Borneo van Zuid naar Noord

Part 21

Chapter 213,731 wordsPublic domain

„Als dat zoo is, dan is Bapa Andong een slechte kerel; maar ik kan niet gelooven, dat het meerendeel der Dajaksche bevolking zoo zal handelen.”

„Op de schets die ik gaf, maken zeer weinigen uitzondering. Er zijn zeer weinig welgestelde Dajaks en bij den rijkdom hunner bosschen mag dat wel als bewijs voor mijn beweren gelden. Zie hunne woningen, die de ellendigste en afzichtelijkste krotten der wereld zijn; zie hunne kleeding, die, als de Dajak gekleed is, uit akelige, vuile en smerige vodden bestaat, nog meerendeels uit boombast geklopt [59], ter nauwernood aan de oorspronkelijke dierenhuid gelijk. Ge zult dat in de bovenlanden nog beter kunnen opmerken.”

„’t Is wel treurig, wat je me daar vertelt,” hernam Wienersdorf eenigszins bitter, „de mensch is een vloek voor dit mooie land.”

„Neen, het land is een vloek voor den mensch,” hervatte Schlickeisen met vuur, „het land is te rijk, het verspilt zijn schatten zonder den mensch tot gezetten arbeid te noodzaken. Deze heeft zich maar te bukken om ze op te rapen; dat maakt hem lui en de luiheid is de grondslag van veel kwaad.”

Ja, daar was de vinger gelegd op de wond, op de open wond, die aan het levensbestaan van de menschelijke wezens op het schoonste, het rijkste en het uitgebreidste eiland van de Nederlandsche bezittingen, dien smaragdengordel om den evenaar, knaagt. Gedurende de lange jaren, dat de Hollanders aanspraak op het bezit van het eiland Borneo maken en alles in het werk stellen om wangunstig andere natiën daarvan verwijderd te houden, hebben zij niets, hoegenaamd niets gedaan om het volk tot arbeidzaamheid op te wekken. Integendeel, soms kunnen zij den schijn niet ontgaan, zich van de volksondeugden bediend te hebben om voor de lieve kas munt te slaan.

Wienersdorf zat een oogenblik met het hoofd in de hand en scheen na te denken over hetgeen hij gehoord had. Eindelijk hernam hij tegen Johannes:

„Je zei daar straks dat het nog vele weken zou duren alvorens dat vlot te Bandjermasin zou aankomen. Dat is toch overdreven, niet waar?”

„Overdreven! waarachtig niet. De opvarenden van zoo’n vlot roeien zelden, of het gevaarte moet in een tegenstroom of in een draaikolk geraakt zijn. Soms ook wel, wanneer het gevaar dreigt om tegen den wal geworpen te worden. Wanneer dat vlot nu een weinig verder de Kapoeas afgezakt zal zijn, dan is het in de streken aangekomen, waar zich de invloed van het rijzen en dalen der zee doet gevoelen. „Tijd is geen geld”, bij den Dajak; bij het doorkomen van den vloed meert hij zijn lanting aan den wal vast en wacht dood kalm de invallende eb af om de reis te vervolgen. Ga nu in gedachten eens na, welke afstanden af te leggen zijn: eerst de Kapoeas af tot aan hare uitwatering, dan de Batang Moeroeng op tot aan Moeara Poelau, dan weer de Barito af tot aan Schans van Thuyll en eindelijk de Martapoerarivier op tot aan de hoofdplaats; en bedenk daarbij dat dagelijks slechts weinige kilometers gedurende het ebben van het water afgelegd worden, dan zal je ’t kunnen begrijpen, dat verscheidene weken met zoo’n reis gemoeid zijn.”

„Maar,” was de schijnbaar niet ongegronde opmerking van La Cueille, „we hebben dat vlot toch met de spil tegen den stroom zien ophalen; we hebben daaraan dapper meegedaan. Onze Dajaks zullen dat toch ook wel doen, wanneer ze in den vloed komen.”

„Het mocht wat,” was het antwoord van Johannes. „Toen zij dat vlot van soengei Moeroi naar Danau Ampang brachten, konden ze niet anders; er loopt daar geen vloedstroom. Hadden ze anders kunnen handelen, wees dan verzekerd, dat ze zich de moeite wel gespaard zouden hebben, al was er nog zoo veel tijd mee gemoeid geweest.”

„Dat alles begrijp ik nu,” hernam Wienersdorf, „ik heb echter op een ander punt weer inlichting noodig. Je hadt het zoo even over de vele meren en soengei’s, waaruit Bapa Andong zijn boschproducten zou gehaald hebben. Soengei’s zijn er legio, dat weet ik, maar meren? Zijn er dan nog meer, behalve dit Danau Ampang? Dit is al een merkwaardigheid in een bodem van alluviale vorming, zooals de zone is, waarin we ons thans bevinden; bestaan er meerdere dan is de merkwaardigheid des te grooter.”

„Ik kan je daaromtrent volkomen inlichten,” was het antwoord van Johannes. „We bevinden ons juist te midden van den meergordel. We zijn er reeds een half dozijn gepasseerd, waarvan de voornaamste zijn: Danau Telaga, Danau Telok Katjang, welke laatste oneindig veel grooter in oppervlakte dan Danau Ampang, dat wij bezocht hebben. Dwars van ons, maar op den oostelijken kant der rivier, ligt Danau Lihon en verder zullen we nog wel een half dozijn passeeren, waarvan Danau Sapoipondong en Danau Lawang de voornaamste zijn. Ik noemde dit den merengordel, omdat in de nevengelegen stroomen Doesson en Kahajan, die met de Kapoeas evenwijdig van noord naar zuid vloeien, op dezelfde breedten ook aan weerszijden een groot aantal meren gevonden wordt.”

„Maar waaraan zou de vorming van die meren in dat lage terrein toe te schrijven zijn?”

„Zoo je eenige reizen in deze streken gemaakt hadt, zou je die vorming niet vreemd voorkomen. Zij hangt geheel te samen met het aanwezen van de geheele alluviale streek, die de zuidkust daarstelt en nog in volle vorming verkeert. We zijn thans in het hoogwaterseizoen, zoodat de oevertaluds niet zichtbaar zijn; anders zou je al gemerkt hebben, dat de rivier niet altijd gestroomd heeft, waar thans hare bedding is. Zij zal ook niet altijd blijven stroomen, waar zij dat nu doet. Betrekkelijk geringe tijdruimten zijn er noodig om daarin aanmerkelijke wijzigingen te brengen; en iemand, die hier vroeger geweest is en deze streken daarna in een tiental jaren niet bezocht heeft, zou zich op sommige gedeelten der rivieren in dezen gordel niet herkennen. Zooals je ziet, vormt de rivier tallooze kronkelingen; soms keert zij op hare schreden terug en stroomt dan een wijl van zuid naar noord. Er zijn punten, waar de oevers van beide stroomgedeelten zoo dicht bij elkander komen, dat een persoon, op den eenen oever geplaatst, met iemand op denzelfden oever, maar in een andere bocht, zonder inspanning een gesprek zou kunnen voeren. Was onze prauw zoo laag van boord niet, of was het terrein zoo begroeid niet, dan zouden we dikwijls gedeelten van de rivier zien, waar we uren geleden geweest zijn of waar we eerst na een aanmerkelijk tijdsverloop komen zullen. Wat is het gevolg van die vele kronkelingen? In de bochten, en dat is genoegzaam zichtbaar, wordt de bodem langzaam maar gestadig uitgehold en ondermijnd; de oevers van twee zulke nabijgelegen bochten naderen elkander gedurig. De landengte, die zulk een schiereiland aan den vasten wal verbindt, wordt gedurig smaller en smaller en eindelijk breekt zij door. Eerst vormt dat een smal kanaal, hetwelk soms aanmerkelijke gedeelten van de rivier afsnijdt en de vaart, als men er goed mede bekend is, aanmerkelijk bekort. Dat kanaal heet dan: antassan. Maar die antassan wordt met elken watervloed breeder en eindelijk spoedt de geheele watermassa der rivier zich als langs den kortsten weg door dat nieuw gevormde bed. De beide mondingen van de oude bedding verzanden langzamerhand, het hierdoor afgesneden gedeelte, dat nu een minder of meer aanmerkelijken plas vormt, kan den toevoer van water, dat het van grootere of kleinere soengei’s ontvangt, niet genoegzaam loozen; de oevers worden langzamerhand overstroomd, het terrein rondom wordt moerassig en de vorming van het meer heeft een aanvang genomen. Allengskens worden de rivierbedding en ook hare oeverkanten door bezinking van modder en zand, maar voornamelijk van plantendetritus opgehoogd, waardoor een dam tusschen het meer en de rivier ontstaat. Maar bij iederen westmoesson hebben herhaaldelijk overstroomingen plaats, waardoor telkens een groote watermassa zich in de Danau uitstort en dit al grooter en grooter maakt. Bij terugkeer van de rivieroppervlakte tot haar peil, keert ook een gedeelte van het meerwater naar de rivierbedding terug, waardoor dan door het laagste gedeelte van den dam een kanaal gevormd wordt, dat het meer voortdurend met den stroom in gemeenschap stelt. Zietdaar, wat ik meen opgemerkt te hebben en hoe ik mijzelven het ontstaan van dat groot aantal meren verklaard heb.”

„Bravo!” riep Wienersdorf in de handen klappende, „bravo! voor die uitlegging. ’k Geloof niet dat er een betere te geven is. Maar die meren moeten zeer vischrijk zijn?”

„Dat zijn ze ook. ’t Is verbazend hoe het daar van visschen krioelt. Groote en kleine, visschen die een lengte bereiken van 1 tot 2 M., zooals de dahoeman, een soort van paling, de behoe of gaboes, zooals hij op Java geheeten wordt, de djampol, een geelwitte visch, die bijzonder lekker is, de kaloi, een witvisch, enz. enz., te veel om allen op te noemen. Die visschenwereld heeft echter een geduchten vijand in den kaaiman, die er groote verwoestingen onder aanricht. Zoo’n meer is dan ook het luilekkerland voor die monsters, die er welig tieren. De Dajaks verzekeren ook, dat een soort van hippopotamus of rivierpaard in die meren te huis behoort. Ik heb er nooit een gezien en van al de inboorlingen, wien ik er naar vroeg, konden maar zeer weinige bevestigen, zoo’n monster ooit onder de oogen gehad te hebben. Zooveel is zeker, dat zij er een naam voor hebben in hunne taal. Dat dier heet bij hen „kadjamiena” en wordt voor een bovennatuurlijk en uiterst boosaardig wezen gehouden.”

„Die Sienjo is toch nog zoo dom niet, als hem zijn hoofddoek wel tooit,” dacht La Cueille bij zich zelven.

Middelerwijl was het middagmaal verorberd en het uurtje van rust verstreken. Met hernieuwde krachten nam men de pagaaien ter hand en werd de reis hervat.

XV.

Eenzaamheid.—Men nadert Kwala Hiang.—De aanval.—Kanon- en geweervuur.—De bezetting op de vlucht.—De plundering.—Een illuminatie.—De kommandant van Kwala Kapoeas op vervolging.—Zijn nasporingen te soengei Naning en te soengei Mantangei.—Zijn aankomst te Kwala Hiang.—Vooruit naar kotta Baroe.—Een monsterkaart.

Drie dagen en twee nachten waren voorbijgegaan zonder dat onze vluchtelingen eenige ontmoeting op hunne reis hadden. Het was of het eiland uitgestorven was. In al dien tijd hadden zij geen menschelijk wezen gezien, geen enkel vaartuig ontwaard en, hoe zij ook uitgekeken hadden, zelfs geen rookspiraal waargenomen, die van uit het dichte bosch ten hemel kronkelende, hen aangeduid zoude hebben, dat daar een hutje stond, waar natuurgenooten den strijd des levens streden. Had zich van tijd tot tijd niet een troep apen schuchter aan den boschrand vertoond, om onder het slaken van een angstkreet, maar toch met koddige gebaren in het donkere groen te verdwijnen; had soms niet eens een kolossale visch de oppervlakte des waters met zijn staart gegeeseld, zij hadden kunnen gelooven, dat ook het dierlijk leven van Borneo geweken was. Niets was hun voor oogen gekomen dan het beperkte uitzicht op de immer meer en meer kronkelende rivier, aan welker boorden het dichte loof zich als een ondoordringbaar woud verhief en, als ware het jaloersch, niet gedoogde een blik op het daarachter gelegen terrein te slaan.

Rusteloos hadden de deserteurs voortgeroeid. Voort! altijd voort! Door Dalim bestuurd, was de prauw verscheidene antassans doorgevaren en had zoo vele groote kronkelingen der rivier afgesneden, waardoor in afstand aanmerkelijk was gewonnen. De derde nacht was ook reeds voor de grootste helft voorbijgegaan, toen de reizigers Kwala Hiang naderden.

De soengei Hiang is een linkerzijrivier van de Kapoeas, die bij hare uitwatering in dien stroom een aanmerkelijke breedte heeft en deze nog een paar dagen roeiens opwaarts behoudt. Die soengei ontspringt uit een uitgestrekt moeras, dat, tusschen de Doesson en Kapoeas gelegen, bovendien een andere uitwatering in eerstgenoemden stroom heeft. Na de overmeestering van het stoomschip Onrust op de boven-Doesson, lag het voor de hand, dat de vijandelijke stammen uit die streken strooptochten in de Kapoeas-landen zouden ondernemen. Om dat tegen te gaan, werd van wege het Nederlandsche bestuur aan de uitwatering van de Hiang een kleine Dajaksche versterking gebouwd, waarop een viertal kleine kanonstukjes geplant werden, en die door een vijftigtal Dajaks van Kwala Kapoeas, met geweren gewapend, bezet werden.

Dalim had al verscheidene malen een fluisterend gesprek met Johannes gevoerd, waarbij hij steeds op het hachelijke gewezen had, die versterking voorbij te varen. Wel viel er niet aan te denken, dat daar reeds kennis zou gegeven zijn van de vlucht der vier Europeesche soldaten; daartoe had volgens ieders berekening de tijd ontbroken. Maar Dalim en zijn Dajaksche makker stonden onder opzicht der politie. Ieder der aanwezigen te Kwala Hiang zou hen herkennen en met het hoofd aldaar, Tomonggong Patti Singa Djaja viel niet te gekscheren. Indien die hen herkende, zou hij hen zeker opvatten. En aan ontwijken viel niet te denken; daar bestond geen antassan, waarlangs een bocht der hoofdrivier kon afgesneden worden.

Johannes zat lang te peinzen; eindelijk opperde hij als zijn meening, dat men trachten moest Kwala Hiang in het holst van den nacht, liefst na het middernachtuur te bereiken. Het was dan zeer waarschijnlijk, dat de Dajaksche bezetting in diepen slaap zoude gedompeld zijn en de prauw ongemerkt zouden kunnen voorbij sluipen. Lukte dat niet en waren de uitgezette schildwachten waakzaam, dan moest naar omstandigheden gehandeld worden. Zoo werd besloten. Onmiddellijk na dat besluit hielden La Cueille en Johannes zich onledig met de beide kleine kanonstukjes, van soengei Naning medegenomen, op een paar stevige stukken hout met de rottanlussen te bevestigen met de monding buiten boord. Beide stukjes werden met los kruit geladen, waarop een flinke prop gezet werd.

Het was stikdonker toen men de versterking naderde, de pagaaien werden uiterst voorzichtig gehanteerd, zóó dat zij het boord der prauw niet raakten en geen leven maakten. Dalim stuurde het vaartuig onder langs den dichtbegroeiden oever, waarop de versterking lag. Langzaam werd voortgestevend en eindelijk was men de grens van het woud genaderd; nog eenige roeislagen en het vaartuig trad den kring binnen van de onbeschutte strook, alwaar de oever schoongekapt was, om vrij uitzicht aan de wachthebbenden te verleenen. Plotseling weerklonk een stem:

„Jèï! narai gawim kantoh olo toh kea?” (He, wat komen die menschen hier doen?) En voor dat er een antwoord op gegeven kon worden, knalde een schot, waarvan de kogel door de dakbedekking der prauw heenvloog.

De teerling was geworpen.

„Zij schieten op de Hollanders!” riep Johannes in het Dajaksch met luider stem. „Die kotta is thans door de oproerlingen bezet,” en zich tot zijn makkers wendende, riep hij, thans in het Hollandsch:

„Vooruit! vooruit tegen die muiters!! Vuur! vuur!! op dat gebroed!”

Op dat kommando schoot La Cueille de beide kanonstukjes af. Deze, zonder iemand kwaad te doen, lieten een langen vuurstraal in den stikdonkeren nacht flikkeren en een gedonder hooren, dat des te indrukwekkender was, daar het geknal tusschen die dicht begroeide oevers door de echo honderdvoudig herhaald werd. Johannes en Dalim hadden vier geweren te hunner beschikking, die zij achtervolgens in de richting van de versterking afvuurden en daarna weder snel laadden. De beide Zwitsers openden een snelvuur met hunne repeteer-geweren, dat wel moest doen gelooven, alsof een geheele macht, wel tienmaal sterker dan de aanvallers telden, in ’t strijdperk getreden was.

Dat vuur werd een poos met alle hevigheid onderhouden en toen ongeveer een honderdtal patronen verschoten was, liet Johannes het staken. Geen geluid liet zich hooren. De Dajaksche bezetting, zoo onzacht uit den slaap gewekt, en toch al niet te kloekhartig tegenover vuurwapenen, was radeloos en in doodsangst opgevlogen en had—in stede van naar de wapenen te grijpen—in allerijl een heenkomen gezocht langs de achterdeur der versterking en hun toevlucht in de wildernis genomen. Met zooveel overhaasting was daarbij te werk gegaan, dat verscheidene dier dappere verdedigers bij het afdalen van de trap, die naar buiten toegang verleende, bijna den hals gebroken hadden. Wat die vlucht nog bespoedigd had, waren de Hollandsche kommando’s van Johannes, waardoor zij vermeenden door Nederlanders aangevallen te worden. Het hevige vuur, dat hen in al zijn verschrikkelijkheid tegen donderde en tegen knetterde en de kogels, die hen om de ooren floten, lieten daaromtrent geen twijfel over; de schildwachten daarenboven verklaarden dat zij zeer duidelijk op de voorste prauw—want dat er een geheele flotille was, werd bij den algemeenen angst door niemand ontkend—een Nederlandsche vlag hadden zien waaien.

Alles was nu doodstil in de versterking. Alleen heel ver in den boschrand werden nog angstkreten waargenomen. La Cueille stopte nu op ieder zijner geladen kanonnetjes een handvol geweerkogels, zette die met een goeden prop aan en vuurde in de richting af, van waar die stemmen vernomen werden. Die kogels vlogen suizend en fluitend door het bosch en verleenden vleugels aan de reeds zoo beangstigden.

Johannes stapte nu aan wal, terwijl de overigen met het geweer in de hand gereed zaten om op ieder, die zich vertoonde, vuur te geven en zijn terugtocht te dekken. Maar weldra kwam hij terug met het bericht, dat de versterking verlaten was. Twee Dajaks bleven nu ter bewaking in de prauw, terwijl al de anderen op den oever sprongen. De Europeanen sloten dadelijk de achterdeur der versterking en drie hunner stelden zich doelmatig op, om iederen terugkeer der bezetting met nadruk tegen te gaan. Middelerwijl doorsnuffelden Johannes en Dalim met de overigen het nest. Zij legden de hand op de aanwezige geweerpatronen en het buskruit en brachten die munitie met behulp hunner pandelingen in de prauw. Zij namen ook de vier kanonstukjes, waarmede het fort bewapend was, in beslag, en de geweren, waarvan zij evenwel slechts een veertigtal vonden, terwijl er vijftig aanwezig moesten zijn. Het was dus waarschijnlijk, dat de overigen door de wegloopers waren medegenomen.

Toen men de geheele versterking doorzocht en nog eenige kleinigheden, waaronder een paar manden tabak, welke vondst veel genoegen deed, gekaapt had, greep Johannes een brandend stuk hout en stak dat in een grooten hoop takkebossen, die onder een afdak opgeschuurd lagen. Ongeloofelijk snel verspreidde zich het vuur en onze avonturiers moesten zich haasten hun vaartuig te bereiken en dat op stroom buiten gevaar te halen. Zij namen evenwel nog twee prauwen en een paar djoekoengs mede, die voor de versterking in een kleine kreek als in een haven te dobberen lagen, hakten in die vaartuigen een groot gat en lieten ze zinken. Toen hervatten zij hunne reis, terwijl de versterking lustig brandde en den stroom in het nachtelijk uur over zijn geheele breedte helder verlichtte.

„Zie zoo! dat is illuminatie bij onzen doortocht,” riep Johannes vroolijk.

„Maar is die illuminatie geen daad van baldadigheid?” vroeg Wienersdorf. „Was de aanval op die versterking daarenboven noodzakelijk? Me dunkt dat we best voorbij hadden kunnen varen, zonder dat ons iets gedeerd had. Op zijn ergst genomen, zouden we wat geweerschoten te verduren gehad hebben. Die waren in het nachtelijk duister van die schutters niet bijzonder gevaarlijk en met wat meerdere inspanning zouden we spoedig buiten bereik geweest zijn.”

„Akkoord! We hadden wel voorbij kunnen komen; daaraan behoeft geen oogenblik getwijfeld te worden. Maar de gevolgen! vraag je af, wat de gevolgen zouden geweest zijn? Waren we voorbij kunnen komen, zonder ontdekt te zijn, voorzeker, dat ware wel het beste geweest. Maar nu die schildwacht ons gezien had, bleef ons niet anders te handelen over, dan we gedaan hebben. Waren we voorbij gesneld, dan zouden ons morgen ochtend bij het krieken van den dag een vijf-en-twintigtal Dajaks op de hielen gezeten hebben, en het hoofd Patti Singa Djaja zou niet nagelaten hebben van zijn invloed gebruik te maken om de bevolking van de boven-Kapoeas tegen ons op de been te brengen; en dan... dan zou ik geen uitweg meer geweten hebben. Nu is de bezetting van Kwala Hiang in de wildernis verstrooid; zij is zonder vervoermiddelen en derhalve vrij hulpeloos. Maar al had zij prauwen, dan zou zij nog nalaten ons te vervolgen, ongewapend als zij is. De gelegenheid om onzen slag te slaan, was te mooi, dan dat ik die onbenut mocht laten voorbijgaan. Zoo midden in haar slaap opgeschrikt, is die bezetting uit elkaar gestoven of haar de drommel op de hielen zat. Ik zou durven wedden, dat zij geen enkelen gekwetste heeft; althans ik heb geen enkel spoor van bloed ontdekt.”

„Daar ben ik dankbaar voor,” sprak Wienersdorf ernstig. „Onze desertie heeft al bloed genoeg gekost. Maar nu die brandstichting? die had kunnen nagelaten worden. Thans zwerven die ongelukkigen in de wildernis rond, beroofd van een onderkomen, aan het nijpendst gebrek ten prooi.”

„Die brandstichting!” vloog Johannes terstond op. „Die brandstichting! Je hebt zulke krasse benamingen voor de dingen. Neen, die brandstichting heb ik niet kunnen nalaten. Het vereenigingspunt van die menschen moest hun ontnomen en zij zoo tot den aftocht gedwongen worden. Die versterking is met Hollandsch geld gebouwd en bewapend. Door haar te verbranden, hebben we niemand benadeeld dan een Regeering waartegen we in openbaar verzet zijn en die dat verlies wel zal kunnen dragen. Wat de ongelukkigen betreft, die volgens je uitdrukking nu in de wildernis ronddolen, beroofd van een onderkomen en aan het nijpendst gebrek ten prooi, die zullen zich daaruit wel redden. Een Dajak lijdt geen gebrek in zijn wouden. En om een onderkomen heeft hij zich, in een luchtgestel als dit, al weinig te bekommeren. Vraag eens aan Dalim of hij er erg tegen op zou zien om van hier naar Kwala Kapoeas over land terug te keeren. Hij zal tal van moeielijkheden opsommen, tegen welker opruiming zijn luiheid zich verzetten zou, maar van gebrek lijden zou hij geen woord reppen; nog minder zou hij op het gemis van een onderkomen wijzen. Neen, ik blijf bij mijn beweren, de bemachtiging van die versterking was in de gegeven omstandigheden gebiedend noodzakelijk en hare verbranding niet minder.”

Johannes had met vuur en overtuiging gesproken en toch kon hij niet weten, dat die overrompeling nog een anderen en meer ingrijpenden invloed op hunne vlucht zoude hebben, dan hij bedoelde. Hij besprak slechts de onmiddellijke gevolgen, die onder het bereik zijner berekeningen lagen, terwijl op hetzelfde oogenblik een ander gevaar, veel grooter dan dat, waardoor zij zich thans heengeslagen hadden, hen op de hielen zat.

De kommandant van Kwala Kapoeas, de lezers weten het, had daags na het vertrek van Damboeng Papoendeh bevelen gegeven, dat het districtshoofd met vijftig gewapende Dajaks gereed zoude staan, hem bij een tocht naar de boven-Kapoeas te vergezellen. De gezaghebbersprauw, een fraai, rank en ruim vaartuig werd in gereedheid gebracht en van het noodige voorzien; en op het aangeduide uur aanvaardde die officier den tocht, na den dokter op het hart gedrukt te hebben goed waakzaam te zijn en hem zoo veel doenlijk op de hoogte van alle merkwaardige voorvallen te houden.