Bogoriana: Roman uit Indië

Part 25

Chapter 254,330 wordsPublic domain

Maar zij trekt haar hand terug, ze maakt zich los uit zijn omarming... Weet ze het niet dat er een macht uitgaat van zijn aanraking, die haar zwak maakt en willoos?

»Ik wou je vragen, of je het niet goed zou vinden als ik me de Hagens meeging?«

»Als je met de Hagens meeging! Waarheen?«

»Naar Holland, bedoel ik.«

»Naar Holland!« herhaalt Verschuere weer en hij ziet haar aan alsof hij aan haar verstand twijfelt.

»Ja,« spreekt ze dof. »Ja.«

»Zonder mij?« roept hij. »Zonder mij, Nita?« vraagt hij dan met dat zacht vleiende in zijn stem, wat ze zoozeer vreest in dit oogenblik.

»Je kunt immers niet weg?«

»Neen, dat kan ik niet.«

»En ik moet gaan.«

Weer herhaalt hij ongeloovig het woord, dat haar door de ziel snijdt. »Zonder mij? Zonder mij? Nita! Kind!«

»Ja, ik moet gaan.«

Deze klanklooze stem, dit pijnlijk vertrokken gelaat, dat ze telkens afwendt, de koortsige glans in de oogen, die de zijnen trachten te ontwijken, verbazen hem misschien meer nog dan haar woorden; een groote onrust maakt zich van hem meester.

»Nita... ik begrijp je niet. God! kind! wat is er gebeurd?«

»O neen, niets. Zie me zoo niet aan, Gustaaf... Ik weet wat ik wil. Maar als je me zoo aanziet... zoo alsof je me nog liefhadt... dan vergeet ik wat ik wilde...«

»Alsof ik je nog liefhad! Heb ik dat dan niet?«

»Ja, nog een beetje, dat geloof ik ook... Maar het is beter zoo... het is beter dat ik wegga... beter voor ons beiden.«

»Nita... je bent ziek!«

Ze heeft al dien tijd rondom zich gezien als een gevangene, die een uitweg zoekt; als een gejaagde, wie de vervolgers op de hielen zijn. Bij dezen uitroep herwint ze op eens iets van haar kalmte, en terwijl ze de handen samenklemt op de hijgende borst, spreekt ze vast:

»Je hebt gelijk, ik ben ziek. Heel ziek. Zóó ziek dat ik niet meer hier kan blijven, dat ik weg moet, hoe eer hoe beter!«

»Maar wat scheelt je dan? Ik heb er niets van gemerkt.«

Voor enkele oogenblikken komt een bittere glimlach haar om de lippen spelen. »Dat was ook niet waarschijnlijk, is ’t wel? Je hadt het zoo druk!«

»Ja, ik had beter op je moeten letten... Ik ben geheel opgegaan in eigen gedachten, in eigen plannen, den laatsten tijd... Geloof me, kindlief, ik had niets liever gewenscht dan je er deelgenoot van te maken, maar...«

»Ja, dat weet ik. Je kon niet. Vergeef het me, Verschuere... Ik had alles voor je willen doen. Ik had je slavin willen wezen... nu ik niet je gelijke, je vrouw, je kameraad zijn kon... zooals je eenmaal gehoopt hadt.«

»Neen, spreek zoo niet...«

Met een gebaar vol smartelijke afmatting legt ze hem het zwijgen op. »Laat dat rusten, dat is voorbij...«

»Wat is voorbij? Wat praat je toch? Kom, tracht bedaard te zijn. Wat scheelt er aan, kind? Je hoofd gloeit, je handen zijn als ijs.«

»Ik heb immers gezegd dat ik ziek ben.«

»Ja, je hebt de koorts, ik zal dadelijk om Bosschaert zenden.«

»Neen,« spreekt ze nu ernstig en vast besloten. »Doe dat niet. Bosschaert kan me niet genezen. Niemand kan dat; niemand, behalve misschien... mama.«

»En ik dan?«

Een oogenblik ziet ze hem in het gelaat, het gelaat dat ze liefheeft boven alle andere... een oogenblik wankelt ze in haar besluit; maar het is genomen ten koste van bange nachten en heete tranen; ze weet dat hij zijn beloften niet houden kan; ze keert zich van hem af om sterk te zijn.

»Neen, je kunt het niet.«

»Dus, je wilt weg? Je wilt niet langer bij me blijven?«

Agnita wringt de handen; ze wordt aangegrepen door een gevoel van flauwte, als bij hevige pijn.

»Antwoord me, Nita!«

»Je zult me immers niet missen?...«

Ze spreekt die woorden langzaam, weifelend. Ze durft niet opzien, ze kan niet ademhalen, zoo bonst haar hart. Zal hij zeggen dat ze zich bedriegt, dat de scheiding hem even hard zal vallen als haar? O God, indien dat mogelijk ware! Indien hij maar zeide dat hij haar noodig heeft voor zijn geluk! Dan bleef ze! Dan kon ze alles dragen! Dan zou ze moed hebben om een nieuw leven te beginnen.

Ach, hoe weinig kent ze het mannenhart! Hij is gegriefd, beleedigd... Heeft ze niet haar ouders gesteld boven hem, hem, die zoo zeker meende te zijn van haar liefde, dat hij zelfs niets heeft gedaan om die te behouden?

»Dus je wilt bij je pa en ma zijn?«

»Ja.«

»Liever dan bij mij?«

»Ja.«

Smartelijk getroffen ziet hij haar in het gelaat. Maar het is hem vreemd met die hartstochtelijke, verwilderde uitdrukking; zooals ze hem geheel en al vreemd is in dit uur, zijn zachte, zwakke vrouw, nu zoo vast besloten, zijn gevoelvolle Nita, nu zoo koel: de teedere woorden die hem uit het hart welden, besterven hem op de lippen.

»Ik begrijp me niet... je bent me een raadsel.«

Smeekend heft ze de handen naar hem op. »O, folter me niet langer... Zie je het dan niet, dat ik bezwijk? Heb medelijden... zeg dat ik gaan mag!«

»Als je me niet meer liefhebt...«

»O God! O God...« kermt ze.

»Als je meer van je ouders houdt dan van mij...«

»Je bent wreed, Gustaaf...«

»Dan mag je gaan.«

Hij verwacht een haastig antwoord, een heftige ontkenning, een nederige bede om vergiffenis... alles eer dan deze stilte... Maar zij blijft onbeweeglijk staan, zonder zelfs het hoofd naar hem op te heffen, tot hij zich toornend van haar afwendt... Dan zinkt ze ineen, zachtjes, langzaam, zonder kreet, zonder slag; alleen met een langen, kreunenden zucht.

Als de heer Bosschaert, in allerijl geroepen, zijn patiente een vol uur heeft gadegeslagen zoowel onder als na hare bezwijming, verlaat hij haar met een ongewoon ernstige vermaning, om zich toch vooral te wachten voor »ziekelijke opgewondenheid«, die onberekenbaar nadeelige gevolgen hebben kan, en keert zich, zoodra de deur achter hen gesloten is, tot den jongen echtgenoot met een vraag, die dezen het bloed naar de wangen jaagt. Hij kan hem toch niet antwoorden dat hij het niet weet! Hij kan hem toch niet zeggen dat de verhouding tot zijn vrouw in den laatsten tijd niet van dien aard was dat er gelegenheid bestond voor vertrouwelijke mededeelingen! Hij kan toch niet bekennen dat hij vergeten heeft, sedert maanden vergeten heeft belangstelling te toonen in hetgeen nog de vrouw bezig houdt met hopen en vreezen bezig houdt, wanneer de man het reeds lang als afgedaan beschouwt.

»Ze wil naar Europa,« zegt hij eindelijk, in de hoop door deze onverwachte mededeeling Bosschaert’s aandacht af te leiden van de netelige vraag.

»Ah zoo, naar Europa?« vraagt deze, maar zonder iets te toonen van de verbazing, die Verschuere meende te wekken; dokters zien zoo scherp in huiselijke aangelegenheden. »Zoo, zoo, naar Europa? Weet je wel dat dit een uitstekend denkbeeld is?«

»Zonder mij?«

»Natuurlijk. Je kunt niet weg.«

»Ze wil met de Hagens meegaan.«

»Juist. Een prachtige gelegenheid! Je kondt geen beter wenschen. De zeelucht zal haar versterken, een kort verblijf in Holland haar goed doen. En—wat die andere kwestie betreft dat zij zoo als het wil; hier brengt ze het nooit tot een goed einde. Als ze gaan wil mag je haar vooral niet terughouden Verschuere... Ja, ik weet wel, ’t is onaangenaam, dat alleen achterblijven, maar... we zijn nu eenmaal niet voor ons pleizier in de wereld.«

»Neen, dat ondervind ik.«

Straks, als Nita zijn studeerkamer komt binnensluipen en half verlegen, half berouwvol op hem toetreedt, kan hij haar een vrij vroolijk gelaat toonen.

Met een bevend stemmetje vraagt ze: »Gustaaf... zeg, ik heb er nog eens over gedacht... maar zou je werkelijk graag willen, dat ik bij je bleef?«

Zijn stem beeft niet, zijn oogen staan niet vol tranen als de hare, hij is nooit lang zwak.

»Natuurlijk, lieve. Natuurlijk zou ik graag willen dat je bij me kondt blijven. Maar we zijn nu eenmaal niet voor ons pleizier in de wereld, zooals Bosschaert zegt. Hij gelooft dat het je enorm veel goed zal doen. Enorm.«

Dan, als hij de plotselinge verandering ziet in haar trekken: »Je wou toch niet op je besluit terugkomen?«

»O neen. Ik ben vaster dan ooit besloten te gaan.«

XXXIX

DE OOGEN WORDEN GEOPEND.

»Buitenzorg, 6 April.

»Lieve, beste man,

»Ik zal dezen aan Mingo geven, met verzoek hem je ter hand te stellen, als ik een dag of acht weg ben. Want, Gustaaf, ik ben verwaand genoeg om te gelooven dat, hoe aangenaam het voor je wezen mag om weer eens geheel te kunnen leven voor je werk, je dàn toch wel weer eens prettig verrast zoudt opkijken, als de deur zachtjes open ging en zeker iemand binnen kwam om je te vragen of je niet eens een uurtje met haar zoudt willen praten.

»Natuurlijk heb je van de welkome rust, na al de drukte die de laatste tijd meebracht, gebruik gemaakt om bergen werks af te doen; dus wil je me dit oogenblikje wel geven, niet waar?

»Maar ik zal niet »kort en zakelijk« kunnen zijn zooals ik weet dat je je brieven graag ontvangt.

»Ik ben zoo in de war, sinds het zeker is dat ik wegga: alles komt me zoo heel anders voor... soms vraag ik me af of het niet een groote vergissing kon zijn; of ik misschien, toen ik geloofde dat hetgeen het eenige was wat me te doen overbleef, je ontevredenheid te hoog opnam; of we misschien na korter of langer tijd niet geleerd zouden hebben elkaârs karakter en overtuiging te eerbiedigen; of ik niet had moeten blijven...

»Maar neen, dit is dwaasheid! Niet waar, Gustaaf, je vondt het ook noodzakelijk? O, als je nog terugkwaamt op je besluit; nu nog, terwijl de koffers gepakt staan en de afscheidsvisites gemaakt zijn, wat zou ik graag weer uitpakken en—zooals je gister zei, toen ik er een balletje van opgooide—een gek figuur slaan.

»Hoe heb ik toch ooit dit onzalig plan kunnen bedenken! Ja, ik weet het maar al te goed: ik weet hoe het voor het eerst in me opkwam, tegelijk met het pijnlijk gevoel van een plaats in te nemen, waarvoor ik niet geschikt bleek.

»’t Was op dien middag toen ik je vertelde, dat ik bedankt had voor de uitnoodiging van Zijn Excellentie om dat uitstapje te maken naar Tjipanas; ik dacht dat je het apprecieeren zoudt, daar je niet mee kondt gaan wegens ongesteldheid; maar je zei dat een vrouw, die geen tact toont, een blok wordt aan het been van haar man. En dan, Verschuere, waarom heb je mevrouw Verdijk toch zoo geprezen? waarom me haar tot voorbeeld gesteld? Het was je geen ernst, dit weet ik; het kon geen ernst zijn.

»Je zoudt niet willen dat ik me het hof liet maken, al was het dan nog zoo’n onschuldige hofmakerij: al was het dan ook tot het bereiken van een doel; niet waar, je zoudt het niet willen!

»O, ik twijfel nu of je al die nare dingen wel hebt gezegd met de bedoeling, dat ik ze zoo hoog zou opnemen! Maar... herinner je je niet dien avond toen ik me onvoorzichtig had uitgelaten, wat je toen bij ’t naar huis rijden zei? Dat een getrouwd man geen meester is over zijn daden. Dat zijn vrouw het werk van jaren soms in één uur bederft. Dat je niet hadt moeten trouwen! Dat je niet hadt moeten trouwen...

»Ja, Gustaaf je hadt wel moeten trouwen, alleen niet met mij.

»Je zoudt me niet zoo gegriefd hebben, als je kalm geweest waart; dat spreekt van zelf. Maar niet waar, op zoo’n oogenblik denkt men niet bedaard na, en ik was diep ongelukkig en kon maar niet in slaap komen... ik heb een heele dwaze gewoonte man, die ik je nu maar bekennen zal: als je daar zoo stil in de kussens ligt, dan verdwijnt die strakke vermoeide trek uit je gezicht, dan krijgt het de lieve, vriendelijke uitdrukking van vroeger, en dan vind ik het een genot er naar te zien. Soms, wanneer ik bedroefd was of wanneer we iets gehad hadden samen, keek ik naar je, tot ik den boozen man vergeten kon en met de gedachte aan den lieven de oogen sluiten; dat deed ik dien avond ook, je glimlachte in je slaap en je weet wel, je waart naar bed gegaan zonder me goeden nacht te zeggen... ik gaf je een kus.

»Toen gebeurde er iets; je zult het misschien een kleinigheid noemen; maar ik vond het vreeselijk! Je zei heel zacht: »Marie! o, Marie...«

»Ik weet wie Marie voor je geweest is. Toen je me vertelde van je eerste liefde, vroeg ik je me te zeggen welk soort van meisje ze was... Toen gebruikte je een uitdrukking die ik voor het eerst hoorde en die me daardoor bijbleef: une maitresse femme noemde je haar. Nu weet ik wat dit is, une maitresse femme: het tegenovergestelde van mij...

»Och, die Marie..., ik denk telkens aan haar... zij zou geschikt voor je geweest zijn, zij zou je flink ter zijde hebben gestaan. ’t Is waar, ze heeft een ander genomen om barones te worden en ik, ik zou je voor geen koning geruild hebben, maar wat doet dit er toe? ’t Is immers toch niet de liefde die een huwelijk gelukkig maakt! Zij zou je nooit verveeld hebben.

»Wat is dat moeilijk, Gustaaf, je man te boeien! Als de meisjes wisten hoe moeilijk het is, zouden ze niet zoo haastig trouwen, of zich beter voorbereiden. Niet waar, ik heb gedaan wat ik kon? Ik ben niet onverschillig geworden voor den indruk, dien ik op je maken zou; ik heb de talenten, die ik bezat, gebruikt; ik heb beproefd het je thuis gezellig te maken; ik heb je vrienden hartelijk ontvangen. En ik heb met inspanning van al mijn krachten beproefd me te ontwikkelen; ja, ik heb hard gestudeerd, Gustaaf, veel harder dan je ooit vermoed hebt. En toch verveelde ik je! Toch kwam, als ik je iets vroeg terwijl je bezig waart—en je waart altijd bezig—die rimpel op je voorhoofd: toch zag ik telkens die ongeduldige beweging waarmee je opkeek uit je boek als ik nader kwam; toch heb ik je heel opgewekt hooren praten met vreemden, als je niet den minsten lust hadt getoond om te praten met mij. Zie je, dit vond ik vreeselijk, dit gevoel, dat langzamerhand over me kwam van tot last te zijn. Denk niet dat ik het je verwijt; je hebt genoeg je best gedaan om het te verbergen, maar geloof je ook niet dat niets moeilijker te verbergen valt dan verveling?

»We zijn alweer dichter bij het afscheid en ik kan nog niet besluiten om dezen te eindigen; het helpt me zoo dat ik schrijven kan wat in me omgaat, ik zou anders veel te veel zeggen. O, lieveling, wat moet dat een ondragelijk iets zijn, een huwelijk zonder wederzijdsch vertrouwen, als ik bedenk wat ik geleden heb sedert ik je niet meer alles zeggen kan!

»O, als ik maar eens spreken durfde! mijn geheele hart uitstorten... maar dat mag niet! Neen, dat mag niet, want je zoudt me aanzien en in je armen nemen en ik zou zwak worden, zwak tot lafheid toe en bij je blijven om je tot last te zijn!

»Ik dacht dat ik alles overwogen had vóór ik mijn besluit nam, maar ik heb één ding vergeten, hoe verrukkend het is bemind te worden.

»O Gustaaf, als er soms in je hart bitterheid mocht komen jegens de vrouw, die je heeft moeten teleurstellen, denk dan hoe zwaar ik zelve daaronder geleden heb; denk dan dat ik je omhelzingen mis en je kussen en je teederheden en je zult medelijden met me hebben. Waarom ben je ook zoo lief voor me, Gustaaf, nu deze laatste dagen? Waarom? Ik zou willen dat je driftig waart zooals een poos geleden; ik zou willen dat je harde, onrechtvaardige dingen zei; dat zou me sterk maken.

»Maar neen, dit heb ik niet ernstig gemeend; ik kan de herinnering aan deze laatste goede dagen niet missen... ik neem ze mee naar Holland als een schat; ik voel het nu, noch de vreugde van weer thuis te zijn, noch papa’s groote genegenheid, noch mama’s trouwe zorgen zullen me kunnen vergoeden wat alleen de liefde geven kan—die volheid van geluk, die niets te wenschen overig laat.

»Soms—niet waar Gustaaf, je lacht me niet uit zooals die dames, omdat ik me dit telkens weer verbeeld?—soms, als ik me in zielsangst afvraag hoe ik toch zonder je leven zal, is het me of ik antwoord krijg, of engelen me komen toefluisteren dat ze me een kindje willen brengen. Ik moest niet luisteren naar die beloften, maar het maakt me minder ongelukkig en—zijn ze bestemd om onvervuld te blijven—ach, ik ben er reeds aan gewoon, de engelen met de blijde boodschap op eens te zien verdwijnen...

»Gister zei je, dat het egoïstisch van me was weg te gaan. Als je niet meer telkens gestoord wordt, als ik je tijd niet meer vraag voor allerlei nietigheden, als je geheel leven kunt voor je werk, geheel toebehooren aan je betrekking, dan zul je weten dat het niet egoïstisch van me was weg te gaan.

»Gustaaf, ik droomde dat ik aankwam in Holland. Ik stond op het midden van de loopplank. Iemand bracht me een brief. Aan den wal wachten pa en ma en de broers en zusters. Ze wenkten me toe. Ik zag duidelijk ma’s lief gezicht: ze schreide van vreugde. Ik hoorde de neefjes en nichtjes roepen: »Tante, tante Nita!« en ze zonden me kushandjes toe... ik stond daar en las den brief. Hij bevatte maar vier woorden: »Kom weer bij me.« Toen groette ik pa en ma uit de verte en keerde terug op de boot; de loopplank werd ingehaald, ik hoorde ze roepen, gillen; ik zag hoe mijn arm oud vadertje moest worden vastgehouden, hoe mama’s gezicht veranderde... ik bekommerde er me niet om, ik voelde me zoo licht als een veêr. »Hij wil me terug hebben, hij mist me, hij verlangt naar me!« riep ik, tot ze eindelijk verdwenen uit het gezicht.

»Dwaze droom, niet waar? Maar o, ik had voort willen droomen, luisterend naar de machine, waarvan iedere slag me nader tot je bracht, ik had voort willen droomen tot in eeuwigheid.

»Als je wist met welk een vreeselijk gevoel van teleurstelling ik wakker werd! Ja, ik zal de machine hooren, maar niet om me tot je te brengen!

»Morgen reeds is het de dag van mijn vertrek... morgen reeds, ik had altijd gehoopt dat er nog iets tusschenbeide zou komen, maar morgen reeds... nu kan het niet meer.

»O, Gustaaf, ik heb je toch wel bemind! Ik bemin je nog, Gustaaf, boven alles! Hoe zou ik anders moed vinden om dit te doorstaan? Wat zijn de menschen gelukkig die plotseling sterven; ze behoeven geen afscheid te nemen...«

XL

OP DE MAILBOOT.

»15 April.

»Lieveling, wat is dat vreeselijk geweest! Had ik het maar geweten dat je nog zooveel van me hieldt, had ik het maar geweten dat je er zooveel onder lijden zoudt, geloof me, ik was bij je gebleven.

»Je zult misschien niet begrijpen hoe ik het bedoel—jullie mannen voelt zoo heel anders dan wij—maar voor mij is het afscheid lang zoo bitter niet geweest als ik het me had voorgesteld. Je waart zoo bedroefd en dat vond ik zoo heerlijk! Je naamt me zoo telkens weer in je armen en je drukte me zoo vast aan je hart...

»En weet je wat je wel driemaal hebt gezegd: »Kind, hoe zal ik zonder je leven!« Dat heeft me zooveel goed gedaan! zoo onbeschrijfelijk veel goed!

»En weet je wat je ook gezegd hebt? Dat je nu eerst begreept hoe gelukkig je geweest was... dus, ik heb je toch geluk geschonken, al was het niet zoo veel als het had kunnen zijn!... Gustaaf, je moet me vergeven dat ik niet meer vertrouwen, niet meer geduld heb gehad; het was zoo treurig met me gesteld in den laatsten tijd... ik kon me niet goed meer rekenschap geven van hetgeen er in me omging; onze verhouding was zoo vreemd geworden; ik tastte in het duister rond... God geve dat ik niet heb misgetast! Soms vrees ik het.

»Hoe heb je het nu? Gaat alles geregeld? Handhaaft Mingo zich in zijn ouden roem? Zorgt Sarinah goed voor je? En ondervind je veel deelneming? Mevrouw Paerel heeft me beloofd zooveel voor je te zijn als je haar zoudt willen toestaan; trek je nu niet terug, ze zijn zoo hartelijk en niet zooals veel hartelijke menschen, vervelend.

»Toen ik nog bij je was, heb ik ’t je wel eens wat lastig gemaakt met mijn altijd vragen om liefde; nu je mij niets meer behoeft te geven, wijd je nu elken dag, al heb je het ook nog zoo druk, een oogenblik aan mijn vrienden, de dieren en de bloemen: het zal je zoo helpen, om je hart warm te houden, tot ik weer bij je ben om dat te doen.

»Maak je over mij geen oogenblik ongerust. ’t Is waar, ik was niet heel flink, niet half wat ik had willen zijn, maar je weet, flauw vallen is een slechte gewoonte van me en toen we maar eenmaal onder stoom waren ging alles goed.

»Er zijn veel kinderen aan boord, dus behoef ik me geen oogenblik te vervelen en dan, je weet hoe vriendelijk de menschen me altijd en overal behandelen.

»Wat de Hagens betreft, er is me al meer dan eens gevraagd of ik hun dochter was, zóó dragen ze me op de handen; je ziet, het zou ondankbaar van me zijn, als ik me niet liet troosten.

»Bij aankomst hier vond ik je telegram. Hartelijk dank voor de goede woorden, ik leg ze bij de anderen weg in mijn hart, en als al de hartelijkheid die ik ondervind me niet troosten kan, wat ik soms vrees, dan zullen zij het kunnen.«

»Padang 16 April.

»We liggen hier op de reê, met een prachtig gezicht op de eilandjes, die als groote groene ruikers op het zilverblauwe water zijn gestrooid; op den Apenberg met zijn wonderlijk mooie tinten, zooals hij daar bijna loodrecht, donkergroen met violetten weerschijn, oprijst uit de zee; allerlei kleine prauwen glijden voorbij, in de verte komt het stoombootje met de laatste passagiers, want we vertrekken over een paar uur.

»Je ontvangt dezen binnen enkele dagen. Vind ik weer een telegram van je op Suez?

»O, Gustaaf, verbeeld je. Ik zal probeeren het je te schrijven. Maar ik beef zoo, ik ben zoo vreeselijk geschrikt. Daareven kwam het bootje met de passagiers: een familie met negen kinderen en twee officieren van Atjeh.

»Een er van kon niet loopen, hij werd op het dek gedragen. Mijnheer Hagen zei me, dat het zoo’n naar gezicht was, dus was ik niet gaan kijken, maar daar hoorde ik op eens om eau de cologne roepen; die erge zwakke was bewusteloos geworden. Ik had een flacon naast me staan, ik ging die dadelijk brengen, en Gustaaf! wie denk je dat het was? James! Onze James!

»O, maar onherkenbaar! Arme, lieve, trouwe jongen, het is met hem gedaan, hij kan niet eens zijn hoofd meer opheffen. Als je hem zag, zooals hij daar ligt, die vroolijke, sterke, moedige James! Ik ben bij zijn veldbed neergevallen.

»Toen hij bijkwam en me zag, was hij niets verbaasd. Hij glimlachte even en sloot de oogen. Ik dacht dat het weer een flauwte was, maar een oogenblik later zei hij: »Ga nu maar naar de anderen, dokter; ik ben bezorgd; mijn goede engel is bij me!« Och, Gustaaf als je die stem gehoord hadt... Ik dacht dat mijn hart zou breken.

»Hij heeft zijn woord maar al te goed gehouden; iedereen is vol van zijn lof. ’t Schijnt dat hij zich bijzonder onderscheiden heeft; een van de heeren vertelde het aan mevrouw Hagen.

»Heb ik je gezegd dat hij gewond is bij dat gevecht? Maar aan die wond zou hij niet sterven; ’t is die vreeselijke malaria, die hem vermoordt. De dokter geeft weinig hoop; goddank, dat ik hier ben om zijn laatste dagen te verzachten. Het zal hem aan niets ontbreken. O, als ik hem nog redden kon! hij heeft zoo’n sterk gestel en, niet waar, de zeelucht doet soms wonderen!

»Vaarwel, lieve, ik kan hem niet langer alleen laten; de koorts komt op en hij roept om me.

»22 April.

»Hoeveel keeren was ik reeds van plan je te schrijven. Maar je weet niet hoe mijn tijd wordt in beslag genomen door onzen armen zieke. Ik heb nu mevrouw Hagen verzocht bij hem te gaan. Zij zou me zeker meer helpen, maar zij souffreert voortdurend aan zware hoofdpijnen—een vorm van zeeziekte, zegt de dokter,—en alleen wanneer de boot bijna stil ligt, zooals nu, voelt ze zich wel genoeg om boven te blijven. Wij hebben anders geen klagen over de sterke beweging: bijna altijd een kalme zee, het mooiste weer dat men zich wenschen kan, een prettige commandant en een goede geest onder de passagiers (tot nog toe): dus, daar ook de tafel en de bediening weinig te wenschen overlaten, alles wat men aan boord eischen kan.

»In den toestand van James is nog niet veel verandering gekomen: alleen verbeeld ik me dat hij in deze vier dagen iets minder zwak is geworden, maar och, misschien schijnt dit maar, omdat ik geloof wat ik hoop. Als hij geen koorts heeft—want dan zou zijn gekreun de andere passagiers hinderen—ligt hij op het dek en zit ik met een boek of handwerk bij hem. Meest moet ik voorlezen, of anders praten. Maar in zijn half dommelenden toestand heeft hij geen recht begrip van tijd meer en als ik dan, soms na een uur, ophoud, dan is het: »Ben je nu al moe, Nita? Toe ik hoor je stem zoo graag; als ik je stem hoor, voel ik geen pijn.«