Borneo van Zuid naar Noord

Part 43

Chapter 433,860 wordsPublic domain

De reis tot aan de monding der soengei Mantarat, die men tegen 10 uur des voormiddags bereikte, leverde niets merkwaardigs op. De rangkans stevenden dat riviertje op, hetwelk door zijne geringe diepte, groot verval en vele bochten nog al moeielijkheden opleverde, en bereikten zoo omstreeks 2 uur in den namiddag kotta Mantarat. Daar wist men van den vijand hoegenaamd niets af; als gewoonlijk was daar niemand ontwaard, geen reiziger was zelfs voorbijgetrokken, zoodat de tijdingen, die de reizigers van het beleg van het naburige kotta Hamiak medebrachten veel verwondering, maar ook veel ontsteltenis baarden. De bewoners besloten evenwel dadelijk alles tot een krachtige verdediging klaar te maken. Onwaarschijnlijk was het niet, dat zij een bezoek van een der stroopende benden zouden krijgen.

Dat het daar aan de soengei Mantarat zoo rustig bevonden werd, was wel een bewijs, dat de jeugdige Doessonner in zijn erkentelijkheid aan Johannes de waarheid verklaard had.

Onze reizigers hielden zich nu in de allereerste plaats bezig, om voor iederen rangkan, die medegenomen zoude worden, een zestal houten rollen te vervaardigen, met welker behulp het vervoer over de waterscheidende heuvels tusschen de Kapoeas en Kahajan niet al te bezwaarlijk zoude gaan. Toen men die rollen bij elkander had, werden de zes stevigste rangkans uitgezocht, gedeeltelijk ontladen, daarna op den wal getrokken en ieder op haar rollen geplaatst. Die vaartuigen werden nu weder geladen en daarin werd ook de inhoud der achterblijvende vaartuigen voor zooveel noodig geborgen. De reizigers beijverden zich vervolgens touwen van rottan of andere slingerplanten te vervaardigen, om tot trekwerktuigen gebezigd te worden. Van de rottankabels en kettings, uit soengei Basarang en Naning medegebracht, zoude geen gebruik gemaakt worden; die werden zorgvuldig bewaard, omdat op de Kahajan en ook op de soengei Miri nog verscheidene kihams te passeeren waren. De avond was al ver gevorderd, toen men met al die toebereidselen gereed kwam, zoodat dan ook een ieder vrij vermoeid onder de hoede van de bewakers der kotta ter ruste ging.

Den volgenden morgen werd met het aanbreken van den dag de moeitevolle reis hervat. De weerbare mannen bedroegen nog slechts 72, waaronder Schlickeisen die, hoewel zijn wond zich gunstig het aanzien, evenwel aan geen inspanning kon deel nemen. Het was al wel, dat hij zijn geweer droeg en dat hij de verzekering meende te kunnen geven, zijn wapen als het noodig zoude zijn, te kunnen behandelen. Johannes verdeelde het troepje nu in dier voege, dat tien mannen met geweren gewapend de voorhoede uitmaakten, dat daarachter de zes rangkans volgden, ieder door negen paar armen getrokken of gestuwd, waarachter de vrouwen en kinderen kwamen, die ten slotte door acht geweerdragenden beschermd werden.

Aanvankelijk trok de reizende kolonie vrij vlug vooruit. Zoolang het terrein zacht klimmend was, rolden de rangkans goed voort en was niet al te veel inspanning noodig, om hen in beweging te houden. Alleen de plaatsing der rollen onder de vaartuigen vereischte bij het voorttrekken eenige nauwkeurigheid, om tot geene vertraging aanleiding te geven. Maar langzamerhand werden de hellingen steiler, meer scherp en bij gevolg de moeielijkheden grooter. Met de hitte van den dag schenen ook de bezwaren toe te nemen en kwamen er oogenblikken voor, dat het geheele gezelschap bekaf naar den adem stond te snakken. Het pad voerde nu eens over kale heuveltoppen slechts met allang allang begroeid. Op die weggedeelten veroorzaakte het vervoer der rangkans niet bijzonder veel moeite; hoewel het toch een zwaar stuk werk moest heeten, die geladen vaartuigen door dat meterlange gras, waartusschen het pad nauwelijks zichtbaar was, tegen die heuveltoppen op te werken. Maar daar ter plaatse was de hitte onverdraaglijk, dáár blootgesteld aan de volle zonnestralen, was het of men zich tusschen dat groengrijze gras te midden van een oven bevond en rimpelde de onbeschermde huid in den hals, op het aangezicht of op de handen in pijnlijke blaren op. Slingerde het pad door het woud, dan was het daar veel koeler, maar de bezwaren om de rangkans vooruit te krijgen werden daar ontelbaar, schier onoverkomelijk. Hier stuitte men op de hooge en breede wortels van een randoealas, verder zat men verward in de luchtwortels van een wariengien, die met een aantal slingerplanten, deze laatste ruimschoots van doornen voorzien, als een net vormden, waardoor heen slechts met een hakmes in de vuist te breken was. Op andere plaatsen moesten de vaartuigen over omgevallen boomen heen gewerkt worden, die niet om te trekken waren. Vaak gebeurde het, dat de rangkans ontladen moesten worden, om dan met vereende krachten een voor een naar boven of over het beletsel heen getrokken of gezet te worden, bij welken arbeid de hulp der vrouwen volstrekt niet versmaad werd. Het ergste van alles, waren nog de insecten, waarmede men te kampen had. Hier bij het overheen wringen van een vermolmden boom, waarin handen en voeten als in een slijmerige brij zakten, werden de reizigers met een ontelbare massa snuitkevers en torretjes, welke laatsten bij aanraking den walgelijksten stank verspreidden, zoodanig overdekt en geplaagd, dat zij geen raad wisten, hoe zich van die lastige gasten, die in al de plooien des lichaams een toevlucht zochten, te ontdoen. Elders trapten de zwoegenden in nesten van zwarte mieren, die hen als bij tooverslag overdekten en zich met hun nijptangvormige kaken gevoelig wreekten; of viel hun bij het vellen van een boom, die in den weg stond, een regen van roode mieren in den nek, die hen als met vloeibaar vuur overgoot. Iedereen was dan ook dood moe, toen zoo omstreeks drie uur in den namiddag een scherpe hoogte bestegen was, die door haar steilte en rotsachtigheid buitengewoon veel van de krachten onzer reizigers vereischt had. Harimaoung Boekit beweerde dat, wanneer gindsche hoogte bereikt en bestegen was, het zwaarste gedeelte van den weg achter den rug lag. Niemand was echter te bewegen nog een stap voorwaarts te doen; allen haakten naar rust. Er werd dan ook besloten in een boschje, dat de hoogte kroonde, een schuilplaats te zoeken en den nacht daar door te brengen. Een laatste inspanning werd evenwel nog van de afgetobten geëischt, alvorens zij zich ter rust konden leggen. Johannes liet de rangkans in den vorm van een zeshoek rangschikken zoodanig, dat zij een flinke binnenruimte vormden, waarin het geheele reisgezelschap bivouakeeren kon. Bovendien liet hij nog ettelijke jonge boomen omhakken, om langs de facen van die geïmproviseerde borstwering een verhakking daar te stellen, waardoor niet gemakkelijk heen te dringen zoude zijn.

De vrouwen beijverden zich het eten klaar te maken en wel met een spoed, die door de hongerigen nog aangewakkerd werd. Toen zij evenwel de rijst wilden wasschen en koken, ontbrak daartoe wel het voornaamste, namelijk: water. Daaraan had niemand gedacht. Van het oogenblik, dat men de soengei Mantarat verlaten had, was geen beekje, geen spruitje, noch bron ontwaard geworden. In den regel wordt die landreis in een zestal uren zonder bijzondere inspanning afgelegd, waarbij de behoefte aan koken of drinken niet, of niet in die mate gevoeld wordt, om tot medevoering van water te noodzaken. Nu zat men erg in het nauw. Wel stoven ettelijke Dajaks en Poenans de wildernis in en afgaande op hun instinct, vonden zij weldra eenige kelken van den „ngagas”, die het helderste water bevatten, en brachten die te huis.

De ngagas is een slingerplant, die tot het geslacht der „nepenthes” behoort en bij een vrij bladerloozen stam een menigte ranken vertoont, waaraan de sierlijkste kelkvormige bekers wiegelen, die gewoonlijk ten halve met water, door de plant zelve afgescheiden, [137] gevuld zijn.

Die vondst werd met gejuich ontvangen; want iedereen had dorst en wenschte zich met een koelen dronk te verkwikken; maar om rijst te koken, daartoe was de aangebrachte hoeveelheid veel te min. Men betreurde nu, dat men geen water in bamboegeledingen medegenomen had, ook dat men verzuimd had, de rijst te kotta Mantarat te koken. Maar, wie der reizigers, die dag in dag uit op het water gezwalkt hadden, had kunnen vermoeden, dat men aan water gebrek kon krijgen? Het geval was er nu eenmaal; men zou wat kalampies, of wat gedroogde visch eten en overigens de buikgordels wat aanhalen, om de reclames van de maag het zwijgen op te leggen. Vergenoegde gezichten werden toen weinig ontwaard. Er is niets, dat meer ontstemt, dan een teleurgestelde eetlust. Vooral de kinderen lieten luidkeels hun aanspraken gelden, zich er niet aan storende, dat die niet bevredigd konden worden.

Dalim, die vroeger mijnwerker te Pengaron en te Kalangan geweest was, en daar nog al ondervinding opgedaan had, nam zijn mandauw en sloop het naastbijzijnde bosch in, een rotsachtigen heuvel tegemoet, die zich in de nabuurschap verhief. Wat zijn doel was, wist hij zich zelven niet te verklaren; het was meer het instinct van het dier, dat hem naar buiten dreef, dan wel het uitzicht om iets bepaalds buit te maken. Na verloop van ruim een uur keerde hij terug en bracht een in bladeren gewikkeld pak mede. Nauwelijks binnengekomen, hurkte hij op den grond, spreidde eenige bladeren uit, opende het medebrachte pak, waaruit een grauwzwarte massa te voorschijn kwam, die veel had van pijpaarde. Zoodra Harimaoung Boekit die in het oog kreeg, riep hij zegevierende uit:

„Ramon petak kinan!” (eetbare aarde), en hurkte naast Dalim neer, wiens maal hij begon te deelen. Beiden, onder toevoeging van hun ration visch met wat sahang roebit, die in de wildernis overal groeit, lieten het zich goed smaken. Zij riepen vervolgens de kinderen tot zich, sneden met hun mes voor ieder een flinke schijf af, en stilden zoo den honger en het geschreeuw der lieve kleinen. Zoodra de Poenans hun hoofd zich zoo zagen te goed doen, wisselden zij eenige woorden met Dalim, die hun den heuvel aanwees, waarheen hij getogen was, en stoven derwaarts om weldra terug te keeren en het geheele reisgezelschap van die lekkernij te voorzien.

Niet zonder wantrouwen hadden de twee Zwitsers en de Waal dat kostje aangekeken, maar toen zij ook Johannes zagen toetasten en den noodigen ballast innemen; toen zij vernamen, dat het een soort van aarde was, die gegeten kon worden, en zij door hun magen lastig gevallen werden, begonnen ook zij te proeven. Bepaald lekker was het niet te noemen, maar terugstootend of walglijk ook niet; het was eer smakeloos of zonder bepaalden smaak. Een paar korrels zout en wat spaansche peper hielpen de deglutitie. Veel kon er evenwel niet van gebruikt worden, want het goed lag zwaar in de maag en kon bepaald voor conscientiestopper dienst doen. Na afgeloopen maaltijd zaten de Europeanen bij elkander en praatten over het wonderland, waar zelfs klei tot voedingsmiddel kan dienen. De geleerde Wienersdorf zat nog met een brok in de hand en pedant, alsof hij bezig aan ’t doceeren was, sprak hij:

„Ramon petak kinan is een amorfe fijnkorrelige massa, die tamelijk broos en gemakkelijk tot poeder te wrijven is. Ziet, met het mes is de massa snijdbaar en zichtbaar is op de snede, dat de structuur schieferachtig is, terwijl de snijvlakken een glanzende bruinzwarte kleur vertoonen. Die massa is zonder veel moeite splijtbaar; en ziet, de splijtvlakken zijn mat en grauwzwart van kleur, met hier en daar glanzende punten. De breuk is fijn splinterig. De reuk is zwak bitumineus en het aanvoelen eenigszins vettig. Niet te droge lippen blijven er aan kleven, doordat de stof sterk vocht opzuigt. De smaak....”

„Die hebben wij geproefd, daar is niet veel aan,” viel La Cueille den Zwitser in de rede. „Schei voor den duivel uit met dat geratel, het is om zeeziek te worden. Nom d’une pipe! wat zijn die geleerde lui toch vervelend. Vertel ons liever, of wij dat goedje nog lang zullen moeten eten.”

„Neen, mijn waardste Waal,” lachte Johannes over dien uitval, „je zult er morgen ochtend nog je ontbijt mee moeten doen. Bevalt je dien kost, dan kun je er een voorraad van meenemen; maar ik hoop, dat we morgen om dezen tijd bij de soengei Minjangan gekampeerd zullen wezen en dat de vrouwtjes dan vlijtig aan het rijstkoken zullen zijn.”

„Goddank!” pruttelde La Cueille, „verbeeldt je dat we dat kostje nog verscheidene dagen zouden moeten verorberen.”

„Je zoudt er niets magerder van worden, dat verzeker ik je. Integendeel zou je er een mooie glanzende huid van krijgen. Men mengt daarom die aarde wel eens in het voedsel der honden, of der paarden. Het heeft evenwel een inconvenient.”

„En dat is?” vroeg Wienersdorf.

„Toch niet dat je een potten- en pannenfabriek in je buik krijgt?” was de vraag van La Cueille.

„Niet geheel en al,” lachte Johannes, „maar toch, om bij eenigszins langdurig gebruik tot het slikken van Zwitsersche pillen te noodzaken.”

„Dus aanmoediging van de industrie onzer nationale apothekers,” lachten de Zwitsers.

Intusschen spoedde de dag ten einde. De zon begon reeds in het westen den boschrand, die niet ver verwijderd lag, aan te raken, toen Hamadoe Wienersdorf tot zich wenkte. Hij ijlde tot haar in de zoete hoop eenige uren in haar bijzijn te kunnen slijten. Maar daarin had hij zich toch verrekend. Integendeel hem wachtte een corvée, die niet zoo aangenaam dan wel een herdersuurtje zoude zijn en daarenboven ietwat gevoelig in haar gevolgen voor den verliefde zoude worden. De lieftallige maagd leed namelijk erg aan dorst en verzocht haar aanbidder toch te trachten, wat water machtig te worden. Zij had al beproefd, eenige harer landslieden over te halen, ettelijke ngagaskelken te gaan halen; maar vermoeid en afgemat als zij zich voelden, waren zij niet te bewegen zich ook maar uit hun liggende houding op te richten. Wienersdorf praaide La Cueille, die toch ook wel wat voor zijn schoone mocht doen, en beiden haalden ook nog Dalim over, om hen te vergezellen. Het drietal drong de wildernis in, in de richting hun door de Poenans gewezen, om de bevallige kelken, met hun, in deze omstandigheden zoo onschatbaren inhoud machtig te worden. Ten einde den kring hunner doorzoekingen zoo ruim mogelijk op te vatten, spraken zij af, dat zij niet bij elkander, maar afzonderlijk zouden zoeken, dat zij zich evenwel niet buiten het bereik van elkanders stem zouden begeven en dat om dat doel te bereiken, zij den kreet van den takakak nabootsen en beantwoorden zouden.

Hun edelmoedige pogingen om de dorstigen te laven, werden met goed gevolg bekroond. Zij hadden geen half uur in het woud gezocht en reeds had ieder hunner een tiental ngagaskelken gevonden. De waternood was evenwel zoo groot in het bivouac, dat zij begrepen, hun vondst niet alleen zeer welkom zoude zijn, maar dat, wanneer de voorraad, dien zij aanbrachten, niet groot was, zij zedelijk geprest zouden worden, om andermaal het bosch in te dringen, ten einde het ontbrekende aan te vullen. Daarom bleven zij nog vergaren en, daar de nepenthesbekers op de plek, die zij bereikt hadden, toevallig overvloedig voorkwamen, waren zij weldra als overladen. Wienersdorf had reeds zijn signaal „taaaak kekākākak” gegeven, waarop door zijn metgezellen geantwoord was; juist wilde hij hun toeroepen, dat het tijd was, om terug te keeren, toen eensklaps iets zwaars, naar den bons te oordeelen, uit den boom, aan wiens voet hij stond, voor hem neerviel. Hij bukte zich, om te zien, wat dat was, en niet zonder verbazing ontwaarde hij daar iets in het hooge gras liggen, dat, ware het niet rood behaard, veel had van een leelijk menschenkind met dikken buik. Het individu, dat daar lag, scheen door den val bedwelmd, althans het bewoog zich niet, was als een bal ineengerold en hield het achterhoofd met beide handen vast, de achterpooten opgetrokken, zóó dat het gezicht tusschen de beide ellebogen en de buik tusschen de knieën uitstaken en goed zichtbaar waren. Er was voor den Zwitser geen twijfel aan, of hetgeen hij daar aan zijn voeten zag, was een aap. Maar van welke soort?

„Het is een groote species,” mompelde hij bij zich zelven.

En meteen schoof hij zijn vracht ngagaskelken bij haar ranken op een schouder bij elkander, bukte zich en greep het dier in den nek, om het van nabij te zien en des noods mede te nemen, toen hij plotseling iets op zijn rug voelde vallen, ongetwijfeld een dier of een mensch, die hem met krachtige vuist bij den strot greep en hem te gelijker tijd een dracht stokslagen toediende, die een meesterhand kenmerkten.

„Himmels kreuz donnerwetter! Schockschwerenoth!” schreeuwde de Zwitser ontsteld, „das ist ja ein Italiener, der so drauf losschlagt.”

Hij trachtte zich op te richten, maar dat was zoo gemakkelijk niet. De vracht, die hem op den rug zat, was lang niet licht. Daarbij knelde de hand, die hem bij de keel gegrepen had, als een schroef. Hij weerde zich en poogde ook zijn aanvaller ergens te omvatten, maar dat gelukte niet. Greep hij ook al een arm of poot, dan was hij door de spierkracht van het dier verplicht het los te laten. Inmiddels regende het nog steeds stokslagen en wist de arme Zwitser zich niet te bergen. Eindelijk ademloos en het stikken nabij, begaven hem zijn krachten; hij kon zich niet meer op de been houden, en nog een laatsten kreet uitende:

„Helpt! om Godswil helpt!” gilde hij en stortte ter aarde, terwijl hem het bewustzijn begaf.

Toen hij weer bijkwam, ontwaarde zijn oog het eerst het zorgvolle gelaat van La Cueille, die over hem gebogen, hem het voorhoofd, de slapen en de polsen met den koelen inhoud der ngagas waschte en daarbij angstvallig zijn bewegingen gadesloeg. Zoodra de Waal zijn makker de oogen zag opendoen, slaakte hij een kreet van vreugde:

„Cré nom de noms! tu peux te vanter, de m’avoir fait une jolie peur!” was zijn eerste uitroep. „Mais quelle raclée mon cher! quelle raclée tu as subi!”

Wienersdorf stak hem een hand toe; de Waal greep haar en trok hem overeind. Toen betastte zich de Zwitser zorgvuldig het geheele lichaam, maar dat onderzoek viel nog al gunstig uit. Wel voelde hij veel pijn, maar de ledematen waren heel. Op een afstand lag een gedaante op den grond, die Dalim bezig was te knevelen en daartoe de ineengestrengelde ranken van de geplukte ngagas gebruikte.

Op het hulpgeschreeuw van Wienersdorf waren de Dajak en de Waal haastig toegesneld. Zoodra zij de twee strijdenden in het oog kregen, riep Dalim met een soort van angst dat enkele woord:

„Kahio!”

Daarop sneed hij in allerijl een stevigen tak af, vervaardigde zich daarvan een knuppel en beduidde La Cueille spoedig ook zoo te doen. Daarop naderde hij snel de vechtenden en begon den tegenstander van Wienersdorf op zijn beurt geducht af te ranselen. Deze, die tot nu toe door de hitte des gevechts de naderenden niet bemerkt had, liet, zoo onzacht daartoe aangespoord, den Zwitser los en sprong zijn nieuwen vijand met den stok in de vuist te gemoet. Lang duurde het gevecht niet, maar toch lang genoeg, om te doen zien dat, met het meest oorspronkelijke wapen in de hand, de mensch niet opgewassen was tegen het dier, dat als een behendig batonnist rondom zijn tegenstander voltigeerde, diens slagen meesterlijk pareerde en daarbij niet naliet die tegenpartij op een roffel te onthalen, die haar hooren en zien deed vergaan. De kansen begonnen voor Dalim zeer hachelijk te staan. Eindelijk gelukte het den Dajak den knuppel zijns tegenstanders te grijpen en stevig vast te houden. Van dat oogenblik maakte La Cueille, die zich tot nu toe niet in het gevecht had kunnen mengen, omdat de bewegingen der strijdenden met zooveel snelheid geschiedden, dat er evenveel kans bestond om den vriend als den vijand te raken, gebruik, om zijn knuppel met alle kracht fluitende op den schedel van den schermbaas te doen nederkomen. De slag was zoo flink aangebracht, dat het dier met een rauwen kreet in elkander zonk en bewusteloos daar neer lag.

„Kahio!” riep Dalim andermaal, terwijl hij zich de pijnlijk getroffen plekken met de eene hand wreef, en met de andere naar het dier wees.

„Orang oetan!” zeide La Cueille.

„Kahio,” was het wederwoord van den Dajak.

„Orang oetan.”

„Dia (neen) kahio.”

„Dia orang oetan.”

Die woordentwist had nog lang kunnen duren; maar daar bewoog Wienersdorf zich lichtelijk kreunende. Ook het dier maakte een beweging en trachtte overeind te krabbelen. Nu wierp zich Dalim op het laatste, deelde het nog een dracht slagen toe, waarna hij het aan armen en voeten bond. Middelerwijl was Wienersdorf onder La Cueille’s goede zorgen weldra op de been. Van de door hen gevonden ngagasbekers waren velen te loor gegaan, platgetrapt of leeg geloopen. Alles bij elkander gerekend, waren evenwel nog een twintigtal ongeschonden en met haar kostelijk vocht gevuld. Men zou nu den terugtocht aannemen, maar toen men het nog steeds bewustelooze dier wilde opnemen, om het naar het bivouac te dragen, bespeurde men dat het een wijfjesaap was, terwijl het bleek, dat het diertje, dat voor den strijd aan de voeten des Zwitsers gevallen was, haar jong was. Toen dat bij zijn moeder gebracht was, trachtte het dadelijk te zuigen.

XXIX.

Kahio en orang oetan.—De reis hervat.—De ijzerhoutboom.—Aan de soengei Minjangan.—Stroomafwaarts.—Op de Kahajan.—Legende.—Kotta Dewa.—Aankomst te kotta Oepon Batoe.—Beklimming van den rotswand.—Gevechten.—Een paar mijnen.—Schlickeisen verdwenen.

In het bivouac hadden de medegebrachte gevangenen veel bekijk. Toch was onder die natuurmenschen de stemming zeer medelijdendgezind. Men beklaagde de arme moeder, die zoo in gevangenschap geraakt was, bij de verdediging van haar kind. Want ontwijfelbaar was het voor een ieder, dat de aanval op Wienersdorf slechts ten doel had, haar kind te beschermen, hetwelk uit den boom gevallen was en dat zij bedreigd achtte.

„Kahio!” had ook Harimaoung Boekit en de andere Dajaks geroepen, toen zij de dieren zagen. La Cueille sloeg wanhopige blikken om zich heen. Waren dat dan geen orang oetan’s? Volgens hem was er niets erger dan de eigenzinnigheid der menschen, als zij zich iets in het hoofd gehaald hebben. Hij vernam evenwel dat kahio de Dajaksche naam van het dier was.

„Dus is het toch een orang oetan, niet waar?” hervatte hij met vuur.

„Juist, net zoo goed als een orang oetan een kahio is. Kahio is de naam van het dier in zijn vaderland. Daar kent niemand dien naam van orang oetan, die boschmensch beteekent, en door de Europeesche geleerden, in hun dwaze zucht, om nimmer vrede met de inheemsche benamingen te hebben, is uitgedacht.”

Den volgenden morgen trachtte Wienersdorf door tusschenkomst van Hamadoe, een flinken brok arengsuiker machtig te worden. Toen hij dien had, bracht hij het dier met zijn jong buiten het bivouac, stopte hem de suiker in de hand en sneed zijn banden door. De kahio, zich vrij gevoelende, uitte een gegrom van tevredenheid, rekte armen en beenen, richtte zich overeind, greep toen het jong, dat die teedere moeder aan haar borst klemde, vloog op een boom toe en had daarvan in een oogwenk de onderste takken bereikt. Op een dezer gezeten, keek het dankbare dier den Zwitser nog eens aan, murmelde iets met de lippen, waarbij het als alle quadrumanen de wenkbrauwen op en neer bewoog en afschuwelijke gezichten trok, en was weldra in den dichten loofwand verdwenen.

Alle reisgenooten gaven hun bijval te kennen, dat Wienersdorf die moeder met haar kind in vrijheid had gesteld. Hij moest evenwel erkennen, dat die moeder hem ter dege afgeranseld had. Alleen bij de gedachte wreef hij zich nogmaals armen en beenen en bracht hij de hand aan de keel, alwaar hij die klemschroef nog meende te voelen.