Part 27
»Wat ik je nu te vertellen heb is zoo verrukkend, zoo onbeschrijfelijk heerlijk, dat ik haast niet weet, hoe ik ’t je zeggen zal. Gustaaf, onze liefste wensch wordt vervuld! Eindelijk is al mijn twijfel veranderd in een zalige overtuiging: mama weet ’t zeker, de dokter weet ’t zeker, en ik begrijp nu, dat ik het zelve reeds lang zeker geweten heb—maar dat ik ’t alleen niet durfde gelooven. Als je dezen ontvangt, behoeft het nog maar enkele maandjes te duren en je kleine Nita is een gelukkig moedertje. O, als ik een kindje heb, dan kom ik gauw weer bij je terug, dan geloof ik dat ik ’t je niet meer lastig zal maken, dan zal ik niet meer eischen dat je om mij je werk verzuimt... Als ik een kindje heb! Lieveling, ik weet wel dat je niet gelooft zooals ik, maar, niet waar, als je dit hoort, dan zul je toch ook danken? toch ook bidden?
»Het is wel treurig dat we in dezen tijd niet bij elkaar zijn—bij een groote vreugde verlangt men zoo naar den liefste;—maar mama zegt, dat een vrouw in mijne omstandigheid beter bij haar moeder is dan bij haar man. Ik spreek het maar niet tegen: Ik heb je toch bij me. Weet je nog, het was in dezen zelfden tijd van het jaar... de kersenboomgaarden stonden in bloei en de dennen kregen die lichtgroene pluimen en er dreven ook witte wolkjes aan de lucht, en we hadden ook een groote zaligheid in het hart... ik zoek onze lievelingsplekjes op en de stille eenzame paadjes; soms is het me of ik je arm weer voel om mijn midden, of ik weer naar je moet opzien en een kus krijgen... Ik weet niet wie me laatst vroeg, of ik je portret meenam op die eenzame wandelingen... Alsof dat noodig was!
»Je kunt je van de opgewondenheid der tantes geen denkbeeld maken: tante Mina is er wel een beetje indiscreet mee: ze schreeuwt het iedereen toe, met die vreeselijk harde stem van doove menschen! Tante Bettemie haalt me aan en kust me en vermaant me voorzichtig te zijn—alsof ik dat niet was—en verheugt zich dat ze nog het kind van háár kind—ze heeft langzamerhand je mama geheel weggedacht—zal mogen omhelzen vóór haar dood. Maar tante Dorothée heeft haar blijdschap op nog eene heel andere wijze getoond; tante Dorothée heeft iets gedaan, dat papa de verstandigste streek van haar geheele leven noemt, iets waarvan je zeker evenals ik, niet weinig verheugd zult ophooren, ze heeft onzen jongen—want een jongen zal het zijn, daarover zijn de drie oude dames het eens—ze heeft onzen jongen tot universeel erfgenaam gemaakt! Je weet, ze hadden, opgewonden door de freules Van Haastert, twee derden van haar fortuin vermaakt aan instellingen tot dierenbescherming. Welnu, zij heeft van haar invloed als oudste en verstandigste gebruik gemaakt om ook de beide andere tantes te bewerken. Gister was de notaris bijna drie uur hier: het testament is veranderd en het geheele fortuin voor ons. Nu, wat zeg je daarvan? De tantes verwachten van me dat ik, nu ik eenmaal op den goeden weg ben, me door niets zal laten weerhouden om de wereld met minstens een half dozijn jonge Verschuere’s te begiftigen; is het geen heerlijk vooruitzicht dat we nu rijk genoeg zullen zijn om ons die weelde te veroorloven? Is het niet een gelukkig leventje, dat ons wacht, later, als je gepensionneerd zijt, op dit mooie landgoed, te midden van dit goedige volk, dat hun nieuwen heer op de handen dragen zal?«
»4 Juni.
»Met de Fransche, met de Hollandsche en met de Engelsche mail kreeg ik in den tijd van één week drie brieven van je; heerlijke, lange, innig lieve, die ik meeneem op de wandeling en neerleg onder mijn hoofdkussen om, als ik de hand er naar uitsteek, ze te hooren kraken en me te zeggen dat mijn droom is vervuld, dat je naar me verlangt, dat je me mist, dat je me terugroept... en dat ik ze allen zou kunnen achterlaten om tot je terug te keeren. Maar toen je zoo schreef, en toen ik zoo droomde, toen wist ik nog niet van het kindje. En nu zeggen alle wijze menschen, dat het binnen het jaar die groote reis niet maken mag. Hoe kan ik nu tot je komen? O, Gustaaf, hoe moet dat gaan? We zijn nu pas zoo kort gescheiden en beiden schijnt het ons reeds zoo lang... je zegt dat je niet zonder me leven kunt... ik heb het al wel honderdmaal gelezen en herlezen, maar als je niet zonder me leven kunt en als ik zoo dwaas verlangen kan, dat ik al het goede en lieve wat me hier omringt vergeet, wat moet er dan van het arme kleine kindje worden? De oudelui nemen ’t me gelukkig niet kwalijk, dat ik van die oogenblikken heb, ze vinden het niet meer dan natuurlijk; soms verbeeld ik me dat ze er zich zelfs over verheugen. Er is één ding dat me hier hindert, Gustaaf. De menschen denken zoo vreemd over een scheiding van man en vrouw. Bij ons in Indië dwingen de omstandigheden dikwerf de gelukkigste paren, om, hetzij voor gezondheidsredenen, hetzij voor de opvoeding der kinderen, elkaar voor korter of langer tijd te verlaten. Van zulke toestanden kan men zich hier geen denkbeeld vormen; hier wordt het onveranderlijk beschouwd als een bewijs dat men ongelukkig is te zamen. Die nare boerinnen—ze kunnen me zoo meelijdend aankijken! Ja, onze goede moeder zelfs! Er is in haar teederheid voor mij iets anders dan in die voor de zusters; ’t is of ze gelooft dat ik het dubbel behoef. Ik kan je niet zeggen hoe me dat hindert, langzamerhand begin ik te begrijpen dat in den grond van hun hart de oudelui en de tantes, niettegenstaande ons duidelijk schrijven, moeilijk hebben kunnen gelooven aan het feit dat ik alleen zou terug keeren; nu verklaar ik me ook papa’s vraag, toen hij aan boord kwam: »En—Verschuere?« Die lieve vader heeft me met geen enkel woord verraden dat het zoo’n groote teleurstelling voor hem was, maar Corrie heeft het me gister verteld. Je moet weten, Pa wordt oud en zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer is hem in den laatsten tijd niet meer, zooals vroeger, een genoegen maar een bezwaar; vooral die reizen heen en terug naar den Haag vervelen hem. Nu hadden de oude lui en de tantes samen bedisseld dat, als je meekwaamt, pa bedanken moest en zij met hun vereenden invloed zouden bewerken dat je gekozen werd in zijn plaats. Je zoudt dan wel voorgoed in Holland blijven, meenden ze. Zóó hadden ze zich met dat denkbeeld vertrouwd gemaakt, dat tante Mina het nog maar altijd niet op wil geven en, als we eens aandringen op verbetering van een of ander dat vervalt of verwaarloosd wordt, ze met de grootste kalmte antwoordt: »Dat moet maar wachten tot Gus komt!«
»Ik wou werkelijk dat je eens even kondt overvliegen om de kraamkamer te zien: hij wordt ontvangen als een koningskind, je jongen! Iedereen is reeds voor hem bezig; je moet er niet om lachen, liefste, maar tante Bettemie heeft al negen-en-dertig paar sokjes voor hem gebreid. Gisteren kwam tante Dorothée hier met een pak echte kant om het wiegje te garneeren. Ze was niet zooals anders, vond ik. De lieve oude vrouw, wat kuste ze me! Neen, ze was heel anders dan gewoonlijk... ze vroeg me tot driemaal toe om je te groeten.«
»22 Juli.
»Tante Dorothée is heengegaan. Ik begrijp dat het je, evenals ons, smarten zal. ’t Is waar, men kan verwachten dat eene vrouw van zes-en-zeventig jaar wordt weggeroepen, maar als ze nog zulk een engel is op aarde, dan valt het zwaar ze af te staan aan den hemel: er moeten er dáár zooveel zijn en we hebben er hier zoo weinig! Gelukkig heeft ze niets geleden; ze heeft alleen voorgevoeld dat haar uurtje daar was, en is gaan slapen met een glimlach om de lippen.
»Het is een groot verlies voor de familie. Met de doove Mien en de blinde Bettemie is weinig aan te vangen; ze zijn wel niet kindsch, maar toch sufferig en daarbij willen zij zich niet laten raden.
»Pa, de dominé, de dokter, de notaris, ieder heeft beurtelings zijn best gedaan om haar over te halen tot het nemen van een rentmeester, maar denk niet dat ze het gedaan kregen!
»En toch zou het volstrekt noodig zijn. Tante Dorothée was de eenige die nog een weinig toezicht hield, al was het lang niet genoeg. Sedert je, tijdens je verlof, orde op de zaken stelde is alles achteruitgegaan, zegt papa; het prachtige bosch wordt geplunderd, de bouwgrond brengt niet half op, wat hij zou kunnen opbrengen; de veestapel vermindert; de boeren maken zich met mooie praatjes van de pacht af. Ik zou me er wel wat mee willen bemoeien, maar het staat zoo hebzuchtig, zoo alsof we onzen tijd niet kunnen afwachten: ook is er een mannenhand noodig. Daar komt bij, dat ik me in den laatsten tijd moe begin te gevoelen bij de kleinste inspanning. Niet dat ik zwak ben of ziek! Integendeel, ik ben heel flink en volstrekt niet bang, ofschoon soms bitter bedroefd. De tijd valt lang als men gescheiden is van wien men liefheeft.«
»1 Augustus.
»Wat verdringt, in zoo’n groot gezin als het onze, het een het ander! ’t Is waar, tante Dorothée’s dood was eigenlijk geen gebeurtenis in ónze familie, maar ik geloof niet, dat ze door de Verschuere’s meer betreurd is geworden dan door de Van Suylichem’s. James en Corrie brengen nog dagelijks bloemen naar haar graf—mij is het verboden, ik denk toch reeds te veel aan den dood—en nu is het alweer feestvieren en vreugde in huis. Rudolf kwam eergister met glans door zijn candidaats. Hij is thuis en zooals het bij ons gaat met zulke gelegenheden, de broers en zusters komen van alle kanten aansporen, het geheele dorp neemt deel in zijne overwinning, alsof ieder die overwinning persoonlijk had behaald. Pa en ma zijn trotsch op den jongsten, maar niet den minsten hunner zonen. Ik geloof dat er spoedig weer een feestje te vieren zal zijn. Je herinnert je Kitty van der Elst, dat aardige blonde kind, het jongste dochtertje van den notaris, met wie ik James weleens plaagde? Nu, ’t blijkt dat de reden waarom ze een goede partij afsloeg en van geen uitgaan of trouwen hooren wilde, dat de reden daarvan onze neef was. Ze is flauw gevallen toen ze in de courant las van zijn eerste heldenfeit en heeft het tot driemaal toe op de zenuwen gehad bij zijn terugkomst; James is haar erg dankbaar voor die attenties; en, daar ze heel lief zingt en er beeldig uitziet, twijfel ik niet of hij zal spoedig waar maken, wat men reeds als een feit vertelt in Bloemduin, en haar zijn goed, trouw hart aanbieden.
»O, Gustaaf, ik vind mezelve zoo vreemd: ’t is of sinds kort al die dingen me veel minder interesseeren dan vroeger, ik deel maar half in hun lief en leed. Ik ben onder hen en toch zoo ver, zoo ver!
»Lieve, zou het waar zijn wat soms wordt beweerd, dat het kind gelijkt op dengeen aan wien de moeder altijd heeft gedacht...? Lieve, misschien zal ik er niet wezen om het je te zeggen, maar laat dan zijn gezichtje je de boodschap brengen, dat je mijn alles geweest bent, mijn alles!«
»9 Augustus.
»Gustaaf, ik ben het met de boerinnen eens: man en vrouw moeten bij elkaar zijn! Ik ben het met haar eens, als ze me voorbijgaan en medelijdend het hoofd schudden.
»O, liefste, dat ik ten minste nog maar de overtuiging had, dat mijn heengaan je van eenig nut is geweest. Maar je schrijft zoo treurig, zoo wanhopig soms... je werk verveelt je, je huis is je zonder mij een gruwel, het drijven en jagen van de Indische wereld walgt je, en, Gustaaf, ik weet dat door Annet Paerel, je ziet er slecht en afgemat uit. Ziek! en ik niet bij je!
»Nu strijden we onzen strijd ieder voor zich; is hij daarom lichter? O, ik kan ’t niet langer verzwijgen, ik moet het zeggen.. mijn strijd wordt me te zwaar. Ik ben wèl, dat is zoo, en ze overladen me met goedheid en liefde en ik moest gelukkig zijn om de groote vreugd die mij wacht; maar lieveling, ik verlang zoo naar je! Ik verlang zoo vreeselijk! Elken dag meer. Nacht en dag. Neen, ik wil het niet langer verzwijgen, ik sterf van verlangen! Naar je dierbaar gezicht, naar dien blik van je oogen, waarmee je me aanzag zooals niemand anders me aanziet en waarmee je me deedt trillen en gloeien en beven van zaligheid; naar den druk van je handen, naar de aanraking van je baard op mijn gezicht, naar dat woord van je lippen: »Nita, kind, engel!«... O, als ik je nog maar eens mocht zien, nog maar eens je stem hooren, nog maar eens je vasthouden in mijn armen! Dan zou ik weer moedig zijn! Nu ben ik bang! Bang om te lijden, zonder dat je bij me bent, bang om te sterven vóór ik je heb weergezien. Gustaaf, ik heb zoo verlangd om je dit te zeggen, ik wist, dat ik het niet doen mocht... ik wist dat je, als ik het zei, om mijnentwille nog meer verdriet zoudt hebben... maar—wanneer deze je bereikt, dan heb je het bericht reeds. Dan is alles reeds geheel anders, of alles voorbij!«
Telegram. Verzonden door den heer Van Suylichem te Bloemduin op 15 Sept. 188..
»Buitenzorg—Verschuere.
»Heerlijke jongen. Nita wèl.«
Telegram. Verzonden door den heer Verschuere te Buitenzorg op 15 Sept. 188..
»Van Suylichem—Bloemduin.
»Ik kom en blijf.«
AANTEEKENINGEN
[1] O wee!
[2] Toetie vraagt pap.
[3] Waar blijft de visch?