Bogoriana: Roman uit Indië

Part 24

Chapter 243,946 wordsPublic domain

»Nu ja. Maar we weten het toch... ’t zou niet best gaan met een nieuwen secretaris, die zich ook nog overal moest inwerken, geloof je wel?«

»Dat is zijn zaak. Daar laat ik me niet aan opofferen.«

Weer volgt een lange stilte, slechts afgebroken door het geluid zijner voetstappen op den marmeren vloer; dan, als mevrouw Verschuere meent dat het gezicht, in den laatsten tijd zoo zorgvuldig bestudeerd, wat minder boos staat, komt ze hem wederom op zij en steekt haar hand door zijn arm.

»’t Kon heerlijk zijn, Gus. ’t Is waar, ’t zal me aan het hart gaan Buitenzorg te verlaten...«

»Och, wat is een plaats nog, als de goede vrienden weg zijn?«

»Dat is zoo. En je zoudt zoo’n gemakkelijk leventje hebben in vergelijking van nu. Maar ’t is toch, geloof ik, beter dat we er ons nog niet te veel op verheugen.«

»En waarom? Heb ik den prijs niet verdiend? Me dunkt, ik heb er recht op.«

Ze glimlacht even. »Niet de ijverigste leerlingen worden het best beloond. Als je oom nog de prijzen uitdeelde...«

»Mijn oom! Mijn oom! God, Nita, begin je ook al mee te schreeuwen met den grooten hoop? Moet ik het nu van mijn eigen vrouw hooren?«

»Wat toch, lieve?« vraagt ze ontsteld door dien toon.

»Wel, dat ik niets ben, niets kan, niets beteeken zonder mijn oom? Ik zeg je eens en voor altijd, Nita dat ik het niet hooren wil! Het verveelt me. Ik vind het ondragelijk, dat die »oom de minister« altijd wordt genoemd als de macht die te beslissen heeft over mijn toekomst. Ik ben zelf die macht. Zelf, versta je me?«

Mevrouw Verschuere antwoordt niet; ze weet niet recht hoe te antwoorden, als ze wordt toegesproken op een wijze als deze; het valt haar nog altijd vreemd, hoewel het niet de eerste maal is... O neen, in de laatste maanden, in de laatste weken vooral, heeft ze kunnen leeren zich te gewennen aan toornige, harde woorden. Ze neemt haar handwerkje op, terwijl haar man met brommend geluid een plotseling einde maakt aan zijn wandeling en zich in den luierstoel werpt, maar de fijne vingers beven te zeer dan dat ze er mede kan voortgaan, en met een steelschen blik op het somber gelaat tegenover haar denkt ze terug aan den tijd, die haar nu bijna gelukkig toeschijnt, toen hij thuis kwam; ook vermoeid en afgemat, maar tevreden over de volbrachte dagtaak, voldaan over de oplossing van een of ander moeilijk vraagstuk, verrukt over de samenwerking met den landvoogd, die, zoo ze in meening verschilden, gaarne van gedachten wisselde en nooit ongenegen was om, zoo noodig, zijn opinie prijs te geven; naar den tijd toen hij, bij al zijn drukten, toch steeds een vriendelijk woord voor haar vond, toen hij nog beloven kon meer voor haar te worden, toen ze nog niet de treurige zekerheid had, dat hij minder voor haar werd, steeds minder en minder.

O, die belofte! Had hij haar nooit gegeven, de teleurstelling zou minder groot geweest zijn! O, die onvergetelijke dagen in Tjipanas! Had ze nooit het genot gekend van hem onverdeeld te bezitten, misschien was het het haar dan nu niet zoo zwaar gevallen afstand van hem te doen. Toch, elken dag beproeft ze met nieuwe krachtsinspanning, of ze niet leeren kan zich te schikken... ze weet immers dat zijn knorrig humeur slechts de reactie is van den dwang, dien hij zich moet opleggen in de tegenwoordigheid des landvoogds; ze weet dat de andere dames ook haar mannen van de secretarie thuis krijgen, zenuwachtig, overspannen, prikkelbaar... Ze vermant zich ook nu, ze verzet zich tegen het moedeloos gevoel dat zijn onvriendelijkheid altijd bij haar wekt en spreekt bijna vroolijk:

»Kom, manlief. Het is zoo’n heerlijke avond... laten we eens probeeren of een wandeling ons geen goed zal doen... ik geloof dat we beiden wat ontstemd zijn.«

Hij geeft na een kleine aarzeling toe en weldra dwalen ze door de eenzame lanen, arm in arm, langzaam, zachtjes sprekend, somtijds zwijgend, zooals ze het gaarne doet; de sterrenhemel strooit zijn gouden vonken over het glanzig groen en deelt het iets mede van zijn tooverachtigen gloed. Wat Agnita had gehoopt geschiedde: in die liefelijke omgeving, in die bedarende stilte week Verschuere’s geestelijke vermoeidheid; het oog gericht op de blauwe lucht, vergat hij de grieven die hem daareven vervulden.

Met de zusterlijke teederheid, die bij lieve vrouwen zulk een wijding geeft aan den echt, leidt Nita nu zijn gedachten in vriendelijke richting; wat zijn de Hagens veel voor hen geweest, zoolang ze het voorrecht hadden hen te kennen; wat was mevrouw altijd hartelijk voor haar en mijnheer vol lieve attenties... wat zullen ze hen missen.

Langzaam gaan de vrienden en kennissen, die binnen een kort tijdsverloop Buitenzorg verlieten, aan hun geest voorbij; Amalia, die hen zoo dankbaar was en, dit herinnert het kleine vrouwtje zich niet zonder trots, zooveel ernstiger, zooveel beter gestemd was toen ze van haar afscheid nam om, gelouterd door geleden smart, een nieuw leven te beginnen in het vaderland; Van Waliënhove, om in de hoop op zijn zonen kracht te putten voor het verdragen der martelingen van zijn huwelijksleven; Van Beevelant en Clotilde, om in de Palmenstad het beste te vinden wat de wereld geeft; James om het oorlogsveld te zoeken wat misschien na liefdesgeluk het beste is: vergetelheid in plichtsbetrachting.

En dicht aan elkaar geleund, opziende naar den avondhemel, komt over hen dat weemoedig gevoel van veranderen en verdwijnen, van alleen achterblijven; het treurig bewustzijn hoe alles slechts voor korten tijd, slechts voorbijgaande is, de donkere schaduw op ons zonnig Indië, maar die, Gode zij dank, hen wier bestaan verbonden werd door onverbreekbare banden, steeds nauwer vereent, steeds inniger samenhecht juist door het voorbijgaande van al het andere.

Het is voor de heeren dagbladredacteurs altijd een buitenkansje wanneer een hooge betrekking openvalt, maar van dit buitenkansje konden ze dan al bizonder goed profiteeren. De benoeming bleef uit. Dit gaf gelegenheid om nu eens dezen dan genen ambtenaar aan te wijzen als den vermoedelijken vice-president, om, voor het geval van deze of gene benoeming, de prachtigste combinaties uit te denken om de regeering voor te lichten, haar te wijzen op het gevaar dat zulk een keuze, het voordeel dat een andere keuze hebben zou; dit alles met een ijver en een goeden wil, die bij andere koloniale aangelegenheden het bestuur zeker ten goede zou zijn gekomen.

Omtrent het nieuwe lid in den raad van Indië—voor het geval dat de vice-president uit dat regeeringslichaam gekozen werd—twijfelden alleen zij, die voor zich zelf of voor familie iets hoopten, de publieke opinie hield vrij algemeen Verschuere voor den aangewezen persoon. Ook maakte ze met de openhartigheid, die, in de couranten vooral, wel eens tot onbescheidenheid overslaat, geen geheim van die overtuiging. Maar met de macht die hij bezit over iederen trek van zijn gelaat, met de kalmte die hem, waar hij zulks noodig acht, ieder woord doet wegen voor hij het uitspreekt, wist de algemeene secretaris zelfs voor zijn naaste omgeving te verbergen, wat hij van de zaak dacht.

Alleen zijn vrouw wist hoe hij alle phasen van spanning doorliep, hoe hij nu eens door een woord van den landvoogd schrikte of door een bericht uit Batavia zich volkomen voelde gerustgesteld, dan weer door een tijding uit Holland of een los daarheen geworpen woord van machtige lippen meende alles te moeten vreezen, om eindelijk zich te voelen overmeesteren door dien twijfel, die zonder dat men er een bepaalde oorzaak voor zou kunnen noemen, aan den vooravond van belangrijke gebeurtenissen ons hart kan komen binnensluipen.

Het duurde zoo lang voor de zaak beslist werd, dat de dagbladen gingen aantoonen hoe eigenlijk een vice-president onnoodig mocht heeten, daar toch welbeschouwd de geheele raad van Indië alle recht van bestaan miste. Dit onderwerp werd uitgeput; onmachtig om hierna nog veel nieuws te zeggen, waren juist de redacties begonnen elkanders pretendenten af te breken, toen er uitkomst kwam.

Twee telegrammen. Het eerste hield in de benoeming tot ridder van den Nederlandschen Leeuw van den directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid, J. G. Heylerts.

Het tweede benoemde tot vice-president in den raad van Nederlandsch-Indië het lid in dien raad mr. L. B. F. V. van Sonnefelt.

De onderscheiding den directeur te beurt gevallen, gelijkt, bewezen aan iemand die in aanmerking zou kunnen komen voor pensioneering, op de hulde die de vos de kraai brengt wanneer het stuk kaas moet vallen: de heer Heylerts nam haar dan ook op met de stoïcijnsche kalmte, waartoe een veelbewogen huwelijksleven sommige mannen brengt, terwijl mevrouw haren »vriend« blikken toewierp gelijk aan die van het slachtoffer, over wiens lijk de overwinnaar zijn victorie tegemoet snelt.

Geen twee weken later bleek er eenige reden voor die weinig opgewonden stemming in den huize Heylerts.

De Javasche Courant, het officieel nieuwsblad, meldde in zijn rubriek: Civiel departement: ontslagen: eervol, op verzoek, onder dankbetuiging voor de diensten den lande bewezen, J. G. Heylerts, directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid.

Geen week later las men onder diezelfde rubriek: benoemd tot lid in den raad van Indië D. de Bruining, hoofdambtenaar met verlof.

Ware Gustaaf Verschuere een zwak man geweest, hij zou verlichting gezocht hebben in schelden op de onrechtvaardigheid dezer benoeming, in verkleinen van den benoemde, in dreigen zelfs met het vragen van verlof of het nemen van zijn ontslag; hij zou troost hebben gevonden in de sympathie zijner vrienden, vergetelheid in de teedere armen, die verlangender dan ooit zich naar hem uitstrekken;—nu hij een sterk man was, zweeg hij en glimlachte en roemde de bekwaamheid van het nieuwe raadslid, zijn ouden vriend; nu lag er iets in zijn persoonlijkheid, dat zijn vrienden dwong het betoon hunner deelneming te bepalen tot het geven van iets hartelijker handdruk dan gewoonlijk; nu keerde hij zich af van het gezichtje, naar hem opgeheven om hem te zeggen dat ze met en voor hem voelde; nu wilde hij zelfs haar niet bekennen wat dit voor hem was; nu koesterde hij met hoonenden lach de bitterheid, die in een trotsch, nog nimmer vernederd hart gewekt wordt door teleurstelling.

XXXVII

HET LEED VAN EEN STERK MAN.

De nieuwe vice-president is geïnstalleerd, de oude naar Soekaboemi vertrokken, om daar het oogenblik af te wachten dat in Holland de winter voorbij en het seizoen meer voor verlofgangers geschikt zal zijn; luitenant Van den Bosch werd overgeplaatst naar Atjeh; Gertrude bleek er op gesteld hem te volgen, zoodat wanneer de Meimaand eenmaal daar is, het den Hagens niet al te zwaar zal vallen Indië te verlaten.

Wat is hun het mooie huis op het Koningsplein, nu ze geen dochter meer hebben om het gezellig te maken; wat is hun de schoonzoon, nu hij van de eene garnizoensplaats naar de andere zal worden gevoerd; wat Batavia, nu een vreemde eerste luitenant met een vreemde jonge vrouw de vriendelijke kampementswoning heeft betrokken?

Tot directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid is, in plaats van den armen ridder, die met stille trom, zijn vrouw en zijn leeuwtje vertrok, de eerste gouvernements-secretaris Verdijk benoemd en Buitenzorg heeft het wonderlijk feit zien gebeuren dat mevrouw Verdijk in een vreeselijke onweersbui uitreed... ’t was om Zijn Excellentie te bedanken. Deze benoeming heeft nog al ontevredenheid gewekt; men zag er het bewijs in, dat voortaan minder rekening zou worden gehouden met verdienste en recht dan met vrouw en invloed—en aan dezen nieuwen toestand wilde de indische ambtenaarswereld zich maar niet zoo dadelijk gewennen.

Te bestemder tijd is ook het nieuwe lid in den raad van Indië uit patria teruggekeerd en beëedigd.

De uitnoodiging hun door hun oude vrienden, de Verschuere’s, gedaan om eenigen tijd op Buitenzorg te komen doorbrengen, was uiterst welkom: de heer en mevrouw De Bruining verlangden niets liever dan Buitenzorg terug te zien, Buitenzorg, waar ze eenmaal gelukkig geweest zijn; immers, ze beseften het toen nog niet, maar ze weten het nu: allen bij elkaar te zijn, dat is geluk!

Ze hebben hun vijf jongens moeten achterlaten... op uitmuntende scholen, bij lieve familie, voor hun eigen bestwil, o ja! maar ze hebben ze moeten achterlaten, en Daan is grijs als een oud man, en wanneer Louise een jongen in een blauwe kiel en broek ziet, wendt ze het hoofd af om niet uit te barsten in tranen.

Ze willen op Buitenzorg zijn, om de plekjes te bezoeken waar de jongens speelden, waar ze hun kattekwaad uitvoerden, waar ze zoo wild stoeien, zoo levensgevaarlijk vechten konden, waar ze zoo ondeugend waren, maar—fluistert de moeder—toch ook zoo lief...

Indien het mogelijk ware dat een vrouw zich troostte over het kinderloos blijven van haar echt, dan zou Agnita zich dezer dagen vertroost gevoeld hebben bij het aanschouwen van dien aan waanzin grenzenden angst, wanneer de mail moest aankomen; van die oogen vol smartelijk verlangen, die over bergen en zeeën schenen te willen doordringen in het hollandsch huis, waar men haar schat verborg. Louise en haar veel jonger zusje waren meegekomen, innerlijk en uiterlijk zeer in haar voordeel veranderd door geregeld schoolgaan, frissche winterkou en goed gemaakte japonnen—er zijn menschen geweest die vroegen waarom de ouders maar niet meteen de meisjes achterlieten!—De heer en mevrouw De Bruining hebben voor haar een gouvernante geëngageerd.

»Een gouvernante!« roept Nita verbaasd, als haar vriendin haar dit mededeelt. »Ik dacht dat je een duren eed hadt gezworen om nooit, nooit meer...«

»Ja, dat had ik ook... O, maar dit is een puikje. Heel wat anders dan de bonnetjes, die ik tot nu toe gehad heb. Ofschoon, daar waren ook wel goede bij... als ze maar niet altijd iets gevoeld hadden voor trompetters!« zucht Louise.

»Heel wat anders... een dochter van een overste, geëxamineerd in drie talen, hoofdonderwijzeres, niet zoo piep jong meer, erg bekwaam en—nu ja, aan boord was ze wel een beetje opgewonden, maar anders... erg fatsoenlijk.«

Arme Louise, die zich over zoo iets illusies maakte! Alsof juffrouwen met vier akten niet precies wisten hoe men een goedgeloovig indisch ouderpaar kan gebruiken om den overtocht te betalen, die liefst moet eindigen in de huwelijkshaven, en zoo dat niet vlot, om, gesteund door een of andere familie, hetzij dom, hetzij laag genoeg om zich tot de comedie te leenen, zich onmogelijk te maken en een breuk uit te lokken. Dan kan ze overgaan bij het gouvernement, het gouvernement, dat Dorado voor onderwijs gevende jonge dames, niet omdat het pensioen verzekert of verlofstraktement—wie, die jong is, denkt aan oud of ziek worden!—niet omdat het zoo genoegelijk is dagelijks vijf uur te staan voor een klas van opgeschoten lummels, of aan half maleische kinderen het a. b. c. te leeren, maar omdat het vrije leven van commensaal meer dan de huiselijke kring gelegenheid geeft tot »la chasse de l’homme«.

De nieuwe gouvernante behoorde geenszins tot de weinige uitzonderingen die op dezen regel voorkomen, en Nita had bij al haar huiselijke drukten wel gelegenheid om op te merken: de onrust van het jonge meisje, die scheen te denken dat haar geluk op straat moest gevonden worden, den toon harer leerlingen, die als het ware met den dag minder eerbiedig werd; de overdreven, bijna ziekelijke teederheid die de beroofde moeder wijdde aan de twee kinderen, welke men haar gelaten had; het nu in alles flink en manlijk optreden van dienzelfden Daan, aan wien ze nooit anders dan met een medelijdend lachje had gedacht, omdat ze hem niet anders dan in zijn verval had gekend, maar vooral den kieschen takt dien Verschuere bij de ontvangst zijner gasten toonde.

De heer De Bruining toch, met de fijngevoeligheid die hem zoo beminlijk maakte, gevoelde zich bezwaard door de gedachte dat zijn verheffing een misrekening was geweest voor zijn vriend. Maar deze wederlegde al zijn bezwaren.

’t Is waar, men had hem genoemd, maar hij zelf had geen oogenblik gedacht aan de waarschijnlijkheid van zulk een keuze; er kon immers geen sprake van hem zijn! ’t Was toch reeds een wonderbaarlijk snelle promotie geweest die hij maakte; zou men hem dan zijn tegenwoordige betrekking zoo kort laten bekleeden? Dwaasheid! Onmogelijk!

»Maar de pers...« zei de Bruining met een benauwd gezicht.

»Ja, de pers,« stemde Verschuere lachend toe; »maar heeft het u nooit toegeschenen dat de regeering altijd iemand anders kiest dan de pers, al ware het om te bewijzen dat die geheel verkeerd is ingelicht?«

»Maar de publieke opinie!«

»Ja, dat was me weer een nieuw teeken van de frivoliteit onzer indische maatschappij; men had u eenvoudig vergeten, u en uw oudere rechten. U waart dan ook al meer dan twee jaar weg!«

»Zie je, het kwam ons zoo gelegen«, brengt De Bruining nu ter verontschuldiging bij, en Louise keert haar vriendelijk gelaat tot Nita met de vraag: »Het heeft je toch niet te erg gespeten?«

Nog vóór zijn vrouw heeft kunnen antwoorden, roept Verschuere: »Haar? Ze beklaagt zich nu al dat ze bij officieele gelegenheden altijd naast oude heeren wordt geplaatst. Wat zou het dan wel zijn!« En zijn lach is daarbij zoo natuurlijk, zijn scherts schijnt zoo welgemeend, dat het nieuwe raadslid volkomen is gerustgesteld.

Nita bewondert Gustaaf’s zelfbeheersching, al doet het haar pijnlijk aan, dat ze getoond moet worden ten koste van de waarheid. Hoewel nog altijd niet zeer bekwaam in het verbergen harer gevoelens, weet ze nu toch reeds genoeg van de wereld, waarin ze leeft, om er in de gegeven omstandigheden het noodzakelijke van in te zien: alleen wenscht ze dat hij het masker, bij vreemden gedragen, bij haar had afgeworpen.

Maar er iets gekomen tusschen hem en haar, iets als een muur. Een groot leed, te zaâm gedragen, kan een sterk man nader brengen tot een zwakke vrouw; een teleurstelling zal hen bijna altijd vervreemden.

Nooit meer dan in deze dagen was Verschuere de strijdbare, werkzame, zich zijner meerderheid bewuste man geweest. Zonder zich ook maar één oogenblik te laten ontmoedigen ging hij, getrouw aan zijn leuze: »hoe grooter de tegenstand, hoe schitterender de overwinning,« af op het doel dat hij zich voorstelde... Had Nita naast hem kunnen gaan, had ze haar oog kunnen vestigen op datzelfde doel, had ze over dezelfde stalen zenuwen, denzelfden ijzeren wil kunnen beschikken, hij zou van haar een reismakker gemaakt hebben. Maar zijn vrouwen altijd sterk genoeg om te dragen, ze zijn soms te zwak om onmiddellijk na een slag den nieuwen strijd aan te binden. Voor haar was de slag zwaar geweest.

Hoewel niet eerzuchtig, bleef de kans op Verschuere’s lid worden in den raad van Indië altijd het lichtpunt, waarop ze met stil verlangen den blik gevestigd hield.

Honderd malen had ze zich zelve bemoedigd door de woorden te herhalen, eens door mevrouw Hagen gebruikt: »de betrekking van algemeen secretaris is het vagevuur dat we met onze mannen moeten doormaken om in het paradijs te komen,« en nu waren de deuren van het paradijs gesloten!

»... tot ze weer opengaan,« had Verschuere gezegd met zijn gewone opgewektheid, maar och, ze wist het, een plaats in den raad van Indië komt niet alle dagen vakant: er zijn voorbeelden van leden, die er haast een kwarteeuw zitting in bleven houden. ’t Zal nu wellicht weer jaren duren, en jaren, dit gevoelt ze, kan zij niet meer wachten!

Er was iets in haar treurigheid dat hem ontstemde: haar zachte, droevige blikken hinderden hem; hij wilde dat de vrouw, die hij zich verkoren had geen oogenblik twijfelen zou aan zijn toekomst; zoo iemand moedig en onbevreesd kon wezen, zoo iemand willig offers brengen kon, dan moest zij het zijn.

Maar—gelijk hij knorrig tot zich zelven zeide—hij werd niet door haar begrepen, zij was niet berekend voor de plaats die ze innam. In stede van hem te bewonderen, dat hij zijn onder dit bewind zoo weinig dankbare taak met onverflauwden ijver vervulde, noemde ze het zijner onwaardig zulke meesters te dienen. Te vergeefs had hij beproefd haar te doen begrijpen, dat de door den staat bezoldigde ambtenaar zijn diensten moet praesteeren, ook al druischen de bevelen der lastgevers in tegen zijn overtuiging; ze hield vol dat men eerst denkend wezen, daarna ambtenaar is. Ook beoordeelde ze den nieuwen landvoogd naar den maatstaf dien men op Bloemduin gebruikte, en kon of wilde ze zich niet schikken naar den toon, die sedert kort heerschte in de hofkringen; kortom, hij vond in haar niet langer wat hij in zijn vrouw zocht.

En ze wist het. Ze wist het hoewel hij het harde woord nog niet over de lippen had gebracht; ze las het in zijn oogen, ze hoorde het in zijn stem, ze voelde het in zijn liefkoozingen.

Er is geen pijnlijker ontdekking dan deze voor de vrouw die bemint, en geen meer gevaarlijke tevens. Want ze ontrooft haar het natuurlijke, die grootste bekoorlijkheid in het oog van den man.

Agnita werd op eens beschroomd, weifelend; ze durfde niet meer ronduit spreken; het zelfvertrouwen dat de zekerheid van zijn liefde haar geschonken had verdween; ze verloor het kinderlijk ongekunstelde, dat haar zoo aantrekkelijk had gemaakt. Bevreesd nog meer te verliezen, was zij niet langer zich zelve, en niets kon meer in haar nadeel wezen dan dat.

Wel verzette ze zich met al wat in haar was tegen het beklemd gevoel, dat haar in Verschuere’s tegenwoordigheid overmeesterde gelijk de koude den in sneeuw en ijs verdwaalden reiziger; wel trad ze hem soms tegen met den ouden vertrouwden lach; wel drong ze hem een enkele maal haar te vergezellen op een wandeling of rijtoer; wel nam ze, hoewel met vreezen en beven, nu of dan het oude plaatsje in, dicht bij zijn schrijftafel; wel sloeg ze somtijds in vertwijfelende teederheid de armen om zijn hals,—de schoonheid van dat blozend gezichtje in zijn gouden lijst, de zachte ronding dier blanke armen mocht hem dan voor een oogenblik vervoeren, het wederzijdsch vertrouwen keerde niet terug.

Juist in deze dagen leed ze onder een lichamelijke gedruktheid, een gevoel van onbehagen, waarvoor ze te vergeefs een oorzaak zocht en waarover ze dokter Bosschaert niet wilde raadplegen; ze wist wat zijn eerste gedachte zijn zou en ze was het moe, gevleid te worden met een hoop, die toch nooit vervuld scheen te mogen worden. In deze zwaarmoedige stemming, in de pijnlijke ongevoeligheid van haar gewond hart, gaf ze aan ieder woord door hem in overspanning of drift gesproken een veel dieper beteekenis dan het verdiende; met groote nauwgezetheid, gevolg eener ernstige, godsdienstige opvoeding, zocht ze voor zijn gedrag de oorzaak in haar eigen tekortkomingen. Ze dacht er geen oogenblik aan hem te beschuldigen, ze beschuldigde alleen zichzelve. En onder die zelfbeschuldiging leed ze, wat een vrouw die liefheeft lijden kan.

XXXVIII

HEIMWEE EN LIEFDE.

»Gustaaf!«

De algemeene secretaris hoort niet: haar stem, altijd zacht, komt nu als een verzuchting uit de beklemde borst; en hij is verdiept in de verslagen van de Tweede Kamer, daareven door de mail aangebracht.

»Verschuere... luister eens... ik heb je iets te vragen.«

Hij legt zijn lectuur neer, een weinig ongeduldig, want juist las hij een zeer belangwekkende speech van een zeer belangwekkend afgevaardigde.

»Nu?« vraagt hij, als ze zwijgen blijft.

»Je moet er niet verwonderd over wezen... of boos... of bedroefd, maar ik zou... ik zou graag...«

Ze beeft zoo, dat ze niet voort kan gaan. Eerst was hij nog te zeer vervuld van het Kamerverslag, maar nu hoort hij de trilling in haar stem, nu ziet hij de vreeselijke spanning in haar gelaat.

»Wat is er?« vraagt hij verbaasd. »Kind, antwoord me! Hoe ben je zoo ontdaan?«

Vergeefs beproeft ze een woord uit te brengen; vriendelijk, met een zweem van de oude teederheid, begint hij:

»Je hadt me iets te vragen, kleintje... Komaan, daar zie je toch niet tegen op?«

Geen antwoord.

»Weiger ik je dan zoo dikwerf iets?« Hij nadert en legt haar zacht den arm om het midden en neemt haar ijskoud handje in de zijnen.