Borneo van Zuid naar Noord

Part 20

Chapter 203,850 wordsPublic domain

Zoo vond Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei, als toegang tot den bedoelden kampong, versperd door een dubbelen zwaren rottankabel, welks uiteinden aan den wal door gewapende mannen bewaakt werden. Hij begreep, dat hier geen geweld te gebruiken was; al zoude hij daartoe hebben willen overgaan, dan zouden zijne tochtgenooten zich tegen dat vergrijp ten opzichte hunner godsdienstige instellingen verzet hebben. Van de wachthebbenden bij den kabel vernam hij bovendien, dat het maroetas reeds sedert zeven dagen duurde, dat den volgenden dag de gewone offeranden aan de Sangiangs [58] zouden gebracht en het gebruikelijke feestmaal zou gehouden worden; waarna de afsluiting opgeheven zoude zijn. In volle zeven dagen tijds was hier dus geen prauw kunnen passeeren; dat was duidelijk. Hij was dus op een valsch spoor en zijn eerste opvatting was de juiste geweest. Lang bedacht hij zich niet; de prauwen werden gewend en de terugtocht met pijlsnelle vaart aangenomen. Het was zaak den verloren tijd in te halen. Het was stikdonker toen men den kampong Mantangei voorbij voer; maar met allen spoed en onverdroten werd dag en nacht doorgeroeid en zoo bevonden zich de vervolgers in den bewusten nacht ter hoogte van Danau Ampang, zonder evenwel te bevroeden, dat zij toen de vluchtelingen zoo nabij waren.

Het woei dien nacht stormachtig uit het noordwesten, hetgeen de vaart niet weinig bemoeielijkte en bij de hevige vlagen somwijlen gevaarlijk maakte. Eindelijk zelf uitgeput, gaf Damboeng Papoendeh aan de beden van zijn volk toe, om het overige gedeelte van den nacht in een kreek aan den wal gemeerd door te brengen. Wel deed hij dat noode, want hij had zich in het hoofd gesteld met ijlende vaart kotta Baroe te bereiken, daar berichten in te winnen en zou het hem dan misschien gelukken, wat hij hoopte, namelijk de avonturiers voorbij te stevenen, hen daar in te wachten en met behulp der bevolking gevangen te nemen. Dat plan was hoogst eenvoudig en zoude door zijn eenvoudigheid alle kans van slagen gehad hebben, ware er niet een voorval tusschenbeide gekomen, dat het geheele plan in duigen wierp.

Het kon naar gissing van de wachthebbenden drie uur na middernacht zijn, toen plotseling in westelijke richting, evenwel zeer nabij, een doordringend: lēēēh lèlèlè ouiiit! gevolgd door een hevig geweervuur, vernomen werd. Dat gaf licht in de duisternis, want Damboeng begreep, dat zij, die hij vervolgde, in zijne nabijheid en slaags waren, hetzij met kampongbewoners, zooals dat te soengei Mantangei gebeurd was, hetzij met koppensnellers, die in deze buurt eerder te verwachten waren.

In gespannen ongeduld ging de nacht voorbij en toen de dag aangebroken was, ontwaarde hij in zijn nabijheid de monding van het kanaal, dat naar het meer voert. Hij had nu de overtuiging, dat het drama, dien nacht afgespeeld, daar had plaats gegrepen. Hij aarzelde dan ook geen oogenblik, om aan het meer een bezoek te brengen. Hij deed zijn makkers hunne wapens in gereedheid brengen en stevende weldra derwaarts.

In het kanaal werd niets opmerkenswaardigs of verdachts waargenomen. Maar bij het uitkomen in het meer zag men in de verte aan den oostelijken oever een groot vlot liggen, dat met rottanbossen overdekt was en waarvan de opvarenden de aankomenden toeriepen bij hen te komen. Die kreet van: „gagoeloeng, kantoh ikau!” was goed waarneembaar.

Damboeng liet nu een prauw achter ter bewaking van de kanaalmonding, met bepaalden last niemand het meer te doen verlaten en stevende met de twee andere prauwen langs den westelijken oever van de danau, om die in alle bochten en kreken te onderzoeken en zoo langs den noordelijken oever bij het vlot op den oostelijken oever te geraken.

Bapa Andong, die het gevaarlijke van die manoeuvre voor de aankomenden inzag, wilde de prauwen andermaal toeroepen, maar Dalim lag de hand gebiedend op den mond, fluisterde hem iets in het oor en liet hem tegelijkertijd de punt van een „badek” (kleine dolk) tusschen de korte ribben voelen. Verschrikt keek de Dajak zijn landgenoot aan en zag toen Dalim’s metgezellen met het geweer of den ontblooten mandauw in de hand, hem met hoogst ernstige gezichten omringen, terwijl zijn eigene makkers op dat kleine tooneel, dat trouwens slechts weinige seconden duurde, geen acht gaven. Hij begreep van dat alles niets, dan alleen dat hij voor het oogenblik den mond moest houden.

De beide prauwen daar ginds hielden nog steeds den westelijken oever. Plotseling verhief zich uit die beide vaartuigen een geweldig gegil. Men kon de opvarenden gedurende een oogenblik met de armen heftig zien zwaaien; enkele hunner sprongen in het water en trachtten zich al zwemmende met den meesten spoed van de prauwen te verwijderen, terwijl zij herhaalde malen onderdoken. De kreet: „badjanji! badjanji!!” (de bijen, de bijen) weerklonk door de lucht.

En werkelijk het was een woedende aanval van de bijen, wier nesten den vorigen nacht zoo onmeedoogend waren geroofd. Des nachts waren zij, door den rook verstikt en door den hevigen wind weggevoerd, ter aarde gevallen, maar bij het aanbreken van den dag hadden zij hunne nesten opgezocht en daar de gepleegde verwoesting aanschouwd. Nog dagen na zulk een was- en honiginzameling is het uiterst gevaarlijk de tanggirangs te naderen, waaraan de nesten eenmaal hingen. Damboeng Papoendeh en zijne makkers deden daarvan de wreede ondervinding op. Argeloos waren zij de plek genaderd, toen plotseling, en vóór dat er iets tegen te doen was, wolken van bijen nederdaalden en zich met de grootste verwoedheid op de opvarenden dier prauwen wierpen, iedere wondbare plek huns lichaams overdekten en daar hun giftigen angel in het vleesch boorden.

De Europeanen op het vlot keken sprakeloos toe en hadden door den afstand in den beginne weinig begrip van wat er gebeurde; maar toen zij Dalim zagen springen van de pret, toen zij hem hoorden grinniken en vernamen met welke vijanden hunne vervolgers te doen hadden, bekroop ook hen een zelfzuchtig dankbaar gevoel over die ontknooping, die een bloedige botsing voorkwam, welker uitslag onmogelijk te berekenen zou geweest zijn. Toen zij evenwel vernamen in welk levensgevaar die menschen verkeerden, werd hun hart met deernis vervuld en maakte een soort van schaamtegevoel zich van hen meester, dien doodstrijd zoo werkeloos te aanschouwen. De twee Zwitsers waren reeds in een djoekoeng gesprongen om die ongelukkigen, in wie zij geen vijanden maar wel lijdende natuurgenooten zagen, te hulp te ijlen. De Dajaks bezwoeren hen evenwel te blijven; zij zouden een nadering met den dood moeten bekoopen. En inderdaad, de woeste bijenzwermen, onvoldaan over de genomen wraak, begonnen nu, na hun aanval op de prauwen, zich over het meer te verspreiden en zich in hun verbittering op ieder levend wezen te werpen. Wienersdorf en Schlickeisen hadden weldra eenige pijnlijke steken op handen en aangezicht, die hen met een heftig „kreuzmillionensakrament!” aan boord van het vlot een toevlucht in de hut deden nemen en hen noodzaakten van een tehulpsnellen af te zien. Om op het vlot tegen verdere aanvallen beveiligd te zijn, waren de opvarenden verplicht vuren aan te leggen en zich in een dikken rook te hullen.

Aan boord van de twee geteisterde prauwen liet zich geen geluid meer hooren. Die vaartuigen dreven, door den stroom medegevoerd, die uit het meer zette, zachtkens naar de monding van het kanaal en zoo buiten den kring der gevaarlijke boomen.

Toen Dalim en Bapa Andong konden berekenen, dat de woede der bijen eenigermate gestild was en zij naar de tanggirangs teruggezwermd waren, werd besloten die prauwen te naderen, om te zien wat er te doen viel. Johannes, Wienersdorf en nog een drietal pandelingen zouden hen daarbij vergezellen. Zij namen evenwel vuur en een overvloed van groene takken mede om steeds een dikken rook te kunnen verspreiden.

Het schouwspel, dat zich aan de oogen dier mannen voordeed, toen zij bij de prauwen gekomen waren, was allertreurigst. Vier der opvarenden lagen met den dood te worstelen en hadden hevige vlagen van ijlende koorts. Ook de anderen waren zoodanig toegetakeld en hunne aangezichten, handen en armen, in een woord, al de lichaamsdeelen, die aan de aanvallen der verwoede bijen hadden blootgestaan, waren dermate opgezwollen, dat zij niets menschelijks meer vertoonden. Geen enkele was in staat eenige beweging te doen en allen waren schier zinneloos van de hevige pijnen, door die tallooze vergiftigde angels veroorzaakt.

Om tegen een herhaling van de aanvallen der bijen beveiligd te zijn, werden de prauwen in het kanaal gebracht, en eenmaal daar aangekomen, beijverden zich voornamelijk de twee Europeanen hulp te verleenen. Zij gaven de lijders te drinken, bestreken hunne gezwollen gezichten en ledematen met klapperolie en met verdunde sirihkalk en troffen al die maatregelen welke hun toestand vorderde. Terwijl men hiermede bezig was, kwam de prauw, die ter bewaking van het kanaal door Damboeng Papoendeh was achtergelaten, en die zich uit angst voor de bijen schuil had gehouden, naderbij. Na eenige woordenwisseling werden de opvarenden van die prauw, twaalf in getal, over de drie prauwen verdeeld, waarna de terugtocht aangenomen werd. Dalim stelde voor, die vaartuigen tot op de Kapoeas te vergezellen, om behulpzaam te kunnen zijn bij de vele kronkelingen, die het kanaal vormt. Toen men evenwel dien stroom bereikt had, waren de vier zieltogenden reeds overleden, en was de toestand van drie anderen, waaronder ook Damboeng Papoendeh, uiterst bedenkelijk geworden. Den roeiers werd dan ook op het hart gedrukt, onverpoosd door te roeien tot de kampong Pendek Katiempoen, waar voor de lijders ten minste eenige hulp te erlangen was.

Alvorens evenwel te scheiden, werden de gewonden, die allen in bewusteloozen toestand lagen, nogmaals door Wienersdorf verzorgd en plaatste die bovendien nog naast ieder hunner een klapperdop met drinkwater gevuld, om hun brandenden dorst te lesschen. Gedurende die verzorging nam Johannes de Nederlandsche vlaggen van de beide voornaamste prauwen in beslag. Hij beweerde die uitstekend te kunnen gebruiken, alsook de schriftelijke instructie, die aan Damboeng Papoendeh was uitgereikt en onder het slaapmatje van dat hoofd, in een bamboekoker besloten, opgeborgen lag. Zoowel die instructie als de beide vlaggen waren voorzien van het Nederlandsche wapen, dat vooral op de witte banen der vlaggen sierlijk afgedrukt stond.

De prauwen werden nu aan den stroomdraad overgelaten en verwijderden zich snel.

Het eerste wat nu na dat vertrek te doen viel, was het vlot, dat zijn geheele lading ontvangen had, uit het meer op de rivier te brengen. Het was toen zoo omstreeks 9 uur des voormiddags en men had dus een goede karrewei voor den boeg. Met lust en ijver werd aan den arbeid getogen, met dat gevolg dat het zware gevaarte bij het vallen van den avond op de rivier lag. De dankbaarheid van Bapa Andong, zoowel voor de hulp bij de behandeling van zijn lanting, als bij het bezoek der koppensnellers ondervonden, was zoo levendig, dat hij, behalve een menigte zijner koopwaren als hars, rottang enz., die den reizigers op hun langen tocht zoo nuttig zouden kunnen zijn, vier zijner pandelingen afstond, in plaats van twee, zooals de afspraak was, om bij het roeien behulpzaam te zijn. Ook stond hij onzen avonturiers tien manden met tabak en eenige stukken sits en katoen voor een luttele som gelds af. Hij had die tabak en die katoentjes medegenomen om ze tegen andere waren in te ruilen, maar het was hem niet gelukt daarvoor den gewilden prijs te erlangen.

Men drukte elkander na die beschikkingen hartelijk de hand, de tros werd losgegooid, die het vlot nog bij de monding van het kanaal onbeweeglijk hield en onder den drang van den machtigen stroom stelde het gevaarte zich in beweging. Onze avonturiers bestegen hunne prauw, plantten daarop fier een der Nederlandsche vlaggen, die vroolijk in den wind wapperde, wierpen het vlot nog een luidruchtig hoera toe, sloegen de pagaaien in het water en waren weldra door een der menigvuldige bochten der rivier aan de oogen van de vrienden, wier bedrijvigheid zij gedurende twee maal vierentwintig uren gedeeld hadden, onttrokken.

Johannes hield thans zijn makkers voor, dat, nu hun spoor bekend was geworden, vlugheid hen alleen redden kon. Aan een toevallige omstandigheid hadden zij thans hun redding te danken; een dergelijke zou zich niet ten tweeden male voordoen. Hij berekende, dat zij nu zoo wat een voorsprong van een vijftal dagen zouden hebben; in dien tijd zouden zij met wat inspanning een aanmerkelijken afstand kunnen afleggen en wellicht buiten het bereik der Nederlanders zijn. Er werd nu besloten, dat men met den meesten ijver dag en nacht zoude doorroeien. Over dag zouden allen de pagaai hanteeren en des nachts zouden steeds zes in de weer zijn, waarvan telkens twee om de vier uren door anderen zouden vervangen worden, opdat allen de noodige rust genieten en de krachten gespaard blijven zouden.

Het was daarenboven een flink vaartuig, dat de Chinees Baba Poetjieng aan de deserteurs geleverd had. Rank en scherp gebouwd lag het als een zeevogel op het water en kliefde gemakkelijk en met bevalligheid en snelheid de oppervlakte. Er waren weinig vaartuigen in de Dajaklanden, die in vlugheid ook maar daarmee gelijkgesteld konden worden.

„Dat’s alweer achter den rug!” begon La Cueille, toen zij tegen het middaguur wat rust namen, ook om het maal te bereiden, „de gebeurtenissen volgen elkander wel spoedig op. Voorgisteren die dans te kotta Towanan en nu verleden nacht andermaal. ’t Is alsof, nu wij op reis zijn, alle koppensnellers van geheel Borneo op het pad zijn.”

„Loop heen,” antwoordde hem Johannes, „we hebben in den afgeloopen nacht met hetzelfde troepje te doen gehad als te kotta Towanan. Denk je, dat we na ons vertrek van daar een oogenblik onbespied zijn gebleven? Neen, ze hebben steeds rond ons gewaard; daar kunt ge zeker van zijn. En het oogenblik van aanval was niet slecht gekozen. Zij hebben ons den geheelen dag met dat vlot zien sjouwen, daarna die was- en honinginzameling, die onzen geheelen voornacht in beslag nam. Zij rekenden op onze uitputting en meenden ons in diepen slaap gedompeld aan te treffen.”

„Maar waarom dan dat gegil, toen ze op het vlot sprongen?” vroeg Schlickeisen.

„Dat is Dajaksche gewoonte, die onbedwingbaar is. Maar toch heeft dat gillen zijn nuttige zijde voor den aanvaller. In ons geval, nu we op de been waren, was het vrij overbodig; maar bij mindere waakzaamheid heeft het alle kansen voor zich, den overvallene te ontstellen, in verwarring te brengen en radeloos van angst te maken. Verbeeldt je, dat we uit onzen eersten slaap met dien kreet gewekt waren geworden.”

„Dat had er gek genoeg uitgezien. ’t Kwam me nu al hachelijk genoeg voor,” bekende de Waal gulweg. „Toen die kerels zoo schreeuwende en tierende in het donker rondsprongen, kwam me ons getal tegenover hen al zeer klein voor. Maar wie heeft die list uitgedacht, om hen in dien nauwen doorgang te lokken en waar kwam eensklaps dat licht van daan? Het had veel van een wonder!”

„Nu, dan mag je aan Bapa Andong wel een schietgebedje brengen,” antwoordde Johannes, „hij had reeds over dag een hoeveelheid hars heel fijn gestampt, die op een roosterwerk van gespleten rottan boven een laag aardolie op een bord, uitgespreid en daarmede in aanraking gebracht. Een vlammetje was voldoende om een helder licht te ontsteken en dat vlammetje had ik hem bezorgd, door hem een doosje lucifers in de hand te stoppen.”

„Ik dacht eerst dat er brand ontstond. ’t Was een prachtig licht; we hadden een helder gezicht op die halve duivels, terwijl we achter dien hoek in het donker staande, bijna onzichtbaar waren. Ieder schot was dan ook raak.”

„Ja, er zijn al weer menschenlevens genoeg opgeofferd,” zuchtte Wienersdorf; „’t is een vreeselijke tocht. Wanneer en hoe zal die eindigen?”

„Daarover hebben we ons thans minder te bekommeren. We zitten in het schuitje en moeten meevaren,” sprak Johannes ernstig. „Vooral mag ons geen kleinmoedigheid bevangen. Onze leus moet blijven: pas op je kop. Hij, die dien kop te nabij komt, moge de gevolgen daarvan ondervinden. We bevinden ons in de noodzakelijkheid van tegenweer.”

„Maar die noodzakelijkheid heeft toch schrikkelijke gevolgen.”

Schlickeisen beijverde zich aan het gesprek een wending te geven.

„Wat een fraai meer,” zeide hij met een soort van bewondering, „was dat, waarin we het vlot brachten. De eerste aanblik was voor mij betooverend. Die gladde wateroppervlakte zonder eenigen rimpel, die als een spiegel hare geheele omgeving en den hemel daarboven zoo blauw en zoo rein weerkaatste; die bochten en inhammen, die zich onder het donkere loof van het maagdelijk woud schenen te verliezen; die kapen en landtongen, die als het verlangen te kennen gaven zich in het kristallijnen vocht te willen ontmoeten en te omhelzen; en niet het minst de wildernis, welke dien spiegel omlijstte met hare grillige struiken en fantastische klimop- en slingerplanten, met hare woudreuzen, die hoog in de lucht hun glinsterend en donker loover scherp tegen het azuurblauw afteekenden en waartusschen de orchideeën met hare wonderlijke bloemen en haar fraai en soms zoo fijn gevormd groen een betooverende versiering aanbrachten; dat alles leverde zulk een verrukkelijk geheel op, dat ik een oogenblik verrukt bleef staren.”

Wienersdorf, die eerst met het hoofd op de borst, als in nadenken verzonken, gezeten had, werd langzamerhand bij die ontboezeming geboeid. Hij hief zachtkens het hoofd op, wendde den blik naar den spreker en hoorde hem aandachtig aan. Zijne mismoedige gedachten scheen hij te laten varen of beter zij schenen van vorm te veranderen en op zijn gelaat was de weerkaatsing te lezen van de woorden zijns makkers.

„O ja! ’t was fraai, dat meer,” hernam hij, toen gene zweeg. „Vooral fraai in zijn eenzaamheid en verlatenheid. Het blonk en schitterde daar onder de stralen der keerkringszon als een diamant pas ontsnapt aan de hand des Scheppers, als een parel nog onbezoedeld, nog onbeduimeld door ’s menschen hand.”

„Ha! ha! ha!!” schreeuwde Johannes het uit.

„Lach je daarmede?” vroeg Wienersdorf eenigszins verstoord.

„Ga voort, ga voort!” zei de Sienjo, terwijl hij bleef voortlachen; „laten zich uwe dichterzielen niet aan mij, prozamensch, storen. Zoo iets is wel eens aardig om te hooren.”

„Ik was opgetogen,” ging Wienersdorf voort, „daar aan die boorden geen fabriekswalm te bespeuren, geen stoombooten de gladde oppervlakte te zien verbreken, het schril gefluit van spoortreinen de kalme en heilige rust der oevers niet te hooren storen, geen menschelijk gewemel waar te nemen, dat slechts woeker en winstbejag beoogt. Men gevoelde zich daar alleen, alleen onder het oog van God.”

„Verd.... mooi! ’k wou dat ik het gezegd had,” viel Johannes hem scherp in de rede. „O! wat is soms het menschenoog blind, vooral wanneer het zich in dichterlijke heerlijkheden baadt. Of beter, wat ziet zoo’n dichtersoog de zaken anders dan zij zijn! ’t Is waar, we hebben bij dat meer noch den rook van fabrieksschoorsteenen gezien, noch het gefluit van voortijlende locomotieven of stoombooten gehoord; geen nijvere fabrikanten verdrongen er zich met steeds rustelooze handelaren; en dat is zeer te betreuren in stede van aanleiding tot opgetogenheid te geven. We hebben op die boorden heel wat anders gezien. Geen fabriekswalm, maar den blauwen, spiraalvormigen rook van het houtvuurtje, waarboven de sluipmoordenaar in het dichte bosch de buitgemaakte menschenhoofden zat te roosteren om ze van de vleeschdeelen te ontdoen. Geen stoomgefluit gehoord, neen, maar den oorlogskreet der onverlaten, die den vermoeide in zijn slaap verrassen, den oorlogskreet die snerpend en schril door merg en beenderen dringt, als doodsbedreiging waaraan de bedreigde niet vermag te ontkomen dan door zelf te dooden. En ge waagt het dat meer een diamant te noemen, pas ontsprongen aan de hand des Scheppers, een parel nog onbezoedeld door ’s menschen hand! ge zegt, u daar alleen, alleen met God gevoeld te hebben! Veel eer die ge het Opperwezen betuigt! Maar wat waren de kajau’s dan die met opgeheven zwaard op ons indrongen? Wat waren de Dajaks, die ons op het vlot omringden? Waren dat geen menschen? Alleen, alleen met God! Neen, we zijn er wel degelijk met de menschen in aanraking gekomen, zelfs met menschen van het allergeringste gehalte. Met menschen, eensdeels slechts behebt met den dierlijken lust tot moorden, alleen om te moorden, voor wie het hooren van angstgegil en doodgerochel de grootste streeling, het verhevenste genot daarstelt; anderdeels met menschen, voor wie het najagen van zingenot de eenige prikkel in het leven is, de eenige zweepslag, die ten arbeid voert.”

„O! houd op, niet verder,” stoof Wienersdorf niet zonder verontwaardiging op. „Voor de koppensnellers is geen verdediging in te brengen; die laat ik onder de volle zwaarte van je verontwaardiging. Maar de andere Dajaks, wier bedrijvigheid, wier tobben en zwoegen we van nabij, al was het ook maar kortstondig, hebben kunnen gadeslaan; die menschen, die zich dat leven in de wildernis maanden lang getroosten, om het woud zijn schatten te ontvoeren, die wensch ik te verdedigen, die stel ik oneindig hooger dan gij dat schijnt te doen; en het is voor hen dat ik met nadruk opkom, wanneer ik hen hoor afschilderen als wezens, alleen gedreven door het najagen van zingenot. Ik noem hun zwoegen en tobben, hunne bedrijvigheid de handelswereld in haar kiem. Het moge waar zijn, dat zingenot voor hen een groote prikkel is; maar dat valt van iederen handelaar, van iederen nijverheidsman, ja van ieder menschelijk wezen der westersche maatschappij te zeggen.”

„Wel zeker; maar dan het woord zingenot in zijn meer edele beteekenis,” viel hier Schlickeisen zijn landgenoot in de rede. „Iedere poging van den mensch om zijn maatschappelijke positie te verbeteren, iedere zucht tot veredeling van smaak, de zorgen voor het welzijn en de toekomst van vrouw en kinderen, verschaffen zingenot. Maar van die soort is hier geen sprake; hier wordt slechts bedoeld zingenot van het meest dierlijke gehalte. Laat je eens vertellen door Johannes, die reeds vele jaren op dit eiland doorbracht, wat er met dat vlot van Bapa Andong zal gebeuren.”

Wienersdorf keek vragend op.

„O!” beantwoordde Johannes dien blik, „dat zal gauw verteld zijn. Luister. Na een inspanning van nog vele weken zal hij dat vlot, waarop de schatten, ontvoerd uit de vele meren en soengei’s, opgestapeld liggen, te Bandjermasin aangebracht hebben. Eerst worden de rottan, de hars, de getah pertjah, de was, de vogelnestjes enz. verkocht of eigenlijk in den roes van het oogenblik op een liederlijke wijze verkwanseld. Daarna volgt de hut op het vlot, die steeds van flinke materialen vervaardigd is, vervolgens de vloer en eindelijk de boomstammen, waarop het geheel dreef. Alles, alles wordt te gelde gemaakt. Maar van het eerste oogenblik van aankomst op die hoofdplaats af is een leven van dronkenschap en ongebondenheid begonnen, dat voortgezet zal worden, zoolang een gulden in den zak zal rammelen. Wanneer nu Bapa Andong na maanden lange afwezigheid bij vrouw en kinderen terugkomt, brengt hij niets mee tot verbetering van hun schamel lot, of het zou moeten zijn voor ieder een stel eenvoudige kleedingstukken, welker aanschaffing hem door de noodzakelijkheid geboden wordt; maar het is nog lang niet zeker, dat hij daaraan zal voldoen. Het zal al uiterst gelukkig uitkomen, als hij zonder schulden wederkeert, ook wanneer hij het geheele aantal pandelingen, waarmede hij ten arbeid toog, thuis zal brengen. In den regel worden daarvan bij zulke gelegenheden verscheidene verkocht. Hij zal dan aan den arbeid gaan om zijn rijstveld te bebouwen, anders heeft hij met de zijnen niet te eten, en wanneer het seizoen weer daar zal zijn om boschproducten te gaan zamelen, zal hij weer uittrekken, vrouw en kinderen in schamelen toestand achterlatende.”