Borneo van Zuid naar Noord

Part 19

Chapter 193,772 wordsPublic domain

Met inspanning van alle krachten vorderde het vlot langzaam maar toch gestadig. Eindelijk, tegen het vallen van den avond, was het gevaarte den laatsten hoek omgewerkt en de ingang zichtbaar van het kanaal, dat het meer met de rivier verbindt. Maar nu waren de krachten ook uitgeput en was rust noodzakelijk. Er was toch geen mogelijkheid om het vlot bij nachtelijk duister door dat nauwe kanaal te voeren, en werd dus besloten te overnachten ter plaatse waar men was. Het vlot werd aan den wal gemeerd, waarna een gedeelte der bemanning op den oever sprong om het terrein in de nabijheid over een uitgestrektheid van honderd passen middellijn ongeveer van struikgewas te zuiveren, teneinde een vrij uitzicht te hebben, de struiken en takken zooveel mogelijk als een heg aan de grens van die open vlakte op te stapelen en dus een soort van retranchement te hebben, waardoor niet kon heengebroken worden zonder de aandacht te wekken. Verder werd de geheele manschap in twee ploegen verdeeld, die om beurten wakker blijven en scherp uitzien zouden, waarbij Johannes zorgde, dat hij met La Cueille bij de eene en de twee Zwitsers bij de andere ingedeeld werden.

Zeer waarschijnlijk waren die voorzorgsmaatregelen oorzaak, dat de nacht ongestoord voorbijging; want de koppensnellers schuwen over het algemeen het gevecht en deinzen gewoonlijk af, wanneer hunne tegenstanders waakzaam zijn en zij dus voorzien kunnen, dat hun laf sluipmoordenaarswerk niet zonder gevaar kan geschieden.

Met den dageraad werd de arbeid hervat en na een goed uur zwoegens was het vlot in het kanaal; en de zon had nog niet de helft van hare geheele hoogte bereikt, toen het bij de stapelplaats vastgemeerd lag, om de overige lading te ontvangen. Daarmede werd met zoo’n vlugheid te werk gegaan, dat, toen de dag ten einde neigde, alles aan boord gerangschikt, en men tot vertrek gereed was.

Intusschen viel er nog een belangrijke arbeid te verrichten. Sedert Bapa Andong met de inzameling zijner boschproducten begonnen was, waarmede een tijdruimte van ongeveer zes maanden gemoeid was, hadden honderden bijenzwermen hun nest gemaakt op en in de boomen, die zich op den westelijken oever van het meer verhieven. De boomen, die deze kleine diertjes daartoe uitkiezen, zijn een zeer hooge soort, met rechten, gladden stam en ver uitstekende takken. De Dajaks noemen zoo’n woudreus: „tanggirang”; in gunstige jaren worden op zulk één boom 200 à 300 bijennesten gevonden. Zoodra Bapa Andong het begin van den arbeid dezer nijvere diertjes opgemerkt had, begon hij zijn maatregelen te nemen, om zich op een gegeven oogenblik hun buit te kunnen toeeigenen. Daartoe had hij in iederen „tanggirang” dagelijks een paar pennen van hard hout op ongeveer 4 d.M. van elkander laten slaan, en was daarmee voortgegaan, totdat de aldus gevormde ladder de benedentakken van den woudreus bereikt had. Die arbeid had lang geduurd, maar kon niet anders uitgevoerd worden, doordat, wilde men de ladder onafgebroken vervaardigen, dat aanhoudende geklop op de „tanggirangs” de bijen zeker zoude verontrusten en een aanval hunnerzijds niet zoude uitblijven. In de laatste dagen hadden de pandelingen van Bapa Andong het terrein rondom de boomen van struiken en onkruid gezuiverd. Men was dus tot handelen gereed en wachtte nog slechts op het gunstige oogenblik. Dat oogenblik scheen nu gekomen.

Het was een stormachtige nacht, die ingetreden was, een dier kenteringsnachten in de tropische gewesten, waarin de wind huilde en pogingen scheen aan te wenden om geheele vakken van het oorspronkelijk woud te ontwortelen; een nacht waarin het zwerk met dichte wolken bedekt en de duisternis zoo groot was, dat het aardrijk met een zwart floers overtogen scheen. Met den zoon van Bapa Andong en de zes pandelingen, aan de boorden van het meer aangetroffen, waren nu zeventien mannen te zamen. Deze stegen in de prauw van onze avonturiers en in twee djoekoengs en staken over de schuimende wateren van het meer naar de overzijde, waar de tanggirangs stonden. Daar aangekomen stapten zij aan wal en plaatsten onder iederen boom op vier stokken, een vrij grooten linnen lap in dier voege, dat hij aan de vier punten opgehouden, een zak vormde, die den grond evenwel niet raakte. Toen men daarmee klaar was, werden een aantal fakkels van groen en veel rookgevend hout, te voren vervaardigd, ontstoken. Iedere Dajak greep er een van, en nu ging het bliksemsnel langs de vervaardigde ladders omhoog, tegen de tanggirangs op. In iederen boom klom slechts een man, terwijl inmiddels Bapa Andong en de vier Europeanen met het geweer in de hand beneden in het donker bleven en de wacht hielden.

In een ondeelbaar oogenblik waren de klouteraars boven en klopten nu op de talrijke nesten. Met een geluid als wilden zij den storm overtreffen, kwamen de bijen brommend naar buiten, om zich op de aanvallers te werpen, maar, verblind door het licht der fakkels, die hevig heen en weer werden gezwaaid, en verstikt door den rook, die in dikke wolken door de kruinen voer, werden zij door den stormwind ver weggedreven en vielen met honderdduizenden en nog eens honderdduizenden aan de overzij van het meer ter aarde. Zoodra de zwermen verdreven waren, beijverden zich de aanvallers de nesten met een bamboelemmer van de takken los te maken en in de daaronder opengesperde linnen zakken te laten vallen. In een oogwenk om zoo te zeggen was alles geschied en de klouteraars waren reeds beneden, toen de Europeanen nog vol ontzetting naar boven tuurden.

Het was dan ook een aangrijpend schouwspel voor hen geweest.

Die naakte bruine gedaanten met fladderende haren in dien stormachtigen nacht, bij het onzekere schijnsel der fakkels, pijlsnel naar boven te zien klimmen; die gedaanten zich daar boven hoog in de lucht over de takken te zien buigen, de fakkels heen en weder te zien zwaaien en zich in een dikken rook hullen; die dwaallichten daar hoog boven tusschen de slingerende takken, de weerkaatsing in de wateren van het fel bewogen meer; het gehuil van den storm en het gegons van millioenen bijen, terwijl met tusschenpoozen een weemoedige stem van bovenaf weerklonk en een droevig eentonig gezang tusschen de stormvlagen deed hooren, dat alles kwam hun zoo verrassend, zoo spookachtig voor, dat zij het, vooral bij den korten duur, voor een droom, voor een zinsbedrog hadden kunnen houden, lagen de tallooze nesten, druipende van honig, niet aan hunne voeten om hen van de werkelijkheid te overtuigen.

„Sacré matin! dat zijn flinke kerels!” brak La Cueille los.

„Wat een behendigheid, vlugheid en bedaard overleg daar bij,” bevestigde Schlickeisen; „kijk, geen enkel ongeval is bij die verbazende onderneming gebeurd.”

De bijennesten waren spoedig in de prauw en de djoekoengs geladen en het was nog geen middernacht toen de expeditie aan boord van de lanting terug was.

Het wekte de verwondering der Zwitsers, dat Bapa Andong zijn vlot, waarop toch voor een groote waarde aan koopmansgoederen opgestapeld lag, gedurende de helft van den nacht alleen had durven laten. Hij wist toch, meenden zij, dat slecht volk in den omtrek rondzwierf. Maar Dalim verklaarde hun, dat diefstal in de Dajaklanden bijna nimmer voorkomt, dat dat vlot daar maanden zou kunnen liggen, zonder dat iemand er een vinger naar zou uitsteken. Alleen wanneer het afdoende gebleken was, dat het onbeheerd bleef, zou het weggehaald zijn. Het slechte volk, waarvan zij spraken, beoogde slechts één buit, namelijk menschenschedels. Al het overige was hun onverschillig en zouden zij niet aanraken.

„En daarom,” zoo besloot de Dajak zijn toelichting, die niet van nationaliteitsgevoel ontbloot was, „en daarom, het is en blijft steeds ons wachtwoord: „pas op je kop, breng je kop thuis.””

De bijennesten werden op een stellage, daarvoor expresselijk vervaardigd, geplaatst om uit te druipen. De Zwitsers, die, als de tenant in hun wapenschild [54], echte honiglikkers waren en dus nog al belang in die geheele verrichting stelden, vernamen gedurende die bedrijvigheid dat die nesten den naam van „idang” in de Dajaksche taal dragen; dat iedere idang gewoonlijk een K.G. was en 12 K.G. zuiveren honig oplevert. Men had een tiental tanggirangs van hunne idangs ontdaan. Deze, berekend op 200 idangs per boom, lagen daar dus 2000 nesten, die een zelfde aantal K.G. was en 24,000 K.G. honig zouden opleveren. De eerst verkregen honig, die van zelf uitdruipt, is de zuiverste en wordt door de liefhebbers voor den fijnsten gehouden. Later worden de idangs in een zak, van ruwe plantaardige vezels vervaardigd, gewrongen en geperst, waarna de was, ter verdere zuivering herhaalde malen in water wordt gekookt en eindelijk in groote schijven of koeken gegoten, die een middellijn van ongeveer 0,5 M. hebben, ± 15 K.G. zwaar zijn, en zoo in den handel gebracht worden.

Toen de bijennesten op hunne stellage gestapeld waren, werd de wachtdienst weer ingedeeld als den vorigen nacht en kon de helft der opvarenden trachten rust te genieten.

Maar in de Dajaklanden op rust rekenen, is veelal de rekening buiten den waard maken. De eerste uren gingen wel is waar zonder stoornis voorbij; maar nauwelijks had de „takakak” [55] zijn ochtendgeschreeuw doen hooren en kon het diensvolgens drie uur in den morgenstond zijn, toen de jeugdige Andong iets meende te hooren aan de boschzijde. Als een bronzen standbeeld vatte hij post, luisterde, ja luisterde scherp toe. Daarop wenkte hij zijn makkers, evenwel zonder gedruisch te maken. Allen spitsten de ooren, al hunne zintuigen waren in de gehoorzenuwen overgegaan en jawel, er werd een beweging vernomen als van zacht schuifelende lichamen, die zich met de meeste voorzichtigheid een doortocht trachtten te banen door de beschermende borstwering van afgekapte takken en struiken, die ook hier aangelegd was. Gelukkig was de stormwind gaan liggen, anders ware dat zachte gedruisch niet waarneembaar geweest. In de grootste stilte werden de slapenden gewekt en de gevechtsdispositiën genomen. De Europeanen sloten zich bij elkander aan en hielden de vuurwapenen onder hun bereik. Bij de volslagen duisternis, die er heerschte, schenen die evenwel van weinig nut en daarom hadden zij dan ook als Dajaks, die zij voorstellen moesten, ieder een flinken mandauw ter hand genomen en beloofden zij zich er lustig mee rond te hakken, hoewel La Cueille, terwijl hij zijn wapen trillend omhoog stak, zuchtend het schietgebed prevelde:

„Sainte Vierge de Jupille! secourez nous.”

Bapa Andong kwam evenwel Johannes iets in het oor fluisteren, wat deze met een glimlach en een goedkeurenden knik beaamde. Toen hij het gesprokene medegedeeld had, namen de Zwitsers de Remmingtongeweren; La Cueille en Johannes wapenden zich met een tirailleurgeweer, maar bovendien met een revolver, terwijl de twee overblijvende geweren geladen gereedstonden om gegrepen te worden.

Na die beschikkingen wachtten de verdedigers nog een poos met kloppend hart. Zij keken uit, maar te vergeefs, in het stikdonker was niets te onderscheiden. Bij de stilte, die evenwel ingetreden was, hoorde men zacht schuifelen, soms ook wel een twijgje knappen; anders niets. Plotseling verhieven zich een twintigtal gestalten aan den oever van het meer en sprongen met een wip op het vlot.

„Lēēēēh, lèlèlèlè ouiiiit!” weerklonk het luid en deed dit gegil de aanwezigen op het vlot de haren te berge rijzen. Zij begrepen dat zij tegen een overmacht stonden, dat, indien hun krijgslist mislukte, een gevecht op leven en dood onvermijdelijk, de ondergang van allen zeer waarschijnlijk was. De vijandelijke strijders sprongen, vlogen over de beschikbare ruimte van dat gedeelte van het vlot, waar zij aan boord getreden waren. Het was een demonisch schouwspel, die wilden, achter hunne schilden gedoken, met den gevreesden mandauw in de hand, heen en weer te zien springen, de bewoners van het vlot tot den strijd uitdagende. Geen geluid van deze laatsten liet zich hooren en die stilte scheen de aanvallers eenigszins te onthutsen.

Eensklaps lieten zich aan het andere einde van het vlot, door de verdedigers bezet, in het donker een paar gedaanten waarnemen, die op de aanvallers toesprongen, hun een paar houwen toebrachten, maar even snel weer verdwenen als zij gekomen waren. Nu brulden de aanvallers hun oorlogskreet andermaal, sloten zich vast aan elkander en, door hunne schilden gedekt, stoven zij den loopgang door, die de voorplecht van het vlot met de achterplecht verbond. Aan het einde trachtten een paar gedaanten hun nog den doorgang te betwisten; maar ook die verdwenen weer even spoedig, toen eensklaps boven op den berg rottanbossen, die het middenvak van het vlot vulden, een helder brandend licht ontstoken werd en te gelijkertijd een hevig geweervuur de aanvallers, die nu ten volle zichtbaar waren, tegenknetterde. Wienersdorf en Schlickeisen schoten hunne repeteergeweren naar hartelust af op den vijandelijken drom, die tot tegen de bajonetten schier opgedrongen was. La Cueille en Johannes in het tweede gelid, schoten eerst hunne geweren af en vervolgden daarna het vuur met hunne revolvers, terwijl het van boven den hoop rottanbossen mandauwhouwen begon te regenen. De verwarring te beschrijven, die onder de aanvallers ontstond, bij het schitteren van dat plotselinge licht en het daarop gevolgde schieten, waarvan in den dicht opeengedrongen hoop in dien doorgang weinig kogels misten, is onmogelijk. Een golvende beweging begon zich te openbaren; eerst vooruit, dan achteruit. Kreten van woede, angstgegil en kermen kruisten zich allerwege. Het was of alle duivels der hel losgebroken waren. Eindelijk splitste zich het kleine hoopje van den overgebleven troep der aanvallers in twee deelen, waarvan het eene, wel het grootste, het hazenpad koos, aan den wal sprong en in het duister verdween; terwijl het andere, over de gesneuvelden heenspringende, een wanhopige poging aanwendde, om de tegenpartij toch nog te lijf te gaan. De schoten knetterden onafgebroken, het kleine manmoedige troepje slonk, slonk nogmaals, maar met een ongeëvenaarde doodsverachting drongen de laatste twee overblijvenden onder de bajonetten der twee Zwitsers in, door zich op den grond te werpen en zoo hunne tegenstanders met het blanke wapen aan de huid te komen. De eene werd door Schlickeisen met de bajonet aan den vloer van het vlot vastgestoken en zoo onschadelijk gemaakt. De andere naderde schuifelende, stond plotseling op, en hief zijn mandauw omhoog om Wienersdorf den doodelijken slag toe te brengen. Deze, geen kans ziende dien slag te pareeren, waartoe ook de strijders te dicht op elkander gedrongen waren, liet zijn geweer eensklaps vallen en greep zijn tegenpartij met zulk een krachtvolle vuist bij de polsen, dat deze zijn mandauw moest laten vallen. Nu begon in die enge ruimte een ontzettende worsteling tusschen de twee mannen, die beiden begrepen, dat het leven van den uitslag afhing. Slechts weinige handbreedten scheidden hen van het meer, welks water donker tegen het vlot kabbelde. Voor de anderen was er niet aan te denken, Wienersdorf te hulp te springen. Vooreerst stond Schlickeisen daartoe in den weg, die zijn tegenpartij nog steeds zich wringend en gillend aan den vloer vastgestoken hield. Maar ook de beide worstelenden sprongen en wrongen zich in hun strijd, borst tegen borst geklemd, zoo vlug dat er zeer groot gevaar zou bestaan hebben, bij het toebrengen van een slag, den Zwitser te treffen in stede van zijn tegenpartij. De kamp duurde zoo nog een kort oogenblik voort, dat evenwel een eeuwigheid toescheen. Eindelijk begonnen de krachten den minder gespierden Dajak te begeven. Toen Wienersdorf dat voelde, schopte hij den gevallen mandauw met een beweging van zijn voet in het meer, deed een laatste maar geweldige inspanning, verhief de beide armen zijns vijands, die hij als in bussen omklemd hield, boog die met reuzenkracht achterover en noodzaakte zoo den hijgenden Dajak voor hem op de knieën te vallen. Kreunend zonk hij in elkander en smeekte:

„Blako ampoen!” (ik vraag genade).

Op die woorden, die met zacht vloeiende stem en met zulk een innige bede uitgesproken werden, liet de Zwitser den overwonnen vijand los en reikte hem de hand. Op de knieën liggende, aarzelde deze die aan te nemen. Zijn borst hijgde stormachtig, zijne oogen fonkelden als vuurballen. Maar die aarzeling duurde slechts een seconde; toen sprong hij op, greep de hem toegestoken hand, legde zich die op de kruin van zijn hoofd, terwijl hij daarbij den fieren onafhankelijken nek, ten teeken van onderwerping boog. Wat hij met diep bewogen stem mompelde, kon niemand verstaan. Zoo stond de zoon des wouds een kort oogenblik.

Eensklaps richtte hij het hoofd op, greep zijn „poeai” [56] aan de mandauwscheede bevestigd, bracht zich een lichte verwonding aan den arm toe, ving het uitdroppelende bloed in de holte zijner hand en bestreek daarmede het voorhoofd en de lippen van Wienersdorf, die beteuterd stond te kijken en niet wist wat met hem gebeurde. Daarop verwondde hij den Zwitser lichtelijk, ving ook diens bloed op, bestreek zich ook daarmede voorhoofd en lippen, waarna hij de overblijvende druppels in zijn mond liet vallen en zoo opdronk. Nogmaals reikte hij zijn overwinnaar de hand, drukte die, bracht haar aan den mond en wierp vervolgens een trotschen blik op de omstanders, terwijl hij duidelijk verstaanbaar de woorden Harimaoung Boekit [57] uitsprak, waarna hij, vóór dat iemand er ook maar aan denken kon, om het te beletten, in het meer sprong, welks donkere wateren zich boven zijn hoofd sloten.

En alsof het op een afgesproken teeken geschiedde en de natuur den woudzoon bij zijne ontsnapping behulpzaam wilde zijn, bluschte een hevige windvlaag het ontstoken licht plotseling uit, zoodat de opvarenden van het vlot in diepe duisternis gehuld waren.

XIV.

Karakter der inlandsche bevolking.—Veertien lijken op het vlot.—Damboeng Papoendeh verschijnt op het tooneel.—Vergeefsche tocht in de soengei Mantangei.—Het „maroetas.”—Terug naar de Kapoeas.—Het nachtelijke schieten.—De reddende bijen.—Hulp in nood.—De scheiding.—Dichterlijke beschouwing van het meer.—Tegenstelling.—Beschaving en barbaarschheid.—Het ontstaan der meren.

„Ik ben er nog niet overtuigd van,” sprak La Cueille, „dat we goed gedaan hebben dien vent te laten ontsnappen.”

Die volzin bij het aanbreken van den dag geuit, was eigenlijk de voortzetting van het gesprek, dat na de ontvluchting van den koppensneller met de meest mogelijke variatiën had plaats gehad.

„Morte la bête, mort le venin,” was de meening van den Waal, die hij dan ook overeenkomstig zijn aard zoo energiek mogelijk mededeelde. Als Sjech zou hij die spreuk wel in het Arabisch weergegeven hebben, ware hij die taal maar machtig geweest.

Maar Dalim suste hem en verklaarde, dat zij van dien kajau geen leed meer zouden ondervinden. Het zou zelfs niet onmogelijk zijn, dat zij nu of dan van zijn stam wiens opperhoofd Harimaoung Boekit bleek te zijn veel hulp zouden erlangen. Bij al de gebreken en ondeugden, die het karakter van den bovenlander ontsieren,—verzekerde hij zoo goed hem mogelijk was—is de dankbaarheid, al heeft hij er zelfs geen naam voor in zijn taal, de grondslag van het karakter van den Dajak. Hij had er bij kunnen voegen, dat het ook het kenmerkend karakter is van de geheele inlandsche bevolking van het schoone Insulinde. Zeven achtste van de Nederlanders in Nederland miskennen dat karakter en leggen gebeurtenissen, die den dampkring wel eens met brandlucht vervulden of hem met een lauwen bloedreuk doortrokken, volgens hunne opvattingen uit. Spoort evenwel de onpartijdige geschiedvorscher de oorzaken dier beroeringen op, dan vindt hij, dat onverdraaglijke heerschzucht, inhaligheid en schraapzucht, maar niet het minst oneerlijkheid en kwade trouw, zoo eigen aan het blanke ras, den onderdrukten en uitgezogen natuurgenoot de brandfakkel en het staal in de vuist wrongen.

Toen het dag was, telden de opvarenden van het vlot dertien lijken, die onder het vuur der Europeanen waren gevallen, ongerekend het lijk van hem, die door Schlickeisen met de bajonet doorstoken was. De wapenen en maliënkolders der gesneuvelden vielen den overwinnaars ten buit en onder den onverbiddelijken drang der noodzakelijkheid werden de veertien lijken in den koelen schoot van het meer neergelaten.

„Een offer aan Djata,” grinnikte Dalim.

Och! dat de blanke overweldigers gedurende de vele jaren, dat zij hun schepter loodzwaar op de schouders van de bewoners dier schoone gewesten deden neerkomen, toch aan de eischen der beschaving, die zij zoo huichelachtig in hunne banier voeren, hadden voldaan, dan waren thans gruwelen als het koppensnellen geheel onmogelijk. Dat waren de gedachten, die den beiden Zwitsers bij die plechtigheid door het brein voeren.

Ter nauwernood was men met die begrafenis klaar en had men elkander geluk gewenscht, dat hunnerzijds geene verliezen te betreuren waren, of de algemeene aandacht werd gewekt door een drietal prauwen, die zich vertoonden aan den ingang van het verbindingskanaal van het meer met de rivier. De schrik sloeg den Europeanen en ook Dalim met zijn overgebleven tochtgenoot om het hart, toen zij van den achtersteven van de twee eerste prauwen de Nederlandsche vlag zagen waaien. O! het was duidelijk voor onze vluchtelingen; men was hen eindelijk op het spoor en in hunne oogen was alles wat zij tot nu ondervonden hadden slechts kinderspel bij hetgeen hen nu te wachten stond. Ademloos en sprakeloos verbeidden zij wat nu verder gebeuren zou.

Bapa Andong, onbewust, en ook niet kunnende raden, wat in het gemoed zijner medeopvarenden omging, zag in de naderende prauwen, wel verre van een gevaar, daarentegen een zekere hulp, als de Poenans zich misschien weer mochten vertoonen. Met zijn zoon en zijne pandelingen stiet hij dan ook tot drie malen toe een doordringend geroep uit:

„Gagoeloeng, kantoh ikau! Oūi!!” (Spoedig komt hier ohé!)

Wat was er gebeurd, dat die prauwen in dezen stond op het meer bracht? De lezers hebben zeker geraden, dat Damboeng Papoendeh, dien zij van Kwala Kapoeas hebben zien vertrekken, op het tooneel verscheen. Met den ijver, die hem bezielde, was dit jeugdige hoofd, zonder verpoozing doorroeiende, naar soengei Mantangei gestevend. Daar had hij op de plaats der gebeurtenissen zelve het verhaal van den strijd met de slang en het daaropgevolgde vuurgevecht met de mannelijke bevolking andermaal aangehoord en de vernieuwde verzekering bekomen, dat de bedoelde personen de Mantangei opgestevend waren, om de Doesson te bereiken. Hoewel hij daaraan weinig geloof sloeg, waren de berichten toch zoo stellig, dat hij ze niet in den wind mocht slaan. Hij besloot dan ook die soengei op te varen. Somwijlen schudde hij ongeloovig het hoofd en was hij niet ongenegen den terugtocht naar de Kapoeas te bevelen, maar dan werd weer in een doorgekapten tak of een opgeruimden struik een spoor herkend, dat nog kort geleden een prauw zich door dat weinig bezochte vaarwater baan gebroken had. Eindelijk, na een geheelen dag de Mantangei opgevaren te zijn, kwam hij aan een kleinen kampong aan, Takisan geheeten, waar hij niet verder kon, omdat die kampong „maroetas” was.

Maroetas beteekent: onrein. Een huis, een dorp, een landstreek kunnen tengevolge van verscheidene oorzaken voor onrein verklaard worden. Bij voorbeeld ten gevolge van sterfgevallen, ook van besmettelijke ziekten en van gepleegde bloedschande. Wanneer een huis maroetas is, wordt het eenvoudig gesloten en de trap weggenomen. Niemand der bewoners mag daar buiten treden of bezoek ontvangen. Is een dorp of een landstreek verontreinigd, dan worden de toegangen versperd en het is op verbeurte van het leven verboden, die versperringen te overschrijden.