Part 41
Daar weerklonken eensklaps opvolgend, vier geweerschoten, door angst- en hulpgeschrei gevolgd. Het waren de vier schildwachten, in de boomen gezeten, die nu aangetast werden. Duidelijk zag men eenige gedaanten zich langs de boomstammen naar boven werken. De schildwachten waren dus in groot gevaar en het waren hun koppen, waarop de aanvallers het nu gemunt hadden. Op dat gezicht begaf Harimaoung Boekit zich met zijn Poenans in alle stilte te water en toen zij den oever bereikt hadden, gaven de Europeanen nogmaals vuur, waardoor de vijanden, die het hoogst geklommen waren, doodelijk getroffen, naar beneden tuimelden en de achter hen volgenden in hun val medesleepten. Van de daardoor ontstane verwarring, maakten de Poenans meesterlijk gebruik, om zich met een luid gehuil onder de ontstelde vijanden te werpen en daar de mandauws hun bloedig werk te laten verrichten. Rauwe kreten van vertwijfeling, van angst, van woede, van teleurstelling deden zich gedurende dat kortstondige gevecht met het blanke wapen hooren. Na een zeer korte wijl verschenen gillend en tierend de Poenans weder en hield ieder hunner minstens een bloedigen menschenkop in de hand; er waren er bij die er twee droegen. Een gejuich, dat uit de borst van alle Dajaks, zoowel mannen als vrouwen opsteeg, ontving de overwinnaars. Maar voor dat men hen nog naar eisch had kunnen verwelkomen, lieten zich andermaal alarmkreten hooren en werd door de schildwachten aangeduid, dat thans het gevaar van de rivierzijde dreigde. En inderdaad vertoonden zich bovenstrooms op de soengei een viertal rangkans, zwaar bemand, die pijlsnel voortschoten met het oogmerk, om de vaartuigen onzer reizigers te enteren. Maar weldra klonk ook hun een goed onderhouden geweervuur tegen, eerst door de Dajaks begonnen, en toen dat niet afdoend bleek, om de aanvallers te doen deinzen, door de Europeanen gevoed, waarbij de repeteergeweren van de Zwitsers andermaal wonderen verrichtten. Met al hun moed vermochten de Doessonners door zoo’n kogelregen niet te dringen. Al spoedig telden zij een groot aantal dooden en gekwetsten en waren zij daardoor tot den terugtocht genoodzaakt. Toen zij hun achterwaartsche beweging begonnen, die tegen den zwaren stroom in niet spoedig ging, verzamelde Johannes de geweerdragende Dajaks en liet hen salvo’s geven. Dat waren nu wel geen salvo’s van geregelde troepen; zij vergrootten evenwel de vrees der vluchtenden en bespoedigden hun aftocht. De drie andere Europeanen kozen meer kalm hun doelwit, schoten bedaard en zonder overijling en veroorzaakten daardoor bij hun bedrevenheid als schutter dood en verderf in de vijandelijke vaartuigen. Het was voornamelijk de achterste rangkan, die van hun kogels het meeste te lijden had. Schot op schot, dat dreunde, kwetste of doodde een roeier. Eindelijk waren er niet meer genoeg, om den stroom te kunnen breken. Een oogenblik bleef de rangkan onder de wanhopige pogingen der overblijvenden op dezelfde plek, zonder voor- of achteruit te kunnen; maar daar werd andermaal een roeier geveld; toen begon het vaartuig te deinzen, eerst langzaam, totdat weer een stervende hand de pagaai liet ontglippen. Toen sprongen de ongedeerd gebleven Doessonners te water, om zich door de vlucht te redden en kwam de rangkan, met al de snelheid afdrijven, die de stroomdraad er aan verleenen kon. Op dat gezicht waren de Poenans niet te weerhouden; in een oogwenk waren zij te water en hadden zij het vaartuig geënterd. In minder tijd dan verteld kan worden, waren al de gekwetsten en dooden, die daarin lagen, onthoofd. De lijken werden in het water geworpen en de rangkan al zwemmende naar den wal gestuurd, van waar hij langs het struikgewas voortgetrokken, als buit bij de flotille gebracht werd.
Achtentwintig koppen waren buit gemaakt. Het grootste gedeelte der mannen van het reisgezelschap was weldra bezig die koppen van hun vleeschdeelen te ontdoen. Een vreeselijk schouwspel was het voor onze Europeanen, die bezigheid in hun onmiddellijke nabijheid te zien gebeuren. Een oogenblik waren zij als betooverd door dat schouwspel en konden zij er den blik niet van afwenden; zij zagen die koppen van hun haarhuid ontdoen, zij zagen de wangen, neuzen, lippen en ooren afsnijden en daarvan menig stuk in gretige monden verdwijnen; zij zagen de puntige poeai’s in hoeken en gaten tusschen de beenderen woelen, de oogen uit hun kassen halen en eindelijk in de schedelholten wroeten om de hersenen uit te halen. Maar toen zij zagen, dat die weeke zachte bloederige massa met gulzigheid verzwolgen werd, toen, hoewel dat gezicht hun niet vreemd meer was, voelden zij zich een onmacht nabij en moesten zij het gelaat afwenden, om zich aan dat schrikkelijk schouwspel te onttrekken. Helaas! zij mochten hun walging niet uiten, zoo als zij die ondervonden; nu reeds werd in hun nabijheid gemompeld en konden zij woorden opvangen aan hun adres, die te verstaan gaven, dat zij „helden met beo’s [134] harten waren.”
De nacht ging verder ongestoord voorbij. Toen de dag aanbrak, stapte de helft der Dajaks en al de Poenans aan wal, onthoofdden de vijanden, gesneuveld of gewond bij de verhakking en wierpen de lijken in de rivier. Het aantal buit gemaakte schedels klom nu tot negen en dertig. Bij een verkenning, op beide oevers der soengei ondernomen, kwam men tot de gevolgtrekking, dat de bende, waarvan men daags te voren de sporen ontdekt had, op haar beurt het reisgezelschap bespeurd en bespied en eindelijk een gekombineerden aanval te land en te water beraamd had, die, wanneer hij gelijktijdig ondernomen ware, het grootste gevaar had kunnen opleveren.
Het was nu zaak om goed uit te kijken. Men was in aanraking geweest met den vijand en hoewel geen verliezen geleden waren, leerde de opgedane ondervinding, dat de vijand, waarmee men te doen had, stoutmoedig en ondernemend was. Johannes bepaalde nu, dat de rangkan, waarin hij met zijn makkers gezeten was, de spits zoude uitmaken; dat zij geen deel meer zouden nemen aan het roeien, maar dat zij met Amai Kotong en Dalim scherp zouden uitzien, om met hun wisse schoten onmiddellijk waar het noodig was krachtdadig te kunnen optreden. Harimaoung Boekit met zijn Poenans zou de achterwacht vormen, terwijl bij hem nog eenige geweerdragenden werden ingedeeld, om desnoods alarm- of seinschoten te kunnen doen.
Dat men niet te veel voorzorgsmaatregelen kon treffen, zoude ras ondervonden worden.
Het kon ongeveer 9 uur in den morgen zijn; men had ijverig doorgeroeid en tot nu toe niets van vijanden op de oevers bespeurd, toen Dalim eensklaps een lichten kreet uitstiet en den Europeanen een man wees, die bijna geheel gedekt door een’ boomstam, met zijn mandauw bezig was een paar rottantouwen door te hakken.
„Parabah!” riep Dalim met ontzetting.
„Pambeseai goeloengoeloeng!” (hard roeien) beval Amai Kotong, terwijl hij de achteraankomende rangkans waarschuwde.
De man aan den wal had reeds een touw doorgekapt; hij keek aandachtig naar de rangkans en toen hij die genoegzaam genaderd zag, verhief hij den arm, om den tweeden rottan door te slaan. Maar daarbij moest hij zich bloot geven; de borst werd een ondeelbare poos zichtbaar en dat was voor de beide Zwitsers meer dan voldoende, om hun nimmer falende kogels af te zenden. Bijna op dezelfde plek door de beide projectielen getroffen, volvoerde de Doessonner een luchtsprong, terwijl hij zijn wanhopig gezicht ten hemel verhief, en dood nederstortte. Een makker sprong van achter een boom te voorschijn om het voorgenomen werk te verrichten; maar voor dat die twee schreden gedaan had, weerklonken andermaal twee geweerschoten en viel ook deze, in voorhoofd en in borst getroffen, dood neder. Een derde onderging het zelfde lot. Een vierde bewoog zich, als een slang schuifelende, langs den grond; die was niet door de scherpschutters te ontwaren. Daar bereikte hij het touw, dat met een dubbelen slag om een boomstam gewonden was ongeveer op vijf voeten boven den grond. Om dat te bereiken, moest hij zich op de knieën oprichten. Dat deed hij en greep daarbij het touw met de linkerhand, die toen alleen voor de schutters zichtbaar werd. In die houding verhief hij de rechterhand, om den houw op den sterk gespannen rottan toe te brengen, toen andermaal twee schoten weerklonken, die hem de linkervuist verbrijzelden, maar tevens het noodlottig gevolg hadden het touw door te snijden.
„Goeloengoeloeng! pambeseai goeloengoeloeng!!” gilden Amai Kotong en Dalim.
De rangkans schoten vooruit, terwijl zij het schuim onder hun stevens deden opstuiven. Voor een oogenblik zag men de kruin van een der woudreuzen, een ontzaglijken boom, die zich op den oever der soengei verhief, als beschonken heen en weer waggelen; de rechte stam boog, hernam den rechten stand weer, neigde andermaal, om zich weer terug te buigen en viel toen, eerst langzaam en weifelend, vervolgens allengs versnellend, krakend en met donderend geweld ter neder en overdekte met zijn takken en loof de rivier, die onder dien val wild en woest opspatte en zich als een fijne stofregen van schuim in de lucht verdeelde en de plek als in een nevel hulde. Gelukkig waren de rangkans, toen de boom viel, de gevaarvolle plaats voorbij; alleen de laatste vaartuigen dreigden om te slaan en te zinken door het woeste geweld van het opgezweepte water. Een paar seconden vertraging in de vaart der rangkans of vervroeging in den val des booms, dan ware de flotille vernietigd geweest en niemand der opvarenden ware ontkomen.
Van de vaartuigen had men het kunststuk van schuttersbedrevenheid der Zwitsers kunnen zien. Met benepen harten, had men het verloop, dat in weinige seconden plaats moest hebben, gadegeslagen. Men moest daar ter plaatse voorbij, en wel zoo spoedig mogelijk, dat begreep iedereen. Ware toch de boom vóór in stede van achter de vaartuigen nedergestort, dan zou men een groot oponthoud gehad hebben; want aan een opruiming van dien woudreus, die daar nu in de soengei lag en haar volkomen afsloot, zou niet te denken geweest zijn. Men zou niets anders hebben kunnen doen, dan de rangkans te ontladen en haar dan zoo over den slagboom heenwerken. Dat ware een arbeid geweest van minstens twee dagen, ongerekend nog de ongevallen, die uit de nabijheid des vijands konden geboren worden. Dankbaarheid was dan ook in ieders oog te lezen voor die mannen, die zoo ter rechter tijd geholpen hadden. En het was met een soort van ontzag, dat evenwel gevoelens van genegenheid niet uitsloot, dat men voortaan opkeek naar hen, die met hun kogels zoo juist wisten te treffen.
„Mille noms de noms!” brulde La Cueille, „daar zijn we mooi door heen gekomen!”
„Dat mag je wel zeggen,” lachte Johannes vergenoegd. „Maar opgepast; jullie ziet nu waartoe die duivels in staat zijn. Dat is een van de gewone krijgslisten der Dajaks. Op de boorden der rivier, waarlangs zij de nadering van vijanden verwachten, worden groote boomen, de grootste en zwaarste bij voorkeur, zoodanig onder aan den voet ingekeept, dat, wanneer de rottantouwen, die de kruinen steunen, doorgekapt worden, de woudreuzen in het vaarwater storten moeten. Een zestal mannen houden bij zoo’n boom de wacht. In den regel blijven zij verscholen en van het geheele toestel is gewoonlijk niets te ontwaren. Eenmaal de touwen doorgekapt, maken zich de wachthebbenden uit de voeten, om op een afstand de gevolgen gade te slaan.”
„Ik hoorde Dalim „parabah” schreeuwen bij het begin van die pret. Begreept ge dat woord?” vroeg Schlickeisen.
„Dat is de benaming van de krijgslist van het boomen laten vallen.”
„Het is mooi uitgedacht, dat moet erkend worden,” sprak La Cueille. „Als je zoo’n boom op je bol of op je lendenen krijgt, dan ben je zoo plat als een velletje postpapier. We zullen bliksems goed onze oogen den kost moeten geven.”
„Ja, wel zeker, dat zullen we moeten,” antwoordde Johannes. „Maar ik heb besloten, om voortaan op iederen oever der rivier een twaalftal mannen te laten marcheeren, die de vaartuigen een vijftig passen vooruit blijven en, hoewel met elkaar in verband blijvende, het geboomte doorzoeken moeten, om zoodoende dergelijke vallen onschadelijk te maken.”
„Maar, hoe wil je die vallen onschadelijk maken?”
„Wel, wanneer menschen ontdekt worden, verjaagt men die of schiet ze dood. Men zoekt dan de ingekeepte boomen op, die met hun verwondingen niet moeielijk te ontwaren zijn aan de landzijde. Men houdt dan de wacht bij den val tot al de rangkans voorbijgetrokken zijn, waarna de rottantouwen doorgehakt worden en de boom omvalt. Dat zal het voordeel hebben onze rugzijde te dekken zoowel tegen de Doessonners, die langs de soengei versterking uit hun negorij kunnen krijgen, als tegen een vervolging van den kant der Hollanders, wanneer die ons op ’t spoor mochten zijn. Tegen dien maatregel is geen ernstige bedenking te maken. In den regel zijn het slechts weinige mannen, die zoo’n parabah bewaken, en die zullen wel spoedig met geweervuur te verdrijven zijn.”
Met spoed, maar toch zoo behoedzaam mogelijk, werd verder getrokken. Een tweetal boomen, die op het vallen stonden, werden nog ontdekt. Maar, zooals Johannes voorzien had, waren een paar schoten voldoende, om de bewakers te verjagen, en al ras was een driedubbele verhakking in de soengei daargesteld, die den toegang van de benedenlanden afsloot.
Zoo werd voortgerukt. Het was twee uur in den namiddag ongeveer, toen men kotta Hamiak in het gezicht kreeg; maar wat daar ontwaard werd, was alles behalve opbeurend. Men was daar verwoed aan het vechten. Boven de toppen der palissadeering, die hier, evenals elders in de Dajaklanden, van afstand tot afstand met gebleekte schedels prijkte, zag men de verdedigers der kotta in uitdagende houding verschijnen en alles, wat hen onder handen kwam, werpen naar het hoofd der aanvallers, die op een paar punten de ompaling trachtten te beklimmen. Op een kleinen afstand zag men twee kanonstukjes, achter een kunstmatig heuveltje van rijshout, die van tijd tot tijd hun kogels op de kotta afzonden. Veel uitwerking van dat vuren was niet te ontwaren, hoewel de aankomenden het volle gezicht op het geteisterde gedeelte hadden; de zware ijzerhouten boomstammen, die de borstwering der kotta uitmaakten, schenen met de kogeltjes te spotten. Het bleek dan ook al ras, dat dat kanonvuur niet zoo zeer tot doel had bres te schieten, dan wel om de bezetting vrees aan te jagen en van dat gedeelte der borstwering te verdrijven. Inderdaad op het midden dier face hadden de Doessonners een hoop droge takkebossen te zaam gebracht, die tegen de palissadeering opgestapeld en toen in brand gestoken. Het scheen dat dit vuur al eenigen tijd gebrand had, hoewel van een beschadiging van de omheining, die gevaarlijk kon worden voor de belegerden, niet veel te bespeuren was.
Onze reizigers waren tot nu toe onder de taluds van de diep ingesneden soengei ongemerkt gebleven en bespiedden den vijand van achter dichte struiken, die langs den oever groeiden. Nadat Johannes den toestand een oogenblik gadegeslagen had, wenkte hij Harimaoung Boekit tot zich, wees hem in de verte een boschje van dicht struikgewas, dat de positie van het gros der aanvallers vrij dicht in den rug naderde en fluisterde hem iets in het oor. Grinnekend verzamelde het Poenanhoofd zijn makkers, stapte met hen aan wal en verdween achter het loof, dat de boorden der soengei voor het oog verborg. Toen Johannes hen niet meer zag, verzamelde hij zijn lotgenooten, voegde daaraan nog een dertig geweerdragende Dajaks, waaronder ook Dalim, toe, drukte de achterblijvenden onder aanvoering van Amai Kotong goed op het hart de vrouwen en kinderen te bewaken en te beschermen, en trok daarop recht op den hoofdgroep der Doessonners los. Tot nu toe waren de bewegingen onzer reizigers voor dezen verborgen gebleven. Hun strijd met de Siratters had hun geheele opmerkzaamheid tot zich getrokken; ook een zekere zorgeloosheid den inlanders zoo eigen, had hen doen nalaten een waakzaam oog op de soengei te houden. Toen Johannes nu plotseling met zijn troepje uit het struikgewas te voorschijn trad, was de verbazing groot. Zij duurde evenwel kort, want aangemoedigd door het geringe aantal van de naderenden, stoof hun het grootste gedeelte der Doessonsche strijders met een luid lēēēē lēlēlēlē ouiiit! en de mandauws zwaaiende te gemoet. Zij dachten met hun verpletterende overmacht een gemakkelijke overwinning te behalen op dat troepje hetwelk nog geen vijfendertig man sterk bleek te zijn. Het uitzicht, om zonder veel inspanning die schedels te kunnen buit maken, lachte de helden uitermate toe. Met iedere seconde verminderde de afstand tusschen beide partijen. Johannes wist een voorbeeldelooze tucht onder de zijnen te bewaren. Geen stem verhief zich, geen geluid werd van hun zijde vernomen; het scheelde waarachtig weinig of dat troepje marcheerde in den pas als een sectie afgedrilde rekruten en trok rustig en kalm vooruit. De Doessonners daarentegen naderden gillend en tierend, hortend en stootend, met sprongen of in den looppas. Daar stond eensklaps het troepje van Johannes stil en scheen als aan den grond genageld. Lēēēēh lēlēlēlēlē ouiiiit! brulden de Doessonners en stormden vooruit, in de meening dat hun tegenstanders de schrik om het hart sloeg. De geweren vielen nu evenwel in den aanslag en een flink uitgevoerd salvo temperde den aanloop aanmerkelijk. Vier der aanvallers lagen op den grond te kermen. Voordat de Doessonsche helden van hun verbazing bekomen waren, hadden de Kapoeassers weer geladen en zonden andermaal hun lood in den dichten drom. Ditmaal vielen zeven vijanden. De Europeanen hadden zich tot nu toe van de deelneming aan het gevecht onthouden en spaarden hun vuur, om de eindbeslissing op het wichtige oogenblik te bevorderen. Nu zich evenwel een soort van razernij van den aanvallenden troep scheen meester gemaakt te hebben en de vijanden steeds voorwaarts stoven, openden ook zij hun vuur en verspilden hun munitiën niet. Ieder schot was raak en het aantal gevallen Doessonners werd al grooter en grooter. Vooral de repeteergeweren in de handen der Zwitsers verrichtten andermaal wonderen. Bij de totale windstilte, die heerschte, was het kleine troepje als in een rookcirkel gehuld, van waaruit bliksemstralen knetterden, die het als met een muur van lood omgaven. Toch rukten de aanvallers, niettegenstaande hun verliezen, al nader en nader. De lansen begonnen zich reeds met de bajonetten te kruisen; reeds hadden Johannes en La Cueille, die geen tijd meer hadden om hun trompladers te herladen, de revolverpistolen ter hand genomen. Vloeken en verwenschingen, angstgillen en zegekreten weerklonken allerwege. De Europeanen schoten hun laatste patronen, die in de geweerloopen zaten af, staken woedend de bajonetten in de naakte borstkassen, of grepen de geweren bij den loop, om de kolf als een knods te hanteeren en schedels te verbrijzelen of schouders te ontwrichten. De toestand werd allerhachelijkst. Reeds waren eenige Dajaks onder de slagen der aanvallers gevallen; Schlickeisen had een flinken houw over den linkerarm gekregen, die hem buiten gevecht stelde. Gelukkig dat La Cueille den tweeden houw met zijn geweer pareerde, den Doessonner de bajonet in den buik stak en nog tijd had zijn revolver uit den gordel te rukken, om een tweeden, die toeschoot, à bout portant te vellen.
Maar daar kwam eensklaps verademing. Harimaoung Boekit verscheen met zijn Poenans in den rug der Doessonners, en wierp zich onverschrokken met den mandauw in de vuist in hun gelederen. Ontzettend was de kamp, die zich nu ontspon. De Doessonners dachten er niet aan zich gewonnen te geven, maar stelden zich wanhopig te weer. Johannes evenwel, van het oogenblik van verademing gebruik makende, verzamelde zijn troepje, deed snel herladen en liet nu salvo op salvo geven. Van een andere zijde deden de verdedigers van kotta Hamiak, na hun brandende palissadeering gebluscht te hebben, een uitval, tastten de legerplaats der Doessonners aan, staken die in brand en vermeesterden de twee kanonstukjes, die hen zoo beangstigd hadden. Toen de vlammen achter hen hoog opdwarrelden, toen de wanhoopskreten van allerwege weerklonken, toen dat geweervuur hen teisterde en bleef teisteren, toen begon de moed der Doessonners te zinken. Nog een salvo, dat Johannes in hun gelederen zond, en waarbij een lange slungel viel, die als hoofd de anderen aanmoedigde, bracht de verwarring ten top en nu was er geen houden meer aan; de geheele bende sloeg op de vlucht. In minder tijd dan noodig is, om het te vertellen, was de geduchte schaar, die kotta Hamiak belegerd had, uit elkander gespat en hadden de strijders een toevlucht in de bosschen gezocht. Maar, daarmede was het gevecht niet ten einde. Een bende van de verdedigers der kotta stormde ook de bosschen in, om den vijand nog zooveel mogelijk schade toe te brengen, maar vooral om gevangenen te maken.
Toen de laatste Doessonners uit het gezicht verdwenen waren, vereenigden zich de strijders van ons reisgezelschap met de bewoners der kotta, terwijl ook de rangkans naderbij kwamen en vrouwen en kinderen aan wal stapten. Een ontzettend tooneel begon al ras. Zoowel de mannen der kotta, als de Dajaks der rangkans en de Poenans van Harimaoung Boekit hielden zich onledig met de gevallen vijanden dood of gewond te onthoofden. Een paar licht gekwetsten werden gespaard; hun zou een vreeselijker lot beschoren zijn. Toen de koppen verzameld waren, herhaalde zich het afzichtelijk tooneel van den vorigen nacht, maar nu op veel grooter schaal. Helaas! de wetten der menschelijkheid werden door die onwetenden en verwaarloosden wel verkracht.
Bij de opruiming der vijandelijke lijken, die eenvoudig in de soengei gesmeten werden, ontdekte men dat vijf Poenans en zes Dajaks van het reisgezelschap gesneuveld waren, terwijl ook de lijken van een drietal Sieratters gevonden werden. Maar wat de meeste droefheid veroorzaakte en al de bewoners der kotta in weeklachten deed uitbarsten, was dat ook Amai Mawong, hoofd van kotta Hamiak bij den uitval, dien hij aangevoerd had, omgekomen was. Hij was steeds een persoonlijke vijand van Tomonggong Soerapatti geweest, die jaren geleden hem een dochter ontstolen had en wien hij op zijn beurt een paar zijner meest geliefde vrouwen ontkaapt had. Krijgs- en sneltochten, invallen over en weer in elkanders gebied, waren daarvan het gevolg geweest en de nu plaats gehad hebbende aanranding van Soerapatti had geen ander uitgangspunt dan zijn haat tegen Amai Mawong, waarbij zich de zucht gepaard had om zich op de Kapoeassche en Kahajansche bevolking voor vroegere nederlagen te wreken.
Het lijk van het geliefde hoofd werd met veel misbaar binnen de kotta gedragen en daar ten toon gesteld tot dat de begrafenis zoude plaats hebben. De Poenans en de Dajaks van kotta Djankang maakten alle toebereidselen, om de lijken hunner makkers den volgenden morgen te verbranden. Dat is een gewoonte bij sommige stammen, wanneer geen tijd genoegzaam voorhanden is, om de begrafenisplechtigheden te kunnen volvoeren. Men sprak de hoop uit, dat de uitgetrokken Hamiakkers een flink aantal gevangenen zouden maken. Men sloot de gevangen genomen Doessonners in karandahs op en men haalde bij voorbaat nog meerdere kooien te voorschijn, om de verwachte slachtoffers te bergen. De nacht was reeds ingevallen, toen de menschenjagers te huis kwamen. Het was hun gelukt een troep Doessonners te overvallen, die, uitgeput van de vermoeienissen, dien dag ondervonden, neergevallen waren, toen zij zich in veiligheid waanden en in diepen slaap gedompeld lagen. Voor zij zich te weer stellen konden, waren hun handen en voeten gebonden; zij, die zich te woest aanstelden, ontvingen een zwaren slag op den schedel, die hen bewusteloos deed neerzinken. Mededoogen werd niet gekend. Zoo werden acht menschelijke wezens aangebracht, die onmiddellijk in de boeien in zekerheid gebracht werden. De volgende zon zoude hun vreeselijk uiteinde te aanschouwen geven.