekleed, hier en daar gestoffeerd met een fraai gepluimden ceder, den Zwitsers een Alpenweide met haar dennen voor oogen tooverde en hun den uitroep ontlokte:

„Een park aangelegd in den verheven scheppingsstijl!”

Bij het betreden van een dier oasen, ontwaarden de reizigers een waterval, die op geringen afstand van hen langs een hoogen rotswand neerstortte. Met niet te verzadigen verrukking keken de Zwitsers naar den hoogen zwartblauwen diorietrand, scherp afgeteekend op het zachte hemelazuur, waar de waternimf haar fladderend gewaad in het ijle liet zweven. De soengei Oendoep—zoo heette die beek—in haar loop door een paar rotsblokken gestremd, stortte haar wateren ongeveer 400 voet naar beneden. Prachtig groenblauw genuanceerd, zou de voornaamste stroomarm langs den loodrechten rotswand als een kristallen straal den dalbodem bereikt hebben; maar halverwege ontmoette die straal een vooruitstekende steenmassa, waarop hij met donderend geweld in schuim en fijne stofdeeltjes uiteenspatte, om verder als melk zoo wit en luchtig als een zwevende wolk in het dal neer te dalen. De andere takken van de Oendoep sprongen onstuimig van den bovenrand af, maar ontmoetten al dadelijk steenspitsen en rotsnaalden, waaraan zij zich schenen vast te klemmen, toch echter in millioenen en millioenen schuimblaasjes uiteenspatten, haar saamgeperste zuilen in tal van wolkjes zagen overgaan, die, aan seinvuurpijlen gelijk, hun baan afteekenden, om als watervonken een oogenblik onder de keerkringszon te schitteren en langzamerhand en onmerkbaar voor den blik te verdwijnen. De vier vrienden naderden met Hamadoe den val zoo dicht mogelijk en kozen instinktmatig tot plek van beschouwing het punt, waar zij de prachtige regenbogen, allerwegen door de breking der zonnestralen gevormd, konden waarnemen. Nog meer naderende, waren zij weldra door een dubbelen regenboog omringd, die als een stralenkrans zoo geheel met ieder hunner samenvloeide, dat hij, zoolang zij zich in die nabijheid bevonden, met hen voor of achterwaarts schreed, in een woord al hun bewegingen volgde. Aan hun haren, op hun huid, op de schamele kleeding, die hen bedekte, hechtten zich de fijne waterdruppels en schitterden daar, ieder op zichzelf aan een diamant gelijk, met onvergelijkelijke pracht in prismatische kleuren.

„Schoon! wonderschoon!” fluisterde de jonge vrouw. „Zijn in uw land ook zulke tooneelen te vinden?”

„Zeker is het schoon, mijn dierbare,” antwoordde haar echtgenoot. „Maar Zwitserland zal u niet minder aanbieden. Om niet van den Rijnval te Laufen te spreken, zullen de Giessbach bij het Brienzermeer, de Staubbach in het Lauterbronnendal en meer andere u even grootsche tooneelen, zoo niet grootschere laten zien.”

„Waar de blanken zich vermaken met zoo’n waterval op te verven, niet waar?” sprak Johannes gemelijk.

„Wat bedoel je met je opverven?” vroeg Schlickeisen.

„Heb ik niet ergens gelezen, dat de natuur in ulieder vaderland te arm bevonden werd, zoodat er nog wat bengaalsch vuur bij moest om zoo’n waterval wat op te poetsen?”

„Ja, bij den Giessbach gebeurt dat; maar wanneer je ooit in Europa komt en in Zwitserland mocht verzeild raken, ga dan den val van die beek bij avond bewonderen en offer een zestal francs op om hem verlicht te zien.”

„Ik zal er wel voor passen,” sprak Johannes met ietwat verontwaardiging in zijn stem.

„He! waarom zul-je daarvoor passen?”

„Omdat de natuur in mijn oog te verheven is, om haar door een narrenkleed, een hansworstenpak te ontheiligen. De Europeanen—vergeeft mij de uitspraak—zijn en blijven narren overal. Ik herinner mij dat ergens op Java bij den intocht van den Gouverneur-Generaal al de stammen der prachtige kanarieboomen, die aan weerszijden van den weg, dezen tot een verrukkelijk lommerrijke laan maakten, tot anderhalve manshoogte helder wit gekalkt en met een rood randje versierd waren. Zoo iets kan slechts in het brein van een volbloed Europeaan opkomen. Er moet steeds zoo iets van een lappendeken bij zijn. Gekalkte boomstammen en bloed- roode watervallen! God betere ’t!.... Maar, om tot een ander onderwerp over te gaan, laten wij, terwijl wij vol bewondering voor dezen waterval staan, elkander de hand drukken en geluk wenschen.”

„Gaarne,” lachte La Cueille, „ik houd van geluk wenschen, omdat dan een oorlam niet ver af is.”

Johannes sprong op een der draagmandjes toe, greep een paar vierkante flesschen, echt merk A.V.H., schonk ieder der aanwezigen een flinken teug in, verhief daarna zijn klapperdop en sprak:

„Mannen! broeders! Heden ochtend hebben wij den zadelrug van het Batang Loepar gebergte overschreden. De kam van dat gebergte maakt de grens uit tusschen het Nederlandsche grondgebied en Sarawak. Die grens zijn wij overgetrokken en we bevinden ons thans op het gebied van Radja James Brooke. Mij dunkt dat het wel een gelukwensch waard is. De meeste en grootste gevaren liggen even als die grens achter ons. Weinige dagreizen scheiden ons nog slechts van de zee en, vergeleken met hetgeen wij doorworsteld hebben, is het afteleggen traject als kinderwerk te beschouwen. Broeders! ik drink op Radja James Brooke, die zoo ter rechter tijd op de onherbergzaamste kust van geheel Borneo een rijk heeft gesticht, als het ware om ons na zoo’n tocht op te nemen en in veiligheid te brengen. Hip! hip!! hoera!!!”

„Hip! hip!! hoera!!!” antwoordden de overige Europeanen.

„Lēēēh lĕlĕlĕlĕlĕ ouiiiiit!!!” gilden de Poenans.

De reizigers lieten nu de oogen weiden over de vlakte, die zich aan hun voeten uitspreidde. Hoe woest ook de hellingen aan deze zijde van het Batang Loepar gebergte waren, daar beneden strekte zich een tapijt uit van het weligste groen. Te midden van dat tapijt ontrolde zich een zilveren lint, hetwelk nagenoeg van zuid naar noord slingerde. Harimaoung Boekit verklaarde den vrienden, dat het de soengei Oendoep was. Hij wees hun op een punt aan den horizon, dat helder wit op het liefelijke groen uitblonk. Wienersdorf greep zijn kijker:

„Het zijn witte Europeesche gebouwen!” riep hij met van aandoening trillende stem.

„Goddank!” riep Schlickeisen.

„Bénie soit la très Sainte Vierge de Jupille,” mompelde La Cueille zeer devoot, terwijl hij zijn hoofddoek afnam.

„Ja, het zijn gebouwen, behoorlijk gewit,” ging Wienersdorf aandachtig kijkende voort. „Als ik wel onderscheid, ligt daar een fort. Het schijnt een vierkante, gebastionneerde redoute te zijn. Ik zie zelfs den vlaggestok. Maar die vlag? Slap en bewegingloos hangt zij langs de lijn. Zij schijnt.... maar ah! daar ontplooit haar een windje. Een veld van goud, waarop een rechtstandig kruis, hetwelk de geheele baan in vier vakken verdeelt. De opstand van het kruis is half rood en half zwart, en de eene kruisarm vertoont deze, de andere gene kleur.”

„Dat is waarschijnlijk de Sarawaksche vlag,” sprak Johannes.

„Die plaats heet Simangang,” lichtte Harimaoung Boekit toe.

De reizigers waren nu snel beneden aan den voet van de bergketen en vóórdat de zon ten ondergang neigde, waren zij bij het Sarawaksche fort aangekomen. Aanvankelijk liep de bezetting te wapen, toen ons troepje reizigers verscheen, maar Schlickeisen, die uitmuntend Engelsch sprak, trad alleen vooruit. Toen de assistent-resident tevens militaire kommandant vernam, dat vier Europeanen tot dat troepje behoorden, dat dit vier soldaten waren, die van de Hollanders weggeloopen waren, krulden zich zijn lippen tot een glimlach. Dat „the damned Dutchman” een kool gestoofd was, bracht Mr. Spencer in een buitengewoon goede luim. Hij trad naar buiten, monsterde het troepje en stond genadig toe, dat de Europeanen hun intrek in het fort namen. Harimaoung Boekit met zijn Poenans zouden evenwel buiten moeten blijven.

„Gij treft het bijzonder,” betuigde de Engelschman; „morgen ochtend vertrekt de „Firefly” naar Koetshing; met die kunt gij de reis medemaken. Daar zult gij wel een vaartuig aantreffen om u naar Singapore te brengen.”

De Europeanen dankten innig voor deze gunst. Zij verkozen evenwel den nacht buiten het fort door te brengen. Het zouden de laatste uren zijn, die zij in gezelschap van het brave Poenanhoofd zouden doorbrengen. Hij zou zijn vrienden aan boord zien stappen, om onmiddellijk daarna den terugtocht naar soengei Miri te ondernemen.

Onder opgeruimd gekout, soms afgewisseld door een weemoedige stemming bij de gedachte aan de naderende scheiding, ging de nacht voorbij. Bij het aanbreken van den dag brachten de Europeanen hun draagmandjes, waarin hun schatten verborgen waren, aan boord van de „Firefly”. Harimaoung Boekit vergezelde hen tot op het dek. Toen het laatste gegil van de stoomfluit weerklonken had, greep hij zijn zuster om den hals en keek haar aandachtig in de oogen, alsof hij zich haar beeld in de ziel wilde griffen; terwijl heete tranen hem langs de wangen biggelden. Onstuimig klemde hij haar eindelijk aan zijn borst, greep toen de hand van Wienersdorf en bracht die aan de lippen.

„Paharingkoe Dohong” (mijn broeder Dohong) sprak hij snikkend. Dat waren de eenige woorden, die hij in zijn ontroering vermocht uit te brengen.

Nog een getjingel van de bel, nog een gegil van de stoomfluit, toen rukte hij zich los uit de omarming van Hamadoe, drukte de vier vrienden nogmaals de hand en sprong aan wal. De loopplank was reeds ingetrokken, de raderen volbrachten hun omwentelingen en weldra was er een klove tusschen zuster en broeder, een klove die met iedere seconde in uitgebreidheid toenam, totdat beider beeld zich in den morgennevel oploste en zij onzichtbaar voor elkander waren. Hamadoe wischte zich toen een traan van de frissche wang, sloeg haar arm om den hals van Wienersdorf en lispelde:

„Nu zijt gij mijn alles!”

Een hartelijke omhelzing beantwoordde haar omstrengeling en de innigheid daarvan overtuigde haar, dat de man, voor wien zij alles op aarde verliet, haar niet minder liefhad dan zij hem.

„Wat zag het er smerig uit in dat fort,” zeide La Cueille, toen het viertal bij elkander een kringetje op het dek gevormd had. „Ik heb gisteren daar eens in rondgewandeld; maar foei, wat ’n vieze boel.”

„Je kondt wel zien, dat de schrobbende, poetsende, wrijvende en boenende Hollanders daar niet huishouden. Ik heb daar ook rondgewandeld en ziet hier, wat ik opgemerkt heb. Het fortje te Simangang, welks borstwering, zooals gij hebt kunnen zien, uit ijzerhouten palissaden bestaat, is bewapend met vier gladziels kanonnen van 6 ℔, geplaatst op rolpaarden; oude vuile dingen, die daar als bangmakers staan en waarvan bij aanranding meer gevaar dan heil voor de bezetting te verwachten zoude zijn. Het garnizoen, geheel uit Dajaks bestaande, is 35 man sterk, die evenwel met de Sniderkarabijn, een uitmuntend achterlaadgeweer, gewapend zijn. Er is maar één Europeaan in het fort, de assistent-resident. Dat is een burger, wien tevens het kommando over het fort is opgedragen.”

„Het is wat moois,” grinnikte La Cueille, „een politiek! wat zullen die soldaatjes zich lekker gevoelen en wat zal er voor hen gezorgd worden.”

„Zwijg kerel; dat je die lui hier aan boord niet hooren, maar het is ellendig. Om zoo’n zwartrok eenigszins in staat te stellen een niet al te mal figuur te slaan tegenover zijn manschappen, is hem een instructie uitgereikt onder den officieelen naam van: „hints to young out-station officers from the rajah.” Een curieus stuk, waarin op eigenaardige wijze den pseudo-officier zijn verplichtingen zijn voorgehouden. Zoo wordt er o.a. in voorgeschreven, dat om zich te overtuigen of de wapens in orde zijn, hij den vinger in de geweerloopen moet brengen, ten einde te zien of die ook beroest zijn. Ook dat het beste en zekerste bewijs van een goede waakzaamheid is het hooren van den stap van den schildwacht.”

„Kom laat naar je kijken,” lachte de Waal, „dat weten de korporaals van de plattelands garde civique in mijn land nog voor zij hun kemelsharen galons verwerven.”

„Wel mogelijk, maar dat moet aan de Sarawaksche dienstdoende officieren schriftelijk gegeven worden, anders weten zij het niet. Dat is nu eenmaal zoo. Ik vernam verder, dat in Sarawak veertien van die fortjes bestaan, waarvan het meerendeel slechts door een dozijn soldaten bezet zijn. Simangang als grenspost eischt evenwel een sterker garnizoen.”

„Twaalf Dajaks onder bevel van een stalen pen, duizend duivels! zoo’n fort moet onneembaar zijn.”

„Dat Simangang is prachtig gelegen,” sprak Schlickeisen, „het is een wel uitgekozen punt aan de samenvloeiing van twee rivieren. Hoe heeten die?”

„De hoofdstroom heet Batang Loepar.”

„Maar zoo heet het gebergte, waarover wij getrokken zijn.”

„En zoo heet ook de stroom, die aan den voet van dat gebergte ontspringt. Het is een prachtig vaarwater bijna aan een zeearm gelijk. De rivier, die zich tegenover het fort Simangang in de Batang Loepar ontlast, heet soengei Sakarang.”

De „Firefly” was een flinke raderboot, die zich op dien fraaien breeden stroom snel en sierlijk bewoog. Bij het vallen van den avond had zij de monding bereikt en konden de reizigers zich in den aanblik der zee verlustigen. De steven werd nu westwaarts gewend en nog voor dat de dag aanbrak, was zij de monding van de soengei Moratabas, een tak van de Sarawak-rivier, binnengestevend. Een paar uur later lag zij voor Koetshing, de hoofdplaats van het Sarawaksche rijk ten anker. Radja James Brooke ontving onze reizigers welwillend en hoorde het verhaal hunner wederwaardigheden met de meest onverdeelde belangstelling aan. Onverholen bewonderde hij hun stoutmoedigheid, hun geestkracht en doortastendheid, maar ook onbewimpeld veroordeelde hij de volvoerde desertie, die hij als „faithlessness” trouwbreuk tegenover het gouvernement, waarmede een verband was aangegaan, brandmerkte. Toch kon hij niet over zich verkrijgen de mannen, die zoo’n tocht volvoerd hadden, die zooveel geleden en ondervonden, die alles gewaagd hadden om hun vrijheid terug te krijgen, aan de Nederlandsche autoriteiten uit te leveren.

Twee dagen later vertrok de „Rainbow”, een elegant schroefscheepje als bark getuigd, naar Singapore en scheepten onze reizigers zich daarop in. De Europeanen hadden zich het verblijf te Koetshing ten nutte gemaakt en alle pogingen aangewend, hun huid met veel zeep van haar katitingverf te ontdoen, hetgeen niet geheel en al gelukte. De bronskleur, die hen zoolang beschermd had, liet zich zoo maar niet verwijderen en zij bleven uitzien als Indo-Europeanen, d.w.z. als individuën van gemengd ras. Zij moesten het aan den tijd overlaten om hun huid op te bleeken.

„Crétonnerre!” pruttelde La Cueille, „niemand zal mij te Jupille herkennen.”

„Dat zal razend jammer zijn,” lachte Johannes, „maar laat je bamboemesje van soengei Naning zien, ik verwed, dat je dan toch de opmerkzaamheid van al de Walinnetjes van het geheele Luikerland tot je trekt.”

Allen lachten, alleen de Waal bewaarde verontwaardigd zijn ernst.

„Maak je maar niet ongerust,” ging de spotter voort, „je hebt nog wel een paar maanden voor den boeg, alvorens te Jupille aan te komen. Gebruik je nu vlijtig eau de Javelle, dan zul je wel voldoende gebleekt zijn, om er weer uit te zien als een jodenpaaschkoek. En mocht er nog een spoor van de katiting overgebleven zijn, dan zal dat bij de Walenmaagden wel door den inhoud van je wandelstok vergoed worden.”

„Te drommel ja,” lachte Schlickeisen, „weinig reizigers kunnen zich beroemen, met zulke kostbare stokken te huis te komen.”

Het viertal had ook getracht zich van fatsoenlijke kleeding te voorzien. Wel zijn de modemagazijnen te Koetshing met een lantaarn te zoeken; toch slaagden zij naar wensch en konden de ewah en de „klambi” (baadje) die hen tot heden gedekt hadden, tegen een matrozen zondagspak verwisselen. Hamadoe had zich onder de leiding van haar echtgenoot en van Johannes eenige sierlijke sarongs en witte kabaai’s aangeschaft en zag er, daarin getooid, allerliefst uit. Ook Dalim en zijn makker van Kwala Kapoeas hadden zich getransformeerd en prijkten nu in de smaakvolle kleederdracht van de bemiddelde Maleiers. Allen zagen er dus bij het aan boord stappen zeer deftig uit en onmogelijk kon men hen aanzien, dat zij ongeveer drie maanden in Borneo’s wildernissen hadden rondgezworven.

De „Rainbow,” te Glasgow gebouwd, was een wakker scheepje, dat den postdienst tusschen Sarawak en Singapore volvoerde. Denzelfden dag van vertrek liep het vaartuig bij kalm en helder weder dicht onder de rotsen van Tandjoeng Datoe en kon ons viertal nog een laatsten blik werpen op het eiland, dat zij van zuid naar noord doorgetrokken en alwaar zij in zulke zonderlinge toestanden verkeerd hadden. Allen keken met aandoening naar die kaap, niet het minst de jonge vrouw, die met verkropte droefheid nog een tip van het land harer geboorte daar voorbijschuiven, langzaam op den achtergrond treden en eindelijk aan den gezichteinder verdwijnen zag.

„Naughe,” lispelde zij, „ajoeë Mahatara mangkilak.” (Het zij hoe het zij, het is Gods begeerte). Zij wendde den blik van den horizon af, waar haar oog nog lang had getracht Poeloe Kalimantan te ontwaren en zocht toen troost bij haar gemaal.