Part 39
De stroom werd al meer en meer woest en de vaart moeielijker. Wel had men heden slechts drie kihams te boven te komen, die daarenboven niet lang, niet bochtig en derhalve niet veel moeielijkheden opleverden; maar de rivier zelve werd al smaller en smaller en al meer en meer ondiep. Haar watervermogen verminderde allengskens en bij iedere zijrivier, die men voorbijvoer, deed zich dat al meer en meer gevoelen. Toen men kotta Karangan eenige uren achter den rug had, zagen de Europeanen in, dat het overgaan in rangkans van een goede bekendheid met deze streken getuigde. Al had men ook hun prauw tegen de kihams kunnen ophalen, hier toch had zij de vaart moeten staken.
Van kotta Karangan af was het terrein een ware chaos. De taluds der rivier vertoonden een onregelmatige opvolging van kalklagen, diorietmassa’s en zandsteen, hier en daar doorsneden met calcedonen en vuursteenen, het alles gedekt door een dikke humuslaag, die aan een rijken plantentooi het noodige voedsel verschafte.
Tegen den middag legde de flotille bij een eilandje aan, dat bestond uit verblindend wit zand, spaarzaam met kleine afgeronde witte keitjes vermengd. Een eiland was het eigenlijk niet; het was niets anders dan een zandbank, die thans bij den lagen waterstand boven de oppervlakte verscheen. Door de geringe breedte der rivier kon het woud op de beide oevers dit plekje overschaduwen, zoodat het een bekoorlijk rustpunt aanbood. Tenauwernood had het reisgezelschap de vaartuigen verlaten, om zich de beenen wat te ontspannen, toen men een geheele troep „boehies” [133] door de hooge boomen zag voltigeeren. Nieuwsgierig als alle vierhandige dieren, naderden zij den boschrand en gluurden, onder het maken van allerlei koddige luchtsprongen, naar hetgeen de reizigers daar op dat eiland uitvoerden. Al meer en meer vertrouwvol wordende, naderden zij, naderden nog meer; ja eenige der jongeren waagden zich tot op de onderste takken, lieten zich aan hun lange staarten afhangen en wiegelden zich zoo vlak boven de hoofden der menschen, die zij bijkans met hun voorhanden konden aanraken. Toen de vertrouwelijkheid zoo ver gevorderd was, sprak Harimaoung Boekit eenige woorden, waarop de vier Europeanen hun geweren met groven hagel en gekapt lood laadden en eenige Dajaks hun blaasroeren grepen.
Nog altijd sprong de lustige apenkolonie boven de hoofden der menschen, onbewust van het gevaar, dat dreigde. Op een gegeven teeken knalden de geweerschoten en een twaalftal boehies stortten voor het meerendeel doodelijk gewond neder. Hartverscheurend was het geklaag, dat deze gekwetste dieren aanhieven. Hun makkers verdwenen in allerijl. Toch niet allen; een moeder, die haar jong onder het moordend lood had zien vallen en zelve ongedeerd was gebleven, liet zich van boven afvallen, greep haar stervend kind, klemde dat aan de borst en sprong, vóór dat er zich iemand tegen verzetten kon, te water, dook onder, bereikte den oever en was in een oogwenk in het dichte groen verdwenen. Een ander der gekwetsten viel niet. Krampachtig hield hij zich met de achterhanden vast aan den tak, waarop hij zich kluchtig verlustigde, toen de menschen hun moordaanslag volvoerden. Een oogenblik hing hij daar; men kon hem met de hand bijna aanraken. Tranen droppelden hem uit de oogen en met de voorhanden hield hij zich de borst omklemd, terwijl het bloed hem tusschen de vingeren doorsijpelde. Daar had hij een gapende wond, het scheen wel een snee, waarschijnlijk door het afschampen van een scherphoekig stuk lood te weeg gebracht. Klaaglijk klonk het gesteun van het arme dier; zijn blik had een weemoedig verwijtende uitdrukking, alsof het vragen wilde: „wat heb ik u toch gedaan, om mij zoo te behandelen?” De uitdrukking van dien blik was zoo meewarig, dat geen der Dajaks, zelfs geen der woeste Poenans een vinger uitstak, om zich van het dier meester te maken. Allen stonden met het oog vol deernis toe te kijken. Eindelijk verzamelde de arme boehies al zijn krachten, greep met de voorarmen den tak, waaraan hij hing, tilde zich omhoog en zette zich neder. Nu plukte hij eenige bladeren en jonge spruiten, kauwde die fijn en legde de zoo gevormde pap op de wond. Nu hield hij zich een wijl stil, als om adem te scheppen; waarna hij zich met behulp van zijn staart en drie zijner handen, terwijl de vierde de wond bleef bedekken, langzaam verwijderde en tusschen het donkere loof verdween.
Bij dat schouwspel èn van die moeder, die alles waagde, om haar kind te redden, èn van dien gekwetste, die met zulk een welsprekende mimiek de deernis zijner beulen wist in te roepen, hadden de Europeanen spijt gevoeld, zich tot die moordpartij te hebben laten verleiden. Maar nog voor zij hun gevoelens hadden kunnen uiten, waren de Dajaks met den mandauw in de hand op de gekwetste apen toegesprongen en hadden ze niettegenstaande hun hartverscheurend geschreeuw in een oogenblik gedood. Nu begon een afzichtelijk schouwspel. Ieder, die een lijk in handen hield, haastte zich den buik daarvan open te snijden, om met volle handen in de lauwe ingewanden te wroeten. In de darmen van sommige dieren, maar vooral van de boehies, wordt dikwijls een groenachtige steen ter dikte van een groote erwt aangetroffen. In vroegere tijden werd dien steen door de blanken een buitengewone geneeskundige kracht toegeschreven. In Europa werd hij onder den naam van bezoar ter markt gebracht, alwaar hij toen met het zeldzaamste edelgesteente in kostbaarheid wedijverde. In den tegenwoordigen tijd is zijn oude roem, althans bij de blanken, verdwenen, maar bij de bewoners van den geheelen Indischen Archipel heeft hij nog een zekere waarde behouden en geldt zulk een groene erwt, zoowel te Batavia als te Singapore soms 200 gulden.
Onze reizigers waren uiterst gelukkig geweest bij deze vangst. Soms kan het gebeuren, dat de jager drie, ja meer boehies doodt, alvorens een „batoe galiga”, zoo is de Dajaksche naam van den bezoar, te vinden. Thans had men twaalf apen gedood en daaruit werden acht steenen te voorschijn gehaald, die, wel is waar, niet allen even groot en onberispelijk van samenstel waren, maar die toch door elkander elk 150 gulden waard waren. Harimaoung Boekit verzamelde ze grinnekend, stopte ze in een bamboecylindertje en bood ze als een bewijs van dankbaarheid aan den redder zijns levens en als een bewijs zijner toegenegenheid aan den aanstaanden echtgenoot zijner zuster aan.
„Dat spekt de mas!” mompelde La Cueille, „Crétonnerre, als ieder schot honderd vijftig gulden kon opbrengen; jongens! ik ga op den uitkijk zitten en ieder boehies, dien ik ontwaar is de mijne.”
„Je kunt je de moeite voorloopig gerust sparen,” antwoordde Johannes. „Die apensoort is zoo heel overvloedig niet. Het kost soms vrij wat moeite, om er een in het gezicht te krijgen. En nu dat geweervuur tusschen dien troep weerklonken heeft, drommels! je zoudt hier lang kunnen wachten, voor dat je er nog een van te zien kreegt.”
„Ik heb nog veel batoe galiga te soengei Miri,” gniffelde Harimaoung Boekit tegen Johannes. „Als we daar zijn, heb ik u een ruil voor te slaan voor de kanonnen, die ge van kotta Djankang medegenomen hebt. Die zou ik gaarne op mijn kotta zien prijken.”
„Als we daar zijn, waarde Amai, zullen we daarover verder praten,” kreeg de Poenan ten antwoord. „De kanonnen, wellicht ook de geweren, zult ge kunnen krijgen.”
„Ik begin te gelooven,” mengde de Waal zich in het gesprek, „dat we niet met ledige handen thuis zullen komen.”
„Dat zou wel kunnen zijn; maar.... voor alles moeten we trachten te huis te komen; en zoo ver zijn we nog niet, reken daar maar op.”
De Waal zuchtte eens diep.
Terwijl dit alles voorviel, hadden de vrouwtjes van het reisgezelschap den tijd uitstekend benuttigd, om het maal gereed te maken. Bijna op alle plekjes van het eilandje brandden vuurtjes en de geheele atmospheer rook zoo lekker, dat buiten het ongeduld om verder te stevenen, ook nog de aanspraken van de maag zich deden gelden.
Eindelijk zat of beter lag de geheele reiskolonie, in verschillende groepen verdeeld, rondom de matten, waarop de gaven des Scheppers uitgestald en aangerecht waren. Hoopen dampende rijst, bijna sneeuwwit, droog van korrel gekookt en daarbij een menigte potjes en bladeren als schaaltjes met toespijs gevuld. Het hertenvleesch van den bok, des morgens geschoten, verscheen in allerhande vormen, was rechtvaardig verdeeld en scheen allen goed te smaken.
Op de mat, waarom de Europeanen gelegen waren, stond een koperen pot, hermetisch met een houten deksel gesloten. Eerst hadden de reizigers daar niet op gelet; nu de honger ietwat verzadigd was, begon die hun nieuwsgierigheid gaande te maken.
„Wat zou daar toch in zijn?” vroeg La Cueille.
„Och, dat’s soep,” sprak Johannes, „de lui hebben vernomen, dat die te Bandjermasin nog al eens gegeten wordt en, om ons te verrassen, hebben de vrouwtjes die klaar gemaakt.”
„Soep,” vroeg Schlickeisen, „soep? wel dat had je wel eerder kunnen zeggen, dan hadden we ons maal met een lekker bord kunnen beginnen. Maar om het even, smaken zal ze toch wel.”
En den pot naar zich toehalende, nam hij het deksel af, en snoof met wellust de heerlijke geuren, die zich verspreidden, op. Nu stak hij er een lepel in en maakte aanstalten zich een klapperdop vol op te scheppen, maar met een kreet liet hij plotseling den lepel vallen, greep een soort tweetandige houten vleeschvork, stak daarmede in den pot en haalde iets voor den dag, dat allen—Johannes uitgezonderd—van ontzetting deed achteruit deinzen. Tusschen de tanden van den vork bekneld, vertoonde zich als het ontvleesde hoofd van een kind en aan dat hoofd was nog het lichaam verbonden, dat ten halve nog uit den pot getild, twee armen met welgevormde handjes vertoonde. Sprakeloos en vol afschuw keken de Zwitsers en de Waal die gedaante aan. Schlickeisen had het besef niet, de vleeschvork los te laten. Hij stond daar als aan den grond genageld.
„Wat is er? wat hebt jullie nu weer voor een kippenkuur?” vroeg Johannes.
„Maar zie je dan niet?” was het hijgende antwoord van La Cueille.
„Wat, die soep? Zeker zie ik die, die zal drommels lekker smaken.”
„Ze willen menscheneters van ons maken!” gilde de Waal. „Dat nooit!”
„Menscheneters?” vroeg Johannes onnoozel. „Kom, hou me niet voor den gek.”
En Schlickeisen op zijde duwende, vulde hij zijn klapperdop met de geurige soep, zette dien aan den mond en slurpte met volle teugen.
„He!” riep hij, eindelijk eens ademhalende, „verduiveld lekker!”
„Hoe kun je zoo iets doen?” vroeg Wienersdorf met diepen weemoed in de stem. „Verwildert dan de mensch geheel en al in dit gevloekte land?”
„Dat ik wat heb kunnen doen?” vroeg Johannes schijnbaar verbaasd.
„Wel, die menschensoep drinken!”
„Menschensoep?!!”
„Ja, menschensoep! zie je dan dat kind niet, dat Schlickeisen te voorschijn heeft gebracht?”
De Sienjo had zijn doel bereikt; die domme Europeanen waren er mooi ingeloopen. Hij schaterde het uit.
„Menschensoep! die krijgt jullie in Europa, zelfs in het Grand Hôtel du Louvre niet! Onbetaalbaar!” gierde hij uit. „Ik lach me nog een ongeluk.”
En de vork uit de hand van Schlickeisen grijpende, tilde hij de vleeschmassa verder uit den pot, waardoor met twee lange beenen, van handen voorzien, ook een ellenlange staart te voorschijn kwam.
„Een aap!” riep La Cueille.
„Een boehies, een van die, welke wij straks geschoten hebben. De vrouwtjes hebben dat dier netjes in kokend water gestopt, om hem van zijn pels te ontdoen en toen een lekkere soep daarvan bereid.”
De Waal en de twee Zwitsers stonden met de hand voor den mond even ernstige gezichten te trekken, alsof de zekerheid, dat het geen menschensoep was, hen even ontsteld had, als straks de meening, dat het een kind was, dat zij gezien hadden. De walging, die zij aan den dag legden, nu zij overtuigd waren, dat het apensoep was, kon niet erger zijn, al legde Johannes hun ook uit, dat een aap een der zindelijkste dieren der schepping is, die zich met niets dan met plantaardig voedsel voedt en daarbij uiterst kieskeurig is.
„Als gij daar eens mede vergelijkt het varken en de kip,” riep hij uit, „waarvan het vleesch u zoo smaakt, dan begrijp ik niet, wat ge tegen het verorberen van een aap hebt.”
„Maar die gelijkenis! ’t is alsof je je broer opeet!” sprak Schlickeisen nog steeds ontzet.
„Te drommel!” hernam Johannes lachende, „dat is een argument, hetwelk Darwin vergeten heeft aan te halen, om zijn beroemde stelling aannemelijk te maken; namelijk, de afschuw, dien de mensch heeft van apenvleesch, omdat hij het bewustzijn heeft zijn broeder op te peuzelen. ’t Is waar, dat de Dajak dien afschuw niet kent en dien ook niet voor het menschenvleesch gevoelt.”
Johannes kon oreeren als wijlen Demosthenes, maar overtuigen kon hij zijn makkers niet. De soep bleef dan ook onaangeroerd, behalve de flinke portie, die hij zelf er van verorberde en het been, waarvan hij de kuit met graagte afkluifde en die hem bijzonder smaakte.
Toen het maal verorberd was, werd de reis voortgezet Sedert het vertrek van kotta Djankang was het terrein al meer en meer oploopend geworden; het waren evenwel nog slechts heuvels, die men ontwaard had, waarvan de hoogste slechts 250 voet bereikten en waartusschen de Kapoeas zich heen slingerde. Van nu af begonnen de reizigers in het noorden en noordwesten een bergketen in het gezicht te krijgen, die als zeer uitgesneden, een menigte toppen in de verte vertoonde. Johannes wees zijn makkers die keten en duidde hun aan, dat zij daarover moesten, om de Chineesche zee te kunnen bereiken. Maar, voegde hij er zuchtende bij:
„We beginnen thans de zuidelijke helling te zien; wanneer wij de andere helling zullen afdalen, dat weet God alleen.”
Met kracht werd voortgeroeid. Het kon omstreeks drie uur in den namiddag zijn, toen Amai Kotong het teeken gaf, om aan te leggen. Men bevond zich toen voor de monding der soengei Samoehing, die men, na een korte beraadslaging onder de Dajaks, binnen stevende. Johannes vroeg aan Harimaoung Boekit, wat dat te beteekenen had, daar men nog ruim een drietal uren zou kunnen doorreizen en wellicht Toembang Roengoi bereiken. Zonder antwoord te geven, wees de Poenan naar den hemel in het noorden, die daar erg donker uitzag en een onweder voorspelde. Dalim vertelde den Europeanen, dat een „soho” een watervloed, in de maleische streken „bandjer” genaamd, hier zeer gevaarlijk kon zijn. Het water rijst dan plotseling en stroomt met onweerstaanbaar geweld. De vaartuigen, er door overvallen, worden in weerwil van alle inspanning medegesleept en loopen groot gevaar in den een of anderen labehoe (draaikolk) te gronde te gaan, of op de rotsen der kihams verbrijzeld te worden. Zoodra men binnen de monding der Samoehing was, beijverden de reizigers zich, de lichte rangkans zoo hoog mogelijk op den zacht glooienden oever te halen, om ze buiten het bereik van het water te brengen. Ter nauwernood was men met dien arbeid klaar, of een gerommel liet zich hooren als van een verwijderden donder, dat al nader en nader kwam. De Europeanen meenden, dat het werkelijk het geluid van een onweder was, hetwelk ras naderde, en werden in die meening versterkt, daar het zwerk al meer en meer betrok, de zon reeds achter een dichten wolkensluier verscholen was en eenige groote regendroppels begonnen te vallen, die in het dichte loof van het woud een tikkend geluid gaven, alsof hier en daar een hagelsteen op de bladeren viel. Dalim riep evenwel de deserteurs tot zich, beklom met hen den boekit (heuvel), die de landtong vormt tusschen de Kapoeas en de Samoehing. Aan de oeverzijde was dat niet gemakkelijk, daar door het herhaalde rijzen der wateren, alle plantengroei belet was en de helling vrij steil omhoog liep. Maar na een kleine inspanning waren zij boven en hadden van daar een ruim vergezicht over de rivier. Alles was doodstil in de natuur, geen blad dat bewoog, geen grashalm die slingerde, geen krekel die kriekte, geen vogel die sjilpte, geen vlinder die fladderde. De wolken drukten zwaar op het aardrijk en veroorzaakten, behalve een ontzaglijke hitte, die de zweetdroppels op de voorhoofden deed parelen, ook nog een spanning van aderen en spieren en een angstige neerslachtigheid, die niet te overwinnen was, en waaronder de geheele organische schepping zwoegde. Alleen het loeien van den nog steeds verwijderden donder deed zich hooren, maar steeds nader en nader, steeds onafgebroken. Die stem beheerschte alles, geweldig, machtig, als de stemme Gods, die zij ook was.
„Ziet! ziet!” riep Schlickeisen, die in angstige verbazing de hand naar het boveneinde van den stroom uitstak.
Daar naderde, terwijl het gedonder al dichter bij kwam, en nu den heuvel met het woud en de reizigers, die er zich op bevonden, scheen te omgeven, in de rivier een muur van water van twaalf tot vijftien voet hoog. Als loodrecht opgetrokken in die gedeelten van den stroom, waar de bedding effen was en geen of slechts luttele hinderpalen daarstelde, schreed die muur met de snelheid van een exprestrein voort. Wanneer machtige rotsen den voortgang stuitten, dan steigerde en krulde de ontzaglijke baar met haar geel drabbig water in een halven boog, alsof zij den hinderpaal, die haar in den weg stond, in een woeste omhelzing omklemmen en uit de voegen, die hem geketend hielden, dringen wilde, om hem met zich voort te sleuren. Zij overdekte zich dan met een kruin van wit schuim, brak, spatte uiteen bij die ontzaglijke inspanning en donderde, en schuimde, en kookte, alsof het onderaardsche vuur onder een monsterketel aangeblazen werd. Was zij den hinderpaal te boven, dan, als verzamelde de baar zich weder, steigerde en boomde zij zich, om weer, aan een machtigen wand gelijk voort te ijlen. Aan het geloei der wateren paarden zich het geknars der rotsen, die uit hare voegen verwrikt werden, en slagen, alsof zwaar geschut losgebrand werd, wanneer die rotsbrokken door den machtigen stroom medegesleept, tegen anderen aanbonsden. Boomen werden ontworteld en door het geweld des waters medegevoerd; groote steenmassa’s werden uit hunne omlijsting van klei in de taluds der rivier uitgespoeld en ploften in het water, waarop zij een poos schenen te drijven, alvorens te zinken, zoo groot was de kracht en de snelheid van den stroom.
De verschijning van dien watermuur duurde maar een oogenblik, den tijd ter nauwernood dien een sneltrein noodig heeft, om den wandelaar vooruit te stuiven. Toen hij voorbij was, was de rivieroppervlakte twaalf tot vijftien voet hooger dan een oogenblik te voren, en ging die nog voort te stijgen. Loeiend rolde de gele drabbige watermassa, waar straks een kristalheldere rivier ruischte en klaterde en over helder wit zand en reine kiezelsteentjes voortschoot.
Opgetogen hadden onze Europeanen naar dit natuurtooneel staan staren; maar nog voordat de voortrollende watermuur uit hun oog verdwenen was, werd hun bewondering afgeleid. Want, alsof die voortijlende watermassa het sein gegeven had, brak het onweder op eens in al zijn majesteit los. Het vuur werd figuurlijk en letterlijk door een verblindende bliksemflits geopend, waarop een ratelende donderslag volgde, die de voorbode was van een menigte anderen, die van verscheidene punten van het zwerk zich onophoudelijk lieten hooren. Tegelijkertijd verhief zich een stormwind, die zware boomen ontwortelde, de prachtigste kruinen ter aarde boog, takken afscheurde en als vederen wegslingerde en, beladen met het aan zoovele woudreuzen ontwrongen loof, zich verder spoedde, om zijn verwoestingen voort te zetten. Een oogenblik was er, alsof alle geluiden der aarde ontketend waren. Aan het geloei van den voorthollenden stroom, paarden zich het rollen van den donder, het gekraak der afbrekende takken, het gebons en geplof van de vallende boomen, het gehuil van den stormwind, het angstig getjilp der vogelen, het klagend geschreeuw der apen, en vormde, hoe wanluidend iedere toon op zich zelven ook weerklonk, een verheven harmonisch geheel, dat zich wild en woest verhief, maar het hart met ontzetting vervulde en tot bewondering voor de ontboeide natuurkrachten stemde.
Al dikker en zwarter werden de wolken; al lager daalden zij tot het aardrijk, totdat zij de watermassa, die zij inhielden, niet meer konden houden en haar begonnen te ontlasten. Het was toen geen regen die viel, geen droppels die neerdaalden, maar waterstralen, die door den wind gezweept, als een golvende watergordijn vormden, welke den gezichtskring beperkte en de voorwerpen belette te zien, die op weinige passen afstands verwijderd waren, waterstralen die vereenigd als beken en stortvloeden, springende, vallende en wild schuimende, de helling van het terrein volgden, om zich in de rivier te storten.
Nu spoedden onze zwervers den heuvel af om zich bij hun makkers te voegen. Zij vonden daar allen bedrijvig, want de plotselinge stijging der wateroppervlakte was van zoodanigen omvang geweest, dat al zeer spoedig werd ingezien dat de rangkans niet hoog genoeg op den wal waren gehaald. Gelukkig dat de eerste aandrang des waters voorbijschoot zonder de vaartuigen te bereiken. Maar bij de voortdurende stijging van het water, begreep men dat alles gedaan moest worden om de vervoermiddelen in veiligheid te stellen. De vier Europeanen togen mede aan den arbeid en met de kracht, door die vier paar armen aangebracht, vorderde hij snel, zoodat in weinig tijds de vaartuigen buiten bereik van gevaar lagen.
Het onweder duurde nog geruimen tijd met onbezweken kracht voort, waarna het zich in zuidwestelijke richting verwijderde. De bliksemstralen werden minder scherp en schichtvormig en gingen meer over in ontvlammingen, die het heelal schenen in vuur te zetten; de donderslagen werden minder menigvuldig, de tijdruimte tusschen die slagen en de bliksemflitsen werd gedurig grooter en het geluid zwakker. Ook bedaarde de wind allengskens en ging de plasregen in een fijnen stofregen over, die ook weldra ophield; terwijl de wolken, zich verdeelende, het hemelazuur lieten aanschouwen en een gulden straal der ondergaande zon het aardrijk kwam verkondigen, dat de strijd uitgewoed had. Alleen de rivier bleef nog verbolgen en stuwde haar drabbige wateren grommig en loeiend voort. Maar vóór nog de zon aan de westerkim wegdook, was de stijging tot stand gekomen en vóórdat de nacht ingetreden was, hadden de reizigers zich kunnen vergewissen, dat een daling merkbaar was. Allen legden zich dan ook vertrouwvol onder de hoede der schildwachten te rusten.
Den volgenden morgen was ons reisgezelschap al heel vroeg tot vertrek gereed. Wel was de rivier gedurende den nacht sterk gevallen, maar toch kon de waterafvoer in vergelijking met de vorige dagen nog zeer aanzienlijk genoemd worden. Er stond ruim zes voet meer water dan daags te voren. Door den zwaren stroom zoude meer krachtsinspanning gevorderd worden, om vooruit te komen; daar stond echter tegenover, dat, nu de watermassa over een aantal beletselen heen rolde en die diep bedolf, men daarover heen kon varen welke gisteren nog in allerlei bochten vermeden moesten worden.