Borneo van Zuid naar Noord

Part 40

Chapter 403,806 wordsPublic domain

Even voorbij het omvaren van den eersten hoek, werden de reizigers een aanzienlijke versterking gewaar, kotta Samoehing genaamd, alwaar alarmkreten weerklonken en op de garantongs geslagen werd, toen de bewoners de flotille rangkans in het oog kregen. Deze kotta verhief zich op de helling van den heuvel, op welks top de Europeanen den watervloed daags te voren hadden gadegeslagen. Die top had nog al uitgebreidheid en de hellingen waren zeer dicht begroeid; terwijl de Kapoeas langs twee zijden van den heuvel kronkelde, waardoor die versterking, als in het groen verscholen, aan hun oog onttrokken was geweest. Johannes beijverde zich de Nederlandsche vlag te laten wapperen, terwijl Amai Kotong de menschen aan den wal toewuifde en hun woorden van vrede en geruststelling deed hooren. Toen de Samoehingers het oude hoofd van kotta Djankang herkenden, bedaarde hun angstvalligheid en hielden de alarmkreten op. Bij het aan wal stappen, vernam Amai Kotong, dat een gerucht liep, volgens hetwelk de Doessonners onder aanvoering van Tomonggong Soerapatti in de Kapoeasstreken zouden gevallen en dat Dajaksche hoofd thans met de bewoners van soengei Sirat aan het oorlogen zoude zijn. In den omtrek van kotta Samoehing was nog geen vijand verschenen; maar er werden angstwekkende verhalen van de voornemens van dien woesteling gedaan, als zoude hij de bewoners der Kapoeas te vuur en te zwaard willen vernielen, om zich te wreken over een nederlaag, die de Doessonners in vroegere jaren geleden hadden. Dat waren voor onze Europeanen geen opbeurende berichten, ook niet voor het overige reisgezelschap. De weg, dien zij af te leggen hadden, leidde langs de soengei Sirat en de tijding dat die weg door den erfvijand van de boven-Kapoeas bezet werd, was wel geschikt om een ieder neerslachtig te maken. Johannes evenwel zag in, dat hij die stemming geen vorderingen mocht laten maken, daarom riep hij Amai Kotong, Harimaoung Boekit, zijn drie makkers, alsook Dalim en het hoofd van kotta Samoehing, Amai Pari genaamd, in de tomoi, die aan den voet van de versterking lag, bijeen, om te beraadslagen, wat er te doen stond.

„Wat er te doen staat,” zei Amai Pari, „is terugkeeren, van waar gij gekomen zijt.”

„Ja,” viel Amai Kotong, wien de angst op het gelaat te lezen stond, in, „ja naar kotta Djankang terug.”

„Hoe sterk worden de Doessonners geschat?” vroeg Johannes.

„Men spreekt van 1200 man.”

„Hebben zij vuurwapenen?”

„Slechts zeer weinig geweren zijn door de verspieders opgemerkt, misschien een zestal; maar zij voeren vier garaboes met zich om de borstweringen der kotta’s aan splinters te schieten.”

„Hoeveel mannen tellen wij?” was de vraag van Johannes aan Amai Kotong.

Deze keek hem verwonderd aan en antwoordde eerst niet, zoodat de vraag herhaald moest worden.

„Dat weet gij zoo goed als ik.”

„Jawel, maar ik wilde het nog eens uit uw mond hooren.”

„Nu, als dat uw wensch is. Wij tellen alles en alles 84 weerbare mannen.”

„Flinke, stevige kerels, niet waar? En hoeveel geweren hebben wij?”

„Ik meen zes en veertig.”

„Dat is juist,” viel La Cueille in. „Veertig te Kwala Hiang buit gemaakt, onze vier modelgeweren en dan de twee remmingtons van den luitenant. Maar we hebben ook nog twee revolverpistolen, systeem Le Faucheux, alles is in zeer goeden staat; daar heb ik voor gezorgd.”

„En we zouden naar kotta Djankang terugkeeren!!” barstte Johannes in woeste drift los. „Wij zouden naar kotta Djankang terugkeeren, om ons daar door de blanken gevangen te laten nemen. Om u als weerspannig hoofd te zien ophangen, omdat gij de wetten der herbergzaamheid geëerbiedigd hebt en uw kotta tegen de blanken verdedigd hebt? Om Harimaoung Boekit de ijzers aan de handen te zien slaan en om hem tot dwangarbeid te hooren veroordeelen; dat wil zeggen, zijn leven lang steenen te kloppen of de billen van de kinderen eens residents te wasschen; omdat hij een onverbeterlijke koppensneller is? Zeg, Amai, zijn we dan oude wijven, of klopt ons een mannenhart in de borst? Neen! bij Mahatara en bij alle Sangiangs! geen stap terug, dat zeg ik u. Met zes en veertig geweren in de handen van kerels, zooals wij zijn, daarmede is Poeloe Kalimantan van het eene einde tot het andere door te trekken en ik wil dien Soerapatti wel eens onder de oogen treden, wanneer hij het wagen zoude, ons te willen weerstaan.”

De sienjo stond daar schoon in zijn verbolgenheid, aan een bronzen beeld der verontwaardiging gelijk. Harimaoung Boekit, door zijn woorden medegesleept, had zijn mandauw ontbloot, zwaaide dien met de rechterhand, terwijl hij de hand van Johannes met de andere gegrepen had.

„Neen!” brulde hij meer dan hij sprak, „neen geen voetstap terug! Integendeel, voorwaarts! voorwaarts!! opdat wij die oude wijven van de Doesson eens onder de oogen krijgen. Het zal de eerste maal niet zijn, dat zij door de Ngadjoe’s van Kapoeas en Kahajan op de vlucht zullen gedreven worden. Vooruit! vooruit! daar ligt de weg!”

Die ontboezeming was aanstekelijk. Zoowel Amai Kotong als Amai Pari stemden met dien kreet van, „vooruit!” in; maar ook de menigte, die buiten de tomoi de opgewonden toespraak van Johannes en die van Harimaoung Boekit gehoord had, hief een luid gejuich aan, waarbij de Poenans, als echte zonen der wildernis, zich niet onbetuigd lieten. Er werd nu besloten dat het reisgezelschap den tocht dadelijk zoude vervolgen en de Samoehingers verbonden zich een dertigtal strijders te leveren, die zich onmiddellijk zouden gereed maken, in dier voege, dat zij de anderen nog voor hun aankomst aan de monding der soengei Sirat met hun rangkan zouden ingehaald hebben. De Samoehingers gingen daartoe te eerder over, daar ook zij bij de verdrijving van den gemeenschappelijken vijand groot belang hadden en de bewoners van soengei Sirat hun stamgenooten waren en meest allen tot hun verwanten behoorden. Ook het aantal vuurwapenen, die het reisgezelschap bij zich had, legde gewicht in de schaal en deed aan de overwinning niet twijfelen.

Na het ontbijt verorberd te hebben was de flotille een uur later weer op weg en stevende de Kapoeas verder op. Volgens alle berekening zou het de laatste dag zijn, dat onze zwervers dien stroom zouden aanschouwen. Vóór den avond zouden zij de monding van de soengei Sirat bereiken en van daar ging de weg westwaarts die nevenrivier op. Het was nu drie en dertig dagen geleden, dat zij Kwala Kapoeas verlaten hadden, om hun zwerftocht te beginnen.

Onvermoeid en onverpoosd werd voortgeroeid. Niets werd evenwel ontwaard, wat den tocht kon vertragen of ook maar onrust kon baren. Maar ook geen enkele djoekoeng op de rivier, geen menschelijk wezen op den wal werd ontmoet of gezien, bij wien men inlichting zoude hebben kunnen inwinnen. Het was of de streek uitgestorven was.

Het terrein klom al meer en meer. De taluds evenwel en de bedding der rivier waren niet meer zoo rotsachtig; de grauwe klei en het dito gekleurde zand werden langzamerhand vervangen door een roodachtige vette klei, waartusschen in de oeverhellingen maar zeer weinig rolsteenen ontwaard werden. De rivier was diep ingesneden; soms moest de blik zich heel hoog richten om den hellingrand te bespeuren. Wel verhieven de heuvels, die bespeurd werden, zich al meer en meer; maar hun gedaante was minder grillig, meer eenvormig met afgeronde toppen en flauwe hellingen. Prachtige bosschen verhieven zich aan weerszijden der rivier; er was echter geen tijd om die te betreden; onze reizigers konden hen slechts in het voorbijvaren bewonderen. Van tijd tot tijd, wanneer een dalspleet zich opende, waardoor een riviertje zich baan brak naar de Kapoeas, en de loofwand het veroorloofde, werd men het naderend hooggebergte gewaar, dat in het noorden en noordwesten zich als een blauwe gekartelde band vertoonde.

Om den gang der rangkans niet te vertragen, en zich niet te zeer te vermoeien, losten de roeiers elkander regelmatig af. Bij een dier verpoozingen, welke de Europeanen genoten, waren zij in hun rangkan bij elkander geschoven, om het gehoorde te kotta Samoehing te bespreken. Het was trouwens wel der moeite waard. Johannes bracht zijn makkers geheel op de hoogte van wat er gaande was en legde hun uit, hoe netelig hun toestand geworden was.

„Niemand wil ik ontmoedigen,” sprak hij, „integendeel, ’t zal een vereischte zijn al onzen moed, al onze geestkracht bij elkander te houden. Maar om den toestand onverschrokken en onbevangen onder de oogen te treden, om hem te kunnen beheerschen, is het noodig hem geheel en met al zijn gevaren te kennen. Vooruit, zullen we te midden van een inlandschen oorlog met al zijn verschrikkingen geraken; terug kunnen we niet, dat zou aan zelfmoord gelijk staan.”

„Zouden de Hollanders het zoo erg met ons maken?” vroeg Schlickeisen.

„Ze zullen ons niet ter dood brengen, maar of een veroordeeling tot tien jaren tuchthuis te Samarang of detentie te Willem I niet als erger te beschouwen is, laat ik aan de beslissing der vrienden over.”

„Tien jaren voor een uitstapje! kom, je neemt een loopje met ons,” sprak La Cueille.

„Nou, wil jij het er op wagen? maar bedenk dat ze daar ginds dat uitstapje: desertie in tijd van oorlog met medeneming van wapens, zullen noemen. Bedenk, dat we ons met die wapens tegen het wettig gezag verzet hebben. Allen, heldendaden bij het crimineel wetboek voor de landmacht voorzien en waarop de strop staat. Zij zullen meenen al drommels veel medelijden met ons te toonen, wanneer ze ons het leven zullen schenken. De gedachte evenwel dat zij in ons vier flinke schoenmakers zullen aanwerven, zal hen wel tot genade stemmen.”

„Neen, aan terugkeeren valt niet te denken,” sprak Wienersdorf ernstig. „We zitten in het schuitje en moeten mede, laten we daarover geen discussie meer voeren. Maar wie is die Soerapatti? Is dat dezelfde die het stoomschip Onrust vermeesterde, waarvan je laatst vertelde?”

„Dezelfde. Hij is het erkend opperhoofd van de boven Doesson, alsook van het landschap Siang en Moeroeng, dat zich tusschen die rivier en de grenzen van Broenei uitstrekt. Als befaamd koppensneller is hij steeds in oorlog met de omliggende stammen. Vooral is hij erg op de bewoners van Kapoeas en Kahajan gebeten; die hebben steeds veel te lijden gehad van zijn invallen.”

„Maar de Dajaks van de Doessonlanden zijn toch van denzelfden stam als die uit deze streken. Waarom zijn zij zoo op elkander gebeten?”

„Vrouwengeschiedenissen, anders niet. Bij snel- en strooptochten worden wel eens maagden, zelfs getrouwde vrouwen, wanneer deze zeer schoon zijn, ontvoerd, die dan willens of onwillens de echtgenooten der overwinnaars of beter hunner ontvoerders moeten worden. Zoo’n vrouwenroof geeft steeds tot représailles aanleiding, waardoor men vrouwen van beide partijen in de tegenovergestelde kampen aantreft. Dat is de oorsprong van dien heilloozen haat, die tusschen de telgen van een en denzelfden stam bestaat, waarbij evenwel ook nog de zucht tot koppensnellen gevoegd moet worden.”

„Jawel, pas op je kop,” lachte La Cueille, „we hebben die machtspreuk lang niet gehoord; ’t wordt tijd dat je die weer eens oprakelt.”

„Ja, pas op je kop! je bent hier in het land van de koppensnellers en houd je er van verzekerd, dat alles wat je daaromtrent tot nu toe gezien hebt, slechts kinderspel geweest is.”

„Nu ja, we zullen oppassen.”

„Bestaan er in de volksoverlevering verhalen van merkwaardige feiten uit dien heilloozen krijg?” vroeg Schlickeisen.

„Ja eenige. In soengei Sirat zullen we Mawong, het hoofd van kotta Hamiak ontmoeten, dat is een van de bitterste vijanden van Soerapatti, die zal ons wel het een of het ander verhalen, als je daarop belust zijt. Maar van één krijgstocht van Soerapatti wil ik je toch vertellen, die is nog al merkwaardig. Die speelt ook niet in deze streken, maar in de benedenlanden, tot waar de Doessonners in 1833 doorgedrongen waren. Luistert.

XXVII.

Het verhaal.—Soerapatti’s strooptocht langs de Kahajan.—De ontmoeting bij soengei Troessan.—Nederlaag.—Vernietiging van de Doessonsche heirmacht.—Aankomst te soengei Sirat.—Nachtelijk gevecht—Het schoonmaken der koppen.—Het „parabah.”—Maatregelen voor den marsch.—Aankomst te kotta Hamiak.—Gevecht.—Verstrooiing der Doessonsche strijdmacht.—Menschenjacht.—Een Dajaksche lekkerbeet.

„Sedert geruimen tijd liep het gerucht dat Soerapatti krijgstoerustingen op groote schaal maakte, ten einde de Kapoeas- en Kahajanstreken af te loopen. Dat wil zeggen: Oude vrouwen, grijsaards en zeer jonge kinderen zouden eenvoudig om hals gebracht worden. De vrouwen, die op schoonheid konden bogen, zouden de bijzitten der overwinnaars worden, de andere vrouwen en de mannen, die in staat waren te werken, zouden zich het gruwzaamste slavenjuk moeten getroosten. Vreeselijk waren de verhalen van de Maleische handelaren, die van de boven-Doesson teruggekeerd waren. Het krijgsplan was: van uit het landschap Siang en Moeroeng op te breken naar de boven-Kahajan, dien stroom al moordende en roovende af te zakken; de soengei Troessan door te trekken, de beneden-Kapoeas uit te moorden en langs de kleine Dajakrivier terug te keeren. Moest men de berichten gelooven, dan zouden meer dan 10,000 strijders aan den tocht deelnemen; latere tijdingen brachten dat getal op 4000 terug. Het gemeenschappelijk gevaar vereenigde al de bewoners der bedreigde streken en deed alle veeten, die hen onderling verdeelden, vergeten. Alle twisten werden bijgelegd; de huisgezinnen verlieten de oevers der genoemde rivieren en trokken zich diep in de wildernissen terug. Toen het gevaar nader kwam, togen de gezamenlijke strijders dier streken uit ten getale van ± 6000, om bij de monding der soengei Troessan, op weinige uren afstands van de uitwatering der kleine Dajakrivier in de Javazee, den gemeenschappelijken vijand slag te leveren en, zoo het kon, te vernietigen. De krijgsmacht van Soerapatti was uiterst verwonderd geweest, de negorijën langs de Kahajan leeg te vinden. Het was hun slechts gelukt, hier en daar een armen pandeling te overvallen, die achtergelaten was om have en goed te bewaken. En dat was nog maar schaars gebeurd, daar de meesten dier bewakers den tijd hadden gehad bij de nadering der vijandelijke vaartuigen de bosschen in te vluchten. Zij, die overvallen waren, hadden een rampzaligen martelvollen dood gevonden en hun grijnzende schedels prijkten aan den voorsteven van eenige der vijandelijke vaartuigen. De kotta’s en woningen werden verwoest en tot den grond afgebrand. Zoo kwamen de Doessonners in de beneden-Kahajan aan, waar zij ook de kampongs verlaten vonden. Zij raasden en scholden de bewoners voor oude wijven; evenwel de echo beantwoordde alleen hun uittartingen. Maar zoodra hun rangkans uit de Troessan deboucheerden, schoten de verbondenen met hun vaartuigen toe en thans begrepen de Doessonners, waarom zij de negorijën verlaten gevonden hadden. Nu begon een gevecht, dat drie dagen duurde en met de ontbinding van Soerapatti’s legermacht eindigde. Dit opperhoofd mocht zich gelukkig achten, bij die neerlaag niet tegenwoordig te zijn geweest; ook hij zou het waarschijnlijk met den dood bekocht hebben. Een randjoe-wond, in de boven-Kahajan bekomen, had hem genoodzaakt het opperbevel aan zijn broeder Toengah over te geven, terwijl hij met weinige volgelingen naar de boven-Doesson teruggekeerd was. Niet dan na een hardnekkigen strijd, behaalden de verbondenen eenige voordeelen, door verwarring in de gelederen der vloot bij hun tegenstanders te berokkenen. Deze, eindelijk door een panischen schrik bevangen, wierpen zich in de maagdelijke bosschen, die de kleine Dajakrivier en de soengei Troessan omzoomen; doch hier vreemd, en weg noch steg wetende, werden zij door de bondgenooten als wild opgejaagd en als dolle honden doodgeslagen. Van Soerapatti’s heirmacht zijn geen 200 man in hun negorij teruggekeerd; de overigen vielen door het zwaard of kwamen van ellende om. Dat het leger der Doessonners zoo totaal vernietigd werd, was voornamelijk daaraan te wijten, dat het op een hoogst ongunstige plaats op de vlucht sloeg. Vooreerst waren er in den omtrek op verscheiden marschdagen afstands geen kampongs of bebouwde velden, waar de vluchtelingen hopen konden eenig voedsel te vinden. Daarbij waren na hun vlucht al hun vaartuigen vernield of door hun vijanden genomen, en zaten zij in een zeer moerassig land tusschen twee hoofdrivieren ingesloten; terwijl eindelijk de bewoners dier streek hun doodsvijanden waren. Vertoonde zich een enkele dier ongelukkigen, door den bittersten nood gedrongen, in de nabijheid van een kampong, dan werd hij als een verscheurend dier afgemaakt. Maanden na den slag werden nog bij het ontdekken van sporen in het woud groote drijfjachten gehouden, waarbij mededoogen onbekend was. Zoo werden nog een dertigtal, die na de grootste ontberingen, na een ongeloofelijken marsch van vele maanden door een woest en vijandig land, zich overdag schuil houdende en ’s nachts behoedzaam noordwaarts trekkende, eindelijk het hoogland hier in de boven-Kapoeas bereikt hadden en zich reeds behouden wanende, den stroom op een klein vlot wilden oversteken, daarbij ontdekt, gevangen genomen en later op de wreedste wijze omgebracht. Onder deze was ook Soerapatti’s broeder.”

Gedurende dat verhaal had de tijd niet stil gestaan. Het was evenwel ongeveer vier uur in den namiddag geworden, toen de flotille, waarbij de Samoehingers zich gevoegd hadden, de monding der soengei Sirat bereikte. Nog steeds was niets verdachts ontwaard. Toen evenwel eenige der Poenans aan wal gestapt waren, om den omtrek te verkennen, dewijl men daar den nacht wilde doorbrengen, kwamen die al zeer spoedig terug met het bericht, dat op den noordelijken oever van de soengei, ongeveer 200 passen van den waterkant, een duidelijk spoor in het lange gras te ontwaren was, van een groote menigte menschen, die daar langs getrokken waren. Teneinde dat spoor nauwkeurig waar te nemen, gingen Harimaoung Boekit en Dalim als echte woudverspieders derwaarts. Tot dekking vergezelden hen Johannes, Schlickeisen en een tiental Dajaks, waarvan de helft met geweren gewapend was.

De verkenners waren spoedig terug; zij waren tot de overtuiging geraakt, dat het spoor zeer versch en door een vrij talrijke bende veroorzaakt was, dat die bende van het westen naar het oosten getrokken was, te oordeelen naar de afdrukken van de voetstappen, die men op minder dichtbegroeide plekken had kunnen waarnemen. Zeer waarschijnlijk was het een bende stroopers, die den omtrek afliepen om te fourageeren. Men had het spoor gevolgd over een lengte van eenige duizenden meters, alwaar het aan de Kapoeas uitkwam en zich noordwaarts omboog. Vooral aan de boorden der Kapoeas bleek het, dat het gevolgde spoor zeer versch was; de indrukken op den zandigen oever waren zoo scherp begrensd en nog zoo vochtig van het water, door den voet te zamengeperst, dat het voor deze natuurkinderen geen twijfel overliet, of er bevond zich op korten afstand voor hen uit een vrij aanzienlijke bende volks. Harimaoung Boekit meende zelfs een oogenblik menschenstemmen in die richting gehoord te hebben. Wat er ook van aan was, het was zaak zeer op zijn hoede te zijn. Er werd dan ook besloten, de rangkans onder den zuidelijken oever achter een vrij scherpe bocht te bergen, zoodat zij voor afkomende vaartuigen niet eerder zichtbaar werden, dan wanneer die den hoek geheel gerond hadden. Op den hoek zelven werden een viertal Dajaks, met geweren gewapend, in boomkruinen op schildwacht geplaatst, om de soengei stroomopwaarts te bewaken. Zij zouden door schieten alarm maken, wanneer onraad bespeurd werd. In de rangkans zoude de helft der weerbare manschap waakzaam en met de wapens in de hand blijven, om bij ieder voorval gereed te zijn, krachtdadig te kunnen optreden. Aan den wal werden, ter plaatse waar de rangkans lagen, eenige zware boomen geveld, die met het omringende struikgewas, dat ook omgekapt werd, een verhakking vormde, waardoor heen zich geen weg te banen was, zonder de opmerkzaamheid gaande te maken. Dat al die voorzorgen niet overbodig waren, zouden de reizigers al heel spoedig ondervinden.

Het kon omstreeks middernacht zijn, toen een der schildwachten, die op den hoek in de boomen zaten, een voorwerp aan zijn voeten in de soengei zag drijven, dat veel van een boomstam had. Het kon ook wel een kaaiman wezen. Daarom floot hij zachtkens, om de wachthebbenden in de vaartuigen op hun hoede te doen zijn; want het zoude niet onmogelijk zijn, dat zoo’n ondier, van de nachtelijke stilte gebruik makende, zijn prooi onverwachts uit een vaartuig greep en daarmede in de diepte verdween, vóór dat de opvarenden eigenlijk begrepen, wat er gaande was. Op dat gefluit evenwel zag de schildwacht dien boomstam of kaaiman zich bewegen en naar den wal zwemmen, in welke beweging hij gevolgd werd door een vijftal dergelijke gedaanten. Dat zwemmen was niet het geruischloos voortschieten van een dier van het krokodillengeslacht; ook dat er zoo veel anderen in de nabijheid waren, die zich richtten waarheen de eerste zwom, was in strijd met de geaardheid dier dieren. Hier was dus wat anders gaande. De schildwacht loste zijn schot; ook zijn makkers, opmerkzaam gemaakt, openden hun vuur. Nauwelijks evenwel hadden die schoten in de nachtelijke stilte weerklonken, of een kannibalisch gebrul verhief zich achter de verhakking; verscheidene gedaanten poogden daardoor heen te breken, dat aan enkelen hunner gelukte. De nacht was gelukkig niet donker, de lucht was zuiver en de sterren fonkelden vriendelijk, terwijl juist dien nacht het zodiakaal licht schemerde, waardoor het aardrijk slechts in een halfduister gehuld was. Van wat er achter de verhakking geschiedde, was evenwel niets te ontwaren; maar wie zich door dat beletsel heenwrong, verscheen als een donkere gestalte op een flauw verlichten grond en stond aan de zeker treffende kogels van de vier Europeanen bloot. De Dajaks, wien geweren in handen gegeven waren, hadden met al de opgewondenheid hun landaard eigen, een oorverdoovend vuur op de verhakking geopend. De Europeanen meer bedaard, gaven hun schot slechts af, wanneer zij zulk een donkere gedaante op den oever zagen toeijlen en misten hun doel dan nooit. Zelfs de twee Zwitsers onthielden zich stipt, aan het vuurgevecht deel te nemen en bewaarden zorgvuldig den inhoud hunner repeteergeweren voor oogenblikken van onmiddellijk groot gevaar. En wel bekwam hun dat gedrag; want op eens drong een aantal aanranders door een opening, die zij in de verhakking hadden weten te maken en stormden onstuimig op den oever toe, om zich met den mandauw in de vuist op de rangkans te werpen. In den grootsten doodsangst gilden de vrouwen en waren radeloos van ontsteltenis; maar daar mengden de beide Zwitsers zich in den strijd, gaven kalm en bedaard vuur, nog eens vuur en nog eens. De aanvallers vielen op die schoten paarsgewijze. Met kreten van woede zetten zij den aanval door. De schoten der Zwitsers klonken regelmatig en velden een ieder, die den oever nabij kwam. Toch drongen een paar Doessonners, als onder dat vuur doorduikende, door, wierpen zich te water en klemden zich aan de rangkans vast, wanhopige pogingen aanwendende, om de vaartuigen, die zij gegrepen hadden, te doen omkantelen. Nu was het de beurt van de Dajaks om toe te slaan; eenige mandauwhouwen kloofden een paar schedels en deden een paar afgekapte vingeren tot in den schoot van de nedergehurkte vrouwen springen. Een paar gillen, een paar kreten, wat doodsgerochel en het pleit was beslist; de aanvallers plompten in het water en werden dood of zwaar gewond, den krokodillen ten prooi, door den stroomdraad medegevoerd.

Alles was nu stil aan den oever, zoo stil zelfs, dat men bijna niet gelooven kon, dat daar zoo even nog een kamp op leven en dood gevoerd werd. De Zwitsers haastten zich de kolven hunner Remmingtongeweren van munitie te voorzien en een ieder hield zich gereed voor hetgeen nog komen kon.