Part 37
„Hij heeft ze niet gehangen,” lachte Dalim, „en wat wel het voornaamste was, toen mijn vader zijn vrijheid herkreeg, gaf hem het kampongvolk een fraaien mandauw ten geschenke als waardeering, dat hij hen van een gevaarlijken antoeën verlost had en bij de eerste de beste gelegenheid werd hij tot kamponghoofd van soengei Basiri verkozen.”
„Jawel, maar bij het vellen van een boom, kreeg hij een tak van den vallenden reus op het lijf, die hem de ruggegraat verbrijzelde.”
„Dat was de wraak van den boosaardigen antoeën.”
„Goed; maar waarmee de kommandant nog al in zijn schik was, omdat hij van de verplichting ontslagen werd, òf de benoeming tot hoofd van iemand, dien hij van moord verdacht hield, te bekrachtigen, òf die bekrachtiging te weigeren en weer nieuwe tweespalt met de bevolking te beginnen.”
„Naughe!” (het zij, hoe het zij) lachte Dalim als om het gesprek over dit onderwerp af te breken. „Maar,” vervolgde hij, „ik heb u nu twee geschiedenissen in plaats van eene gegeven. Zijt ge nu tevreden? Ja? Laat ik er dan nog bijvoegen, dat, indien iemand in de Dajaklanden ook maar verdacht wordt antoeën te zijn, hij geen oogenblik zijn leven zeker is. Niet alleen wordt het in het belang der openbare veiligheid geacht, hem van kant te maken; maar, zooals ge gezien hebt, hij, die hem doodt, wordt als een befaamd held beschouwd, wien iedereen verplichting heeft en dankbaarheid verschuldigd is; terwijl hij bovendien zich van de gunst van Radja ontong [128] verzekerd kan houden. Hier in de bovenlanden daarenboven is het dooden van een antoeën een uiterst langdurig lijden en gaat met de grootste folteringen gepaard. ’t Is dus een goede raad, dien ik u gegeven heb, u niet meer uit te geven voor iemand, die de macht bezit, ziekte te kunnen berokkenen.”
„Neen, voor den drommel niet! dat zal ik niet meer doen,” zeide Johannes ernstig gestemd. „Maar kan dat nog kwade gevolgen hebben?”
„Neen, wanneer de Poenan vrij van koorts blijft. Dan is alle gevaar over. Want een bijzonderheid der antoeëns is, dat zij zelven nimmer het kwaad, dat zij berokkend hebben, kunnen herstellen.”
„Mijn waarde Helvetiër,” wendde zich Johannes tot Wienersdorf, terwijl hij hem een papiertje in den vorm van een poeder in de hand stopte, „hier heb je nog een twintig grein chinine, laat die je schoonbroeder nog slikken; want, verduiveld! nu heb ik een voornaam belang te meer bij zijn genezing.”
Maar die tweede dosis was niet meer noodig. Na flink en rustig een gat in den dag geslapen te hebben, was de Poenan ontwaakt en, zich uiterst wel gevoelende, had hij zijn matje opgerold en dat buiten ’s huis in de schaduw van een zwaar gekroonden wariengienboom uitgespreid. Hij lag daar nu onder het genot van een sirihpruimpje de buitenlucht met forsche teugen in te ademen. Toen hij Wienersdorf en Johannes zag naderen schudde hij laatstgenoemden hartelijk de hand. Toch was een soort van eerbiedige vrees voor hem, die zoo maar ziekten kon te voorschijn roepen en doen verdwijnen, bij dat oorspronkelijke gemoed onmiskenbaar.
XXV.
Tijding van Kwala Kapoeas.—Vertrek van kotta Djankang.—Kotta Batoe Sambong.—De legende van den batoe sambalajong.—De Kiham Hoeras.—De bestijging van den waterval.—Koene zwemmers.—De boschbloedzuigers.—De nachtwaak.—Een fraai schot.—Voorwaarts, de Kapoeas op.—De karangan’s.—Kotta Karangan.
Gelukkig bleef Harimaoung Boekit verder van koorts bevrijd. De almacht van Johannes was dus ten volle bewezen, hetgeen zijn prestige niet weinig verhoogde. De ziekte van het Poenanhoofd had aanleiding kunnen geven de voorgenomen reis te vertragen; nu bestond daartoe geen enkel voorwendsel meer. De deserteurs drongen dan ook op een spoedig vertrek aan en met te meer klem, dewijl zij zeer goed inzagen, dat, waar zij thans zaten, een overval tot de zeer mogelijke gebeurtenissen behoorde. Het verwonderde hen reeds, dat zij nog niets van de benedenlanden vernomen hadden. Maar bij den eigenaardigen geest der inlandsche bevolking van Nederlandsch Indië, die van geen haast weet en voor wie het besef van tijdruimte bijna niet bestaat en dus haar beteekenis mist, was niet tot meer spoed te drijven. Steeds kwam er iets in den weg; nu eens moest dit of dat nog voor de reis toebereid worden; dan weer moest voor het vertrek een gewichtige basara (proces) uitgewezen worden; een andere keer had de Antang kwade voorteekens gegeven en moest de reis uitgesteld worden om onberekenbare maar toch zekere rampen te ontgaan. De Europeanen waren soms wanhopig onder al dat gedraal; zij waren nu al veertien dagen te kotta Djankang en onmogelijk zagen zij kans, zonder zich bloot te geven, aan dat gezeur paal en perk te stellen. Gelukkig dat van een andere zijde aandrang kwam, en aan dat getalm een einde maakte.
Op een morgen kwam een djoekoeng aan, door de gezanten afgezonden, waarbij zij berichtten, dat wel is waar, de onderwerping van kotta Djankang door het Nederlandsch bestuur aangenomen was, maar dat de kommandant van Kwala Kapoeas zelf zoude komen met een stoomschip om den toestand op te nemen en het nieuw gekozen hoofd af te halen; ten einde den eed van getrouwheid in handen van den resident te Bandjermasin af te leggen. Bij vertrek van Kwala Kapoeas, was men daar ieder oogenblik het stoomvaartuig wachtende, dat dien kommandant zoude overvoeren. De berichtgevers hadden dag en nacht doorgeroeid en op iedere geschikte plaats van roeiers verwisseld, om maar tijdig aan te komen.
Die tijding hielp. En Harimaoung Boekit èn Amai Kotong begrepen, dat nu ieder oogenblik dat vuurschip kon verschijnen en dat, wanneer het gebeurde, van een geregelde verhuizing, zoo als zij die voor hadden, geen sprake meer kon zijn, maar dat slechts een overijlde vlucht in de wildernis hun leven zoude kunnen redden. Nu was alles in rep en roer en waren alle handen ijverig bezig om de laatste toebereidselen te maken en de laatste beschikkingen te treffen. Nu dacht niemand meer aan het beeindigen van basarda’s; nog minder bekreunde zich iemand omtrent de vlucht der Antangs. De laatste nacht, dien men te kotta Djankang doorbracht, ging onder allerlei beslommeringen voorbij; en bij het aanbreken van den dag was men in zoover tot vertrek gereed, dat nog slechts de kanonnen, die men dien nacht voor alle zekerheid nog in batterij gelaten had, aan boord der rangkans te brengen waren. Met de pootige armen onzer Europeanen was dat in een oogwenk geschied; en.... ja nu begon een afscheidnemen, waaraan geen einde scheen te zullen komen, toen Johannes eensklaps uitriep, terwijl hij met den vinger naar het zuiden wees:
„Banama asep! banama asep!!” (een rookschip, een rookschip.)
En werkelijk, boven den boschrand aan den zuiderhoek kronkelde een rookwolk omhoog. Dat gaf uitkomst. In allerijl nam nu een ieder plaats in de vaartuigen en in minder tijd, dan noodig is om het te vertellen, waren de tien rangkans, die de 165 personen, waaruit de volksverhuizing bestond, met al hun have en goed bevatten, van wal gestoken. De beseai’s kliefden krachtig het water, de lichte vaartuigen schoten vooruit; nog een hoera! zoowel door de vertrekkenden aangeheven, als door de achterblijvenden op den oever geschaard, en weldra was de kotta, die onze reizigers zoo gul opgenomen had, voor hun oogen verdwenen. Wel veegde Amai Kotong met den rug zijner hand een traan weg, die hem over de wang biggelde, bij het herdenken, dat hij daar op die plek, het grootste en schoonste gedeelte zijns levens gesleten had, maar met de kinderlijke veranderlijkheid, den inlander zoo eigen, was die traan weldra opgedroogd, en de herinnering uitgewischt, vooral toen hij de beseai opnam, om mede te roeien.
De rook, dien Johannes gezien had, was een loos alarm geweest; het was slechts de rook van een vuur, dat de wachthebbenden op dien hoek waarschijnlijk gestookt hadden. Maar die rook had de goede uitwerking van de roeiers tot verdubbelden spoed aan te zetten en het gevolg daarvan was, dat in den letterlijken zin des woords de rangkans vooruitvlogen.
In het voorbijvaren kon La Cueille nog eens een blik werpen op de steenkolenader, die zich daar zoo gitzwart vertoonde tusschen het grijs van de schieferklei, waaruit de oever bestond, en waartusschen die ader besloten lag. Maar weldra waren zij die voorbij en bereikten zij nu de zone van de kalkformatie. Het terrein werd hier woester, de oeverwanden naakter; meestal verhieven zich die wanden loodrecht uit het water, soms helden zij schrikwekkend over de oppervlakte en dreigden met dood en verderf.
Nog altijd evenwel behield de rivier haar effen spiegel. Wel joegen haar wateren met spoed voorwaarts, maar zij was nog steeds bevaarbaar en de effenheid harer oppervlakte kon gerust tot die van haar bodem doen besluiten. Wel waren er in sommige bochten wielingen en draaikolken zichtbaar en golfde het water over kalkrotsen, die van de uitgespoelde oevers waren afgestort; maar met wat omzichtigheid en kennis van het vaarwater, waren die plaatsen wel te mijden en leverde de Kapoeas nog altijd een breed vaarwater, waarop een niet te lang stoomscheepje van zes voet diepgang zonder veel bezwaren had kunnen manoeuvreeren.
Een paar uren na het vertrek werd kotta Batoe Sambong bereikt. Amai Kotong stapte daar een oogenblik aan wal, om het hoofd van dien kampong, waarmede hij jaren lang als een goed buurman in vrede geleefd had, vaarwel te zeggen. Belangstellend kwamen de kottabewoners de vertrekkenden bij de prauwen begroeten en boden hun gebak en daarbij een hartigen teug toeak aan. Beiden werden dankbaar aangenomen, en niet alleen La Cueille, maar allen, zelfs de vrouwtjes, die, voor zoover haar krachten zulks toelieten, ook de pagaai hanteerden, lieten zich een mondvol van het hartversterkende vocht goed smaken. Bij het vertrek was de aandoening algemeen; van weerszijden verloor men goede buren; in een land als dit waren die wel te waardeeren. En welke zou men in de plaats krijgen?
Het oponthoud had niet lang geduurd, een half uur hoogstens; maar toch nog veel te lang voor het ongeduld van Johannes. Die vooral voelde zich niet gerust, voordat hij den eersten waterval, dien slagboom voor de stoomschepen, achter den rug zoude hebben. Eenmaal daar achter, kon hem een uurtje dralen minder schelen. Dan konden de reizigers niet zoo plotseling en ook niet door zoo’n verpletterende overmacht overvallen worden. Moesten de Hollanders ook in rangkans tegen die watervallen op; och, dan kon men zich verweren, dan kwamen de kansen meer gelijk. Maar tot zoolang klonk zijn leus maar: vooruit! vooruit!! vooruit!!!
Op een korten afstand van kotta Batoe Sambong passeerde men een alleenstaande kalkrots van ongeveer 50 voet hoogte, die, toen Johannes zijn makkers er opmerkzaam op maakte, uit de verte gezien, den vorm bleek te hebben eener reusachtige vrouw met den hoofddoek om het hoofd gewonden in knielende houding. Tegen den voet dier rots brak de Kapoeas kokend en schuimend en veranderde nagenoeg rechthoekig van richting. Johannes vertelde hun verder, dat het aan dien steen was, die „batoe sambalajong,” saamgetrokken, „batoe sambong” heette, dat de kotta in de nabijheid gelegen, haar naam ontleende.
„Wat beteekent sambalajong?” vroeg Wienersdorf.
„Sambalajong is de naam van den witten hoofddoek, dien de weduwen dragen. Zoodra haar echtvriend dit tranendal verlaten heeft, is de Dajaksche vrouw verplicht, zich geheel in het wit te kleeden en dus ook een witten hoofddoek te dragen.”
„Bijgevolg is wit de rouwkleur der Dajaks?” viel La Cueille in, „dat ’s net als bij de Chineezen.”
„Slechts met dat verschil, dat alleen het eerste stel kleederen, dat de weduwe na het overlijden aantrekt, wit moet zijn. Is dat versleten, dan moet zij het vervangen door een geheel zwart pak en dat dan dragen totdat het Tiwahfeest gehouden is.”
„Wat is dat voor een feest? Zoo een hebben wij nog niet bijgewoond, niet waar?” vroeg Schlickeisen.
„Neen, en het is niet te hopen dat wij er een te zien zullen krijgen. De Dajaks gelooven, dat na het overlijden de liau, de ziel of beter de levensvonk, naar den „Kawawohan boelau” (Dajakschen hemel) verhuist, maar dat de „karahang” of de ziel van het stoffelijk gedeelte des lichaams in de nabijheid van het lijk blijft zweven, totdat een groot feest, Tiwah [129] geheeten, gegeven is, waarbij de Balians haar bezweringsgezangen gillen om de karahang den hemel binnen te geleiden om met de liau tot een „hambaroeang” (volmaakte ziel) vereenigd te worden.”
„Mooi, dat weten we al weer,” meende La Cueille. „Maar, waarom heet die kalkrots batoe sambalajong?”
„Wel zie je dan niet, dat dat vrouwenbeeld een sambalajong, een weduwendoek op het hoofd heeft? Men zou batoe sambalajong of batoe sambong kunnen vertolken door weduwensteen, wat ook in de eigenlijke bedoeling heeft gelegen.”
„Hoe zoo?” vroeg Wienersdorf nieuwsgierig. „Aan dien steen is zeker een legende verbonden, hè?”
„Ja zeker, evenals aan alle dergelijke steenen hier in de Dajaklanden. En een drommels mooie legende ook. Ik heb ze hooren vertellen bij een tocht, dien ik toen met den kommandant in deze streken gemaakt heb. Ik heb ze voor hem moeten opschrijven; daarvan weet ik ze zoo goed. Luistert:
„Daar ter plaatse, waar nu die steen staat, zou volgens de overlevering vroeger een hutje gestaan hebben, waarin de gelukkigste echtgenooten in de Dajaklanden zouden geleefd hebben. Maar helaas! niet steeds is in dit ondermaansche het geluk bestendig van duur. In de verre bovenlanden was een machtig opperhoofd gestorven en, om dien een prachtige uitvaart te geven, moest een groot aantal ongelukkige pandelingen geslacht worden. Wel had men een zeker aantal dier rampzaligen beschikbaar; maar zooals het hier in de bovenlanden wel meer gebeurt, de erfgenamen vonden het veel meer met hun belangen strookende, andere menschelijke wezens te offeren, dan wel hun eigen pandelingen, die, alles goed gerekend, toch door elkander een waarde van 200 gulden vertegenwoordigden. Maar hoe aan die andere wezens te komen? Wel niets eenvoudiger dan dat. Door gewapenderhand strooptochten bij de naburige stammen te ondernemen en bij die tochten te pogen alles wat maar mensch heet, mannen, vrouwen en kinderen, te ontvoeren, wordt op een niet te dure wijze den overledene een met zijn rang overeenkomend escorte naar de Dajaksche Elyzeesche velden medegegeven en kunnen de aanwezige pandelingen ten voordeele van den boedel behouden worden.
„Het was bij zulk een strooptocht dat het hutje, waarin ons paartje met ongekend geluk het leven smaakte, overvallen werd. In het eerste oogenblik van verwarring was het de vrouw des huizes, onbewust van den aard van wat rondom haar voorviel, gelukt zich uit de voeten te maken en zich schuil te houden; maar toen de roovers met hun vaartuigen van wal staken en haar man en vijf kinderen gekneveld medevoerden, toen ontwaakten in haar de moeder en de echtgenoote; toen dacht de arme vrouw aan geen zelfbehoud meer, maar vloog in haar radelooze wanhoop naar den rivieroever, viel daar aan den rand des waters op haar knieën en bad en smeekte, dat men haar haar dierbaren zoude wedergeven. Doch welke hartverscheurende klanken de diep ongelukkige ook in den toon harer stem legde, alles te vergeefs!
„Een oogenblik echter hielden de roovers op met roeien. Niet dat hun hart zich met deernis vervulde, niet dat zij er aan dachten om de bede der rampzalige vrouw te verhooren, maar het getal slachtoffers was nog niet voltallig, en die vrouw, die hun ontsnapte, die nu, door haar wanhoop overstelpt, hoegenaamd geen gevaren zag, zou een wisse en gemakkelijke prooi zijn. Dat was wat den roeislag verlamde en de snelle stroom voerde reeds de prauw naar haar afvaartspunt terug en de ongelukkige echtgenoote en moeder tegemoet, toen in de verte de alarmtonen op de garantong zich hooren lieten en de roovers, beducht om door de vereenigde bevolking der naburige kampongs aangevallen te worden, hun beseai’s met kracht in het water sloegen en in een oogenblik met hun buit in de duisternis verdwenen waren.
„Ontroostbaar bleef de ongelukkige vrouw aan den rivieroever geknield liggen, het met tranen gevulde oog onafgebroken naar de plek, waar zij alles, wat haar op aarde dierbaar was, had zien verdwijnen. Dagen, ja weken bleef zij zoo liggen, en lang had de tijding van den dood van haar man en haar kinderen haar bereikt; alle hoop op weerzien was vervlogen en toch bleef zij aan die plek geboeid, totdat de machtige Sangiang Assei, door zooveel wanhoop bewogen, de rampzalige weduwe in een verbazend grooten witten steen veranderde, welke steen bij die verandering haar geheele gedaante behield.
„Het volk knoopt aan die legende de voorspelling vast, als een onbestemde hoop van wat de beschaving in de toekomst brengen zal, dat wanneer een vuurschip dien Batoe Sambong zal voorbij stevenen, die steen weer zijn oorspronkelijke menschelijke natuur zal aannemen en alsdan een vreeselijken vloek over het koppensnellen en de menschenoffers zal uitspreken, waardoor al de daaraan schuldige stammen zullen omkomen.”
„Nom d’une pipe!” barstte de Waal los, toen Johannes zweeg. „Oef! je moet bekennen, dat het weer knapjes akelig geweest is. Ik geloof, dat jij pret in al die narigheden vindt. Je hebt nooit eens iets te vertellen, waarin wat van een lieve flinke meid voorkomt.”
„Kom, jij met je lieve flinke meid,” lachte Schlickeisen. „Kijk jij maar naar je Moendoet. Zie die eens lachebekken met een der roeiers.”
„We zullen haar hier in ons vaartuig nemen?” raadpleegde de Waal.
„Wel zeker! dan zul jij veel roeien kunnen,” beet Johannes hem toe. „Kom laat de deern lachen, het gaat haar zoo goed af. Als zij met je getrouwd zal wezen, zal ze tijd genoeg hebben om te huilen, misschien wel redenen ook.”
Allen lachten, behalve La Cueille, die door die aardigheid niets gesticht was.
„Maar,” hervatte Wienersdorf het vorige gesprek, „ligt in die legende en in die voorspelling niet de toekomst opgesloten? Zullen de Europeanen niet eindelijk genoodzaakt zijn, de gruwelen, die hier te midden van het grootste, het schoonste en het rijkste eiland der aarde gepleegd worden, te vuur en te zwaard tegen te gaan? Zal de tijd niet komen, dat Borneo in den maalstroom der beschaving zal opgenomen worden, dat dan de vuurschepen den Batoe Sambong zullen voorbijstoomen, dat dan het rood der schaamte de kaken van hen zal verven, die zich heer en meester noemen van zoo schoon een land en dat dan dat koppensnellen, dat menschenslachten en nog meer menschonteerende gruwelen zullen ophouden?”
De Zwitser had met klimmende opgewondenheid gesproken. Bij zijn laatste vraag keek hij Johannes half uitdagend aan.
„Ja, dat zou zoo moeten zijn,” antwoordde deze bitter, „maar het is reeds lang geleden, dat het eerste vuurschip voor den Batoe Sambong zijn anker heeft laten vallen en, let er op, aan den toestand is niet veel veranderd. Er is sedert geen kop minder gesneld, er is sedert geen pandeling minder geslacht geworden. En dat zal wel zoo blijven, mits de rapporten maar van rustige rust gewagen; och! wat let het den beheerscher, wanneer de eene helft van Borneo de andere onthoofdt of gruwelijk slacht? Onder den invloed van het kilkoude flegma der Hollanders heeft de Batoe Sambong zijn gedaante behouden, hun vuurschepen hebben hem niet kunnen ontdooien; de steen is steen gebleven en heeft zijn vloek niet kunnen uitspreken, omdat de veroveraars vrede met al die gruwelen schijnen te hebben en niet alles willen aanwenden, om daaraan voor goed een einde te maken.”
Men had den Batoe Sambong al lang uit het gezicht verloren en Johannes was wellicht nog verder in zijn beschouwingen gegaan, toen eensklaps het „halt” van den voorsten rangkan weerklonk. Men was bij Kiham Hoeras, den eersten waterval aangekomen. Reeds sedert lang had zich een dof gerommel, dat evenwel al duidelijker en duidelijker werd, laten hooren. Maar onder den indruk van het verhaal der Batoe Sambong-legende hadden de Europeanen niets gehoord. Nu evenwel de verhaler zweeg en ook het getiktak op den rand der vaartuigen, onvermijdelijk aan het pagaaien verbonden, ophield, nu klonk hun de verheven stem des waters in haar volle majesteit in de ooren en lag daar de schoone rivier, die in vele bochten, langs een hellend vlak tusschen ontelbare rotsen doorschuivende en klotsende, naar beneden schoot, vlak voor hen. Het benedengedeelte des Kihams werd gevormd door zware kalkrotsen, die in de grilligste gedaanten als door elkander geworpen schenen. Bij het hoogere gedeelte was die kalkformatie door plutonisch dioriet doorbroken en vertoonden zich de donkerblauwe rotsbanken tusschen den witten kalksteen aan de oppervlakte. Hier en daar kwam het bijna zwarte gesteente als verweerd te voorschijn en scheen in kogelvormige massa’s uit elkander gevallen te zijn. Maar verreweg het grootste gedeelte der dioriet-rotsen was gespleten en het gesteente vertoonde den vorm van regelmatige achtkantige zuilen. Bijna het geheele bovengedeelte van den Kiham Hoeras spreidde zich voor het oog ten toon, als een opeenstapeling van zulke woest over elkander gestorte zuilen. De indruk, door dat natuurtafereel op onze reizigers gemaakt, was machtig. In stomme bewondering zaten zij er naar te kijken, terwijl hun rangkan op het schuimende water als danste; zij hadden vooreerst geen woorden, om hun gedachten in te kleeden. Eindelijk riep La Cueille:
„Mille millions de pipes! que c’est beau!”
Wanneer hij aangedaan was, de lezers zullen het wel opgemerkt hebben, dan uitte de Waal zijn gevoelens allereerst in het Fransch.
„Ja, ’t is mooi,” sprak Wienersdorf getroffen en met een van aandoening trillende stem; „kijk daar eens, hoe fraai geschakeerd die witte en zwarte steen door elkander gemengd is; ziet daar ginds dat plekje, de kunstigste mozaïekwerker der wereld zou het niet kunnen verbeteren!”
„En daar verder op, daar schijnt de kalksteen als uitgeknipt, ziet hem eens helder en uiterst fijn bewerkt op dat zwarte gesteente uitkomen; het is als een reusachtig kantwerk.”
„Ja, en van een minder broos maaksel dan uw Brusselsche, Mechelsche of Appenzellsche prullen,” voegde er Johannes aan toe.
„En ziet eens,” ging Wienersdorf in opgetogenheid voort, „die hooge en steile oeverwanden, waarin de kalksteen met den dioriet als om den voorrang twist en waarover het bekoorlijke zachte groen van reusachtige varens, als uitgebreide maar smaakvolle pluimen heenwuivende, die wanden als met een groen zijden net overspant, waarboven het sombere loof van het krachtig oorspronkelijk woud zich hoog in de lucht welft, als de trotsche gothische bogen eener middeneeuwsche kathedraal.”
„En ziet daar verder op, in de hoogte, daar hellen de boomstammen voorover en buigen de takken omlaag, vlechten zich, ook met de vele slingerplanten, in elkander om, als ’t ware, een lage spelonk te vormen, waaruit het wit schuimende water, als uit de machtige urn van den stroomgod, te voorschijn schiet.”
„Maar wat schijnt het hier stil, niet waar? Niets, niets dan het geraas van het voortijlende water,” sprak Wienersdorf. „Geen vogel, die zijn stem hooren laat, geen dier, dat door zijn gebrul of geschreeuw die stilte verbreekt. Het is of het leven hier uitgestorven is.”