Borneo van Zuid naar Noord

Part 24

Chapter 243,572 wordsPublic domain

„Omdat het nog in volle vorming verkeert. Of de langzame opheffing van den bodem nog voortduurt, weet ik niet. Andere bollen dan de mijne zullen dat moeten uitmaken. Om dat te constateeren, zullen een reeks van waarnemingen moeten gedaan worden, waarvan, als ik het wel heb, de eerste nog niet geschied is. Maar de aanslibbing gaat voort en ’t is opmerkelijk, hoe aan de zuidkust het terugdringen van de zee en het vooruitschuiven van het land, zich voor het oog zichtbaar voordoet. Vooral de Tjemarabosschen bieden hiertoe een ongeëvenaarden maatstaf aan. Vlak aan de boorden der zee ziet men kleine boompjes van ternauwernood een paar cM. lengte. De rijen daarachter zijn weer iets langer en zoo gaat het voort, totdat men op een paar honderd el afstand van het water, het hoogwoud bereikt, waar stammen van dertig voet hoog aangetroffen worden. De overgang van het eene boompje tot het andere is schier onmerkbaar, het loof vormt van uit zee gezien als een zacht glooiende helling van het helderste groen. Ieder jaar vormt weer nieuwe rijen, schuift weer jonge boompjes vooruit op de aangeslibde klei en me dunkt, dat het moet te berekenen zijn, wanneer van Tandjong Salatan, den zuidelijksten uitlooper van het Meratoesgebergte, tot Tandjong Batoe Titi, de zuidwestelijkste punt van Borneo, die als de voortzetting van het Kamintinggebergte te beschouwen is, een gelijke kustlijn zonder merkbare bochten of inhammen, die slechts afgebroken zal worden door de mondingen der rivieren, zal gevormd zijn.”

„Dat is zeker heel aardig verklaard,” sprak Wienersdorf als in nadenken verzonken. „Maar waarop berust die stelling van langzame opheffing? Is zij niets anders dan een hypothese door Europeesche geleerden op het studeervertrek uitgedacht, of berust ze op stellige daadzaken?”

„Op stellige daadzaken, mijn waarde Zwitser! Wellicht morgen reeds, wanneer we ten minste spoed genoeg maken, komen we de grenzen der kalkformatie nabij. Daar, in de koraaltakken, die ge er zult kunnen verzamelen, in de opeenhoopingen van verbrijzelde schelpen enz. die ge er zult opmerken, zult ge de bewijzen gelieven te zien, dat de zee eenmaal daar hare golven rolde. Nu moet ge niet denken, dat die koraal- en schelpbrecciën alleen aan de Kapoeas aangetroffen worden. Neen, aan de oevers van al de rivieren, die met de laatstgenoemde evenwijdig loopen, vindt ge dezelfde formatie terug. Het eigenaardigste daarvan is, dat, indien ge al de grenspunten der kalkformatie, die onloochenbare bewijzen eener vroeger bestaan hebbende kustlijn, door een lijn verbindt, die lijn dan vrij wel de richting aangeeft van den loop van het centraal gebergte, welks voet zij als het ware vormt.”

„Is er in de volksoverlevering niets, wat op zoo’n toestand doelt?” vroeg Schlickeisen.

„Wel zeker, er bestaan bij de onderscheidene Dajaksche stammen, die langs de bedoelde rivieren wonen, vele legenden en verhalen dienaangaande. De voornaamste en die ook bij alle stammen nagenoeg onveranderd terug gevonden wordt, is de navolgende:

„Vele jaarhonderden geleden, was Kalimantan op lange na zoo groot niet als het tegenwoordig is. Over het grootste gedeelte van het nu zichtbare rolde toen de zee hare blauwe golven en slechts de toppen van de tegenwoordige bergen Parawen, Boendang, Mienta en Japoh Poerau [63] verhieven zich even boven den waterspiegel en strekten tot woonplaats van het voorgeslacht. Rustig en afgescheiden van de geheele wereld leefden die menschen daar; want die lage eilanden waren door vele klippen omgeven, waarop de zee met woede brak en een nadering hoogst gevaarlijk maakte. De faam evenwel van den grooten rijkdom dier eilanden aan goud en diamanten had zich—hoe, weet niemand—heinde en verre verspreid, zoodat er vele hebzuchtigen bestonden, die zich van die schatten wenschten meester te maken. Op zekeren dag werd een groote prauw, met vele menschen bemand, door weer en wind in de nabijheid dier klippen gevoerd. Een gedeelte der bemanning toonde zich uiterst bevreesd en verlangde dat gevaarlijk oord zoo spoedig mogelijk te verlaten. De andere helft was van oordeel, dat, nu men in de nabijheid van die rijke eilanden geslingerd was, de gelegenheid om fortuin te maken bij de haren moest gegrepen worden. Geen van beide partijen wilde toegeven; het geschil eindigde met een vechtpartij, waarbij de vechtenden elkander bijna geheel vernielden. De weinige overgeblevenen konden het vaartuig niet sturen, zoodat dit, door wind en stroom voortgezweept, op het strand gejaagd werd. Wat er van de menschen werd, meldt de overlevering niet, maar het schip werd door den Sangiang Dagoeman in een vervaarlijken grooten kalksteen veranderd, die heden ten dage nog in grove trekken de gedaante van een schip vertoont en daarom Batoe Banama [64] genoemd wordt. Die Batoe Banama ligt een weinig boven den kampong Tawan aan den linkeroever van de boven Doesson en duidt vrij scherp de grensscheiding tusschen het alluviaal en diluviaal terrein aan.” [65]

„Allerinteressantst!” verklaarde Wienersdorf, „maar je bent nu toch eenmaal aan het vertellen. Niemand onzer heeft nog slaap. Zeg ons nu nog eens, of de inlander ook het gemis van groot verscheurend gedierte weet te verklaren? Wellicht dat zijn legenden daarop ook duiden?”

„Zoo ver mij bekend is, zwijgen de overleveringen daarvan; wellicht omdat het bestaan van dat gedierte op andere gedeelten der aarde bij het volk zelfs niet vermoed wordt. Toch bestaat er een legende, die schijnt aan te duiden, dat er toch eenig begrip omtrent groote dieren heerscht en daarenboven innig samenhangt met het volkskarakter, namelijk om list tegenover geweld te plaatsen. Die legende luidt als volgt:

In die voortijden, toen de dieren nog met de spraak begaafd waren, kwam een monsterachtige olifant van den overwal aan de zuidkust van Borneo aan en zwom de Kahajan op. De verzamelde dieren, daar te huis, zagen met ontzetting dat gevaarte den stroom opstevenen. Zij vaardigden een krokodil naar den vreemdeling af, om te vernemen wat hij in zijn schild voerde. De kaaiman, weinig diplomaat van aard, daarentegen meer vechtersbaas, tastte den indringer met zijn tanden aan en dacht een gemakkelijke overwinning te behalen. De olifant greep hem echter met zijn machtigen snuit, verhief hem als een balletje in de lucht en verbrijzelde zijn ruggegraat tegen een drijvenden boomstam. Daarop, verwoed over dien trouwloozen aanval, stapte de overwinnaar aan wal, riep een in de nabijheid grazend hert tot zich en zond dat naar de gezamenlijke dieren van Borneo, om hen tot een gevecht uit te dagen. Aan dien afgezant gaf hij een zijner slagtanden mede, ten einde de tegenpartij zich een denkbeeld zoude kunnen maken van de kracht en de grootte van het dier, dat hen ten strijde uitdaagde.

Van bluf was die zending niet vrij te spreken, maar wat de olifant voorzien had gebeurde. Schrik en ontsteltenis sloeg ieder dier om het hart bij het zien van dien kolossalen tand, terwijl het wedervaren van den krokodil, waaromtrent het hert zeer dichterlijke verhalen te berde bracht, niet geschikt was om die vrees te doen bedaren. Te midden der algemeene verslagenheid trad het kleine stekelvarken (landakh) als redder op. Dit kleine dier gaf namelijk den raad om, onder toezending van een zijner pennen, den olifant mede te deelen, dat men zijne uitdaging aannam. De medegezonden stekel moest dienen, om den vreemdeling in staat te stellen een vergelijking te maken tusschen de haren van zijn aanstaanden tegenstander en zijn eigene, ten einde zich zoo een denkbeeld te kunnen vormen, hoe groot de tanden wel moesten wezen van het dier, dat zulke kolossale haren bezat. De list gelukte volkomen. De olifant er volstrekt niet op gesteld zijnde, met zulk een machtigen tegenstander in het krijt te treden, vroeg zijn tand terug en zwom met inspanning van alle krachten weer naar het land, van waar hij gekomen was. En nog heden ten dage heet de plaats waar de dikhuid aan wal steeg: „rantau gadjah oendoer,” of „de rivierbocht waar de olifant terugkeerde.”

„Verduiveld! dat was nog zoo dom niet uitgedacht,” meende La Cueille, „zoo’n stekelvarkenshaar zou een sappeursbaard beschaamd gemaakt hebben. ’t Is daarbij juist: „qui s’y frotte, s’y pique.””

„De legende is wel aardig,” sprak Schlickeisen, „maar ik vind er niet in, wat ik vroeg. Met dien olifant, die door een stekelvarkenspen op de vlucht gedreven is, wordt dunkt mij meer op een aanranding in de voortijden geduid, op een aanranding van buiten, wellicht van hindoe’s, die door list der inboorlingen verijdeld werd, dan op een vroegere bekendheid van wilde dieren als den olifant. Het zou toch niet onwaarschijnlijk te achten zijn, dat, zoo de aanvallers wezenlijk hindoe’s waren, zij gewapende olifanten bij hun aanvalsleger gehad hebben.”

„Wel mogelijk,” antwoordde Johannes flegmatiek, „maar als de liefste meid ter wereld, heb ik gegeven wat ik had. ’k Heb verteld, wat ik wist. Zooveel is zeker, dat, eenige Klingaleezen uitgezonderd, die zich hier of daar als handelaren genesteld hebben, van het Hindoeisme op Borneo weinig te vinden is.”

Onder dergelijke gesprekken was de nacht voorbij gesneld. Onze deserteurs hadden geen behoefte aan slaap gevoeld. Toen de dag evenwel aanbrak, keken zij vreemd op. Het terrein was geheel en al van gedaante veranderd. Tot nog toe had de rivier zich tusschen moerassige oevers heengeslingerd. In de benedenstreken hadden zij die oevers tweemaal daags overstroomd gezien door den vloed, die de wateren der rivier opstuwde en terugdreef. Hooger op, waar de invloed van eb en vloed niet meer ontwaard werd, was ’t het bovenwater, dat bij iedere forsche regenbui het land overstroomde, waardoor de oeverstreken moerassig bleven. Maar, sedert zij kotta Baroe verlaten hadden, sedert gisteren avond was het terrein aanmerkelijk gerezen en wat zij thans zagen, waren heuvelen van ongeveer honderd voet hoog, met zeer zachte hellingen, die bevallig met elkander afwisselden en de bekoorlijkste dalen vormden, of welker glooiingen zacht, bijna onmerkbaar in elkander overgingen. Soms was het terrein, dat zich voor hunne oogen opdeed, golvend. Twee, drie rijen hoogten strekten zich, zoo ver het gezicht reiken kon, evenwijdig aan elkander uit, hadden hunne zachte hellingen allen naar denzelfden kant naar het zuidoosten, de scherpe hellingen naar de tegenovergestelde zijden gekeerd en schenen baren, volgens de dichterlijke uitdrukking van Schlickeisen, door den zuidoostmousson voortgezweept, die plotseling verstijfd of gestold waren en den vorm behouden hadden, dien zij op het oogenblik van stolling vertoonden.

Maar niet alleen de bodem vertoonde een verandering, ook de flora, die daarop groeide, toonde zich geheel anders, dan die zij daags te voren gezien hadden. Wel hadden zij reeds lang de zone der Tjemara laout- en der Nipahbosschen achter den rug. Maar tot gisteren hadden de Rhisophoren nog de overhand gehad, die vreemdsoortige gewassen, welke met hare steltwortels zoo uitnemend geschikt zijn om den brijachtigen detritus in moerasstreken vast te houden en zoo tot de vorming van vasten bodem haar weerga niet hebben. Wel waren de Rhisophoren nog niet geheel verdwenen. Hun krachtige groei was evenwel reeds zeer beperkt; de weinige exemplaren die zich nog vertoonden, waren nog slechts de dwergen van hun geslacht. Maar in hunne plaats begonnen zich de Ficus-soorten te vertoonen, waaronder de Randoealas met hare loodrechte, monsterachtige stammen en de Wariengien’s met hare luchtwortels behooren, die soms een doolhof van stammen vormen, en haar kroonloof, dat op zich zelf een dicht bosch vertoont. Wat den reizigers nog wel het meeste opviel, was dat de zacht glooiende oevers, die gisteren nog altijd niet toelieten te ontwaren, waar het water der rivier ophield en waar het land begon, verdwenen waren en de stroom thans kokend en schuimend tusschen diepingesneden taluds voortspoedde. In de bochten waren die taluds steil afgebrokkeld en lieten zij de groote en kleine rolsteenen, gevat in gele of grauwe klei, waaruit de onderhumuslaag gevormd is, naakt en zonder eenig plantaardig dek zien, terwijl de uitspringende hoeken, tegenover die bochten, uit fijn wit zand en kleine rolsteentjes bestaande, zacht glooiend opwaarts stegen, om onmerkbaar in het aangrenzend hoogere terrein over te gaan.

Een ander verschijnsel, dat zich voordeed, waren de meerdere sporen van de aanwezigheid van menschen.

In de moerasstreken hadden de reizigers dagen lang geroeid zonder eenig menschelijk wezen of ook maar een spoor daarvan te ontdekken. Hier was dat geheel anders. Op de oevers werden veelmaals tusschen het oorspronkelijk woud aanplantingen van djagoong (maïs), katella pohon, suikerriet, katjang enz. of vruchtboomen als klappers, pisang, doerians enz. enz. aangetroffen. Van afstand tot afstand werden woningen waargenomen en konden de avonturiers zich verlustigen, menschen in hunne volle bedrijvigheid te ontwaren. Evenwel deed zich hier een bijzonderheid voor, die wel als keerzijde mocht aangemerkt worden. Trouwens te kotta Towanan en te kotta Baroe hadden de reizigers daar reeds staaltjes van gezien: alle woningen in de bovenstreken waren met een stevig paalwerk omgeven en zoodoende in ware forten herschapen. Bij voldoende waakzaamheid van de zijde der bewoners zou daar zonder geschut niet in te komen zijn; alleen uithongering of weifelmoedigheid zou zulk een sterkte tot overgave kunnen dwingen. Dat is het gevolg van de verderfelijke zucht om menschenschedels te vergaren. Iedereen zoekt zich te beveiligen tegen sluipmoord en vindt slechts zekerheid achter stevige wallen.

Die groote verandering in hunne omgeving, had de belangstelling der reizigers in hooge mate opgewekt. Zoo in een nacht, zonder overgang bijna, waren zij om zoo te zeggen in een andere wereld aangeland. De eerste gedachte, die bij hen opkwam, was van de veranderde omstandigheden gebruik te maken, om hun mondvoorraad aan te vullen, althans er eenige afwisseling in te brengen. Bij een daartoe gunstig gelegen tuin legden zij aan, gaven den bewaker een paar stengen tabak ten geschenke, en konden nu naar hartelust groenten, maïs en eenige knolgewassen inzamelen. Zelfs kregen zij eenige klappernoten en nog andere vruchten ten geschenke. Van dien bewaker vernamen zij verder, dat al sedert vele dagen een bende Poenans in deze streken verschenen was en dat zij dus op hunne hoede moesten zijn. Het was alweer het oude deuntje: pas op je kop.

Na die inzameling werd de reis voortgezet en bereikten de vluchtelingen zoo omstreeks tegen het middaguur de monding der soengei Koeatan. Deze is de voornaamste zijrivier van de Kapoeas. Zij is nog dagen lang bevaarbaar voor prauwen van middelbare grootte en ontspringt uit een moerassige terreinplooi, die tevens door de soengei Lemo in gemeenschap met de Doesson staat. Johannes opperde het denkbeeld om de reis langs de Koeatan te vervolgen, omdat de Doesson veel langer bevaarbaar is dan de Kapoeas en zij dus gemakkelijker het centraalgebergte zouden naderen, waarover de reis voerde om de noordkust te bereiken. De drie andere Europeanen stemden met dat voorstel in; Dalim en de overige Dajaks daarentegen kwamen er ten krachtigste tegen op. Wel was de weg gemakkelijker, dat erkenden allen, maar zij, als bewoners der Kapoeas-streken zouden terecht komen te midden hunner erfvijanden, waaronder het onmogelijk zoude zijn zich verborgen te houden en die van menschlievendheid of van deernis niets zouden willen weten. Een reis derwaarts ware gelijk aan een doodsvonnis. Terwijl men nog aan het beraadslagen was, kwam eensklaps een rangkan, door een twintigtal pagaaien voortgestuwd, den reizigers achterop. Van achter een scherpen hoek te voorschijn schietende, was de verschijning van dat vaartuig zoo plotseling, dat de schrik de meeste roeiers in de prauw der vluchtelingen verlamde.

„Poenans! Poenans!!” was hun geschreeuw, terwijl zij hunne mandauws grepen. De Europeanen vatten hunne geweren en weldra zoude een hevig geweervuur den naderenden tegengeknetterd hebben, had Dalim niet plotseling: „halt! niet schieten!” uitgeroepen.

Voor op den rangkan stond een Poenan in vollen krijgsdos, evenwel geheel ongewapend, die als een bezetene met de armen zwaaide en wenkte. Toen de vaartuigen nog wat dichter bij elkander waren gekomen, herkenden de reizigers den koppensneller, wien Wienersdorf in de Danau Ampang het leven had geschonken. En werkelijk, het was Harimaoung Boekit, die naar zijn stam terugkeerde. Hij zelf en al zijn tochtgenooten hadden de mandauws afgelegd, ten teeken van vredelievendheid.

XVII.

Verhaal van Harimaoung Boekit.—Wat er te kotta Baroe gebeurd was.—Beraadslagingen.—Vooruit! naar kotta Djankang.—Steenkolen.—Aankomst te kotta Djangkan.—Armeering en proviandeering.—Een vrouw in een kooi.—Wienersdorf wanhopig.—Johannes redeneerende.—De Zwitser poogt de kooi te openen.—De zielsontvoering.

Toen de rangkan de prauw op zijde geschoten was, verhaalde het Poenanhoofd, dat zij des nachts te kotta Baroe aangekomen waren en daar de geheele negorij in rep en roer gevonden hadden. Zij hadden er een staatsieprauw aan den oever zien liggen en een gewemel van menschen waargenomen, alsof een belangrijke onderneming op til was. De nieuwsgierigheid had hen toen bekropen. Harimaoung Boekit aan wal gestapt, was als een slang naderbij geslopen en had vernomen, dat door een blanke van Kwala Kapoeas, dien hij gezien had en beschreef als met een langen mandauw (sabel) gewapend te zijn, de bevolking te wapen werd geroepen, om een prauw met vluchtelingen te achtervolgen. De blanke eischte twee honderd en vijftig weerbare mannen met de noodige prauwen, hetgeen tot niet weinig gepruttel aanleiding gaf. Toen de Poenan dat alles afgeluisterd had, begreep hij met zijn oorspronkelijk verstand, dat het om hen te doen was, die hem het leven geschonken hadden; en al dadelijk was het plan gerijpt, om die vrienden te waarschuwen, des noods krachtig bij te staan. Stil als hij gekomen was, sloop hij naar den rangkan terug, wenkte een paar zijner makkers, die, aan wal stappende met hem voortslopen en eindelijk bij een tomoi een menigte menschen vonden slapen. Een tomoi is een koepelvormig gebouwtje, dat in de bovenlanden in de nabijheid der versterkte huizen opgericht wordt, tot ontvangst van reizenden. Nimmer wordt een vreemdeling in de versterking toegelaten. In hoofdzaak is wantrouwen de grondslag van die handeling; men hoedt zich zoo voor verspieders, die onder vriendschapsschijn, wel eens het terrein komen opnemen. Maar het dient ook om twisten te voorkomen, die uit het schenden van de zeden en gebruiken der bewoners, den vreemdelingen meestal niet bekend, zouden kunnen geboren worden.

De gelegenheid was te schoon voor onze drie koppensnellers. De slapenden hadden zich ter ruste gelegd zonder voorzorgsmaatregelen te nemen. Met bliksemsnelheid trokken de Poenans hunne mandauws en in het volgende oogenblik hield ieder hunner een bloedig hoofd bij de haren in de hand. Nu stieten zij hun, „lahap” (krijgsgeschreeuw) uit, deelden den ontwakenden in het duister eenige houwen toe en maakten zich uit de voeten, toen de angst en de verwarring onder de aldus gewekten ten top gestegen was en zij elkander aanvielen en bevochten.

Dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat de Poenans met hun lichten rangkan al lang in de dichte duisternis verdwenen waren, voor dat de kommandant van Kwala Kapoeas—de lezers zullen wel geraden hebben, dat die de blanke was, die te kotta Baroe bevelen uitdeelde—zijn troepje Dajaks tot bedaren had gebracht. Niemand had de aanvallers zelfs gezien. De hoofdelooze lijken, die op den grond in een grooten plas bloed lagen, konden niet spreken; de gekwetsten waren in hun slaap toegetakeld en konden alleen een verward verhaal leveren van hetgeen zij bij hun pijnlijk en angstig ontwaken meenden gezien te hebben. Zij spraken van gedaanten van half mensch, half spook, die zij in het nachtelijke duister hadden zien verdwijnen.

Indien het de vluchtelingen waren, die dezen overval uitgevoerd hadden, en velen waren dat denkbeeld wel toegedaan, dan moest erkend worden, dat men met stoutmoedige kerels te doen had, die men niet zoo gauw in handen zoude hebben. De Tomonggong Nikodemus schudde evenwel het hoofd. Hij had de lijken onderzocht. De sneden, die de koppen van de rompen gescheiden hadden, waren zuiver en glad. Bij die houwen was geen aarzeling, geen herhaling, geen slachterswerk waar te nemen. Fiks, met een enkelen slag was de dood toegebracht, en die slag kon slechts door geoefende handen geslagen zijn, slechts door bovenlanders; maar niet door Dajaks der benedenstreken en nog minder door Europeanen.

Toen Harimaoung Boekit zijn verhaal geëindigd had, keken de vluchtelingen elkaar met angstige verbazing aan. Zij hadden niet kunnen denken, dat de Hollanders hen zoo spoedig op de hielen zouden zitten. Zij hadden gedacht nog altijd een voorsprong van acht of tien dagen te hebben. En nu waren de jagers in de nabijheid en het wild reeds op het spoor! Wat nu te doen?

„Vooruit! vooruit!!” riep Wienersdorf, „het heil kan slechts liggen in de vlucht!”

„Neen,” sprak Johannes mismoedig, „nu de kommandant ons zoo nabij is, kan de vlucht alleen niet meer baten. Op dit oogenblik is hij zeker reeds van kotta Baroe vertrokken en hij zal wel menschen genoeg geprest hebben, zoodat hij over veel meer roeiers zal kunnen beschikken dan wij. Op de vlucht zouden we spoedig zijn ingehaald. Je kunt het niet eens meer uitstel van executie noemen.”

„Maar wat dan?”

Johannes gaf daarop geen antwoord, maar zich tot het Poenanhoofd wendende:

„Waren er blanke menschen in het gezelschap van den kommandant?” vroeg hij.

„Ik heb lang en goed bespied; maar geen enkel bleekgezicht gezien, behalve hem, dien ge kommandant noemt.”

„Dus geen Europeesche militairen bij den troep, dat is al veel waard. Maar wellicht heeft de kommandant een escorte van Javaansche soldaten, daarmee valt ook niet te spotten,” mompelde Johannes binnensmonds.

„Hebt ge geen menschen gewapend gezien?” vroeg hij verder aan Harimaoung.

„De blanke had, terwijl hij bedrijvig was, een klein geweer (pistool) in de hand, achter hem liep steeds een boedak (slaaf) die een snaphaan droeg. De anderen zijn gewapend met hun mandauws en de meesten hebben een „sipet” of „loendjoh.” [66] Alleen de Amai [67] van Kwala Kapoeas, dien ik goed ken, heeft een geweer. Maar....”

En hierbij boog zich de Poenan tot Johannes en fluisterde dien gedurende eenigen tijd iets in het oor.

„Dat moet beproefd worden!” zeide deze met opgeruimd gelaat en vastbesloten, en zich tot zijn makkers wendende:

„Zoo we kotta Djankang bereiken, dan zijn onze kansen veel verbeterd, dan bestaat er hoop op redding. Dus vooruit!”