Part 18
„Ik moet er nog bijvoegen,” vervolgde Johannes de toelichting, „dat de Dajaks, zelfs die van de benedenlanden, zonder die oefening een buitengewone behendigheid bezitten in het hanteeren van den mandauw. Ik heb het te Kwala Kapoeas bijgewoond, dat in tegenwoordigheid van den kommandant iedere Dajak, hoe zwak zijn voorkomen ook was, een rijpe, doch nog groene klappernoot telkenmale en zonder eenige inspanning over dwars in tweeën sloeg, zoodanig, dat beide helften behoorlijk gescheiden waren. Geen Europeaan, hoe stevig ook, en welke kracht hij ook aanwendde, kon het verder brengen dan tot op de houtschaal der noot. De vezelige bast had den slag gebroken.”
„Het blijft het oude liedje: „pas op je kop”,” mompelde La Cueille; „ik wou dat ik in mijn België gebleven was. O Belgique! o Belgique! mes amours, tu auras toujours,” neuriede hij.
„Een rare instelling toch,” vervolgde Schlickeisen, „zijn meisje menschenkoppen aan te bieden.”
„Zeker heel raar, maar toch een, waarvan de grond wel te raden is,” antwoordde Johannes. „Aanvankelijk zal het wel geweest zijn, dat de aanstaande een bewijs zijner dapperheid moest geven als waarborg, dat hij zijn vrouw en kroost zou weten te beschermen. En het beste bewijs, dat hij in die oorspronkelijke maatschappij van die dapperheid kon leveren, was wel het hoofd van een door hem gevelden vijand. Later is dat verbasterd en zijn de schedels tot weeldeartikelen geworden, die tot afschuwelijke sluipmoorden, somtijds van vrouwen en kinderen, en tot een afzichtelijken handel aanleiding geven. Zoodat een instelling, die met goede bedoelingen in het leven werd geroepen, tot een vloek van de geheele bevolking van een der grootste eilanden der aarde geworden is.”
„Maar in de benedenstreken, kan toch die gruwel niet meer plaats hebben, niet waar?” vroeg Wienersdorf aan Dalim.
„We durven niet,” antwoordde deze, „de Hollanders willen het niet hebben.”
„Dus alleen omdat die het verbieden, laat men het. Vindt ge dan het koppensnellen niet een afschuwelijk bedrijf?”
„Tawèh! angat, kamaangkoe hirah,” (Wie zal dat uitmaken! volgens mijne opvatting wel mogelijk), was het flegmatieke antwoord, hetwelk bewees, dat de overtuiging van die afschuwelijkheid hier nog geen ingang gevonden had.
Onder dergelijke gesprekken kropen de nachtelijke uren om, en verscheen eindelijk de dageraad, die door onze vrienden met een zucht van verlichting begroet werd. Toen het geheel dag was geworden, werd de kotta met alle behoedzaamheid verkend en vonden de veldontdekkers daarin niets dan het onthoofde lijk huns makkers. Op een geringen afstand daarvan lag een kleine plas bloed; maar die kon even goed van het afgehouwen hoofd als van een der koppensnellers afkomstig zijn. Bij de palissadeering evenwel werden ook bloeddroppels waargenomen, terwijl bij een der openingen op het paalwerk bloedige vingers afgedrukt stonden. Het was dus niet te gewaagd aan te nemen, dat de bespringers ook verliezen hadden, maar toch was er eenige teleurstelling op de gezichten der Zwitsers te lezen, omdat zij geene lijken van gevallen vijanden vonden.
„Zouden die canailles er zonder kleerscheuren afgekomen zijn?” vroeg Schlickeisen niet zonder ergernis.
„Neen zeker niet,” antwoordde Johannes eenigszins met drift, „dat bewijzen de bloedsporen die, ik zag het zoo even, tot aan den rivierkant, waar de kajau’s in hun rangkan gestegen zijn, gevolgd kunnen worden. We moeten het terrein nog wat nader onderzoeken. Er valt evenwel te bedenken, dat het bij alle inboorlingen van Nederlandsch Indië tot een groote schande gerekend wordt, de lijken hunner gevallen wapenbroeders in de handen der vijanden achter te laten. Zoo het maar eenigszins mogelijk is, worden die steeds meegevoerd.”
Toen de kotta onderzocht was, traden de deserteurs door een der openingen naar buiten, maar zochten lang te vergeefs in den omtrek. Eindelijk evenwel bij een zeer dichten struik, werd een plek waargenomen, waar het spichtige gras over eenige uitgestrektheid plat gedrukt was, alsof daar een menschelijk wezen gerust had. Toen Schlickeisen zich met het hakmes een doortocht tusschen de slinger- en doorngewassen tot het dichtste gedeelte van den struik gebaand had, zag hij daar twee lijken liggen, gekleed in vollen oorlogstooi, met den „karoenkoeng”, een maliënkolder van rottanschakels aan, met het mutsje van apenvel op het hoofd, in de linkerhand het beschermend schild, en in de andere den ontblooten mandauw geklemd. Volgens Dalim waren het Poenan’s, een Dajaksche stam, die in de binnenlanden van Borneo bij de bronnen van de Kahajan-Doesson- en Koetei-rivieren te huis hoort. Die stam is berucht door de stoutheid zijner tochten tot het verwerven van koppen. Beide mannen, die door geweerkogels geveld waren, hadden reeds verscheidene levensdraden afgesneden, te oordeelen naar de vlokken menschenhaar, die de grepen en scheeden hunner mandauws versierden. Het waren nog jonge kerels; maar Dalim verzekerde toch, dat de eene reeds vier en de andere zeven koppen had gesneld. Dit bleek uit het aantal bandjes van rooden rottan die de mandauwscheeden omwoelden.
De beide Dajaksche tochtgenooten eigenden zich de wapenen en de maliënkolders van de verslagenen toe en ploften daarna hunne lijken in de rivier, als een offer aan Djata, den opperkoning der krokodillen. Hun gesneuvelden makker waschten zij behoorlijk, beschilderden hem het voorhoofd en de nagels met sirihspuug, bij gebrek aan eenige andere verfstof, waarna zij met behulp der Europeanen een graf dolven en hem daarin legden. Zij plaatsten het hoofd op den romp, gaven het lijk den mandauw in de hand en legden zijn lans naast hem in den kuil. Toen zij daarmede klaar waren, nam ieder hunner een handvol rauwe rijst, strooiden die op het lichaam onder het uitspreken der woorden:
„Djetoh akam” (dat is voor u).
Vervolgens strooiden zij een tweede handvol, zeggende:
„Djetoh impahitkoe” (dat zend ik aan mijne voorvaderen).
En eindelijk nog een derde, waarbij zij prevelden:
„Djetoh akau X X” (dit is voor X X), waarbij zij de namen noemden hunner bloedverwanten, die het laatst gestorven waren.
Dat rijststrooien heet „mambowor” en mag bij begrafenissen nimmer achterwege gelaten worden. Na die plechtigheid hieven de beide makkers van den overledene een doordringend gegil aan, dat „tatoem” (de dooden beweenen) genoemd wordt, waarna zij het graf vulden. Om lijkschennis te voorkomen, hadden zij tot grafplaats een kleine plek tusschen dicht ineen gegroeide struiken uitgekozen, en eerst de graszoden daarvan zorgvuldig uitgestoken en zonder ze te beschadigen behoedzaam op zijde gelegd. Vervolgens hadden zij de uitgedolven aarde op een sprei verzameld, daarbij zorg dragende, dat geen kluitje daarnaast viel. Bij het vullen van den grafkuil trapten zij de aarde vast aan, plantten vervolgens een paar struikjes er op en herplaatsten toen de zoden zoo nauwkeurig, dat het meest scherpziend oog niet kon ontwaren, waar de schop hare groeve ingesneden had. De overtollige aarde, op de sprei achtergebleven, werd met angstvalligheid in de rivier geworpen en het geheele graf rijkelijk met water besproeid, om verwelking der graszoden en der geplante struiken te voorkomen.
Toen dat alles afgeloopen was, bestegen de vluchtelingen hunne prauw, sloegen de pagaaien met kracht in het water en verlieten die plek, die hun zoo noodlottig had kunnen worden.
XIII.
Vaart op de rivier.—Toxicologie.—De „siren” en de „ipoh”.—De soengei Moeroi.—Een vlot.—Op de Danau Ampang.—De „tanggirangs”.—Een wasinzameling.—De aanval.—Plotseling verlicht.—Het gevecht.—Een kamp op leven en dood.—„Blakoe ampoen”.—Een tooneel van onderwerping.
„De drommel moge zoo’n stroom halen!” pruttelde La Cueille binnensmonds, „je ziet niet dat we vooruit komen.”
En werkelijk het kostte inspanning en ook genoeg zweet onder de tropische zon, om den aandrang van het water te breken en veld te winnen. Er waren soms oogenblikken, als scherpe hoeken omgevaren moesten worden, dat het oog zoo dadelijk niet waarnemen kon of men vorderde ja dan neen. Het was dan of de prauw op de watervlakte heen en weder gierde, zonder voor- of achteruit te komen. Maar dan werden de pagaaien met verdubbelde kracht in ’t water geslagen en eerst langzaam, daarna iets beter, ging het vooruit.
Er was een ware kennis van de vaart op de rivier noodig om hoeken af te snijden, bochten te mijden, van stroomdraaiingen gebruik te maken, zand- en rolsteenbanken te ontloopen, rotsblokken om te sturen, in een woord om zonder gevaar de reis in den kortst mogelijken tijd te volbrengen. Wat nog al tot veel omzichtigheid noopte, was de aanwezigheid van een groot aantal doode boomen in de bedding der rivier, die het vaarwater al zeer onveilig maakten. Door storm of overstrooming aan den vasten wal ontrukt, worden die woudreuzen gewoonlijk door den zwaren stroom een eindweegs medegesleept, maar blijven eindelijk zitten, als verankerd door de wortelmassa, die door de klei en steenen daar tusschen opgehoopt, veel zwaarder dan het overige gedeelte van den tronk, over den rivierbodem sleurt en door de oneffenheden daarvan weerhouden, zich eindelijk vastzet. Die boomstammen zijn vooral voor stroom opkomende vaartuigen zeer gevaarlijk, daar zij, met de kruinen in de richting van den stroom liggende, en langzamerhand van bladeren en dunne takken ontdaan, als een geduchte piketteering te beschouwen zijn, welker punten onder zekere helling staande, zich niet altijd voor het oog vertoonen, maar slechts door het koken en opborrelen des waters waarneembaar zijn. Een aanvaring met zulk een „snack”, zooals de Amerikanen dat noemen, is meestal noodlottig en heeft het spoedig zinken van het vaartuig ten gevolge. Dalim en zijn landgenoot, als goed bekend met de rivier, keken dan ook nauwlettend uit en verhoedden zoo onheilen, die, behalve het levensgevaar, dat zij daarstelden, ook nog onherstelbare verliezen—b.v. van de prauw—zouden kunnen berokkenen.
La Cueille, dien het zware roeien eenigszins pijnlijk viel, bekeek van tijd tot tijd zijn arm. Daaraan was evenwel niet veel te bespeuren. De snee, die Wienersdorf gemaakt had, was met een korst overdekt, maar overigens zonder eenige ontsteking. Alleen werd rondom het pijlwondje een zwarte kring waargenomen, die zich ter grootte van een gulden uitstrekte. Dalim verklaarde dat dit bij pijlverwondingen steeds het geval was, ook wanneer de gewonde overleed.
Wienersdorf kon niet nalaten te vragen, waaruit die vergiften getrokken werden. Toen hij vernam, dat de beide voornaamste, bij de Dajaks bekend onder de namen van „siren” en „ipoh”, plantaardige vergiften zijn, was zijn weetgierigheid uitermate geprikkeld. Hij wilde weten van welke gewassen zij afkomstig zijn, hoe zij bereid worden. Op de eerste vraag kon Dalim noch zijn makker hem voldoende inlichting geven, want van het pedante classificeeren der plantenwereld, zooals de geleerden dat doen, hadden die eenvoudige Dajaks volstrekt geen begrip. Wat de tweede vraag betrof, deze verkreeg een meer voldoend antwoord; Dalim althans had het bereiden van het vergift meermalen bijgewoond. Het kostte evenwel veel moeite hem aan het praten te krijgen. De Dajaks zijn dienaangaande zeer geheimzinnig. Na veel gevraag kwamen zijne mededeelingen op het navolgende neer:
In de binnenlanden van Borneo, bij voorkeur op de hellingen van bergen en heuvels, groeit een boom, die door de inboorlingen „Batang Siren” genoemd wordt. Deze boom bereikt, evenals onze eik, den ouderdom van honderd jaren. Zijn stam erlangt bij volle dikte een doorsnede van 1.50 M.
Om nu het vergift uit dien boom te trekken, worden in den dikken bast schuinsche inkervingen tot op het hout gemaakt. Uit die inkervingen druppelt een wit melkachtig vocht, dat in bamboezen cylindertjes wordt opgevangen. Dit vocht verkleurt spoedig wanneer het met de dampkringslucht in aanraking komt, wordt geel, daarna bruin en eindelijk zwart bruin. De inzameling moet met de uiterste omzichtigheid geschieden, daar de inademing van de gassen, die zich bij de afscheiding van het vocht en zijn aanraking met de lucht ontwikkelen, zware ziekteprocessen en niet zelden den dood veroorzaakt.
Het vocht, zooals het uit den boom gevloeid is, heeft volstrekt geen kracht, het verkrijgt die eerst door een opvolgende uitdamping en koking met andere gewassen.
Wanneer het vocht behoorlijk behandeld [50] en verdikt is, wordt het nog warm in een steenen kannetje of potje gegoten, waarin het spoedig stolt. Dit kannetje wordt door de Dajaks der bovenlanden overal medegenomen en is bevestigd aan den buikband van zijn mandauw. Dit potje wordt slechts even verwarmd, waarna het voldoende is de pijlpunten in de vloeibare zelfstandigheid te doopen en deze te laten afdroppelen. Die punten zijn dan met een dun laagje getah overdekt, dat spoedig stolt.
Om te onderzoeken of het vergift de gewenschte kracht bezit, wordt een orang oetan, een kip of een eend met een vergiftigd pijltje verwond. Indien het getroffen dier niet binnen het half uur bezwijkt, wordt de siren op nieuw uitgedampt en met andere vergiftige planten gekookt.
De eerste symptomen, die zich bij den gewonde gewoonlijk openbaren, zijn hevige brakingen, die opgevolgd worden door een bevende verlamming der ledematen, die ongeveer tien minuten aanhoudt en onder hevige stuiptrekkingen met den dood eindigt.
Het ipohvergift wordt op dezelfde wijze gewonnen en toebereid. Dit is echter het vocht uit een slingerplant, waarvan de moederstam niet dikker dan 2½ dm. middellijn wordt. In de uitwerking van de ipoh wordt met de siren weinig verschil aangetroffen, alleen dat zich geene brakingen voordoen.
Alle Dajaks weten deze vergiften te bereiden; maar, daar de beide gewassen uitsluitend in de berglanden voorkomen, zijn de bovenlanders in die bereiding meer bedreven dan de kustbewoners.
„Het snelstwerkend vergift”—zoo eindigde Dalim zijn toelichting—„komt uit Siang en Moeroeng, twee landstreken tusschen de boven Doesson en boven Kapoeas gelegen. Laatstgenoemde heeft daaraan haren naam Kapoeas-Moeroeng ontleend, ter onderscheiding van de Kapoeas-Bohong, die op de westkust uitwatert.”
„Komen wij die landschappen Siang en Moeroeng door?” vroeg Wienersdorf gretig.
„Ik hoop van niet,” antwoordde Johannes lachend, „ik heb met Dalim een ander reisplan besproken. Wie kan evenwel zeggen, waar we heen zullen dwalen? en hoe vaak we genoodzaakt zullen zijn onze plannen te wijzigen. Wordt evenwel mijn route volvoerd, dan komen we die landschappen wel zeer nabij, maar er niet door.”
„Zullen we die gewassen te zien krijgen, waarover Dalim zoo even sprak?”
„Ja,” antwoordde deze, „genoeg; maar wat zoudt gij willen?”
„Dan hoop ik bladeren, bloemen, takken, wortels en vruchten mede te kunnen nemen.”
„Tu, tu, tu! ik zou je raden daarmee voorzichtig te zijn. In sommige tijden van het jaar is het zelfs zeer gevaarlijk onder den wind in de nabijheid van zoo’n boom te verwijlen. Als ge daarop uitgaat, waarschuw mij dan eerst.”
„Zijn dat de eenige giftige gewassen, die Borneo oplevert?” vroeg Wienersdorf verder.
„Waarachtig niet,” antwoordde Johannes. „Dat zou een armoedige flora opleveren voor een tropisch land. Integendeel, Borneo is rijk aan planten, die den dood kunnen geven. Gelukkig dat het in den aard der bevolking niet ligt, daarvan gebruik te maken. Dat is een geruststelling. We kunnen ons op koppensnellerspartijen, op overvallen, op gevechten van allerlei aard voorbereiden. Bij onze verdere tochten, wanneer we in het hoogland zullen zijn, zullen we in iederen struik een vijand te zien hebben; maar we zullen zonder argwaan kunnen nuttigen, wat men ons zal voorzetten of te koop aanbieden. Er is evenwel een gebruik in de bovenlanden, dat nog al te denken geeft en het vermoeden doet rijzen, dat in vroegere tijden vergiftigingen aan de orde van den dag waren. Nimmer zal daar namelijk een gast iets gebruiken, hetzij eet- of drinkwaren, of de gastheer moet er van geproefd hebben. Het is zelfs een beleefdheidsvorm geworden, den aanreiker van het aangebodene te doen proeven.”
Onder deze en dergelijke gesprekken hadden de reizigers duchtig de roeispaan gehanteerd en waren zoo omstreeks het middaguur de soengei Moeroi genaderd. Toen zij die voorbij wilden varen, zagen zij een vlot die breede soengei afzakken, terwijl drie mannen daarop alle krachten inspanden om de vaart van dat onhandelbare ding te temperen. Een der opvarenden riep om hulp, en daar het volgens landsgebruik niet geoorloofd is, die te weigeren, stuurde Dalim zijn prauw naar het vlot en lag deze spoedig daarlangs vastgemeerd. Het kwam er in de eerste plaats op aan, het vlot, dat door den zwaren stroom gegrepen was, naar den wal te sturen en daar vast te leggen. Spoedig hadden onze avonturiers hunne rottankabels voor den dag gehaald, alsook de ankerketting, uit soengei Naning medegenomen. Toen die stevig aan elkander gevoegd waren, werd het eene eind daarvan aan een soort van spil op het vlot vastgemaakt en het andere eind met behulp van een djoekoeng aan den wal gebracht en daar om een zwaren boomstam geslagen. Het vlot inmiddels voortdrijvende, kreeg, toen de kabel strak liep, een vreeselijken schok, waardoor Schlickeisen en La Cueille, daarop minder verdacht, voorover in de rivier tuimelden, maar door Dalim en een paar der nieuwe Dajaksche vrienden gered werden. Niettegenstaande den zwaren schok, hield de kabel zich goed. Zij stond gespannen als een snaar en het vlot trilde onder den aandrang van den stroom. Toen het gevaarte eenigszins naar den wal gezwaaid was, begonnen de mannen het spil te winden, totdat het vlot den boom genaderd was, waaraan het met den kabel vast lag.
Onze reizigers vernamen nu, dat de eigenaar van het vlot, een Kwala Kapoeasser, Bapa Andong genaamd, boschproducten in de soengei Moeroi was gaan zoeken; dat hij daarin ook geslaagd was, maar dat hij in den voorlaatsten nacht door een troep Poenan’s overvallen was, waarbij hij vier zijner pandelingen verloren had, die allen gesneld waren. Dat hij en zijne twee overgebleven pandelingen nog in leven waren, hadden zij aan hunne moedige houding te danken. Bij den eersten alarmkreet hadden zij hunne mandauw’s gegrepen en waren de aanvallers koen te gemoet getreden, tijdig genoeg om hun eigen leven te redden, te laat echter om hunne ongelukkige makkers te hulp te komen, die in hun slaap afgemaakt waren. Toen beide partijen wat gepraat hadden, kwamen zij tot de slotsom, dat zij met dezelfde bende koppensnellers hadden te doen gehad en dat uitermate waakzaamheid betracht moest worden; want bij de teleurstelling den gesnelden kop te kotta Towanan te hebben moeten achterlaten, kwam de bloedwraak nog, die de woudloopers over het verlies van hunne beide makkers zoude bezielen.
Bapa Andong verzocht Johannes, die, zooals wij weten, als handelaar aan het hoofd der expeditie stond, hulp te verleenen om het vlot naar Danau Ampang te brengen. Hij had daar nog een menigte boschproducten opgeschuurd; met de overgebleven pandelingen was het evenwel onmogelijk het vlot, tegen den stroom derwaarts te voeren. Wel werd er besproken, dien moeitevollen arbeid niet te ondernemen, en die producten met de prauw onzer avonturiers te gaan halen, maar de nabijheid der Poenans deed hen van het plan om zoo hunne krachten te splitsen, afzien. De tien mannen, die nu op het vlot bij elkander waren, konden zich vereenigd zeer sterk noemen; verdeeld, zouden zij afzonderlijk aangevallen en vernietigd kunnen worden. In de Danau (het meer) was Andong [51] de zoon des eigenaars met nog een zestal pandelingen, omtrent wier lot na het gebeurde de vader zich thans ongerust maakte. Er werd overeengekomen, dat onze reizigers het vlot in het meer zouden helpen brengen, dat zij de behulpzame hand zouden bieden om de aldaar opgestapelde producten te laden, dat zij vervolgens het vlot weer in den Kapoeas-stroom zouden brengen, waarna hunne hulp overbodig werd, daar Bapa Andong van meening was, alsdan nog voor het invallen van den nacht den kampong Pendek-katiempoen te kunnen bereiken. Aldaar had hij tal van verwanten en vrienden en zouden de Poenans zich daar wel niet wagen. Voor die hulp werd toegezegd, werd bepaald, dat bij het scheiden, twee pandelingen op de prauw onzer avonturiers zouden overgaan. Deze zouden te kotta Baroe of te kotta Djangkan, in een woord bij de eerste voorkomende gelegenheid vervangen worden, waarna zij wel gelegenheid zouden vinden met den een of anderen handelaar naar hunne haardsteden terug te keeren.
Nadat die overeenkomst getroffen was, werden de handen aan het werk geslagen. Toen het vlot met een hulptros was vastgelegd, werd de hoofdkabel van den boom losgemaakt en per djoekoeng den afstand harer geheele lengte verder gebracht en daar weer om een dikken boom geslagen. Het spil werd weer in beweging gesteld en zoo het vlot tegen den stroom opgehaald. Zoo ging men onafgebroken voort en het is te begrijpen, dat dit een zware arbeid was, vooral voor onze Europeanen, die daaraan niet gewoon waren. Zij kregen daarbij evenwel een inzicht omtrent de bedrijvigheid van het volk, in welks midden zij zich bevonden, en dat in dien arbeid bijzonder te huis scheen.
Het vervoer der boschproducten geschiedt van uit de binnenlanden van het zoo waterrijke Borneo bijna niet anders. Onze avonturiers hadden nu ruimschoots gelegenheid om de samenstelling van zoo’n vlot of „lanting”, zooals de inlanders het noemen, op te merken. Het gevaarte, dat zij onder de oogen hadden, bestond uit een tweehonderdtal boomstammen van uitmuntend timmerhout, die met zware rottankabels goed aan elkander verbonden waren. Over die boomen was een vloer van „niboeng” [52] latten aangebracht. In het midden van het vlot was een vrij ruime hut getimmerd, terwijl aan weerszijde daarvan de producten behoorlijk onder dak opgestapeld waren. Zoo waren daarop aanwezig ruim vier duizend bossen rottan, een paar duizend „gantangs” [53] „njating” (hars) een honderd pikols bijenwas, een twintig pikols „ngiatoe” (getah-pertjah) en een klein partijtje vogelnestjes. De beide laatste koopwaren had Bapa Andong van eenige handelaren der bovenlanden tegen bijenwas, bij welks vergaring hij bijzonder gelukkig geweest was, ingeruild. De overige producten waren het resultaat van eigen arbeid. De rottan was in de omliggende soengei’s gesneden. De hars was gedeeltelijk aan de boomen zelven gewonnen, gedeeltelijk langs de oevers der rivier ingezameld. Ter bekoming van de edelste soorten van dit product, maakt de Dajak inkervingen in de hem bekende harsachtige boomen en ziet na weinige dagen zijne moeite rijkelijk beloond. De overige soorten heeft hij slechts langs de boorden der rivier, op de zandbanken en landtongen op te rapen. De hars namelijk druipt in sommige tijden van het jaar van de boomen, valt op den grond en neemt aldaar aarddeelen en andere onreinheden op. Bij den eersten den besten watervloed wordt zij medegesleept. Door de onreinheden is zij specifiek iets zwaarder dan het water, zoodat zij wel drijvende, doch ietwat beneden de oppervlakte, den stroomdraad volgt. Brengt nu de wind de breede stroomen van Borneo in beweging, dan wordt die hars door den golfslag op de oevers geworpen of door den stroom op de uitstekende hoeken of zandbanken afgezet. Het gebeurt ook niet zelden, dat op die zandbanken of op de eilanden in die stroomen, in een woord overal in alluvialen grond, weinige voeten onder de oppervlakte des bodems, harsbeddingen van soms meer dan honderd M2. oppervlakte, bij een dikte van 2 c.M. tot 3 d.M. aangetroffen worden.
Dat alles vernamen onze vluchtelingen met groote belangstelling uit de gesprekken hunner nieuwe makkers. Wat het inzamelen van bijenwas betreft, daaromtrent zouden zij zelf ondervinding opdoen en kunnen opmaken, dat die heel wat verschilt van de bijenteelt in Europa.