Borneo van Zuid naar Noord

Part 23

Chapter 233,771 wordsPublic domain

„Jawel,” viel hem hier Wienersdorf nog al onstuimig in de rede, „dat zou het ook, als de verdamping boven die moerasgronden ongestoord plaats vond; als die in andere woorden daar kon geschieden, zooals dat boven de rivieren en meren gebeurt. Maar, boven dat moeras spreidt zich het dichte loof van het maagdelijke woud uit en vormt als het ware een beschermend dak, dat weinig of niets doorlaat. Des nachts koelen de takken, maar voornamelijk de bladeren sterk af, de opstijgende damp condenseert zich of slaat daarop neer, zooals men dat noemt, evenals de vochtdeelen uit de omringende lucht in een verwarmd vertrek zich op de wanden van een glas met kilkoud water gevuld, neerzetten. Ge ziet het, takken en loof zijn met overvloedigen dauw overdekt. Die dauw zou vederwolken gevormd hebben, als hij omhoog had kunnen trekken. Straks zal hij wel verdampen, wanneer takken en bladeren zich, onder den invloed van de minder schuine zonnestralen, met den warmtegraad der omringende luchtdeelen in evenwicht zullen gesteld hebben. Ten opzichte van die verdamping dus, vormt het woud als het ware een horizontaal dak, een vlak dat boven de rivieren, soengei’s, spruiten, meren, enz. uitgeknipt zou zijn, om de vervluchtigde waterdeelen in de morgenuren door te laten, terwijl die dan elders weerhouden worden. Ik hoop, dat die uitleg proefhoudend zal bevonden worden, voor mij ten minste is hij voldoende om mij het ontstaan der prachtige teekening, die we straks bewonderd hebben, maar die nu reeds verdwenen en onder den invloed van den zuidoostenwind uitgewischt is, te verklaren.”

„Ten volle neem ik genoegen met die toelichting en verklaar mij daardoor bevredigd,” betuigde Schlickeisen.

„Als dat zoo is, dan betuig ik mijn dank voor de duidelijke en zakelijke voordracht,” sprak Johannes, „maar de rijst is gaar; onze Dajaks hebben ze reeds in portie’s afgedeeld en in breede bladeren gewikkeld. Straks zullen we met smaak kunnen eten. Dus ieder op zijn plaats in de prauw en de pagaaien ter hand genomen. Er mag geen tijd verloren gaan; we zullen trachten heden nog kotta Baroe te bereiken.”

XVI.

Kotta Baroe.—Djoeragan Kaout.—Een figuur uit den opstand.—De echtgenoote eens opstandelings.—Geld tegen goed.—Vertrek van kotta Baroe.—De vaart wordt noordwest.—Borneo’s fauna.—Waarom er geen groote verscheurende dieren zijn.—De Batoe Banama in de Doesson.—De olifant en het stekelvarken.—Terreingesteldheid en flora in de hoogere streken.—Harimaoung Boekit.

Het was ongeveer zonsondergang toen onze reizigers kotta Baroe bereikten.

Kotta Baroe speelde eens een niet onbelangrijke rol in de geschiedenis der boven-Kapoeasstreken. Hare ligging aan de grenzen, waar het alluviaal zich aan het diluviaal terrein aansluit, zal ten allen tijde hare waarde behouden. Nog slechts korten tijd vóór dat onze deserteurs daar aankwamen, verhief er zich een Dajaksche sterkte, die de geheele rivier beheerschte. Een booswicht van de ergste soort had zich daar gevestigd. Zijn naam was Djoeragan Kaout. Hij gaf voor een Javaan te zijn. Inboorlingen evenwel beweerden, dat hij te Pangko, een kampong van de beneden Kahajan, uit volbloed Dajaksche ouders geboren was. In zijn jongelingsjaren oefende hij het beroep van zeeroover uit. Hij woonde toen in een der talrijke soengei’s, die zich in gemelden stroom uitstorten, en trok van daar uit om de omliggende vaarwaters af te schuimen.

Wee het vaartuig, dat in zijn macht viel!

Legio waren de verhalen der heldenfeiten, die hij met een soort van genoegen kon opdisschen; en onder die verhalen namen die niet de minste plaats in, welke de parten moesten verkondigen, die hij den Nederlanders gespeeld had. Was hij goed gehumeurd, dan noemde hij die steeds „bawoi boelan” (wit wild varken) en zijn meest saillant verhaal was, dat hij eens onder de Javakust door een Hollandsch oorlogsschip op het strand was gejaagd. Wat viel er te doen, vroeg hij, tegen de zware kanonnen van die witte zwijnen? Hij had toen op den hoek van Indramajoe een versterking opgeworpen en die drie weken lang tegen de bemanning van dat schip verdedigd. Hij lachte steeds, dat hem de tranen over de wangen rolden, wanneer hij vertelde, dat hij in een stikdonkeren nacht met een deel zijner manschappen de hem belegerende matrozen had overvallen en, na er een aantal van neergehouwen te hebben, de overblijvenden in hun onderbroek, sommigen zelfs zonder dat kleedingstuk, naar hunne sloepen gedreven had. Hij was onmatig in zijn lachlust bij het verhaal, dat een der officieren met zijn bloote kuiten in een nest van roode mieren te recht was gekomen. Den volgenden dag kwamen wel is waar die Hollanders terug, maar toen had hij zich uit de voeten gemaakt. Dat van het geheele verhaal niet veel waar was, behoeft wel niet verzekerd te worden, maar zoo iets poseerde en de mogelijkheid van blanken met of zonder hemd en onderbroek te hebben doen vluchten, werd door niemand betwijfeld. Het was te koddig om niet waar te zijn. Gewoonlijk lachte het geheele auditorium hartelijk mede, wanneer die episode opgedreund werd.

Op lateren leeftijd, toen hij zich rijk genoeg meende geroofd te hebben, verliet Djoeragan Kaout het zeerooversleven en vestigde zich te kotta Baroe, alwaar hij een geduchte versterking bouwde en er zich voornamelijk op toelegde de bevolking dier streken uit te zuigen. Voor een inlander had hij een vrij groote handelskennis en beijverde hij zich dan ook de producten van het land in te ruilen voor lijnwaden, tabak, messen, zout, enz. enz. Had hij zich nu daartoe slechts bepaald, dan, hoe groot de woekerwinsten ook waren, die hij nam, zoude zijn verblijf in die streken ten zegen hebben gestrekt aan die oorspronkelijke bevolking. Maar zijn hoofdbemoeiingen waren niet de handel, maar veeleer zich in geschillen zijner buren te mengen; die geschillen te verergeren, door de gemoederen te verbitteren, door haat en nijd aan te blazen en zich zijn tusschenkomst grof te laten betalen. De Dajaks zijn een zeer proceszuchtig volk, die steeds quaestieuse zaken onder elkander hebben en als het ware zonder deze niet leven kunnen. Veelal hebben zij het hoogste goed, dat de mensch bezit, de vrijheid, veil, om aan dien hartstocht te kunnen voldoen. Bij onvoldoende middelen toch, om de boeten en de proceskosten te betalen, wordt menig proceslustige pandeling, wat zeggen wil slaaf. Slaaf in de afzichtelijkste beteekenis van het woord. Want pandeling is slechts een huichelachtige benaming, onze XIXe eeuw volkomen waardig.

Op die wijze en ook door geregelden aankoop was Djoeragan Kaout in het bezit gekomen van ruim tweehonderd pandelingen van beiderlei kunne, waarvan zoowel de vrouwen als de mannen zwaren arbeid voor hem moesten verrichten, en de eerstgenoemde ook nog tot onzedelijke doeleinden werden uitverhuurd. Werden zijne pandelingen oud, zoodat door gebrek aan arbeidskracht voor waardevermindering te vreezen was, dan verruilde hij ze tegen jongere of verkocht ze om als offers bij begrafenisplechtigheden, verzoeningsfeesten of anderszins geslacht te worden.

Nimmer had hij zich goedschiks aan het Nederlandsche bestuur onderworpen. Had hij ook al een enkelen keer een tevreden gezicht gezet, wanneer hij met een Hollandsch beambte in aanraking gekomen was, het was met een nevengedachte dat hij huichelde en niet altijd had hij zulk een beambte eerbiedig ontvangen. De vrees voor geduchte kastijding alleen had hem langen tijd van openlijk verzet weerhouden. Toch handelde hij meestal zoo als hij verkoos en lachte om de gegeven bevelen. Zoodra de opstand in 1859 in het Bandjermasinsche rijk uitbrak, schaarde hij zich openlijk aan de zijde des verzets en het was voornamelijk aan hem te wijten, dat de Dajaks van Poeloe Petak en van de beneden Kapoeas zich onder de vanen des opstands schaarden en de zendelingen te Tangohan en in de Kahajan vermoordden. Hij was het, die in Augustus 1859 de overrompeling van het fortje Poeloe Petak aanvoerde. Een paar maanden later poogde hij op listige wijze andermaal dat fortje binnen te dringen, maar die toeleg werd bijtijds ontdekt en verijdeld. Gedurende dien opstand waren de bovenlanden geheel aan zich zelven overgelaten en was de kans schoon voor Djoeragan Kaout om zich aan alle mogelijke euveldaden schuldig te maken. Nimmer was de verwarring daar zoo groot geweest. Maar de dag der vergelding kwam nabij.

In het begin van Januari 1861 werd de kommandant van Kwala Kapoeas door het districtshoofd Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara gewaarschuwd, dat Djoeragan Kaout, onder den schijn zich te komen onderwerpen, met een groot gevolg zou komen, om het fort te overrompelen. Hij was zoo zeker van zijn zaak, dat hij reeds een ruilhandel had aangegaan met betrekking tot het hoofd van den kommandant en wel tegen zulk een aanzienlijken prijs, dat die officier er trotsch op kon zijn zijn bol zoo hoog geschat te zien. Maar deze, met het volkje bekend, waarmee hij omging, huldigde de leus: „pas op je kop”. Hij gaf geen gehoor aan den Tomonggong, die hem den raad gaf, den muiter niet te ontvangen. Integendeel hij liet dezen met zijn geheele macht voor het fort verschijnen; maar toen Djoeragan Kaout op den steiger aan wal gestapt was, schoof een peloton soldaten tusschen de prauwen, waarin zijn talrijk gevolg gezeten was. Wel riep de hoofdopstandeling: „amokh! amokh!!” en wilde hij zijn mandauw trekken, maar de kommandant greep hem bij den rechter pols, terwijl een korporaal hem bij den anderen arm vatte. Het peloton soldaten hield met aangelegde geweren de volgelingen in bedwang, terwijl Tomonggong Nikodemus hun toeriep, zich stil te houden en hen op de kanonnen wees, die, op de aanlegplaats gericht, gereed stonden om vuur te geven. In een oogwenk was de booswicht onder het oog van zijn gevolg gekneveld en binnen het fort gebracht. Zijn aanhang kreeg nu bevel om de nabijheid van het fort te verlaten en naar de Kapoeas terug te keeren. Weinige weken later sprak de krijgsraad te velde de doodstraf door middel van den strop over Djoeragan Kaout uit, en werd die te Bandjermasin voltrokken.

Niet langen tijd daarna deed de echtgenoote van den gevonnisde, een zeer schoone Dajaksche vrouw, den kommandant van Kwala Kapoeas aanbiedingen om als zijn huishoudster op te treden. Maar de goede raad van den ouden braven Tomonggong behoedde hier den jongman voor het ergste verraad. Later heeft die vrouw het districtshoofd verweten, dat hij haar verhinderd had, haren man te wreken; ze had het vergift reeds bij zich toen zij haar aanbod deed en zij had op hare schoonheid gerekend om een gemakkelijke overwinning te behalen.

Teruggekeerd te kotta Baroe, zette die vrouw het woeste bedrijf haars mans voort, voerde koppensnellerstochten aan, hief belastingen en tolrechten bij doorvoer van alle handelsprauwen, eigende zich pandelingen van anderen toe, ja ontzag zich niet, vrije mannen te laten oppakken en tot slavernij te doemen. De klachten, die te Kwala Kapoeas inkwamen, klonken al luider en luider en eindelijk vertoonde zich weer voor het eerst een stoomschip te kotta Baroe, bij welke gelegenheid aan al de pandelingen van Djoeragan Kaout de vrijheid werd hergeven, de versterking geslecht en zoo de invloed van die heerschzuchtige en wraakzuchtige vrouw werd geknakt. Zij is sedert verdwenen. Het gerucht liep, dat ze naar de boven Katingan was gevlucht en zich daar metterwoon gevestigd had.

„Ziet daar de geschiedenis van kotta Baroe in den laatsten tijd,” zoo besloot Johannes het verhaal, dat hij gedurende den overtocht geleverd had. „De bevolking is thans rustig en heet goedgezind. Het zijn evenwel koppensnellers in hun hart, die van de beschaving niet meer willen weten, dan in hun kraam te pas komt. We zullen hier een oogenblik aanleggen. Dalim heeft eenige kennissen te raadplegen over het voortzetten der reis, terwijl ik zal trachten een versterking aan roeiers te bekomen.”

Dalim en Johannes stapten aan wal. De bevolking van kotta Baroe had al nieuwsgierig uitgekeken, toen zij die prauw, waarboven de Nederlandsche vlag wapperde, zag naderen. Johannes met het bevelschrift in de hand, dat hij aan Damboeng Papoendeh ontnomen had, eischte een twintigtal roeiers in daghuur, om de prauw naar de bovenrivier te brengen. Dat papier, hetwelk niemand lezen kon, maar waarop het Nederlandsche wapen in rood lak afgedrukt stond, maakte indruk; nog meer de toezegging, dat ieder roeier tot belooning een rijksdaalder voor zijn diensten en, was men tevreden, nog een steng tabak tot geschenk zoude ontvangen. Vooral de tabak verlokte velen en toen Johannes een mand van het nicotiaansch kruid uit de prauw liet boven brengen en het hoofd een paar stengen aanbood, waren alle beschikkingen snel getroffen. Een luid gejuich verhief zich. Als om strijd boden een aantal wakkere borsten zich aan om te roeien en weldra hadden zij hunne legmatjes met hunne hoofdkussens in de prauw gebracht, hunne beseai’s gegrepen en waren zij gereed om de reis mede te aanvaarden. Johannes deed hier ook nog goede zaken; hij ruilde nog twee manden tabak voor vijf pikols rijst en een zakje zout. Volgens hem waren ze nu geapproviandeerd voor de geheele reis; vooral daar zij die twintig roeiers, die ze hier te kotta Baroe aan boord namen, slechts een tiental dagen zouden gebruiken. De vier pandelingen van Bapa Andong werden aan het kottahoofd overgegeven met opdracht die menschen met de eerste de beste gelegenheid naar Kwala Kapoeas terug te zenden. Grootmoedig gaf Johannes hun ieder tot belooning hunner diensten een rijksdaalder en betuigde hun zijn tevredenheid. Dit alles geschiedde in naam van het Nederlandsch Indisch bestuur; en die gevlagde prauw, en dat gezegeld papier waren zoovele afdoende bewijzen, dat Johannes een afgezant van het Gouvernement der „Olo bapoeti” (witte menschen) was, die volgens zijn voorgeven, de opdracht had verkregen te trachten met de Olo Ott, de woeste wilde stammen in de binnenlanden, in aanraking te komen en omtrent hunne gezindheid verslag uit te brengen. Ook de milde betaling aan de roeiers en de geschenken in tabak stijfden de bevolking in de meening dat zij met zendelingen van het Nederlandsch bestuur te doen had.

Daar boven kotta Baroe geen gemunt geld meer gangbaar is en men zich in de binnenlanden van Borneo niets kan aanschaffen dan door middel van ruilhandel, zette Johannes al het baar geld van het reisgezelschap tegen eenige stukken sits en andere lijnwaden, maar vooral tegen stofgoud van de hand. Al reeds van Kwala Hiang af vertoont dat edel metaal zich, evenwel nog in geringe mate, in het aangeslibde zand der rivier. Te kotta Baroe is de productie al reeds de ontginning waard en komt het stofgoud als handels- of liever als ruilartikel voor. Als vertegenwoordiger van het Nederlandsch Gouvernement werd Johannes welwillend behandeld en verkreeg hij de thaël [60] gouds voor 55 gulden, terwijl die te Bandjermasin een waarde heeft van 60 tot 70 gulden.

Twee uren waren zoo omstreeks verstreken sedert hun aankomst te kotta Baroe, toen onze avonturiers weer tot vertrek gereed stonden. Dalim evenwel was nog niet verschenen. Deze had een paar kennissen opgezocht en zat gezellig onder het genot van een pruimpje sirih te kouten. Indachtig aan de langzaamheid van zijn landslieden en aan het tijdroovende eener onderhandeling, als waarmede Johannes belast was, had hij zich bij die kennissen op een matje neergevleid en had het vertrekuur totaal vergeten. Toen hij geroepen werd, vloog hij op en was in een ommezien op zijn post met den stuurpagaai in handen. Met kracht schoot de prauw onder een roeislag van zes en twintig paar armen vooruit en weldra was kotta Baroe aan het gezicht onttrokken.

Er werd nu bepaald, dat gedurende den nacht steeds twintig roeiers aan den arbeid zouden blijven en de zes overblijvende gedurende twee uren zouden rusten, waarna zij zes anderen zouden aflossen, die twee uren later evenzoo zouden handelen. Zoo stevende de prauw rusteloos voort.

Intusschen viel het den beiden Zwitsers, als landmeetkundigen en topografen, al spoedig op, dat de vaart merkbaar afweek van de tot nu toe gevolgde richting. Was de hoofdstreek, werwaarts de prauw den steven wendde tot nu toe noord geweest, thans scheen de rivier naar het noordwesten te kronkelen. Aanvankelijk schenen de beide mannen te aarzelen. Herhaaldelijk keken zij naar de sterren, maar de veelvuldige buigingen van den stroom maakten een gezette waarneming hoogst moeielijk. Eindelijk greep Wienersdorf zijn kompas, plaatste dat voor zich en kwam ras tot de overtuiging dat, hoewel de prauw afwisselend naar alle windstreken stuurde, de hoofdrichting thans noordwest was. Johannes legde hem uit, dat de voornaamste bergketen, die Borneo doorsnijdt, een hoofdstrekking heeft van het noordoosten naar het zuidwesten en de uitloopers aan den zuidelijken kant van die keten naar het oosten of zuidoosten afhellen. Dat is dan ook de terrashelling aan dien kant van het gebergte. Bijna al de rivieren, die zich in de Javazee uitstorten, nemen aanvankelijk een richting aan van het noordwesten naar het zuidoosten, tot waar zij het alluviale terrein binnentreden en hun loop van noord naar zuid veranderd wordt.

Terwijl onze reizigers zoo samen zaten te praten, kwam het gesprek langzamerhand op de fauna van het land, dat zij doortrokken.

„Op een paar krokodillen na en eenige troepen apen, die als kwajongens in de boomen gymnastiseerden, hebben we van de dierenwereld van dit eiland nog niet veel gezien,” was de bemerking van Schlickeisen. „En toch moet de dierenwereld in een land als dit krachtig vertegenwoordigd zijn.”

„’t Mocht wat,” viel Johannes meesmuilende in. „In waarheid is Borneo in dat opzicht zoo armelijk bedeeld, als geen der groote eilanden van den Indischen archipel. Hier geen rhinocerossen, geen olifanten of tijgers, zelfs geen inheemsche paarden. Wat hier in groote menigte voorkomt, zijn slangen en tot die overbevolking schijnt de moerassige bodem aanleiding te hebben gegeven. Die slangen-overbevolking is weer oorzaak van de bijna totale afwezigheid van vogels, die in de benedenstreken waargenomen wordt, daar dat kruipend gedierte tegen stam en tak opklimt en de eieren opslurpt, of de jongen verzwelgt.”

„’t Is toch merkwaardig, dat het centraaleiland van den Indischen archipel, het grootste van al de eilanden, waaromheen de anderen zich als een krans slingeren, het allerminst bevolkt is met levende wezens,” dacht Wienersdorf als het ware hardop. „Op Java behoort de tijger over het geheele eiland thuis. In het westelijk gedeelte van dat eiland wordt de rhinoceros aangetroffen en, mag men de geleerden gelooven, dan zou het nog zoo lang niet geleden zijn, dat een kortmanige leeuwensoort in het Bantamsche aangetroffen werd. Op Sumatra zijn de olifant, de rhinoceros, de tijger, de jakhals in hun waar element. Op Celebes treft men het paard in zijn schoonste vormen aan en is de bewering, geloof ik, niet te gewaagd, dat dat edelste aller dieren daar eenmaal in het wild aangetroffen werd. Alleen Borneo is geheel misdeeld.”

„Geheel misdeeld! is nu ook weer het woord niet,” was het wederwoord van Johannes. „We hebben nog niet veel gezien van dat groote centraaleiland, zoo als Wienersdorf het noemt. We zullen wel ervaren, dat hier de apen in zoo’n groote menigte voorhanden zijn als ergens ter wereld. We zijn hier in het paradijs van den orang oetan, den homo silvarum, dien Darwin voorzeker voor oogen gehad heeft, toen hij zijn stellingen over de afkomst onzer voorouders verkondigde en de apenwereld volstrekt geen eer aandeed, met ons tot haar nakroost te bestemmen. Troepen herten dolen door de bosschen en over de hoogvlakten rond, die je omtrent een geheele misdeeling van het dierenrijk tot andere gedachten zouden brengen.”

„Een hertenbout zou niet onwelkom zijn,” meende La Cueille met de lippen smakkend. „Één bout slechts van dien overvloed! ’k ben, dunkt me, niet te begeerig.”

„Heb geduld maar. Alles op zijn tijd. Maar om tot het onderwerp terug te keeren. ’t Is waar, groote verscheurende dieren ontbreken, hoewel het tijgergeslacht nog al overvloedig vertegenwoordigd is door een paar kleine soorten als de panter en de tijgerkat [61], die voor den mensch onschadelijk, toch al weer meehelpen om der vogelenwereld een wreeden oorlog aan te doen. Een ander dier, dat nog al in de bosschen hier aangetroffen wordt en van al de eilanden van den Archipel nog slechts op Sumatra gevonden wordt, is de honig- of suikerbeer [62], die als echte snoeper slechts voor de bijen een wezenlijke vijand is. Vindt ge het geen gelukkige streek, waar de mensch aan den wal slechts zijn natuurgenoot en in het water slechts den krokodil, dat andere onverzadelijke monster, te vreezen heeft?”

„Maar waaraan zou dat ontbreken van groote dieren op Borneo toch toe te schrijven zijn, terwijl die op de andere groote eilanden zeer talrijk moeten genoemd worden?”

„’k Heb wel eens gelezen, dat de reeks eilanden, die bij de Pegu-golf in Achter-Indië begint, en uit de Andaman en Nikobarische eilanden, Sumatra, Java, Bali, Lombokh, Soembawa, Flores, Kwella, Ombaai, Timor, Timor-laout enz. enz. bestaat, vroeger een groot vast land of eigenlijk een groot schiereiland vormde, dat, met het tegenwoordige schiereiland Malakka tot een geheel verbonden, zich eerst van het noorden naar het zuiden en zuidzuidoosten, later van richting veranderende ter plaatse waar thans Straat Sunda te vinden is, zich van het westen naar het oosten uitstrekte en waarschijnlijk met Nieuw-Guinea samenhing. In den loop der tijden zouden door geweldige omkeeringen en aardbevingen de verschillende straten ontstaan zijn, die thans die eilanden van elkander scheiden en als zoovele doorbraken den Indischen Oceaan tot de Chineesche zee toegang verleenen. Is nu die stelling aan te nemen, dan is het gemakkelijk te begrijpen, dat op die eilanden nog de meeste dieren aangetroffen worden, die zich van hunne bakermat Voor- en Achter-Indië daarover verspreidden.”

„Dat is mooi en wel voor die genoemde eilanden verklaard; maar voor Borneo laat het nog alles in het duister.”

„Geduld, ik ben nog niet klaar. In die tijden dat die eilandengordel nog een vast land uitmaakte, bestond Borneo nog niet en werd de plaats daarvan ingenomen door een groot zeebekken, dat van het noorderstrand van het tegenwoordige Java zich tot aan de Chineesche kusten uitstrekte en ten westen door Sumatra, Malakka en Cochinchina en ten oosten door Celebes en den Philippijnschen Archipel bepaald werd.”

„Mooi die uitlegging,” knorde La Cueille, „het laat zich hooren dat te midden van dien waterplas geen rhinocerossen, olifanten en tijgers heen en weer zwommen.”

Johannes keek den Waal bijna met verachting aan, maar vervolgde zonder zich aan dat in de rede vallen te storen:

„Te midden van dat groote bekken verhieven eenige kleine koraaleilanden hunne vlakke toppen boven de watervlakte. Door een langzame verheffing van den bodem kwam de steen- en kleilaag, waarop die koraalafzettingen rustten, allengskens boven water. De vorm, door die opheffing verkregen, bepaalde een toekomstige hoofdbergketen, die van het noordoosten naar het zuidwesten loopt, met een paar vertakkingen, waarvan het Meratoesgebergte, met een strekking van noord naar zuid, de voornaamste is; en een paar anderen met een richting van west naar oost. Toen had het eiland, maar op veel grootere schaal, nagenoeg de gedaante van Celebes met zijn diep ingesneden bochten en zeeboezems. De aanmerkelijke waterafvoer van die toppen en ook de verdere opheffing des bodems, vulden die bochten en zoo verkreeg Borneo de gedaante die het thans heeft, maar niet behouden zal.”

„Waarom niet?” vroeg Schlickeisen.