Bogoriana: Roman uit Indië

Part 26

Chapter 264,326 wordsPublic domain

»Je weet, hij was nooit veeleischend; maar ik geloof dat hij niet geheel toerekenbaar meer is: soms blijkt het me dat hij niet eens gehoord of ten minste niet begrepen heeft wat ik las of sprak.

»Die andere luitenant is niet zoo erg ziek, maar lijdt aan geestverzwakking, ten gevolge van typhus. Te denken hoeveel jonge en krachtige lichamen op die manier gesloopt worden; te denken dat de moeders haar zonen in zulk een toestand thuis krijgen; te denken wat dat zijn moet voor een vrouw, haar man zoo weer te zien. Soms stel ik me voor, dat je officier waart en op Atjeh, en dan kom ik me zelve zoo ondankbaar voor; waarom kon ik niet tevreden zijn? Ik behoefde ten minste niet in angst te leven; je waart daar op de secretarie ten minste niet in gevaar! Er zijn verscheidene officiersfamiliën aan boord; als ik denk aan wat zij hebben doorstaan, dan voel ik me klein, dan schaam ik me bijna.

»Gelukkig hebben we onder de passagiers een non, die dadelijk als liefdezuster is opgetreden. Ik leer veel van haar: ze is zoo handig, ze kan zoo rustig en bedaard blijven bij alles! Soms benijd ik ze: er ligt zulk een vrede op dat lieve bleeke gezicht onder de kap, die haar schijnt te beschutten tegen al het kleine, dat dikwerf de gedachten van ons, andere vrouwen, vraagt. Ik weet wel, ik, die de hoogste zaligheid ken, ik moest slechts medelijden hebben met zoo eene, die niet mag beminnen; och, het zou ook niet in me opkomen als je bij me was, maar ik voel me soms zoo verlaten, zoo troosteloos verlaten. En dan, zoo’n vrouw vraagt of twijfelt niet meer, ze geeft zich over, terwijl ik ... och, ik vraag altijd door, waarom dit zoo heeft moeten wezen? waarom dat niet anders zijn kon? Weet je wat me zoo treurig stemt dezer dagen, Gustaaf! nu ik James daar zoo liggen zie en ik telkens denken moet aan mijn ledig huis en mijn eenzamen man en onze verloren illusies? De gedachte dat ik, met al mijn goeden wil, met al mijn ernstig streven om voor mijn omgeving veel te zijn, de beide mannen, die het meest van me gehouden hebben, zoo weinig geluk heb kunnen schenken. Dat is één van de raadselen, die ik vergeefs tracht op te lossen. Maar er zijn vele, vele andere; ’t is of de golven ze me ’s nachts komen aanbrengen.«

»Suez, 8 Mei.

»Ik heb James verteld, dat ik aan je schreef. »Groet hem van me«, fluisterde hij. En toen nam hij mijn hand en vroeg:

»Wil je hem zeggen, Nita, dat ik me zijn vertrouwen heb waardig gemaakt?«

»Arme jongen! Zooveel had hij niet misdaan, dat hij er zoo voor boeten moest!

»Ik verzekerde hem dat je hem alles vergeven hebt, lang geleden, en toen zei hij met een zweempje van zijn oude ondeugendheid: »Dat is niet heel moeilijk, geloof ik, den man te vergeven, die je vrouw het hof wou maken, als je zóó zeker weet dat ze er niet van gediend was!«

»Ik ben zoo blij dat hij dit gezegd heeft, want hij lachte er bij en keek me vrij in het gezicht, zoodat ik zeker weet dat hij van zijn dwaasheid genezen is. Ik zou me anders, nu hij wat beter wordt, niet geheel op mijn gemak gevoeld hebben met hem.

»Dat is ook een van de vele vragen die ik me doe: of ik die geheele zaak niet te hoog heb opgenomen? Soms, als ik hier rondom me zie onder al die vroolijk schertsende, veel etende, rustig slapende, kalm voortvegeteerende menschen, kom ik me, met al mijn bezwaren en bekommernis en twijfel, zoo dwaas voor. Had ik misschien moeten lachen om James? Is dat misschien de verklaring van veel wat me bezig houdt, dat ik het leven te veel heb beschouwd als ernst? Maar mijn God, is het dat dan niet?«

»10 Mei.

»Je kunt je er geen denkbeeld van maken, Gustaaf, hoe ik begin te verlangen naar het oogenblik van onze aankomst. Er zijn in Buitenzorg dagen geweest—nachten geloof ik weinig, maar dagen—dat ik in ’t geheel niet dacht aan thuis, en nu—het is of iedere mijl die we nader komen me meer vervult met de gedachte aan al de lieven, die ik terug zal zien.

»Arme man, ik zeg dikwerf tot me zelf, dat je een groot geluk gemist hebt.... thuiskomen uit Indië en nog een vader en moeder vinden! Vooral sedert ik weet dat we in Genua aan wal zullen gaan, wordt dat verlangen grooter en grooter; het stemt me zoo gelukkig, het is de beste bron van troost die ik vind voor onze scheiding.

»Ja, we gaan in Genua aan wal. Je begrijpt, als James niet in staat was geweest de reis over land te maken, dan was ik met hem aan boord gebleven, maar ik zag daar erg tegen op: twaalf dagen langer op zee en dan door de golf van Biscaye, en dat met een half verlaten boot, want ieder debarkeert in Genua; alleen de groote gezinnen, die het overleggen moeten, gaan mee door. Maar Goddank, er is, sedert we meer in de koude zijn, verandering ten goede gekomen: eerst werd hij spraakzamer, toen bleef de koorts weg, toen kreeg hij meer lust in eten en nu begint hij al langzamerhand een paar stapjes te doen. Op krukken, Gustaaf, denk je dat eens, James op krukken! Gisteren beproefde hij het voor het eerst, toen de anderen aan tafel waren; de zuster was bij hem; ik kwam toevallig boven, maar o, ik kon het niet helpen, toen ik hem daar zoo zag heenstrompelen, toen ben ik uitgebarsten in tranen. Eerst lachte hij me uit en liep verder, maar toen gooide hij op eens de krukken weg, ver over het dek en viel neer op zijn veldbed met de handen voor het gezicht.

»De zuster beknorde me over mijn gebrek aan zelfbeheersching, en ik was doodelijk bang dat het hem kwaad zou doen, maar hij vindt het zoo heerlijk om beter te worden, hij geniet zoo van dat gevoel van terugkeer en de kracht, dat niets hem kwaad zou kunnen doen op dit oogenblik, geloof ik.

»Hij wil echter de krukken niet meer gebruiken. Mijnheer Hagen steunt hem met de zuster; je begrijpt, ik ben daar te klein voor en ook, sinds hij beter wordt, voel ik me erg lui en lusteloos. De dokter zegt, dat als hij zoo blijft vooruitgaan, de reis over land hem geen kwaad zal doen; natuurlijk zal het zijn: zachtjes aan, maar de Hagens behoeven geen haast te maken.

»O ja, schreef ik dat reeds? De Hagens hebben beloofd bij ons te blijven; vin je dat niet lief van hen? Wij zijn veel bij elkaar geweest met ons viertjes en ik kan hun niet dankbaar genoeg zijn; vooral mijnheer heeft me veel goed gedaan: hij sprak zoo telkens over je; als hij zag dat ik bedroefd was, dan kwam hij bij mij zitten en liet me over je praten; ik kon dat met niemand beter; hij waardeert je zoo. En dan—soms beweert hij dat je zijn voorbeeld heel gauw volgen en naar Holland komen zult.

»Ik heb gedaan wat je me aanriedt en het gezelschap van mevrouw Hagen gezocht. Je dacht dat ik er van profiteeren zou om me kalmer te stemmen, om me de wereldsche zaken meer uit een praktisch oogpunt te doen zien. Misschien zal dat ook wel het geval zijn, achterna; maar op het oogenblik zelfs stemt ze mij niet kalmer. Zij is zoo verstandig, zoo logisch, zoo beredeneerd als alleen vrouwen zijn kunnen, die nooit een grooten hartstocht hebben gekend; ik kan het niet van me afzetten, dat ze me overdreven vindt en—verliefder dan het met de waardigheid van eene vrouw overeenkomt.

»Je weet, ik kan eigenlijk alleen vertrouwelijk worden met menschen bij wie het hart het hoofd beheerscht: die zuster bijvoorbeeld, ik geloof stellig dat ze dol van iemand gehouden heeft! Ik heb haar alles verteld—dat vin je toch niet verkeerd? Je begrijpt, ik moest iemand hebben voor wie ik mijn leed uitstortte—en ze heeft alles begrepen. Op een avond liet ik haar je portret zien. Ze zei niets anders dan: »Arm kind! wat moet je dat gezicht liefhebben...« en ik weet niet hoe het kwam, maar we schreiden samen en sedert weet ik dat ze van iemand gehouden heeft.

»Ik had me in den laatsten tijd bij het gadeslaan van ons reisgezelschap—het zijn bijna allen zieken, zwakken of teleurgestelden—dikwerf afgevraagd of men eigenlijk wel het recht heeft zich zoo te verdiepen in eigen klein leed, terwijl anderen zooveel grooter moeten dragen. Maar de zuster zegt, er is geen klein leed of groot leed: alles hangt af van het hart dat het ondervindt.

»En dat begin ik ook te gelooven! Als ik bedenk hoe het me smarten kon wanneer je me maar ontevreden aankeekt, en als ik dan hoor hoe onvriendelijk enkele mannen hieraan boord voor hun vrouwen zijn en hoe die vrouwen een oogenblik later lachen, van ganscher harte lachen kunnen, dan geloof ik ook dat het alles maar van het hart afhangt. En misschien begrijpen wij menschen elkaar zoo weinig, omdat we altijd bij een ander hetzelfde gevoel zoeken als we zelf hebben. Ik ondervind in deze nieuwe omgeving dagelijks hoe men zich in elkaar vergist. Zoo is er, behalve mij, nog een dame aan boord, wier man in Indië is achtergebleven. Ik voelde me tot haar aangetrokken door de overeenkomst in onze omstandigheden en maakte met haar kennis. Wat vertelt ze me? Ze ging naar Europa voor pleizier! Omdat het haar verveelde langer in de binnenlanden te zitten. Ze wou de wereldtentoonstelling zien en Parijs en Weenen. Ze was nooit in de groote opera geweest en ze vond dat dit hoog tijd werd en—dan moest ze haar garderobe vernieuwen, men raakte op zoo’n buitenpost zoo ten achteren met de modes! Mijn verbazing amuseerde haar. Gelukkig dat ze niet in mijn hart kon lezen. Afschuwelijk! je man te verlaten om zulke redenen. Als ik dan denk aan den strijd dien het mij heeft gekost!«

»11 Mei.

»Je begrijpt, lieve, in dien tijd toen ik daar zoo uren lang stil bij James moest blijven zitten, had ik alle gelegenheid om de passagiers gade te slaan en mijn opmerkingen over hen te maken. Nu hij aan de beterhand is, beweeg ik me natuurlijk meer onder hen en onderzoek of ik goed heb gezien, of mijn gevolgtrekkingen juist zijn. De ongetrouwden interesseeren me minder; ik let meer op de getrouwden; ik zou zoo graag het geheim ontdekken, dat groote geheim, hoe men een man gelukkig maakt.

»Er zijn getrouwde lui van elken leeftijd met volwassen dochters, met zuigelingen—het tweede schijnt me nog minder soesah dan het eerste: met kinderen in Holland: zonder kinderen. De meeste ouderparen komen me voor, elkaar te beschouwen, zooals de eigenaar een kip beschouwt, uit het oogpunt van de eieren die zij legt: de vrouw is lief voor den man, ze schijnt hem dankbaar voor de ruime omstandigheden waarin ze verkeert, voor de mooie positie die ze met en door hem inneemt; de man is vriendelijk voor haar, trotsch op de aardige, vlugge kinderen, die zij hem geschonken en goed opgevoed heeft, beiden gaan op in dingen waarmede de liefde weinig te maken heeft.

»Onder de jongeren vind ik er verscheidene, die bij afwisseling kibbelen en zich laten verteederen, maar dat is niet wat ik bedoel: geluk is in mijn oog iets rustigs, iets bestendigs. Huwelijken waar de man, door de vrouw geboeid, alles in haar schijnt te vinden, zie ik er tot nu toe maar twee.

»Bij die twee dames, dacht me, kon ik een lesje nemen, maar ach, man, wat ben ik teleurgesteld! Je zult het niet gelooven, maar die eene, die zoo aangebeden wordt, is een grillig schepsel vol kuren. Ze laat zich door hem bedienen of zij een vorstin was en hij haar slaaf, ze stoot hem van zich, ze haalt hem weer aan, en ze speelt met hem als een kind met zijn hansworst. En daarbij komt het me voor dat ze, hoewel niet bepaald lichtzinnig, zóó koket is als een fatsoenlijke vrouw wezen kan zonder dien naam te verliezen... Gustaaf, als ik ook koket geweest was, als ik je ook zoo in een voortdurende spanning gehouden had, zou ik je dán misschien geboeid hebben? Het andere huwelijk is me nog raadselachtiger. ’t Is van dien rechterlijken ambtenaar, je weet wel; je kende hem nog van vroeger. Zij is mooi, dat is zoo, en jong, maar zoo onbeteekenend! En dan daarbij die man met zijn helder verstand, met zijn groote ontwikkeling, die man, wien het een behoefte blijkt om zich mee te deelen, die met zoo’n innig genot al wat hij gedacht en gelezen en ondervonden heeft, bespreekt. Me dunkt, alleen dat slaperig, vervelend mooi gezicht moest genoeg zijn om hem te verhinderen haar ooit van iets dat hem vervult deelgenoot te maken. Toch—ze zijn acht jaar getrouwd en hij is doodelijk van haar, ik kreeg daarvan meer dan één bewijs. Gister nog. Je moet weten, die kokette vrouw—van wie ik daareven sprak—is zeer lief voor hem en nu hadden ze gister een uur of langer samen zitten praten, bizonder geanimeerd, toen hij eindelijk opstond.

»»Gaat u reeds weg?« vroeg ze: »kom blijf nog wat...«

»»De maan komt op, mevrouw,« zei hij.

»»Welnu, wat doet dat er toe? U bent toch niet maanziek?«

»»Een beetje... als de maan schijnt word ik teeder en als ik teeder ben moet ik bij mijn vrouw wezen.«

»O, Gustaaf, toen ik hem een oogenblik later met haar zag op en neer wandelen, had ik een heel ondankbaren inval: ik wenschte dat pa en ma me maar niet hadden laten leeren.«

»12 Mei.

»Het is misschien heelemaal ongegrond, maar hoe dichter we bij Genua komen, hoe meer ik de zekerheid krijg dat papa daar zijn zal om ons welkom te heeten. Ik doe alles om mezelve van dat denkbeeld af te brengen, maar ik kan me onze aankomst niet anders voorstellen dan met hem, en James gelooft het ook stellig en vast.

»Wat ben ik blij dat ik er zoo gezond uitzie! Je weet niet wat de zeelucht mij een goed gedaan heeft en dan die koude, die met den dag grooter wordt, en dan, geloof ik, ook dat gevoel van voor iemand onmisbaar te zijn. Weet je wat ik weleens gedacht heb, als ik zoo bij James zat? Hoe prettig het zou geweest zijn als je een beetje minder goede gezondheid hadt genoten. Zoo’n dagje thuis van tijd tot tijd, wat een buitenkansje voor mij! ik was dan heel gezellig bij je gaan zitten, ik had je kamillen laten drinken en koelte toegewuifd en voorgelezen. Je zult wel zeggen dat ik heel onverstandig word en dwaze wenschen doe; ja, lieveling, dat is zoo: soms heb ik spijt dat ik niet koket geweest ben; dan zou ik dom willen zijn: nu weer beklaag ik me dat mijn man niet ziekelijk is... Het wordt hoog tijd dat ik thuis kom! Thuis kan ik niet anders dan goede gedachten hebben, dunkt me. Over drie dagen! Kon je bij me zijn, Gustaaf!«

»13 Mei.

»De zuster en ik hebben van avond nog eens voor het laatst vertrouwelijk samengepraat. Ze zegt dat ze veel geluk voor ons ziet in de toekomst, dat deze scheiding noodzakelijk was, opdat we onszelf en elkaar, bij kalm nadenken, beter zouden leeren begrijpen. Ik bekende haar dat ik me soms zoo beklemd, zoo beangst gevoel, maar zij gelooft dat onze liefde eene groote liefde is, en dat ze dus door de afwezigheid eer vermeerderen dan verminderen zal.

»Maar toen ik vroeg, hoe—al waren wij hereenigd en nauwer verbonden door de waardeering die het gemis schenkt—hoe toch ooit het groote verschil in onze levensbeschouwing zou worden weggenomen, hoe we ooit het geluk zouden vinden als we het zochten in verschillende richting, toen nam ze mijn hand en kuste me: »Kind, we moeten ook wat aan God overlaten, misschien wil Hij je een kleinen wegwijzer zenden«.

»15 Mei.

»Ik sluit dezen in haast. James is vrij wel en gereed om aan wal te gaan. Over een uur zijn we in Genua. O, liefste, waarom ben je niet bij me!«

XLI

BESLUIT.

»Bloemduin, 22 Mei.

»Ik ben thuis, Gustaaf! Ik zit tusschen papa en mama, je weet wel, op het oude plekje; papa houdt zich of hij de courant leest, maar telkens als ik opkijk knikt hij me toe, en ik kijk maar telkens op, om hem pleizier te doen; mama heet kousen te mazen, maar ik wil wedden dat ze niet één paar afkrijgt van middag, want ze doet niets dan me bedienen en mijn handen streelen en mijn haar glad strijken.

»O, Gustaaf, die dierbare oude gezichten zoo te zien stralen, die liefkoozingen, die je opeens weer kind maken, te voelen, is alleen de moeite van de reis waard!

»Ze zouden me liefst geen oogenblik verlaten; gisteren toen ik naar mijn kamer ging—mijn eigen lief meisjeskamertje—liep pa mee tot aan de deur, moest ma me helpen uitkleeden en toedekken; het was een gekus en een goeden nacht zeggen alsof ze bang waren dat ik weer zou wegvliegen; van morgen toen ik wakker werd stonden ze hand aan hand voor mijn bed... wie heeft ons toch gezegd dat het weerzien, als men uit Indië komt, een teleurstelling is? Het moet iemand geweest zijn die geen ouders meer vond.

»Ze brachten me je telegram met dat hartelijk: »Welkom thuis!« Hoe lief van je! Begreep je dat dit het eenige was, wat aan mijn geluk ontbrak, een groet uit Buitenzorg? Wat denk je tegenwoordig veel aan me, man!

»Gister waren we niet zóó gelukkig als vandaag, we waren geloof ik, te zenuwachtig om te genieten. We konden niets zeggen; we lachten maar eens tegen elkaar, en dan kregen we de tranen in de oogen en moesten ons weer omdraaien. Maar vandaag! vandaag is het verrukkelijk! We zijn op al de oude lieve plekjes geweest, James ook. We moesten natuurlijk om hem wat langzamer loopen; maar ik vond het prettig dat het zoo langzaam ging; ik had aan zooveel te denken, zooveel lief en goeds en vriendelijks... O, wat is ’t toch een voorrecht een gelukkige jeugd gehad te hebben; ’t is als de kruik met koelen drank die men den reiziger meegeeft; telkens wanneer hij zich vermoeid gevoelt, put hij uit haar nieuwe kracht.

»Toen ik papa in Genua zag—want hij was in Genua, zooals ik verwachtte—vond ik hem oud geworden, maar sinds is het alsof hij elken dag bijkomt; mama zegt, dat hij veel geleden heeft onder mijn afwezigheid, maar hij beweert dat de vreugd van het wederzien de smart der scheiding te niet heeft gedaan.—Vin je dat niet lief van de tantes? Het rijtuig was aan den trein om ons af te halen; ze hadden prachtige bloemen gestuurd, maar ze waren zelve niet gekomen. »We gunnen ze je,« riepen ze maar, toen pa haar noodigde, »we gunnen ze je! Drie dagen mag je ze geheel alleen hebben; dán beginnen we te deelen!«—Van morgen zonden ze aardbeien: ’t waren er maar negen, de allereerste; vijf voor, mij en vier voor James. Er was een briefje bij; ze schreven dat ze haar belofte houden wilden en niet komen vóór de drie dagen om waren, maar dat, als pa er misschien iets tegen vond, ze gaarne haar meening aan de zijne zouden opofferen... We zijn er dadelijk heengegaan. Och liefste, wat is het goed dat we in Indië niet weten, hoezeer we betreurd worden in Holland! Ze konden niet genoeg van je hooren! Ze hielden elk een hand van me vast; ik moest maar praten, en als een ander iets zei, dan riep tante Dorothée dadelijk: »Laat háár nu vertellen!« Tante Mina werd erg ongeduldig, omdat ze niet alles verstaan kon, en tante Bettemie, die arme blinde ziel, zette mijn hoed af en streek mijn krullen glad—dat doet iedereen, Gustaaf; maar niemand kan het zooals jij—en vroeg maar telkens weer, hoe ik er uitzag. En dan riepen vier stemmen te gelijk: »O, heerlijk! Om te stelen! Liever dan ooit! Nog liever dan vroeger.« Maar daar werd tante boos om. »Nog liever dan vroeger?... dat is onmogelijk! dat zeg jullie maar om mij te plagen!«... O, je kunt er geen voorstelling van maken hoe zalig dat is, zoo’n thuiskomst. Wàt zou het geweest zijn als we samen gekomen waren!

»Het houdt niet op met brieven en briefkaarten van de broers en zusters. Het plan is, dat ze, zoo mogelijk, allen Zondag hier zullen zijn. James verheugt er zich zeer op en ik ook, ik verlang hen allen terug te zien. Maar toch had ik liever gewild, dat we nog wat met pa en ma alleen gebleven waren; ze zijn zoo gelukkig!«

»Bloemduin 25 Mei.

»Het is Zondag. Wat is dat toch iets eigenaardigs, zoo’n hollandsche Zondag: dat feestelijk gevoel waarmee men wakker wordt, die deftige stilte in de straten, dat nette van de menschen in hun beste pak, dat plechtig gelui van de klokken: ik heb dat gemist in Indië: ik voel het nu.

»De broers en zusters zijn allen hier—zelfs Rudolf is uit Groningen overgekomen, ofschoon hij voor zijn candidaats zit. Pa wou hem eerst beknorren, maar opeens viel hij zichzelf in de rede en zei: »’t Is goed jongen, ’t is best: voor háár is niets te veel!« O, die pa! Ik wist niet dat hij me zóó liefhad! Ze noemen me allen nog bij de oude naampjes en ze willen me allen bedienen. Als ik zeg dat mijn krullen vandaag twintigmaal zijn opgedraaid, op twintig verschillende vingers, dan jok ik niet. ’t Is dwaas, maar ik heb weer dienzelfden indruk, dien ik als kind had, alsof de zon ’s Zondags anders schijnt dan in de week, en alsof nergens op de geheele wereld die dag zoo innig genoegelijk gevierd kan worden als in het oude huis van den burgemeester van Bloemduin.

»Wij zijn van morgen naar de kerk geweest. Och, wat spijt het me, dat je dit hebt moeten missen. Je hadt er bij moeten zijn, lieve, het was zoo eenig, zoo om nooit te vergeten, zoo om je opeens te verzoenen met het leven op een dorp. De zon scheen dan, zooals zij alleen ’s Zondags doet; ma ging met James vooruit en dan volgde ik met pa: daarachter de broers en zusters. Overal zagen we gordijntjes optillen, nieuwsgierige gezichten over horretjes kijken; de menschen stonden stil aan den kant van den weg, om ons te laten voorbijgaan—dan was het telkens dezelfde vertooning! Eerst heel eerbiedig de pet af. »Goeje morge, burgemeester, goeje morge, mevrouw!« En dan, als ik stilstond en de hand uitstak en ze bij den naam noemde—ik kende ze allen nog—opeens een heel andere toon: »Dag juffer Nietje! Dag lief kind! Hoe heb je ’t gehad in den Oos?« Maar als ik verder ging, dan barsten ze eigenlijk pas los. »Och Heere, ’t is nog krek dezelfde. Niks niet grootsch! En ze willen toch wel zeggen, dat ie ’n ergen heugen is daarginder!«

»Maar de held van den dag was James! Hij droeg zijn uniform met kruis op de borst. Ze hebben van hem gelezen in de couranten; ze weten precies waar en wanneer hij gewond is geworden, waar hij zijn Willemsorde verdiend heeft... en—je zult het niet gelooven van die stijve boeren, maar ze drongen om hem heen en moesten hem zien, een hand van hem hebben... Op eens stoof Jan Mulder, je weet wel, die oud-soldaat, op hem af en wees op zijn borst, en riep, hoera! en toen barstten ze los en gooiden met de petten en tilden hem in de hoogte op hun schouders... ’t was of ze nooit meer tot bedaren zouden komen... me dunkt, zijn pijn en lijden zijn hem vergoed.

»Door al dat oponthoud kwamen we laat in de kerk. Maar ook dáár hadden ze op ons gewacht; toen we binnentraden begon het orgel te spelen en zong de gemeente het eerste vers van Psalm 103. Je kent het wel?

»Loof, loof den Heer mijn ziel met alle krachten, Verhef zijn naam, zoo groot, zoo heilig t’ achten, Och, of nu al wat in mij is Hem prees!«

»Ik hield me goed; bij al mijn geluk en dankbaarheid kon ik toch niet vergeten, hoe geheel anders nog het zou geweest zijn als je bij me was; maar James snikte als een kind... hij is ook nog zoo zwak. Ik weet niet wat de dominé heeft gepreekt. Ik keek maar naar de bekende gezichten, die zich zoo trouwhartig naar me toekeerden, naar den preekstoel, die ons, kinderen, zoo menig uurtje hielp doorkomen en die jij zoo afschuwelijk vondt met die dieren uit het paradijs er op; ik telde de aapjes en de kraaien en de ijsberen, en ik vond het prettig, dat er nog precies evenveel waren als vroeger; toen keek ik naar den voorzanger en lachte met Corrie om de gekke gezichten, die hij nog altijd trekt; toen merkte ik op, dat de vrouwtjes van het gasthuis een nieuw model van neepjesmuts hadden gekregen... toch was ik onbegrijpelijk gesticht. Maar onder het gebed keek ik naar het lieve, oude, grijze hoofd, dat zich zoo diep boog over de gevouwen handen.

»De tantes hadden ten strengste verboden, dat iemand ons zou bezoeken vóór een week na aankomst, maar nu was er niets meer aan te doen: ze stonden op rijen geschaard aan de kerkdeur, ze stroomden letterlijk ons huis binnen, en ik geloof dat de zusters meer dan honderd kopjes koffie geschonken hebben: ik kon niet helpen, ik kon niets doen dan handen geven en op James passen, die zich veel te veel vermoeide en van avond volstrekt naar de »Gezelligheid« wil om de jongens te trakteeren.«

»Bloemduin, 1 Juni.