Part 38
„Laat op je schieten!” lachte Johannes. „Ziekelijke verbeelding, anders niets. De dichter zoekt weer eenzaamheid, waar zij niet is. Het murmelen, het klateren, het klotsen en het donderen van den stroom overstemt alles; anders zou je het schrille geschreeuw wel hooren der zwermen grauwgroene parkieten [130], die gindsche boomkruinen bevolken. Je zoudt die kudde „badjang’s” (herten) [131], die daar ginds op de toppen der rotsen staan te grazen en ons nu en dan een angstigen en nieuwsgierigen blik toewerpen, hun harden doordringenden kreet hooren slaken. Je zoudt die kleine „bakai’s” [132], die daar in de verte met behulp van hun lange staarten langs de boomtakken en langs de varens en de slingerplanten over den afgrond gymnastiseeren, hun opgewekt: kirah, kirah hooren uitgalmen. Neen, bij God! het leven is hier niet uitgestorven! Integendeel, het openbaart zich zoo krachtvol mogelijk rondom u, tot in de wateren toe, waarin je geheele scholen van prachtige zalmsoorten kunt zien, die dartelend in den schuimenden stroom vooruitschieten, maar zorgvuldig onze nabijheid mijden. Ja, de nabijheid van den mensch, vooral van den Europeaan, veroorzaakt soms een leegte rondom hem, welke hij zichzelven te wijten heeft. Ook hier, hoe woest en wild de natuur zich ook vertoont, heeft het onredelijk wezen met het redelijke reeds kennis gemaakt en ondervonden, hoe gevaarlijk die kennismaking is. Straks, wanneer wij aanstalten maken zullen, om dien wilden waterstroom te beteugelen en naar boven te stevenen, dan zal je alles, als met een tooverroede aangeraakt, zien verdwijnen. Dan zal het in werkelijkheid stil en leeg rondom je zijn, zooals je dat nu droomt; maar dat zal volstrekt niet aan de natuur, maar uitsluitend aan den mensch, aan ons zelven te wijten zijn.”
Terwijl de deserteurs zoo redekavelden en philosopheerden, hadden de Dajaks alle maatregelen getroffen, om de gevaarlijke en moeitevolle bestijging van den kiham te volvoeren. Vrouwen en kinderen stapten aan wal en moesten te voet de rotsen beklimmen, die als het ware de trappen vormden tot het hooger gelegen terras, van waar de Kapoeas met geweld afschoot. Onze vier deserteurs met hun nimmer missende geweren en nog een vijftal Dajaks met hun lansen en mandauws gewapend zouden het schoone geslacht tot beschermers strekken; maar toch ook een wakend oog houden op hetgeen op de rivier kon gebeuren.
Al dadelijk werden de rottankabels, die onze zwervers in soengei Dahasan en soengei Basarang gesneden en de kettingen van de Tjipannas, die zij in soengei Naning opgedaan hadden, te voorschijn gehaald en aan elkander gebonden. Toen men daarmede klaar was, werd die lange kabel door een achttal mannen naar boven gehaald, waarbij zij van rots tot rots springen, niet zelden tot aan het middel door het water waden of enkele armen der rivier overzwemmen moesten. Na een inspanningsvollen arbeid van ruim twee uren was het boveneinde van den kabel om een stevigen boomstam geslagen, die langs den oever boven de stroomversnelling stond en haar geheel beheerschte; terwijl de kabel zelf in het midden langs de lengteas van het stroombed gelegd was en haar uiteinde tot bij de vaartuigen reikte. Nu bleven twee Dajaks bij den boom ter bewaking van den kabel en gingen de zes anderen te water en lieten zich door den woedenden stroom medeslepen, terwijl zij zich met een verbazende vlugheid en behendigheid aan den kabel vastklemden of, beter gezegd, dien door de handen lieten glijden. Menigmaal verdwenen zij onder het schuim in de draaikolken en sloeg het hart onzer Europeanen reeds sneller bij het duchten van een ongeluk; maar dan zagen zij de lange sluike haren van den zwemmer weer op het groenblauwe water verschijnen, het geheele hoofd opduiken, terwijl de eigenaar zich ijlings verder werkte.
Het doel van die manoeuvre was, om zich te verzekeren, dat de kabel niet onder den een of anderen rotsklomp of boomstam geraakt was, waardoor bij het ophalen der vaartuigen een wezenlijk bezwaar, niet zelden een groot gevaar zoude kunnen ontstaan. Hoewel die kabel ruim 600 M. lang was, bereikten die koene zwemmers in weinige seconden haar benedenste uiteinde, en veegden zich het aangezicht af, alsof niets gebeurd was.
In ieder der rangkans namen nu vijf mannen plaats, waarvan een de stuurpagaai hield; terwijl de vier anderen den kabel grepen, om zich daar langs tegen den zwaren stroom op te halen. Onmogelijk konden de rangkans die stijging te zamen volvoeren, maar moesten wachten, totdat ieder hunner den tocht volbracht zoude hebben. Vooreerst toch zoude de kabel niet sterk genoeg wezen om aan zoo’n krachtsinspanning weerstand te bieden. Ook zoude, wanneer een der voorste vaartuigen, een beletsel ontmoetende, kantelde of dwarsstrooms geraakte, haar ongeval noodlottig voor de achter haar komende kunnen wezen en die insgelijks in het ongereede brengen.
De rangkans volvoerden evenwel, dank zij de behendigheid der Dajaks en Poenans, dien tocht zonder eenig ongeval, zonder dat zelfs een spat water daarin iets bevochtigd had. Er ging een zucht van verlichting op zoowel uit de borst van Harimaoung Boekit en Amai Kotong als van de vier deserteurs, toen het laatste vaartuig boven gekomen was. De waterval toch stelde tusschen de Nederlanders en hen een slagboom daar, die wel niet onoverkomelijk geacht kon worden, toch niet gemakkelijk te overschrijden was en een verdere vervolging groote en eigenaardige bezwaren in den weg zoude leggen.
Een groote zorg was nu den kabel naar boven te halen, want die moest nog meer dienst doen. Met dien arbeid waren ook een paar uren gemoeid. Herhaalde malen toch klemde hij vast tusschen rotsblokken en dan hielp geen vereend halen, al schreeuwde men nog zoo daarbij. Men zou hem eerder stuk getrokken hebben. Dan moesten weer een paar zwemmersbazen er langs naar beneden om den hinderpaal uit den weg te ruimen.
De dames hadden geen langen weg af te leggen gehad. Wel was het pad, dat haar naar boven voerde, geen kegelbaan te noemen geweest en hadden zij nog al te klimmen gehad, waarbij de geleiders in de gelegenheid geweest waren galant hun sterke schouders of armen tot steun te kunnen aanbieden. Vermoeiend evenwel was die wandeling voor die natuurkinderen niet geweest. In minder dan een half uur was de beklimming geschied en zaten zij weldra bij den boom verzameld, om welks stam de kabel gebonden zoude worden. De jongsten kortten den tijd met gekeuvel en geginnegap, waarbij zij de zwemmers dapper uitlachten, en de oudsten stookten verscheiden vuurtjes om het maal voor het geheele gezelschap te bereiden. Om de schoone sekse sloegen haar bewakers een beschermende keten van schildwachten, zoodat zij zich dan ook geheel en al in zekerheid gevoelden. Te midden van dat vrouwelijk gekakel liet zich plotseling een stem hooren:
„Nom d’un chien!” riep La Cueille, terwijl hij met den kolf van zijn geweer ongeduldig op den grond stampte, „wat krieuwelt me toch zoo pijnlijk in den hals en op den rug?”
En den lap, dien hij tot afwering der zonnestralen als halsdoek gebezigd had, afrukkende, slaakte hij een angstigen kreet, toen hij dien met bloed als doorweekt zag.
„Mon Dieu! ayez pitié de moi!” riep hij radeloos. „Ik meende dat het zweet was, dat mij langs den rug en de borst droppelde. O, Sainte Vierge, ma patronne! ik ben zeker gekwetst?”
Zijn makkers schoten toe; ook eenige Dajaks drentelden nabij, maar die mededoogenloozen lachten in plaats van deernis te toonen. Vóór nog dat de Waal eenig antwoord op zijn vraag bekomen had, had hij de vingers langs den hals laten glijden en aldaar eenige glibberige en slijmerige voorwerpen gevoeld, waarvan hij de hand schuw en vies terugtrok.
„Mon Dieu! wat is dat?” vroeg hij angstig.
„Halamantek,” was het flegmatieke antwoord van een Dajak.
„Que dit-il? wat zegt hij. O, mon ange gardien! ik ben zeker weer door vergiftigde pijltjes verwond. Halamantek! wat is dat toch?”
„Och loop heen, je stelt je aan als een nar,” grinnikte Johannes. „Halamantek zijn eenvoudig boombloedzuigers, die je alleen maar wat van je venijnig Walenbloed afgetapt hebben.”
Een zucht van verlichting verruimde de borst van den gekwetste. En werkelijk, bij den tocht over land had het pad door een zwaar bosch geleid en het was daarin, dat niet alleen de Waal, maar bijna allen, die de wandeling medegemaakt hadden, die lieve diertjes opgedaan hadden. La Cueille evenwel had, om welke reden bleef onbekend, het ruimste deel daarvan genoten.
„De boombloedzuiger is een diertje,” verklaarde Johannes, „dat veel op een grauwen draad gelijkt, daarvan de dikte heeft en ongeveer een vinger lang wordt. Het huist op boomen, liefst op de onderste takken en bespringt van daar, mensch of dier, zijn prooi. Daartoe krult het draadje zich zoodanig te zaam, dat het mondeinde bij het achtereinde komt, terwijl daarbij het lichaam als een boogje bolvormig staat. Door het lichaam plotseling als met een ruk uit te strekken, verkrijgt de bloedzuiger een veerkrachtige beweging, die hem eenige passen ver slingert, maar met zulk een nauwkeurigheid, dat het diertje zelden zijn doel mist, waarop het zich dadelijk vasthecht. Fluks kruipt het onder de plooien der kleeding en begint gulzig zijn maaltijd. In den beginne is zijn steek niet pijnlijk, eerder wordt een lichte krieuweling opgewekt. Het is eerst later wanneer zich het dier volgezogen heeft en zoo dik als eene pink is, dat het wondje pijnlijk wordt.”
„Dat heb ik drommels gevoeld,” gromde de Waal.
„Weet je ook den wetenschappelijken naam van dien boombloedzuiger?” vroeg Wienersdorf.
„Ja aan de oude talen heb ik niet veel gedaan,” lachte Johannes. „Hoe noemt men den bloedzuiger in het latijn?”
„Hirudo,” antwoordde Schlickeisen.
„Nu dan zal het wel „hirudo springans” zijn.”
Beide Zwitsers proestten het van lachen uit op dat dwaze antwoord.
Inmiddels had de lieve Moendoet een flinke pruim tabak gegrepen, had die een oogenblik in wat kokend water laten aftrekken en waschte nu liefdevol den hals van haar hartedief daarmede. Onder het saamtrekkende van dat afkooksel vielen de bloedzuigers spoedig af en sloten de wondjes zich ras. De Waal was nu gerustgesteld.
„Satané pays!” pruttelde hij evenwel, „waar je niet eens wandelen kunt gaan, of het wordt er op je bloed aangelegd.”
„Ja, die dingen zullen we nu wel meer aantreffen,” zei Johannes, „die kunnen soms een ware plaag worden. We zullen het beste doen, steeds wat tabakswater in een onzer veldflesschen gereed te hebben. Moeten we dan tochten te land verrichten, dan is, bij onze Dajaksche kleeding, de moeite gering, om onze huid met dat vocht in te smeeren.”
„Moeten we nog vele kihams passeeren?” vroeg Wienersdorf.
„Ja, nog verscheidene; morgen zeker een viertal. Maar waartoe die vraag?”
„Wel, dan zullen we ons viermaal met tabakssaus moeten insmeren. We zullen ten laatste stinken als de inhoud van den waterzak eener Duitsche pijp.”
„Dat zal er wel nabij komen,” grinnikte Johannes. „Maar we hebben gelukkig geen entrée de salon te maken; of vrees je dat Hamadoe haar fijn neusje tegen je zal optrekken? Och, maak je daarover niet ongerust; ze is aan veel erger gewoon.”
Toen de kabel eindelijk ingehaald was, had ook de zon haar loopbaan volbracht en dook zonder vele komplimenten achter den boschrand in het westen weg. Onze mannen, vooral de Dajaks en de Poenans hadden een inspanningsvollen dag gehad en haakten naar rust. Er werd dan ook besloten den nacht in de nabijheid door te brengen. De rangkans werden op een rij aan een overhellenden boomtak stevig vastgebonden en wel zoo, dat zij nagenoeg in het midden van den stroom te wiegelen lagen. De vrouwen en kinderen namen daarin hun intrek, terwijl een tiental mannen in de beide vleugelvaartuigen plaats namen. Van dezen zoude minstens één waakzaam en op uitkijk blijven. De overige troep verdeelde zich in twee gelijke deelen, die ter zelfder hoogte als de rangkans op de beide oevers der rivier post vatten en ieder hunner zich met een keten schildwachten omgaven.
Wienersdorf en La Cueille hadden wel de wacht op de vaartuigen in de nabijheid hunner aangebedenen willen betrekken; op de vertogen van Johannes zagen zij daar evenwel van af, om zich aan een degelijke waakzaamheid te kunnen wijden. De vier deserteurs verdeelden zich in dier voege, dat twee hunner op iederen oever aanwezig waren, waarvan minstens een steeds wakker en in de schildwachtenketen, hoewel aan geen vaste plaats gebonden, moest vertoeven.
De voorzorgen waren uitmuntend genomen en getuigden van de zorgen, die Johannes steeds voor het algemeene welzijn trof. Zij waren evenwel overbodig, want de nacht ging rustig voorbij. De eenige stoornis, die voorviel, werd door Schlickeisen veroorzaakt. Deze hoorde bij zijn morgenwake, tegen het aanbreken van den dag, een gekraak in het bosch, dat den oever omzoomde. Hij keek scherp uit met het geweer vaardig. Eensklaps zag hij een troep herten van wel vijftig stuks, aangevoerd door een prachtig mannetje met veelvuldig vertakt gewei, het talud afdalen om zich aan het kristalheldere rivierwater te komen drenken. Terwijl de kudde zich laafde en elkander verdrong, keek haar aanvoerder strak rond, snoof de lucht op en spitste de ooren. Hij stond boven op den taludrand, om het terrein te beter te kunnen overzien. Plotseling bij een beweging van den Zwitser, om zijn wapen in den aanslag te brengen, wierp het fraaie dier het gewei in den nek, stiet een schellen kreet uit en deed zijn eersten maar ook zijn laatsten sprong. De zoo zeker afgezonden kogel trof het dier in de volle borst. Van de steile hoogte aftuimelende, rolde het in het water en de stroom zou het zeker medegevoerd en door de nabijheid van den waterval buiten bereik gesteld hebben, ware het niet tegen de rangkans aangedreven, waar het met de veelvuldige punten van het gewei in de touwen vasthaakte en zoo als verankerd liggen bleef.
De rest van de kudde was in een ommezien spoorloos verdwenen.
Maar de schrik en de verwarring, toen dat schot met zijn honderdvoudige echo daar tusschen die steile en hoog begroeide oeverwanden, donderend weergalmde, waren groot zoowel onder de mannen als onder de vrouwen. Het was in de eerste oogenblikken een gegil van angst, waarbij de kinderen hun partij goed volhielden. Gelukkig dat de Europeanen zich beijverden de orde zoo spoedig mogelijk te herstellen en hun geruststellende stemmen te laten hooren; anders waren zeker ongelukken gebeurd. Nu leidde het geheele geval slechts tot een vervroegd ontwaken. Toen men vernam, wat aanleiding tot den schrik gegeven had, lachten de vrouwen met de veranderlijkheid harer inborst er het hardst om en duurde het niet lang of het geschoten hert was uit het water gehaald, gevild en gevierendeeld en beloofden de lekkerbekken zich een uitnemend heerlijken beet straks bij het maal. Schlickeisen werd geluk gewenscht met zijn fraai schot. Hij evenwel nam zich voor, voortaan minder doldriftig te zijn en niet meer op ongelegen uren te schieten.
Een uur later stevende de flotille weer voorwaarts, den steeds meer en meer driftig wordenden stroom op.
Ook dien dag had men met overgroote moeielijkheden te kampen. Niet ver boven Kiham Hoeras, nabij kotta Hoerakan, vervangt een grofkorrelige bruingele zandsteen de dioritische formatie. Deze zandsteen, veel spoediger aan verweering onderhevig, heeft met zijn brecciën, het rivierbed dermate opgevuld, dat er passages aangetroffen worden, waar een prauw niet door zoude kunnen komen en een rangkan nog behoedzaam moet sturen, om het soms uiterst smalle vaarwater te houden. Het puin van dezen zandsteen wordt gemakkelijk door de onstuimig voortschietende watermassa verplaatst en vormt bij die plaatsen in de rivier, waar de stroom minder sterk is, rolsteenbanken, die soms tot geheele eilanden aangroeien. Deze banken en eilanden worden door de bevolking „karangans” genaamd. Harimaoung Boekit verhaalde onze vrienden, dat die karangans zeer rijk aan stofgoud zijn en dat er niet zelden loovertjes, ja kleine klompen gedegen goud aangetroffen wordt. Het goud op die karangans gevonden, was het beste goud van de geheele Kapoeas.
„We moesten ons geluk dan maar eens hier beproeven,” uitte La Cueille als zijn meening.
„Te drommel neen,” antwoordde Johannes, „vooruit, vooruit ligt de weg. We zijn nog veel te dicht bij de Hollanders; we moeten eerst nog eenige watervallen tusschen hen en ons stellen.”
„Daarenboven,” sprak Amai Kotong, „we kunnen zoo maar niet aan het goudwasschen gaan. We zouden het spoedig te kwaad met de bevolking dezer streken krijgen. Iedere kotta heeft hier haar gronden en riviergedeelten, die zij niet ongestraft door vreemden zou laten aantasten.”
„Nu vooruit dan maar,” gromde de Waal.
Maar behalve het woeste riviergedeelte in de nabijheid dier karangans, had men heden vier kihams te bestijgen. De twee voornaamste daarvan, Koetoes Kala en Boenoet genaamd, vereischten veel inspanning, nog een graad erger dan te Kiham Hoeras. Het was dan ook ruim vier uur in den namiddag, toen de reizigers vermoeid en afgemat—althans het mannelijke gedeelte er van—te kotta Karangan aankwamen.
Die kotta, op den linkeroever der Kapoeas gelegen, was een fraaie en machtige versterking, die een bevolking van ruim 2000 zielen telde. Hadden de doodshoofden, die de palissadeering van kotta Djankang versierden, den blik onzer deserteurs tot zich getrokken, hier waren zij ontzet van het groot aantal bekkeneelen, dat daar boven op die palen stond te bleeken. Hoe veel menschenlevens had het niet gekost, om dat getal bij elkander te krijgen? Niet het getal van de hoofden, die men daar zag prijken, kon dat bepalen, neen lang niet; want iedere koppensnellerstocht lokt van de tegenpartij weerwraak uit, die ook op haar kotta dergelijke gruwelijke versiering aanbrengt. Hier waren daarenboven niet alle schedels aanwezig. Kotta Karangan was veel rijker dan dat. In iedere woning in die sterkte hingen geheele rozenkranzen van die grijnzende doodshoofden en in de omliggende kotta’s werd met een soort van afgunst gemompeld, dat daar koppen van groote waarde onder waren, koppen van Europeanen, die ruim 2000 realen en van Chineezen, die de helft daarvan golden. Hoe men aan die zoo kostbare schedels kwam, werd niet medegedeeld.
Amai Kotong had ook hier zijn bekenden en werd zonder aarzelen binnen de kotta toegelaten. De aanwezigheid van Harimaoung en zijn Poenans wekte evenwel de grootste achterdocht en het kostte wezenlijk den gewezen Amai van kotta Djankang veel moeite om de Karanganners te overreden, het plegen van vijandelijkheden na te laten. Met behulp van Dalim en Johannes gelukte dat evenwel. Deze laatste herhaalde de fabel, te Kotta Baroe reeds opgedischt, namelijk: dat zij gezonden waren door het Nederlandsch bestuur, om te trachten met de Olo Ott in aanraking te komen en de gezindheid van dien stam op te nemen. Niet zonder inzicht had hij dan ook nog voor de aankomst te kotta Karangan de Nederlandsche vlag op den grootsten der rangkans geheschen. Nu vertoonde hij deftig het gezegelde papier, aan Damboeng Papoendeh ontnomen, en voegde er bij, dat het Poenanhoofd hem door den Grooten Heer te Bandjermasin toegevoegd was, om het samenkomen met de Otts te vergemakkelijken.
Of de Karanganners dat verhaal geloofden, viel te betwijfelen. Wel bekeken zij met een soort van eerbied het zegel, in rood lak afgedrukt en onthielden zich van vijandelijkheden, maar stonden niemand van het geheele reisgezelschap dan alleen aan Amai Kotong toe, hun kotta te betreden. Aan de overigen wezen zij de tomoi die zij konden betrekken, aan. Dit was een geruststelling daar zij nu ook als gasten beschouwd werden; op dat punt zijn de wetten der gastvrijheid stellig en zouden niet geschonden worden.
Onze zwervelingen konden zich dan ook zonder argwaan aan de nachtrust overgeven en hadden slechts te waken tegen de gevaren, die van buiten af zouden kunnen opdagen. Daartoe was het voldoende, dat een der vier Europeanen waakzaam was, vooral toen deze zich een paar Dajaks toevoegde, om op alles voorbereid te zijn.
XXVI.
Een Dajaksch ontbijt.—„Kalamboe-ei” en „bakatak”.—Een eiland.—De „boehies”.—Moordpartij.—De bezoarsteenen.—Een nieuw model soep.—In veilige haven.—De storm.—De „soho”.—Kotta Samoehing.—Oorlogsgeruchten.—Beraadslaging.—Niet terug; maar vooruit naar soengei Sirat.—De laatste dag op de Kapoeas.
Met het aanbreken van den dag waren de reizigers weer tot vertrek gereed. Toen dat oogenblik gekomen was, deelde Johannes een twintigtal stengen tabak aan de voornaamsten van kotta Karangan uit; aan de echtgenoote van het hoofd bood hij een halssnoer van fraaie glaskralen uit de pacotille van Baba Poetjieng aan, welke oplettendheid zeer gewaardeerd werd, en dan ook allen argwaan wegnam. Als tegenbeleefdheid beijverde de gastvrouw zich den vertrekkenden pakjes „parei poeloet” (ketanrijst) in pisangbladeren gewikkeld, aan te bieden en bij ieder dier pakjes een flink stuk gebraden „kalamboe-ei” of „bakatak” te voegen. Een flinke teug dubbel overgehaalden toeak werd ook ieder der reizigers gegund.
Dien toeak dronk La Cueille met graagte. Hij smakte nog lang daarna met tong en lippen, veegde zich begeerig den mond af en begon zijn ontbijt. De kleverige rijst was hem bekend; met wat fijn zout, fijn geraspte klappernoot smaakte zij niet kwaad. Maar met een wantrouwend oog bekeek hij de vleeschspijzen, die hem zoo maar in de hand gestopt waren. Hij rook er eens aan. Verduiveld! die geur kittelde aangenaam zijn reukorganen. Hij zette er de tanden in en waarachtig de smaak overtrof nog den geur. Hij verbande alle herinneringen aan paalworm en slangen en liet zich het zoodje goed smaken, totdat Johannes hem vroeg, of hij wel wist, wat hij daar at.
„Om het even,” antwoordde de Waal, „’t is afgedriedonders lekker!”
„Als het je maar smaakt, dan is alles goed. Ik vind het ook lekker, al is het wat vies.”
Met een stuk in den geopenden mond, keek de Waal Johannes aan.
„Wat is het dan?” bracht hij stotterend uit, terwijl hij de hand aan den mond bracht.
„Neen, laat zitten; ’t is te lekker om weg te gooien. Daarenboven, zoo erg is het niet. De „kalamboe-ei” is een vuistdikke tuinslak met prachtige schelp.”
De Waal kokhalsde reeds.
„En het andere?” vroeg hij met vertwijfelende stem.
„De „bakatak” is een groene kikvorsch, die hier allerwege langs de rivierboorden gevonden wordt.”
„O, mon Dieu!” kreunde de Waal met een verdachte beweging van zeeziekte.
„Kom, wat is dat voor gekheid!” riep Johannes, „je bent toch nu lang genoeg in de Dajaklanden, om die meisjesgrillen afgeleerd te hebben. Daar, drink eens voor het vet.”
En meteen gaf hij hem een bamboemaatje met jenever gevuld over. In een slok sloeg de Waal den inhoud naar binnen en zei, terwijl hij zich de maagstreek wreef:
„Fichtre! dat smaakt; voor nog zoo’n borrel eet ik tien slakken op.”
„Dat wil ik wel gelooven,” lachte Johannes, „die tien slakken zouden evenwel je maag bezwaren. Je hebt daarenboven nu genoeg hartversterking. Pruim je rijst nu maar op.”
La Cueille gehoorzaamde stipt; maar hij moffelde toch het lekkere gebraad weg en moest zich omkeeren van walging, toen hij zijn Moendoet zich met een genotvol gelaat de vingers zag aflikken. Hij nam zich voor, haar in volle vier en twintig uren geen zoen te geven.
Na afloop van dat lekkere maal nam een ieder weer zijn plaats in de vaartuigen in, en onder een luid hoera zette zich de rangkanvloot in beweging.