Part 42
Wienersdorf verbond den arm van zijn gekwetsten makker op het liefderijkst. De wond was wel groot en had nog al bloedverlies veroorzaakt, maar de houw was meer in een schuine richting aangebracht en was niet diep doorgedrongen, zoodat weinig gevaar bestond. Een papje van de fijngewreven bladeren van den boentoek kakoembang werd op de wond gelegd, om de ontsteking te weren. Johannes regelde nu den zekerheidsdienst voor den nacht, die trouwens zoo heel zwaar niet behoefde te zijn, daar een terugkeer van den vluchtenden vijand wel niet verwacht kon worden, waarna allen zich te rusten legden. Alleen Wienersdorf en La Cueille gingen hun dulcinea’s nog eens opzoeken, om heel galant te vernemen, of de ontsteltenis, dien dag ondervonden, eenigszins bedaard was. Och, zulke tooneelen waren haar niet vreemd; de deernen waren vrij opgeruimd en verheugden zich van ganscher harte, dat die gevaren al weer achter den rug waren. Al spoedig zaten de gelieven bij elkander in een druk gesprek gewikkeld en uitten de beide Europeanen, volgens de inspraken van hun hart en de mate hunner ontwikkeling, ruw en ongekunsteld of gevoelvol en beschaafd, maar beiden onverholen, de hoop om toch spoedig zoo’n land van verschrikkingen te kunnen verlaten.
De beide verliefde paren zaten met nog eenige jonge dames in het vertrek, alwaar de meisjes gastvrijheid gevonden hadden. Hamadoe en Wienersdorf zaten innig met elkander te keuvelen en weldra was hun omgeving, ja het geheele heelal voor hun liefdevolle blikken, die elkaar slechts zochten, verdwenen. Het gesprek tusschen Moendoet en La Cueille vlotte zoo niet. Hij had dien dag vele inspanningen doorgestaan, misschien had hij ook wel hier of daar een teugje toeak weten machtig te worden. Hoe het ook zij, hij voelde zich wezenlijk vermoeid en uitgeput. Na een poos met zijn schoone gepraat te hebben, werd hij al loomer en loomer, hij strekte de ledematen gemakkelijk uit op het matje, waarop hij, naast het meisje gehurkt, gezeten had, liet het hoofd op haar schoot rusten en geraakte in dien verdoofden toestand, niet zelden in de keerkringslanden, die geen slapen en geen waken is, waarin het lichaam rust, maar waarbij de geest nog ten halve werkzaam blijft. Liefdevol zat het meisje hem aan te staren, haar blik bleef op hem geboeid. Zij hield zich stil, om zijn rust niet te storen. Bij een beweging, die de slaapdronkene maakte, en waarbij hij met de hand door de haren woelde, streek zij hem de lokken uit het aangezicht en bracht die met zachte hand op hun plaats. Zij begon er een soort van genoegen in te vinden, de vingers door die zijdeachtige haren te laten gaan, zoo verschillend met de harde haren van haar zelve en van haar stamgenooten. Zacht streelde zij dat hoofd; maar plotseling begonnen haar vingers meer bedrijvigheid te toonen. Zij boog voorover en fluisterde tot een harer vriendinnen:
„Panggoeti.”
Dat woord laat zich zoo gemakkelijk niet vertalen. „Pang” is een voorzetsel dat „veel” beteekent en „goeti”; wel.... dat is de „pediculus capitis” der latijnen.
De vriendin schoof naderbij en beide meisjes waren weldra bezig een vreemdsoortige jacht op het hoofd van den Waal te houden. De vingers woelden tusschen de lokken en vervolgden het wild op de haarhuid. Iedere pediculus, die zich liet verrassen, lokte een waas van vergenoegen op het gelaat der schoonen. Het diertje werd op de hand gezet, bewonderd, weer tusschen den duim en voorsten vinger gegrepen en tusschen de lippen van de vriendin gebracht, die het insect tusschen de tanden deed knappen en zich zoo het verhemelte streelde. Die vriendschapsbewijzen geschiedden over en weer en gingen met de gebruikelijke kwinkslagen gepaard. Eindelijk door dat gewiemel op zijn hoofd uit zijn verdooving geraakt, opende de Waal de oogen en zag zich niet onaardig geëncadreerd door de beide lieftallige wezens. Hij glimlachte en trok Moendoet naar zich toe, om haar een kus te ontrooven; maar op dat oogenblik scheen de jacht juist buitengewoon voorspoedig te zijn. Beide meisjes haalden de hand bedachtzaam uit zijn hoofdhaar terug en brachten die te gelijkertijd aan zijn mond. De Waal, onbekend met wat er omging, opende lachend de lippen en ontving de levende lekkernij op de tong. Toen hij haar gekrieuwel gevoelde, keek hij de meisjes een poos aan, die zijn blik met een argloozen oogopslag beantwoordden. Lang niet gerustgesteld, spoog hij op zijn hand, bekeek wat hij in den mond had gehad en barstte in een wilden vloek uit:
„Des poux! des poux! sacré saloppes! des poux dans ma bouche!”
En meteen gaf hij ieder der meisjes een oorvijg, die klonk als een klok. De deernen begonnen zoo te gillen en te schreeuwen, dat een gedeelte der bewoners van de kotta, in hun nachtrust gestoord, kwam kijken wat er toch gaande was. Er ontstond toen een leven als een oordeel. De meisjes beweerden huilende en snikkende, dat zij den vrijer een beleefdheid hadden bewezen, door hem een lekkernij aan te bieden; de Waal vloekte en raasde, omdat men hem, volgens zijn beweren, onreine dingen in den mond gestopt had. De twist liep al hooger en hooger, tot dat Johannes en Dalim aankwamen en zich lieten inlichten. Nu was de zaak spoedig opgehelderd. Moendoet werd aan het verstand gebracht, dat haar vrijer nog te nieuwbakken Dajak was en dat hij nog maar niet kon vergeten, dat hij Arabier was, en uit een land kwam, waar zulke gerechten niet op prijs worden gesteld. De Waal vernam, dat de versnapering, die hem aangeboden was, een wezenlijke attentie geweest was, die hij met een lompheid beantwoord had.
„Ik laat me villen,” mompelde hij, terwijl hij zich nogmaals den mond afveegde, „als ik haar nog een zoen geef.”
„En toch zult ge daartoe moeten overgaan,” was het kalme wederwoord van Johannes, „want je hebt een bewijs van toegenegenheid met een onbetamelijkheid beantwoord; daar valt niets aan te doen, die moet je herstellen.”
En Moendoet bij een hand grijpende, bracht hij het mokkende meisje bij den Waal, die het lieve gezichtje toch al met een soort van spijt en verlangen aanschouwde. Johannes gaf haar een kleinen duw, zoodat zij in La Cueille’s geopende armen terecht kwam. Hij kon haar toch niet op den grond laten vallen. De lippen zochten elkander, een hartelijke zoen weerklonk en de vrede was gesloten. De Waal benutte een oogenblik, dat hij meende ongezien te zijn, om zich nogmaals den mond af te vegen.
XXVIII.
Lijkplechtigheid en lijkverbranding.—Het slachten der krijgsgevangenen.—Een gierenmaaltijd.—Een Doessonsche krijgsgevangene gered.—Berichten van de vijandelijke macht.—Beraadslaging.—Soengei Mantarat.—Over land naar soengei Minjangan.—Gebrek aan water.—De „ngaga’s.”—„Ramon petak kinan.”—Hamadoe dorstig.—Een overval.—Een batonnist.
Den volgenden morgen waren alle kottabewoners, ook de Poenans en Kapoeassers in de weer, om de verdere toebereidselen te treffen en de gesneuvelde makkers, die niet tot de bezetting van kotta Hamiak behoorden, te verbranden. Op het binnenplein der versterking werd een „sanggarang” opgericht, een fraai besneden mast, die zich ongeveer tien M. boven den grond verhief. Op den top van dien mast was een houten vogel met uitgespreide vleugels bevestigd, en onmiddellijk daaronder een aarden pot, waaruit de bodem geslagen was. Onder dien pot was een dwarslat aangebracht, die aan weerszijden van den sanggarang een paar d.M. uitstak en waarover heen elf lansen waaiervormig waren vastgemaakt, even veel als er lijken waren, Amai Mawong en de gevallen Siratters niet meegerekend, voor wie de lijkplechtigheden later zouden plaats hebben. De Dajak gelooft dat de zielen van den sanggarang, van den vogel, den pot en de lansen allen in de lewoe liau (het zielenverblijf) in een menigte kostbaarheden ten dienste der overledenen veranderd worden.
Omdat de betreurden door ’s vijands handen gevallen waren, werd naast den sanggarang een „pantar solangan” opgericht, een driekant bekapte mast, die vijftien M. boven den grond uitstak, waarop een schedel van een der gevallen vijanden geplaatst was. Op ieder der drie vlakken van den mast waren zeven schuinsche inkepingen aangebracht, waarin dunne dwarsstokjes gebonden waren, die ook een paar d.M. uitstaken en waaraan bevallig gekrulde bladeren van den palasboom (een palmsoort) als versierselen waren gehangen.
Vlak voor de masten werd een rij sapoendoe’s geplant, die noodlottige palen, waaraan de krijgsgevangenen gebonden moesten worden. En voor het midden dier rij sapoendoe’s werd een aardhoop opgeworpen, die een M. hoog, twee breed en vier lang was. Toen die goed aangestampt was, werd daarop de „pamahei” (brandstapel) opgericht, zijnde dit een regelmatige kubus, die van droog brandhout tot twee M. boven het grondvlak van den aardhoop opgetrokken werd. Op het grondvlak zelf en ook nog op andere plaatsen in de zijwanden, werden mandjes, met hars gevuld, tusschen het hout ingewerkt, om het vuur krachtig te voeden.
Toen men daarmede gereed was, verzamelden zich alle aanwezigen in de kotta om den brandstapel en nu werden de lijken der gesneuvelden in hun vollen oorlogstooi daarop gerangschikt. Het hars, in de onderste houtlagen ingewerkt, werd nu op alle zijden van den pamahei in brand gestoken en weldra verhieven zich dikke rookwolken, waartusschen vurige vlammenspitsen lekten. De krijgsgevangenen werden nu uit hun kooien gehaald en aan de sapoendoe’s gebonden. Die menschen zagen er ellendig uit, hun haren hingen hun verward langs de schouders, bij de meesten hing de ewah, het eenige kleedingstuk, dat zij om het lijf hadden, aan flarden om de lendenen. Overigens was hun voorkomen kalm en rustig. Niet uitdagend, maar ook volstrekt niet terneergeslagen. Zoodra zij allen vastgebonden waren, begonnen de Balians hun gezangen en was dat het teeken, om de afzichtelijke plechtigheid te beginnen.
Eenige mannen schaarden zich om den brandstapel en bliezen vergiftigde pijltjes in den opdwarrelenden rook, om de booze geesten te verdrijven. Maar het gros sloeg een grooten kring om de arme slachtoffers. In de hooge boomen rondom zaten een troep antangs, hongerige gieren, die wisten wat ging gebeuren.
Daar trad Amai Kotong vooruit; hij hief zijn lans op en bracht den eersten krijgsgevangene, die gedood zoude worden, een lichte wond in den schouder toe. Op hem volgde Harimaoung Boekit, daarop de Poenans, de Kapoeassers en de Siratters door elkander. Ieder bracht op zijn beurt een steek toe en maakte plaats voor zijn opvolger. Zoodra allen hun beurt gehad hadden, trad de eerste weer voor. Zoo duurde dat lijden meer dan een half uur; want slechts lichte verwondingen werden toegebracht. Het bloed stroomde en vormde op den grond beekjes en plasjes. Van tijd tot tijd daalde een der gieren van zijn verheven standpunt naar beneden, greep met bek en klauw een gelei van geronnen bloed en hernam zijn plaats in den boom, om zich daar naar hartelust te goed te doen. O! de pijn, het lijden had tot nu toe geen smartkreet aan den gemartelde kunnen ontlokken, maar op dat gezicht steeg de angst van den ongelukkige ten top. Zoo voor oogen te hebben, wat het lot van zijn lijk na den dood zal wezen, was een foltering zoo ontzettend wreed en onmenschelijk, dat het alleen in een duivelenbrein kon opkomen, een krijgsgevangene daaraan te onderwerpen. Machteloos daar aan dien paal gebonden te zijn; niets te kunnen doen, om tegen den onverbiddelijken dood te kampen; toch nog, niettegenstaande alle ondergane ellende en beproeving, niettegenstaande de ondervonden marteling, aan het leven gehecht blijven; maar bij elken lanssteek, bij elken luwen luchtstroom, door de vlucht der nederstrijkende antangs veroorzaakt, die hij gulzig zijn bloed ziet verzwelgen, herinnerd te worden aan het onvermijdelijke, dat was de toestand van den rampzalige, die, hoewel zijn aangezicht slechts angst en vertwijfeling verkondigde, toch geen geluid gaf, dat het hart zijner beulen zou hebben kunnen streelen.
Doch, eindelijk was de marteling ten einde; de ongelukkige zakte in elkander, bezweken aan bloedverlies. De menschelijke aanvallers lieten nu eerst af en begaven zich naar het volgende slachtoffer, wiens marteling nu begon. Het nog lauwe lijk hing letterlijk in zijn banden aan den noodlottigen paal en verstijfde zoo in die houding. Nu streken de antangs er op neer en begon een maaltijd, die alleen in afgrijselijkheid op zijde gestreefd wordt, wanneer menschen zich aan het vleesch hunner natuurgenooten vergasten. Een der oudste gieren, „de roode ngabi” zooals de Dajaks hem noemden, had van zijn privilege gebruik gemaakt en de oogen voor zijn buit uitgekozen. Met krachtigen klauw en scherpgehaakten snavel scheurde hij die uit en vloog daarmede in een naastbijzijnden boom. In een oogwenk was het lichaam onherkenbaar, het vertoonde slechts een afzichtelijke bloederige massa, waarin bek en klauw wroetten, totdat eenige Dajaks toesnelden, de roofvogels verdreven, het lijk van zijn banden ontdeden, het onthoofdden en op den brandstapel plaatsten, om het met de lijken zijner vijanden te verbranden.
Zoo werden dien dag, onder dezelfde martelingen, onder dezelfde ontzettende omstandigheden nog tien menschelijke wezens ter dood gebracht.
De vier Europeanen hadden zich aan dat schouwspel, zoo veel hun mogelijk was, onttrokken. Eerst hadden zij een toevlucht in een hoekje van het binnenplein gezocht, waar zij voor het vreeselijk gezicht gedekt zaten, maar waar de wind hun den schrikkelijken rook van den brandstapel met zijn geuren van gesnerkt vleesch aanbracht. Toen hadden zij aan de andere zijde van het plein onder een afdakje plaats genomen, alwaar zij niet geheel en al het afzichtelijk tooneel ontgaan konden, maar waar zij trachtten zich bezig te houden, met het in orde brengen niet alleen van hun eigene wapenen, maar ook van de geweren door de Dajaks gebruikt, die dat wel noodig hadden. Helaas! de wreedaardige handeling, die plaats had, konden zij niet verhinderen.
Johannes had met veel moeite van de hoofden verkregen, dat een der gekwetste Doessonners, die daags te voren binnengebracht en in een karandah opgesloten waren, het leven geschonken en aan hem Johannes als pandeling afgestaan werd. Het was een jongeling van ten naastebij twintig jaren, die bij een zachtmoedig uiterlijk er toch ferm en vastbesloten uitzag. Hij was slechts licht gewond door een houw over het achterhoofd, die, behalve in de schedelhuid, niet diep ingedrongen was. De hevige pijn had hem evenwel bewusteloos doen neerstorten en het was in dien toestand, dat hij krijgsgevangen gemaakt was. Toen hij tot bewustzijn wederkeerde, was hij in een karandah opgesloten.
Aanvankelijk, nadat hij uit de kooi gehaald was, toonde hij zich schuw en schichtig, een jonge tijgerkat gelijk. Hij kon niet begrijpen, dat iemand belang in zijn lot kon stellen, dat iemand alleen uit medeleden hem het leven wenschte te redden. Maar, toen die vier mannen, die zich daar zoo afgezonderd hielden, hem vriendelijk toespraken, alles aanwendden, om hem aan het verstand te brengen, dat hij van hen niets te vreezen had; toen hij ondervond dat zij liefderijk en zacht zijn wond betten en verbonden, hun voedsel met hem deelden; toen ontdooide de ijskorst, die dat jeugdige gemoed omgaf, werd hij spraakzaam, ja mededeelzaam, en eindigde met de vragen, die Johannes hem deed, openhartig te beantwoorden.
Voorzeker, om een menschenleven te redden, had deze zich het lot van dien jongeling aangetrokken; maar vooral ook om bekend te worden met den aard en de bedoeling van den krijgstocht van Tomonggong Soerapatti. Na de genegenheid van den gevangene gewonnen te hebben, vernam hij al ras, dat Soerapatti met ongeveer 1200 man uit soengei Lahej opgerukt was, met het doel, om in de eerste plaats zich op Amai Mawong te wreken en vervolgens om de Kapoeas- en Kahajanstreken te vuur en te zwaard af te loopen. Hij had een macht van ongeveer 200 strijders voor kotta Hamiak, onder aanvoering van zijn zoon Goesti Kornel achtergelaten, met opdracht, die sterkte te verwoesten en hem het hoofd zijns vijands te brengen. Met het andere gedeelte was hij voortgetrokken naar Kahajan en was kotta Oepon-Batoe het eerste doel van dien tocht. Daar voerde Tomonggong Toendan bevel en ook deze werd tot de aartsvijanden van het Doessonsche hoofd gerekend. De gevangene verhaalde, dat bij dien hoofdtroep verscheidene strijders met geweren gewapend waren, ook dat die drie of vier kanonstukjes met zich voerden. Die vuurwapenen waren afkomstig van het „banama apoei hai,” het groote vuurschip, zooals de Doessonners de veroverde „Onrust” groothartig noemen. Het plan was om, langs de soengei Sirat voort te stevenen zoover men kon, tot aan Njakatan [135]. Daar zou de weg landwaarts ingeslagen worden; men zou de rangkans over de heuvelkling slepen, die de waterscheiding uitmaakt en slechts weinige honderd passen breed is, en haar in de soengei Danampat te water laten. Dat riviertje zoude afgevaren worden, om zoo in de soengei Miri te geraken. Deze laatste rivier zoude men bij nacht afvaren, om voorloopig met de bevolking daar geen verwikkelingen te hebben; want Soerapatti haakte er naar, de kotta van Tomonggong Toendan zoo spoedig mogelijk te bemachtigen.
Dat waren allen belangrijke mededeelingen, die niet verwaarloosd mochten worden. De betoonde mededoogendheid zoude woekerwinsten afwerpen. Toen de avond gevallen was en de meeste mannelijke bewoners der kotta bij elkander gezeten waren, om de koppen der geslachte krijgsgevangenen van hun vleeschdeelen te ontdoen, gordde Johannes den geredden Doessonner een mandauw om het middel, gaf hem een mandje op den rug, waarin voor verscheidene dagen leeftocht geborgen was, bracht hem buiten de versterking, wees hem naar het oosten, gaf hem een handdruk en liet hem vrij. Geen tweede maal liet de Doessonner dat gebaar herhalen; hij greep de hand zijns weldoeners, legde die op zijn hoofd, terwijl hij een oogenblik den nek boog; en trad toen zonder aarzelen of omkijken op het sombere woud toe, waarin hij als een spookgestalte verdween. Een poos tuurde Johannes hem achterna; toen hij hem evenwel onder de schaduwen van het bosch in veiligheid zag, keerde hij zich om, trad de versterking weer binnen en riep Amai Kotong, Harimaoung Boekit en den zoon van Amai Mawong tot zich, om hun het gehoorde mede te deelen en te beraadslagen wat er te doen stond. Die berichten vielen lang niet in den smaak; zij baarden zelfs eenige ontsteltenis. Want de weg, dien de Doessonners genomen hadden, was juist dezelfde, dien Harimaoung Boekit dacht te volgen. Nu moest het reisplan gewijzigd worden. De hoofden wenschten in persoon den Doessonner te ondervragen, wanneer Tomonggong Soerapatti den tocht naar soengei Miri aanvaard had; maar tot hun groote verontwaardiging was de vogel gevlogen.
„Djari gila olo tèh!” (dat mensch is dol) mompelde Harimaoung Boekit op Johannes wijzende.
Maar de bewoners van kotta Hamiak berichtten, dat het gevreesde Doessonsche opperhoofd eerst daags te voren den tocht naar soengei Miri ondernomen had.
„Er valt dus niet aan te denken, den weg te nemen, dien wij volgen wilden,” sprak Harimaoung Boekit. „Het lijdt geen twijfel, òf we zouden op de hoofdmacht onzer vijanden stuiten òf op een hunner zijtroepen, die door strooptochten in de levensmiddelen moeten voorzien. En om hen in het open veld aan te tasten, daartoe zijn we veel te zwak.”
„Hebt ge dan een anderen uitweg?” vroeg Johannes.
„Er blijven ons maar twee middelen over. Of hier te kotta Hamiak blijven....”
„Loopen we dan geen gevaar ingesloten te worden? Die Doessonners moeten weer naar hun land terug.”
„Er zijn zooveel verbindingswegen van de Kahajan naar de Kapoeas en Doesson. In gewone omstandigheden zoude het zelfs niet waarschijnlijk zijn, dat zij hier langs terugkeerden; maar de nederlaag der afdeeling, die zij hier achterlieten om kotta Hamiak te belegeren, zal daar wel wijziging in brengen. De zucht om weerwraak te nemen, zal Soerapatti herwaarts voeren, wanneer hij te Oepon Batoe geslaagd zal zijn.”
„Welnu, dan zal het geen zaak zijn hier te blijven,” uitte Johannes als zijn meening. „Er zal nu wel zoo’n groot gevaar niet zijn, dat de kotta genomen zal worden, daar ben ik niet bang voor, maar met de koppigheid en vasthoudendheid van Soerapatti zou het toch aanleiding tot een langdurig beleg geven. Gij zeidet, dat er twee middelen overbleven. Laat hooren het tweede.”
„Dat tweede middel,” antwoordde Harimaoung Boekit, „is, dat wij de Doessonners trachten vooruit te komen, niet om dadelijk de soengei Miri, maar om de Kahajan te bereiken.”
„Is dat mogelijk?”
„Met veel haast en veel inspanning ja. Ziet ge,” ging de Poenan voort, terwijl hij de hand naar het westen uitstrekte, „daar ligt soengei Miri; we moeten evenwel dáár heen gaan,” en te gelijker tijd wees zijn vinger in zuidwestelijke richting. „We zullen de soengei Sirat volgen tot waar zij soengei Mantarat opneemt, alsdan deze laatste opstevenen tot aan de kotta van denzelfden naam. Daar zullen we aan wal stappen, de rangkans op het droge halen en ze tot aan de soengei Minjangan sleepen. Wij laten ze daar te water, zakken die soengei af en komen dan in de Kahajan.”
„Mooi gezegd!” riep Johannes. „Maar eerstens, hoe lang is de afstand van de soengei Mantarat tot de soengei Minjangan?”
„Wanneer een mensch alleen reist en hij baadt in het eerstgenoemd riviertje, dan is zijn hoofdhaar nog niet droog, wanneer hij het tweede bereikt heeft.”
„Jawel, jawel,” lachte Johannes, „die tijdsberekening ken ik. Dat lange in een wrong opgebonden haar, daarenboven beschut door een hoofddoek, droogt niet gauw. Wij zullen maar stellen, dat die eenzame reiziger daartoe vijf of zes uren zal besteden. Hoe is het terrein tusschen de beide soengeis, dat wij door te trekken hebben?”
„Het gaat vrij steil omhoog, maar is toch niet zeer moeielijk. Ik heb dien afstand meermalen afgelegd. Eenmaal op den Boekit Riwoet [136] gekomen, dalen we zachtkens.”
„Toch zullen er wel twee dagen mede gemoeid zijn, niet waar, alvorens de rangkans de soengei Minjangan zullen bereikt hebben?”
„Ja, dat zeker; zeer waarschijnlijk is het zelfs, dat we twee nachten in het bosch zullen moeten doorbrengen.”
„Dat is minder. Maar hoe lang zal de reis op de soengei Minjangan duren?”
„Ongeveer een halven dag; dan zijn we op de Kahajan.”
„Maar dan? Hoe ver zijn we dan nog van Oepon Batoe?”
„Toembang Minjangan ligt op vier „djoeking’s” (hoeken, stroombuigingen) van kotta Oepon Batoe; ik reken dat we flink zullen moeten roeien, om dien afstand in één dag af te leggen.”
„Maar zullen we Oepon Batoe voor Tomonggong Soerapatti bereiken?”
„Dat is niet zeker. Als we haast maken, misschien wel.”
„Maar als we die sterkte reeds belegerd vinden?”
„Naughe!” (het kan mij niet schelen) was het luchthartige antwoord van den Poenan, „dan roep ik de stammen van de boven Kahajan te zamen. En dan zullen we zien, wie baas zal spelen.”
„Dan mag er geen uur verloren gaan,” was de uitspraak van Johannes. „Morgen ochtend met het krieken van den dag moeten we op weg zijn.”
De Poenans en de Kapoeassers waren al gewoon geraakt onder den invloed der Europeanen, om op hun tijd te passen. Toen het dan ook na een rustig doorgebrachten nacht, in het oosten begon te dagen, was reeds alles in rep en roer en staken de rangkans een halfuur later van wal. De bewoners van kotta Hamiak zagen de reizigers, die hun zoo bij tijds ter hulp waren gesneld, met leede oogen vertrekken.