Borneo van Zuid naar Noord

Part 22

Chapter 223,571 wordsPublic domain

Een bezoek aan soengei Naning gaf niet veel licht. Onze bekende Ali Bahar vluchtte de wildernis in, toen die fraaie „kaloeloes” (staatsieprauw), waarboven de Nederlandsche vlag wapperde, en die door een groot aantal roeiers voortgedreven werd, zijn woning naderde. Zijn vrouw, Indoe Soemping was dermate door dat bezoek verschrikt, dat zij, hoe welwillend de Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara haar ook toesprak, geen inlichtingen kon verschaffen. Wel erkende zij, dat Dalim met twee Kwala-Kapoeassers ten haren huize geweest waren, maar van den Sjech, die hare kinderen besneden had en boos geworden was, omdat hem varkensvleesch was voorgezet, en van den Pangareran, die hen van een vraatzuchtigen kaaiman verlost had, haspelde zij zulk een verward verhaal door elkander, dat er niet uit wijs te worden was. Hardnekkig bleef zij daarbij volhouden, dat zij geen blanken bespeurd had. Er werd nog een vergeefsche poging aangewend, om Ali Bahar in de wildernis te achterhalen en van hem iets duidelijkers te erlangen. Maar toen die opgegeven moest worden, werd de reis voortgezet.

Te soengei Mantangei waren de berichten niet duidelijker. Men kon niet meer verhalen dan wat er gebeurd was. En toch werd nog een verhaal geleverd, dat te verwarder en te ingewikkelder klonk, naar mate meer personen zich beijverden het te verduidelijken en te vertellen, wat zij gezien hadden en ook wat zij vermeenden gezien te hebben. Vooral de vrouwen waren daarbij uiterst breedsprakig, zonder evenwel veel mede te deelen. Maar allen kwamen ook hier daarin overeen, dat men geene blanken bespeurd had. Wat hier de onzekerheid ten top voerde, was de verzekering, dat Damboeng Papoendeh een paar dagen geleden met drie prauwen hier was geweest, dat hij een onderzoek ingesteld had, waarna hij de soengei Mantangei opgestevend was, terwijl niemand kon bevestigen die prauwen te hebben zien terugkeeren. Dit gaf aanleiding tot een langdurige wisseling van gedachten, waarbij het oude districtshoofd van Kwala Kapoeas geheel van gevoelen met den officier verschilde en dat vrijmoedig bekend stelde. Hij weersprak niet, dat Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei opgestevend was, maar wel dat de vluchtelingen daarlangs een uitkomst zouden gezocht hebben. Hij wist dat Dalim in de Doessonstreken een vreemdeling was, daarentegen zich in de Kapoeas geheel en al te huis kon rekenen. Eindelijk na lang aarzelen werd besloten deze laatste rivier tot Kwala Ybang op te roeien, daar berichten in te winnen en, versterkt met een gedeelte van de bezetting van dat fortje, naar omstandigheden te handelen. Het was al reeds een groote teleurstelling niet op de macht onder Damboeng Papoendeh met zekerheid te kunnen rekenen.

„Mijnheer zal zien,” sprak de oude Tomonggong, „dat wij zoo den besten weg kiezen. ’t Is onmogelijk dat de vluchtelingen langs de Doesson zullen trachten te ontsnappen. Daar zijn zij hun leven geen oogenblik zeker.”

„Ik mag lijden dat je gelijk hebt,” antwoordde de officier, „ik vind het onaangenaam zoo in den blinde rond te moeten tasten.”

De reis werd hervat; maar eerst bij Pendek Katiempoen werden de eerste berichten, die men vertrouwen kon, ingewonnen. De prauwen van Damboeng Papoendeh waren daar aangekomen; maar de lijders bevonden zich nog in zoo’n deerniswaardigen toestand, dat van hen niets te vernemen viel. De roeiers deelden mede wat zij wisten; hoe zij eens in het holst van den nacht een zwaar geweervuur gehoord hadden, hetgeen een bezoek aan Danau Ampang ten gevolge had gehad; verder vertelden zij van den bijenaanval en eindelijk van den bijstand dien Bapa Andong en de lieden van zijn vlot aan de lijders geboden hadden. Maar dat alles verspreidde zeer weinig licht, want ook deze menschen ontkenden ten stelligste, dat zij blanken gezien hadden. Wat evenwel den Tomonggong en ook den luitenant de wenkbrauwen deed fronsen, was de mededeeling, dat een forsch gebouwde Dajak, na de lijders zorgvuldig verpleegd te hebben, de twee Nederlandsche vlaggen van de prauwen ingehaald en medegenomen had. Ook de schriftelijke instructie, aan Damboeng Papoendeh medegegeven, was nergens te vinden, hoewel niemand kon verzekeren, dat die ontvreemd was.

De luitenant en het districtshoofd keken elkander een poos aan. Zij konden hunne gedachten geen vorm geven en zagen er van af die mede te deelen. De officier besloot evenwel den tocht tot Kwala Ybang voort te zetten. Hij hield zich overtuigd, dat zij daar meer zouden vernemen.

Niet ver boven Pendek Katiempoen werd het vlot van Bapa Andong ontmoet. Deze, met het wantrouwende karakter, den Oosterling eigen, gaf niets dan ontwijkende antwoorden. Van Europeanen wist hij hoegenaamd niets. Toen hij ondervraagd werd over het geweervuur, dat door de volgelingen van Damboeng Papoendeh vernomen was, legde hij een soort van verbazing aan den dag. Met het onschuldigste gezicht van de wereld, gaf hij te kennen, dat hij daar niets van gehoord had en verhaalde verder dat hij bij zijn strijd tegen de koppensnellers, hulp had erlangd van de opvarenden eener handelsprauw die, met een jachtgeweer een paar schoten gelost hadden. Toen op dat geweervuur verder en met allen ernst aangedrongen werd, gaf hij leuk ten antwoord, dat hij niet begreep, wat de toean kommandant bedoelde. Hij kon alleen mededeelen, dat zijne lieden om de muskieten te verdrijven, een groot vuur gestookt en dat met bamboestengels onderhouden hadden. Waarschijnlijk had het knappen van de bamboe aanleiding tot de meening gegeven, dat er hevig geschoten werd. Nu ontstaat er werkelijk bij het verbranden van bamboe, door de verhitte lucht die in de holle pijpstengels van dat riet de geledingen doet uit elkander springen, een sterk knappend geluid, dat, op een afstand gehoord, veel overeenkomst heeft met wild door elkander geloste geweer- en pistoolschoten.

Of de luitenant dat verzinsel geloofde? Hij zag er van af, of beter, hij nam den tijd niet, het onderzoek verder voort te zetten. Het zou hem ook bitter weinig gegeven hebben, daar het onderhoud met Bapa Andong op het vlot ten aanhoore zijner pandelingen had plaats gegrepen en deze zich wel gewacht zouden hebben hun meester tegen te spreken.

Voort, voort ging het weer. Altijd noordwaarts de Kapoeas op.

Het was omstreeks het middaguur toen de opvarenden van de staatsieprauw de monding der soengei Ybang in het gezicht kregen; maar hoe zij ook uitkeken, van de versterking, die tegenover die monding gelegen en haar beheerscht had, was niets te ontdekken.

„Wat drommel!” riep de luitenant verbaasd uit, „waar is de kotta gebleven?”

„Ik kijk er ook naar,” was het antwoord van den Tomonggong, „ik begrijp er niets van. Dáár, dáár heeft zij gestaan!”

En bij die woorden wees hij met den vinger in de richting, waar hij meende de versterking te moeten zoeken. Toen zij al nader en nader gekomen waren, zagen de reizigers eenige zwart verkoolde stronken staan, die de plek nauwkeurig aanduidden, waar eenmaal de kotta stond; ook zagen zij nog een lichten rook uit de nog smeulende puinhoopen omhoog kronkelen. Het was duidelijk, de benting was afgebrand. Maar.... was dat slechts een ongeval door onhandigheid of onvoorzichtigheid veroorzaakt? of zat daar meer achter?

Terwijl de luitenant en het districtshoofd daarover beraadslaagden, knetterden plotseling een paar schoten van achter de struiken en veroorzaakten de fluitende kogels een wezenlijk panischen schrik onder de Dajaksche opvarenden van de staatsieprauw. De Tomonggong greep zijn jachtgeweer, de officier zijn revolver en hielden zich gereed. Maar de roeiers sloegen zonder bevel de pagaaien ruggelings te water, zoodat de prauw bijna onmiddellijk door den stroom teruggevoerd werd en het geheel veel op een aftocht geleek. Daar evenwel op den oever alles rustig bleef, was die paniek spoedig genoeg bedaard. Kalm als altijd, maar toch behoedzaam stapte het oude districtshoofd alleen en ongewapend aan den wal en verhief luide zijne stem om te roepen, dat niemand eenig leed zoude geschieden. Aanvankelijk had zijn toeroepen weinig gevolg, maar eindelijk toch werd dat geroep beantwoord en, na lang dralen, kwam het hoofd van Kwala Hiang Tomonggong Patti Singa Djaja, maar toch nog schoorvoetende uit het dichte bosch te voorschijn. Hij was uitermate verbitterd op de Nederlanders. Hij noemde hen verraders, sluipmoordenaars, landstroopers en wat niet al. De man kon geen uitdrukkingen krachtig genoeg vinden om aan zijn verontwaardiging lucht te geven. De bedaarde Nikodemus liet hem uitrazen; maar toen gebrek aan adem den verwoede noodzaakte den vloed van scheldnamen af te breken, begon hij hem aan het verstand te brengen, dat hij zich had laten verschalken en de Hollanders aan niets schuld hadden. Hij deelde hem mede, dat de kommandant van Kwala Kapoeas aan boord der staatsieprauw was en bracht het zoo ver, dat het hem gelukte den beangstigde over te halen dien officier te ontmoeten.

Het verhaal van het gebeurde werd toen vlug genoeg geleverd en toen hij inzag, dat hij beet genomen was, bleef het hoofd niet in gebreke de geschiedenis aanmerkelijk te overdrijven. Zoo was de aanval door een tiental prauwen met minstens een paar honderd strijders bemand, volvoerd; de versterking was heftig door kanon- en geweervuur geteisterd geworden en het was niet, dan nadat de palissadeering vernield was, dat de bezetting de wijk genomen had. Hij twijfelde er niet aan of velen zijner ondergeschikten waren gevallen; want slechts weinigen hadden zich in de wildernis om hem geschaard. Dat woord „kanonvuur” deed den officier ongeloovig glimlachen; want al gaf hij toe, dat geweervuur weerklonken had, waar van daan zouden de deserteurs kanonnen gehaald hebben? Toch bevestigden alle ooggetuigen, die Patti Singa Djaja bijbracht, dat herhaaldelijk met kanon op hen gevuurd was en dat hen bij hunne vlucht nog een hagelbui „anak pelor” (kartetskogels) nagezonden was, wat toch niet anders dan met grof geschut kon geschieden. De luitenant fronste de wenkbrauwen en trok de schouders omhoog. Hij wist niet wat te gelooven. Dat was zeker, dat hij ditmaal op het spoor der deserteurs was; want uit al die verwarde verhalen bleek ontegenzeggelijk dat er Hollandsche kommando’s waren gehoord. Maar wat nu te doen? Dat was een allergewichtigste vraag. Die kerels stelden zich aan als razende Rolands en waren geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. Daar tegenover had de officier de volle maat erlangd van hetgeen hij van zijn Dajaksche metgezellen te verwachten had. Een paar schoten, die hun over het hoofd gesuisd hadden, waren voldoende geweest, om hen te doen deinzen. Het speet hem nu, dat hij niet een tiental soldaten medegenomen had, dan ware er een kern, die pal zoude staan. Maar de voorzichtigheid had hem dat doen nalaten. Het fortje te Kwala Kapoeas was toch al zoo zwak bezet. Hij peinsde en peinsde. Hij gevoelde zich als de bevelhebber eener belegerde sterkte. Al is die door nog zulk een groote overmacht omsingeld, hij mag haar niet overgeven of zij moet minstens een storm doorstaan hebben. Dat gebieden plicht en eer. Hier ook. Hij begreep dat hij verreweg in de minderheid was, niet in getal, maar in zedelijke waarde der horden, die hij tegen de vluchtelingen zou kunnen aanvoeren. Ook de bewapening zijner tegenstanders was beter, al trok hij ook de schouders op voor de berichten omtrent kanonvuur. En wat hem niet het minste teleurstelling baarde, zijne verwachtingen om de bezetting van Kwala Hiang met hare wapens gedeeltelijk te kunnen bezigen, waren gefaald. In een woord, hij stond daar vrij hulpeloos tegenover die mannen, die voor hunne vrijheid, het dierbaarst goed, streden en daarvoor alles veil hadden. Toch wilde hij de poging niet opgeven. Hij zou het onmogelijke trachten te doen en wie weet of niet het een of ander toeval hem alle kansen in handen zoude voeren.

Dat waren de gedachten, die hem het brein doorkruisten. Hij beraadslaagde met het districtshoofd, ook met het hoofd van Kwala Hiang en er werd overeen gekomen, dat men tot kotta Baroe zoude doorroeien. Daar zouden zij de bevolking te wapen roepen. Op een paar honderd man viel al licht te rekenen en met die macht, versterkt door hetgeen van de bezetting van Kwala Hiang verzameld was kunnen worden, waaronder eenige met geweren, maar met slechts een beperkt aantal patronen, zoude een ernstige poging gewaagd kunnen worden om de deserteurs in handen te krijgen. Andere meer uitgewerkte plannen, van hetgeen hun te doen of te laten viel, waren in de gegeven omstandigheden niet te ontwerpen.

Middelerwijl hadden de deserteurs ook niet stil gezeten. Wel konden zij niet gissen, dat het gevaar zoo nabij was. Zij verlangden slechts de bovenlanden te bereiken. Hoe grooter de afstand was, die hen van de onmiddellijke onderhoorigheden der Nederlanders scheidde, des te veiliger zouden zij zijn; want dat gevoelden allen: met den afstand klommen ook de bezwaren voor hunne vervolgers in toenemende rede bij hunne pogingen om hen in handen te krijgen. Het ergste was reeds achter den rug, meenden zij; met nog wat inspanning zouden zij van dien kant niet veel meer te duchten hebben. Vlijtig werd dan ook voortgeroeid en toen de dag aan den hemel verscheen, was zelfs de opstijgende rook van de brandende kotta Kwala Hiang niet meer te bespeuren.

Bij een der menigvuldige zandplaten, die in dit gedeelte der rivier de uitspringende hoeken welke zij vormt, omzoomen, werd aangelegd en nu beijverden zich de reizigers hun maal te bereiden en zich door een bad in de kristalheldere rivier te verfrisschen en te versterken.

Na die verfrissching en terwijl de rijst gaar kookte, zaten de Dajaks van het gezelschap in een kringetje en bespraken de gebeurtenissen van de laatste dagen. Met een zeker ontzag keken zij tegen die vier kerels op, die er bruin uitzagen als een hunner, die in hun omgang zoo eenvoudig en hartelijk waren, maar die toch, als hun moeielijkheden in den weg traden, als halve duivels te werk gingen. Dat gevecht aan boord van het vlot en dan dat koene ondernemen tegen de kotta Hiang vooral, hadden diepen indruk nagelaten. Zij lachten dat zij schudden bij de gedachte hoe hunne landgenooten het hazenpad gekozen hadden en zij waren onuitputtelijk in het aanhalen van bijzonderheden, welke die overrompeling gekenmerkt hadden.

De Europeanen van hun kant hadden zich in een groepje op het helder witte zand uitgestrekt en verlustigden zich de ledematen eens goed te kunnen uitrekken, iets wat in die enge prauw niet wel doenlijk was. Een oogenblik hadden ook hen de laatste gebeurtenissen bezig gehouden, maar dat was slechts kort geweest. Wat hen thans voornamelijk boeide, was de prachtige ochtendstond, die hen omgaf, die den hemel en de toppen van het woud verguldde en de rivier onder de weerkaatsing van dien purpervloed, aan een stroom vloeibaar goud gelijk deed zijn. Het morgenrood van het Oosten uitgegaan, en eerst een onbeduidende streep van het zachtste rozenrood, had langzamerhand het geheele uitspansel met een liefelijk rosé overtogen, dat gaandeweg donkerder werd, naarmate de dagvorstin den gezichteinder meer nabij kwam, om eindelijk daar boven te stijgen. De natuur was stil en als eerbiedig opgetogen in dien plechtigen stond, die bijna dagelijks in dezelfde pracht wederkeert en toch door zoo weinige redelijke en denkende wezens genoten wordt. Geen zuchtje verhief zich, geen blad ritselde en gedurende die plechtige stilte murmelde slechts het zachte geklater der rivier, als prevelde zij een gebed tot verheerlijking en innigen dank. Het zoo kleurrijke hemelgewelf was langzamerhand in het schitterendste purper overgegaan; nog een poos en in het Oosten teekende zich te midden van die kleurenpracht een stip die weergaloos helder blonk. Die stip werd grooter en grooter, en eindelijk was het een groote vurige bol, die boven den horizon geklommen was en nu niet meer de toppen der boomen in goud tooide, maar tusschen takken en bladeren doordrong, het nachtelijk duister verdreef en alom licht en leven tot in de somberste hoeken van het woud verspreidde. In vlammende trekken vertelden de hemelen de natuurwonderen in zulk een indrukwekkende taal als alleen te midden van een tropisch woud gesproken en verstaan kan worden.

Naarmate de zon boven den horizon klom, nam de purperkleur af. Langzamerhand baadden hare stralen alles in een rein helder wit licht, terwijl het hemelgewelf zich in het fraaiste azuur, de kleur van het onbegrensde, hulde. Bij de algeheele windstilte, die tusschen de keerkringen gewoonlijk de eerste uren van den nieuw geboren dag vergezelt, teekende zich nu op het blauw des hemels een natuurverschijnsel, dat, hoewel niet zeldzaam op Borneo, toch op verre na niet dagelijks voorkomt. Vlak boven hunne hoofden zagen onze avonturiers een band ontstaan van uiterst fijne vederwolkjes, die zich van noord naar zuid uitstrekkende, al de bochten en kronkelingen der rivier vertoonde. Naarmate de purperkleur verbleekte, trad die band meer bestemd voor het oog. Het was alsof een reusachtige kaart van den stroom hier beneden, zich daarboven ontrolde, waarop de rivier als een zilverlint op een blauwen achtergrond aangeduid stond. De oevers van het beeld der Kapoeas waren scherp begrensd; al de soengei’s, die haar toevloeien, waren met hare kronkelingen en bochten helder aangeduid; zelfs de meren en plassen, langs de boorden der rivier, lagen daar duidelijk voor oogen en naar het noorden nam de zilveren band zichtbaar af en naar het zuiden in breedte toe, tot het beeld den boschrand bij den gezichteinder raakte en zich in den aether verloor. Aan die hydrographische teekening ontbrak alleen maar, dat in een der hoeken met kolossale letters gegriffeld had gestaan: „schaal op natuurlijke grootte” en in een anderen: „Deus sculpsit,” om haar volmaakt te kunnen heeten.

Met verbazing staarden onze reizigers hemelwaarts.

„Bewonderenswaardig mooi!” riep Wienersdorf eindelijk na een lang stilzwijgen uit. „De kaarten van Otto Petri zijn er niets bij.”

„Prachtig! prachtig!” stemde Schlickeisen in, er met geestdrift bijvoegende: „Zoo verkondigen de hemelen de heerlijkheid en almacht des Heeren!”

„Ik heb die verschijning meermalen gezien, evenwel nimmer fraaier en duidelijker dan thans,” sprak Johannes. „Eens evenwel heb ik het bijgewoond, dat niet alleen de afbeeldingen van de Kapoeas, maar ook die van de aan haar evenwijdig vloeiende Doesson en Kahaian waar te nemen waren. Het beeld vertoonde zich toen veel hooger dan dit schijnt. Het was bij gelegenheid dat het stoomsleepertje „Kapitein Van Os” in de eerste helft van 1860 een verkenningstocht op de Kapoeas maakte. We bevonden ons des morgens, ook zoo omtrent dit uur, ter hoogte van de eilandengroep Poeloe Teloe. ’t Was een verrukkelijk gezicht, zoo als die drie stroomen daar afgebeeld stonden. Alleen de linker soengei’s van de Doesson en de rechter van de Kahaian waren minder duidelijk; zij liepen, door het welven van het hemeldak, bij den gezichteinder eenigszins in elkander. Overigens was alles prachtig gedetailleerd en waren zelfs de eilandjes, die Poeloe Teloe vormen, als blauwe openingen in den zilveren band zichtbaar.”

„Hoe zou zulk een teekening ontstaan?” vroeg La Cueille.

„Daar zit ik al over te peinzen,” antwoordde Wienersdorf, „ik zal trachten je duidelijk te maken, hoe ik me die vorming voorstel. De groote verdamping, waaraan de watermassa onder den invloed van de keerkringszon op den moerassigen bodem van Borneo bloot staat, heeft de vorming van meer wolken ten gevolge, dan wel ergens op aarde plaats heeft. Het eerste wat we gewoonlijk hier zoowel als overal waarnemen, wanneer bij het doorkomen van de eerste zonnestralen de nachtelijke nevels optrekken, is de vorming van vederwolken. Deze, door de geleerden Cirrhi genaamd, verschijnen heel hoog in de lucht en zien er uit als afhangende veeren, ook wel als bijna onzichtbare parallelle draden van een zeer fijn netvormig weefsel. Ze doen zich ook soms voor als banden in den vorm van fijne houtkrullen en worden dan niet oneigenaardig met een onbedwongen haarlok vergeleken. Heeft een groote verdamping plaats, dan ronden die vederwolken zich af en vormen half bolvormige massa’s als opgehoopt op een waterpas grondvlak, die dan schapen- ook wel stapelwolken, Cumuli genoemd worden. In den regel vormen deze zich omstreeks het middaguur, om tegen zonsondergang te verdwijnen. Is dit laatste niet het geval en heeft verdere uitdamping plaats, dan vervormen de Cumuli zich tot Nimbi of regenwolken of tot Strati of schichtwolken, die zich in dikke horizontale lagen langs het hemelgewelf uitspreiden en regen of onweder aanbrengen. Dit is in het algemeen de wolkenvorming. Ik stel mij nu voor, dat bij zeer droge en volmaakt stille lucht, de dampen, die steeds boven iedere watervlakte gevormd worden, loodrecht omhoog stijgen, zich, in hoogere lagen aangekomen, verdichten en de vederwolkjes vormen, die we daar boven aanschouwen. Is het nu in die bovenlagen van den dampkring ook volmaakt stil, dan zullen die vederwolkjes zich boven de watervlakte, waaruit ze ontstonden, samenpakken en zoo het afbeeldsel van die watervlakte vormen. Gaat de verdamping voort en blijven de luchtdeelen in rust, dat wil zeggen, dat ze niet in zijdelingsche beweging geraken, dan zal de teekening op het blauwe grondvlak al scherper en duidelijker uitkomen; maar eindelijk zullen de Cirrhi in Cumuli overgaan en weldra de grenzen der teekening verbreken en door elkander dwarrelen. Of een windje verheft zich en de vederwolken zullen onder dien drang wijken om hare fijne en breede pluimen volgens de windrichting te scharen. Ziet, zooals ginds reeds gebeurt, dáár, waar ge die opening in den rivierband reeds kunt zien en waar de vederbossen in de richting van het noordwesten beginnen te wijken, waaruit we gevoeglijk kunnen afleiden, dat weldra, althans in de bovenlagen een zuidoostelijke wind zal doorwaaien.”

„Mooi verklaard,” betuigde Schlickeisen, „maar alvorens ik onzen kameraad mijn dank betuig, wenschte ik nog een opheldering. Zoo even is gezegd, dat bij de verdamping, die zich boven iedere wateroppervlakte vormt, vederwolken ontstaan. Maar het geheele gedeelte van Borneo, waar we ons nu nog bevinden, tot aan de zuidkust toe, kan aangemerkt worden als een samenhangende watervlakte te vormen, zoo moerassig is het. Heeft nu de vorming plaats, zooals gij uitgelegd hebt, dan zou geen beeld eener rivier of van een stroomgebied zich afteekenen, maar dan zou het geheele uitspansel zich met een net van vederwolken bedekken.”