Bij ons in Noord-Holland

Chapter 6

Chapter 63,859 wordsPublic domain

De Maandagmorgen-atmosfeer is, na de zondagsche opsparing van werkvermogen, geladen met menschelijken arbeidsdrang. Ziet, hoe de doorbrekende ochtendgloor uit alle schuilhoeken het leven doet tevoorschijn springen. Het golft van de aarde op, den dageraad tegemoet. De rose lucht trilt van den jubel der uitbarstende menschenkracht. De buurt doet de wederopstanding van den arbeid kond met deurengeklep, stemmengeroep, klompengeklots, watergeplomp, wielengeknars, hondengebas, kindergejoel, emmersgegooi, mattengeklop, vatengeschuur, morgengegroet.

Op iedere plek, die het ochtendrood aanroert, ontstaat op datzelfde oogenblik lustig vertier. Ook op ons eendenerf. Het opeengedrongen eendenvolk ontwaakt. Er gaat een zachte deining door het veld van dons; tegelijk steken zich daaruit de honderden groote snavels omhoog. Die klapperen onhebbelijk open en dicht bij het toesnateren van den ploertigen eendengroet aan de in luister verschijnende dagkoningin. Moeder, het paarse nachtjak nog aan en de gehaakte nachtmuts nog op, hangt de zondagsche kleeren te luchten aan de rij spijkers, die expres ten dienste van deze Maandagochtend-bezigheid in den houten achterwand van ons huis zijn geslagen. Aan het andere uiteinde van het erf dan waar moeder de jassen en de japonnen van den Zondag ophangt staat vader met een beugelnet nestvisch uit de kaar over te scheppen in de emmers. Maar van een afstand gezien, lijkt hij, terwijl de nestvisch in de zon blinkt, een toovenaar, die maar aldoor vloeibaar zilver opdelft uit een sprookjesdiepte en uitgiet in sprookjesvaten. Trijn haalt den eenen gevulden emmer na den anderen van vader weg, en wipt ermee over de hokschotten, ze geleidelijk uitstortende onder het gevederde volk van den altijddurenden hongersnood.

Vader wijst moeder uit de verte naar Trijn, zijn trots, zijn roem. Hij schreeuwt boven het eendengekwaak uit: "Moeder, het is "mirakel"!" In Trijn ziet hij zijn kermis-ideaal gehuldigd, 't welk luidt: "Bij nacht een man, ook bij dag een man!" Laten nu dezen vroegen Maandagmorgen haar wangen iets lichter dan meestal blozen en haar oogen iets matter dan doorgaans stralen, een onfrisch gezicht met doffe kijkers ziet er nog altijd heel anders uit. En dit flauwe spoor is er dan ook het eenige spoor van, dat zij twee derden van den jongsten nacht in de vreugd, en slechts het laatste derde in de rust is geweest. Desondanks vindt geen minuut na den gezetten tijd haar aan heur ochtendtaak, de hand rap, den voet vlug, het lijf lenig als immer of ooit. Daar zwelt vaders borst en zwelgt vaders geest van, en dat noemt hij "mirakel". En voor zooiets bestaat ook geen andere benaming.

Dit is het ontwaken van de werkweek, dat ik, zooals ik het u thans beschreef, gadesloeg, terwijl ik, staande in den post der achterdeur, mij een scheiding in het haar kamde. Wijl de spiegel in de kamer hangt, die moeder "gnap houdt", maken wij des ochtends op den tast ons toilet. Alleen mijn zuster Trijn doet het, als zij uit moet, voor den spiegel.

Toen de scheiding klaar was, was ik ook klaar.

Vervolgens liep ik langen tijd ons erf en het dorp rond, daarbij pijpen rookend. Ten slotte zag ik ook nog mijn kameraad Kreel.

Hij was juist opgestaan. Hij wiesch zich het hoofd aan den slootkant. Hij was welvergenoegd. Hij sprak van mijn zuster Trijn, en vertelde van het thuisbrengen in het rijtuig.

Mijn kameraad Kreel vertelt mij bijna altijd bijna alles.

Ik vroeg Trijn, toen ik thuiskwam, of zij Kreel mocht.

"Dien?" vroeg zij terug, met zulk een overvloed van minachting, dat het een wonder is, hoe iemand dezen in vier letters met een vraagteeken bergen kan. Voorts trok zij de wenkbrauwen in een boog, op de manier, die zij wel meer over zich heeft, en die mij, als ik dan mijn zuster Trijn aanzie, altijd, ik weet niet hoe, dwingt, aan een koningin te denken. En zij ging voort te vragen: "Dien? Dien "saggeryn"?"

* * * * *

Ziezoo, nu wentelen de raderen van het bezigheidsleven weer rond. Zes dagen verloopen, alle aan elkander gelijk, alle even druk, geen van alle overdruk.

De machine van de dagtaak houdt ons in gestadigen gang, en wij doen het de machine, totdat zij tegen den Zondag opnieuw langzaam uitsnort.

Thans andermaal loopt het raderwerk van den arbeid een dag lang traag, hoewel het bij ons in het eendengedoe nooit geheel stopstaat.

* * * * *

Mijn zuster Trijn heeft een lijdzame natuur.

Denkt niet, dat iemand haar heeft hooren morren, omdat aan dezen Zondag het kermisgenoegen van den voorafgaanden ontbrak. Integendeel, op de herinnering harer vriendin: "Aers op heden as vorige week!" haalde zij gelaten de schouders op.

Dit riep haar vriendin door ons venster, terwijl zij voorbijkwam met haar grootmoeder. Tevens stak zij haar kerkboekje omhoog, ter aanduiding, dat zij "naar de preek" ging.

Haar grootmoeder zegt: "Ter kermis, uitstekend! Maar ook ter kerk!" Haar grootmoeder is "puur" godsdienstig.

Wij zijn niet godsdienstig. Wij hebben daar te veel eenden voor. Maar wij zijn evengoed best.

Trijn was, toen haar vriendin langs ons raam ging, juist in huis terug van de eendenvoedering, die zij, gelijk gebruikelijk, met vader saam had ten uitvoer gebracht. Mijn vader, daarentegen, was nog wat op de "worf" blijven rondwandelen; dat is hem op den Zondagvoormiddag tot een liefelijk bedrijf. Ik bestudeerde in de woonkamer het ochtendblad. In het "achtereind" schilde moeder de aardappelen.

Trijn kwam naast mij op de knieën liggen, de ellebogen op de tafel. Als zij zoo doet, wil zij, dat ik haar uit de krant vertel. Dat deed ik. Inmiddels maakte zij alvast langzaam haar kapsel los, om zich straks te gaan opknappen.

Hierop kwam vader dit vredig Zondagochtend-tafereel eenigszins storen. Hij droeg een woerd, welken hij dood gevonden had, bij de pooten. Moeder, die den aardappelbak had neergezet, volgde vader onder zacht-droeve uitroepjes. Wij alle vier schaarden ons meewarig rondom den schoonen dooden woerd.

Hij gaf ons aanleiding tot een breedvoerig gesprek over de broosheid des levens van de eenden. Onder alle wezens, die er zijn, zijn de eenden het sterfelijkst. Een eend heeft geen ziekteverloop. In hetzelfde oogenblik, waarop men het een eend aanziet: "Gij lijkt wel niet goed te worden", valt zij om, en is reeds niet meer.

Ach, onze schoone doode woerd!

Onze sierlijke woerd, met den glanzigen blauwgroenen kop en de veelkleurige vlerken!

Want gij weet toch zeker, dat onder de eenden, en in het algemeen onder de vogelen, het schoone geslacht niet het vrouwelijke is, maar het mannelijke.

Aan het eind onzer beschouwingen maakte mijn vader met een touw, dat hij uit den zak haalde, een lus aan de pooten van den woerd. Daarmee ging hij den woerd tegen den voordeur-stijl hangen. Zoodra dan de opkooper van dergelijke artikelen voorbijkwam, zou deze kunnen zien, dat er handel voor hem was.

Gelijk de voormiddag, zoo werd ook de namiddag dezes dags door ons in betamelijkheid doorgebracht. Ik deed een fietstocht, en dronk onderweg bier, hoewel ik geen dorst had. Mijn zuster Trijn wandelde met haar vriendin heel den namiddag de dorpsstraat van eind tot eind op en neer, almaar onder gepraat; als zij samen zijn, praten zij steeds, hetzij tegelijk, hetzij om beurten. Mijn vader liet te bed zijn oogen wat beschieten, en mijn moeder, na het vaatgerei te hebben gewasschen en gedroogd, knapte een uiltje in vaders grooten stoel.

Des avonds bezocht mijn kameraad Kreel ons. Mijn vader kaartte met hem. Kaarten met uw bezoekers is aan te bevelen. Met wijsheid zegt mijn vader: ""Bijaldien" ge niet met hen kaart, wordt er maar kwaadgesproken." Ik las. Mijn zuster Trijn haakte. Mijn moeder keek naar het haken, totdat haar oogen strak werden, en toevielen. Het eenige, wat gesproken werd, was het annonceeren van de spellen door de twee kaarters. Vreedzaam zweefden de uren over onzen stillen avondkring heen. Moeders dommelhoofd wiegelde zacht heen en weder. Maar op een zeker oogenblik schokte haar hoofd op zijde, zoo opeens, dat haar halswervel er lichtelijk van kraakte. Dit deed ons allen van onze bezigheid opzien, en het maakte vader erop indachtig, dat het bedtijd was. Hij legde de kaarten uit de hand.

Dat deed Kreel ook. Maar deze gaf geen blijk van eenigerlei neiging tot vertrekken. Tevens boog mijn zuster Trijn zich dieper dan tot hiertoe over haar handwerk, en begon daaraan grooteren ijver te besteden dan zij er heel den avond nog aan ten koste gelegd had. Hieraan zagen wij, dat Kreels bedoeling met diens bezoek was, bij mijn zuster "de koffie te halen", zulks naar het recht des jonkmans, die een week tevoren met een jongedochter "te feest" is geweest.

En dus begaven wij, anderen, ons naar ons nachtverblijf.

Niet lang daarna zoemde een regelmatig ademhalingsduet van de ouderlijke legerstee naar de mijne over. Vader en moeder waren derhalve reeds op het droomenpad naar het morgen.

Langs de zolderbalken van het slaapvertrek glom een smalle lichtstreep, die gekropen kwam uit een kier boven de deur, waarachter de twee jongelui tezaam waren gebleven. Ik lag door het nachtgrauw naar de lichtstreep boven mijn hoofd te staren.

Vrij langen tijd hoorde ik mijn zuster Trijn stommelen in de binnenkamer. Zekere neventonen, die zich door haar gestommel mengden, maakten duidelijk, dat zij bezig was, den verschuldigden geurigen drank aan haar vereerder te bereiden en voorts toe te dienen.

Hierop rinkelde daarbinnen de lamp even. In hetzelfde oogenblik verzwond de lichtstreep van de balken.

Van toen af bleef het muisstil in de donkere kamer, waarbinnen het bekoorlijk landsgebruik van het "koffie halen" werd gehuldigd.

En mij greep de slaap.

In den voornacht ontwaakte ik even, om flauw te beseffen, dat iemand langs mijn bed ging, en vlak daarop de buitendeur achter zich toeklapte; dit was Kreel, die vertrok. Nog drong het, te hooren aan wat ritsel- en daarna kraakgeluiden, vagelijk tot mij door, dat thans mijn zuster Trijn zich ter ruste begaf.

* * * * *

Dien Zondag na veertien dagen lag ik des avonds weer op mijn sponde naar de lichtstreep te turen, totdat binnen de lamp rinkelde, en tegelijk de lichtstreep verzwond.

En vervolgens heel een reeks van om-de-andere-weeksche Zondagavonden desgelijks.

En wanneer Kreel 's nachts heenging, en Trijn hierna haar leger opzocht, werd ik er niet meer wakker van.

Maar zoodoende hadden dan nu mijn kameraad en mijn zuster "vaste verkeering" gekregen. Dit verheugde mij zeer.

Ik zei tot mijn zuster Trijn--het mag in de Kerst- of de Nieuwjaarsweek of daaromtrent geweest zijn--, hoe schoon ik het vond, dat zij van Kreel was gaan houden. Toen spatten uit haar oogen vonken, om mij van hoofd tot teenen te verschroeien. "Aap!" giftigde zij. Ik herdenk met ontroering dit woord eener zuster tot een broeder, die beiden zoo "gnappe" kinderen van zoo "gnappe" ouders zijn als ik en Trijn. Trijn heeft er dan ook geen rust bij gehad, en haar onvertogen woord goed willen maken, door, na nog geen uur, te zeggen, dat zij er niet mij mee gemeend had, doch Kreel maar. Daaraan kon ik weder, zooal niet haar waarheids-, dan toch haar zusterliefde zien.

Maar op het noodlots-oogenblik zelf trilde alles aan haar van drift. En zoo vloog zij de kamer uit. En moeder, die in het "achtereind" Trijn tot staan bracht, riep mij toe, dat ik een kwajongen was, en vroeg den kwajongen, of zijn vader en moeder zich soms bemoeiden met hetgeen "Trijn met Kreel had."

Ik voelde mij op dat pas zeer schuldig, vermits ik aan mijn vader en moeder moet nageven, dat zij zich daar inderdaad niet mee bemoeiden.

* * * * *

Toen de verkeering van mijn zuster Trijn enkele maanden oud was, ontving zij een treffende openbaring. Het verscheen haar op eenmaal voor den geest, dat de aanspraken, welke de vriendschap heeft, in heiligheid niet onderdoen voor die van de min. Dit nieuw-gewonnen inzicht opende haar het oog voor heur roeping, meer gezet dan tot hiertoe het tehuis harer vriendin met haar aanwezigheid te gaan vervroolijken. En als zij zich dier roeping bewust werd, was het telkens op Kreels bezoekavond. Dat zij ons dan tot afscheidsgroet "wel te rusten" wenschte, diende ter kennisgeving van haar voornemen, om ook den nacht onder het vriendinnedak te doortoeven.

Bij Kreels verschijning troostten wij hem alsdan over zijn teleurstelling met menigerlei vriendelijk verzinsel. Daar antwoordde hij dan weinig op; hij druilde weg.

Een volgenden keer troostte Trijn zelf hem, door ditmaal weer eens goedgunstig zijn komst te wachten.

Mijn kameraad Kreel is geduldig en getrouw. Eens echter moet hij, schoon met schroom, tot Trijn hebben gezegd, dat hij ophield met de verkeering, als zij hem nog eenmaal vergeefs liet komen. Toen liet mijn zuster Trijn hem tweemaal vergeefs komen. Maar hij hield niet op.

Toch was hij begonnen, 's morgens en 's avonds zijn knechtje met de nestvisch te zenden, in plaats van die langer zelf te bezorgen. Hij had van deze betooging tegen Trijns gedrag jegens hem nochtans geen wil, daar zij aan de opmerkzaamheid mijner zuster ontging. Toen ik er haar aandacht op vestigde, zei ze, dat het er alleen toe deed, of het eendenvoer kwam, niet wie het bracht.

V.

Toen "onderlaatst" een onzer loopeenden plotseling ging zwemmen, wat te eenenmale in strijd is zoowel met den naam als met de natuur van een loopeend, heb ik van verbazing een vloek gezegd. Ik wist niet, dat het een vloek was; maar Trijn wist het. Zij geloofde tenminste, dat het er een was, naar hetgeen haar van de "vragenleering" voorstond. Wij hoopten allen, dat Trijn zich vergiste. Want er mag bij de eendenhokken niet gevloekt worden. Er zijn wel eendenhouders, die het doen; maar dat is roekeloos.

Wie tusschen zijn vee--hetzij pluim- of ook ander vee--met verwenschingen in den mond rondloopt, jaagt zeer lichtelijk den zegen en het geluk uit kooi of stal weg.

Wij hebben korten tijd een knecht gehad, die op de eenden placht te vloeken. Mijn vader voegde den knecht toe: "Vloek in mijn huis tegen mij; dan vloek ik terug. Maar vloek niet op mijn "worf" tegen mijn beesten." Hij ontsloeg hem. Mijn vader bedankte ervoor, arm te worden door een knecht. Mijn vader is kalm; doch toen hij den knecht ontsloeg, was hij opgewonden.

Want naar de eenden strekt zich uit het teerhartigste van al ons voelen. Alzoo betaamt het. Wat toch is redelijker dan de liefde eens menschen jegens de bron zijns gewins?

En toch bestaat er iets, dat de liên dezes lands bijna even hoog schatten als gewin. Dit is "begaafdheid".

Wie "gaven" heeft, volgt, naar ons rang-instinct, in eerbiedwaardigheid onmiddellijk op dengene, die geld heeft.

Ikzelf mag dat ondervinden. Want weinig minder roem dan mijn ouders openlijk dragen op de winst-nuttigheid hunner dochter, dragen zij, leest ge in hun hart, op de geestesgaven huns zoons.

Die ervaring heeft mij in mijmeringen geleid over den zielkundigen achtergrond van dit verschijnsel. Volgenderwijs kabbelde mijn zoet gemijmer voort.

Wij, ingeborenen dezer streken, geven noch ook vragen onszelf rekenschap omtrent onze vereering van het verstandslicht. Wij vereeren het bij ingeving.

Wat ons op die ingeving voorbeschikt, is geen overtuiging van de plichtmatigheid, doch ons vaag vermoeden van de doeltreffendheid der vereering van het verstandelijk licht.

Want wij huldigen bij die vereering een ons onbekenden god. Daaruit reeds volgt, dat de drang tot onze aanbidding zijn oorsprong heeft niet in, maar naast het voorwerp onzer eerbewijzing.

Dit is ook metterdaad het geval. Van ontzag voor de wetenschap om haarzelf is bij ons geen sprake. Neen, ons eerbiedig opzien tot het rijk des geestes staat in den nauwsten samenhang met ons nog eerbiediger opzien tot het rijk des stofs. Het roerend te pas komen in onze stoffelijkheidskraam van de verstandelijke verlichting trekt het verbindingsteeken in onze dubbele liefde.

Er is immers nog een derde grootmacht: de godsdienst. Dezelve is dwars en barsch van aard. De grijphand, juist uitgestrekt naar wat in haar bereik raakt van gewin of van geneugt, krijgt op datzelfde oogenblik van den godsdienst keer op keer diens norschen tik op de vingers.

Wij nu houden van ten deze op de vingers getikt, of zelfs maar op de vingers gezien te worden, minder dan van wat ook.

Evenwel, er schemert ons zooiets van, dat daar ontkoming is aan de dwingelandij van den godsdienst onder de hoede der wetenschap. In dezelfde mate als ons begrip van de wetenschap, van haar wezen zoowel als van haar gebied, duister is, is ons vertrouwen levendig, dat zij den weg tot onzer zinnen lust vrij maakt van de belemmeringen, met welke de godsdienst eens menschen pad naar het voordeel gedurig verspert.

En aldus geschiedt het, dat onze lust aan het vleesch ons voert tot vereering van den geest.

Na deze slotsom mijner mijmeringen over de oorzaak onzer vereering voor de verlichting, richtten zich mijn gepeinzen ook op de billijkheid van deze onze vereering. Dit hief mij op in de volgende gedachtenvlucht.

De godsdienst, met zijn karakter van dwang op ons doen en laten, komt uit den bijbel.

De bijbel is vol met allerlei, dat niet kan.

Wij, bij ons thuis, hebben wel geen bijbel; maar dit verhindert ons niet, om, in overeenstemming met het groote meerendeel onzer rasgenooten, te weten, dat, naar luid der wetenschap, het meeste, wat in den bijbel staat, niet kan.

Dit vonnis der wetenschap, die wij niet kennen, over den bijbel, dien wij niet kennen, maakt ons in elk geval aan de wetenschap ten hoogste verplicht. Haar vonnis is immers tevens onze rechtvaardiging, wanneer wij voor onzen handel en wandel den maatstaf van den godsdienst wraken, en vergunt ons, om onder het stelsel van leven naar lust "gnappe personen", gerust op onze rechtschapenheid, te zijn.

Deze steun, dien wij de wetenschap achten te geven tegelijk aan onze toegeeflijkheid en onze hoogschatting voor onszelf, legt op ons dan toch een blijvende dankbaarheidsschuld. Derhalve, dat wij, waar wij de aanwezigheid der verlichting raden, ons buigen in hulde, is als een betoon van niet geheel bewust, maar met dat al treffend juist gevoel aan te merken.

En zoo wedijveren dan naar waarheid in onze vereering voor de verborgenheid der wetenschap verklaarbaarheid en billijkheid met elkander om strijd.

Toen ik dit had bijeengemijmerd naar aanleiding van de waardeering, die thuis en buitenshuis aan mijn "gaven" te beurt valt, was ik met mijn beschouwing zeer tevreden. Wij, menschen dezer oorden, verheerlijken dus de verlichting, om haar, in ons stoffelijk en zinnelijk belang, uit te spelen tegen den godsdienst.

En toch ook, op een anderen keer huldigen wij, nu weer eens omgekeerd, den godsdienst, om dien uit te spelen tegen de verlichting. Dat mag een blijk heeten van de rijke samengesteldheid onzes innerlijken levens. Niet in het minste schromen wij, aan de verlichting op haar beurt de deur te wijzen, zoodra wij niet deze, doch den godsdienst in ons belang en voordeel oordeelen te zijn.

Daarom, bijvoorbeeld, vloekt een rechtgeaard lid onzer rasgemeenschap niet tegen zijn beesten, 't welk het geluk en den voorspoed uit kooi of stal wegjaagt.

Hier namen mijn overpeinzingen haar einde. En indien iemand soms deze proeve van zielsontleding waarlijk buitengewoon mocht vinden voor eens eendenhouders zoon, schier met den jongenskiel nog om de schouders, zoo verblijdt mij dat bovenmate. Want uit dat gevoelen blijkt dan deste meer, hoe onaanvechtbaar mijn faam van "begaafdheid" valt te achten, en hoe redelijk vaders denkbeeld, mij naar de hoogere burgerschool te zenden, was.

VI.

Maar wat wij, bij ons thuis, van de hoogere burgerschool wisten, was weinig meer dan de naam, die evenwel door het "burger" onzen gemeenschapszin, en door het "hoogere" onze eigenliefde bekoorde. Voorts wisten wij van den weg, om tot dien tempel der wijsheid toegang te verkrijgen, in het geheel niets. Onderzoek naar een en ander had reeds voorlang, weliswaar, even snel als gemakkelijk licht kunnen verschaffen. Doch vooreerst zou zulke opheldering menig uur van knus tafel-geredekavel over het onbekende uit onze huiselijke gemoedelijkheid hebben gelicht. En bovendien moet hier worden beleden, dat kwieke doortastendheid bij ons geen deel uitmaakt van het vele bewonderenswaardige in de zeden des lands.

Nu echter zou mijn vader zich dan toch tot den schooldirecteur om inlichting wenden, en zulks persoonlijk, rechtstreeks en onverwijld. Ziet, de lente was in het land gekomen, zij, die ondernemenslust en handelensdrang in de aderen stuwt.

Wij, overigen, zaten wel even verplet bij het vernemen van vaders koene plan; maar mijn vader, dit ontwarende, lachte licht-smadelijk. Welzeker zou hij naar den schooldirecteur gaan! Waarom zou hij niet naar den man gaan? Hij kwam met het geld, dat de geleerdheid moest kosten, in den zak.

Dit vonden wij daarop ook.

Doch thans werd vaders voornemen uitgebreid tot een plan van nog grooteren opzet, tengevolge waarvan den anderen morgen niet alleen hij, maar met hem moeder stadwaarts toog, en ook mijn zuster Trijn. Terwijl vader zich liet inlichten, kon moeder dan met onze Trijn eens naar het gasthuis gaan. Mijn zuster Trijn was den laatsten tijd lang niet goed. En het gasthuis is voor ongerusten over eigen of over anderer gezondheidsstaat het beste adres, wijl men daar "aan de hoogeschool" is. Vervolgens wilde moeder eens naar een nieuwen paaschhoed zien voor Trijn, en Trijn naar een zilveren pinkring voor haar vriendin. Vader zou thuis terug wezen tegen het uur van het eendenvoeren, en moeder met Trijn zoo omtrent den tijd, waarop vader de voedering van de eenden zou hebben voltooid. Tot zoolang zat ik neder in de eenzaamheid, met welke ik trouwens immer in geestelijke vriendschap geleefd heb.

Des avonds, nadat alles volgens ontwerp was uitgevoerd, hoorde vader moeders, en moeder vaders, en ik beider verslag over den dag met belangstelling aan.

Den pinkring hadden moeder en Trijn meegebracht. De paaschhoed zou gezonden worden. De gasthuisdokter was vriendelijk geweest. Hij had aan onze Trijn zijn volle aandacht besteed. Bij het afscheid had hij mijn moeder op den schouder geklopt, en gezegd: "Nog geen doodsgevaar voor uw dochter, hoor, vrouwtje! Er is, in plaats van verlies van leven, juist aanwinst van leven in het vooruitzicht." Hoewel mijn moeder dit in stilte reeds een heel weinigje vermoed had, moest zij toch over de manier, waarop die dokter zooiets inkleedde, nu nog lachen. En wij, anderen, eveneens. Trijn zelf ook, maar die niet erg. Er werd gevonden, dat met een huwelijk van onze Trijn en mijn kameraad Kreel maar niet moest getalmd worden, en besloten, dat mijn zuster Trijn dit den aanstaanden Zondagavond met Kreel, bij diens minnaarsbezoek, zou overleggen en regelen. Den pinkring, dien Trijn voor haar vriendin gekocht had, prezen wij zeer.

Doch bovenal vaders relaas van diens wedervaren vermocht ons te boeien, en daar omheen hoofdzakelijk bewogen zich onze besprekingen in den familiekring. Wij konden niet nalaten, den durf van vaders verrichting te loven en het gewicht ervan te erkennen.

Mijn vader had aan verschillende politiedienaars en brievenbestellers den kant naar de hoogere burgerschool gevraagd, totdat de laatste dezer voorlichters hem de bel aanwees, aan welke hij had te trekken. Daar trok mijn vader toen aan.

Als een postbesteller of een politieman mijn vader te woord had gestaan, tikte mijn vader aan de pet, en dan deden zij dat ook.

Neen, mijn vader had den directeur niet gesproken. Maar wel een anderen heer, die, naar samenwerking van vaders herinnering en mijn school-Fransch aan den dag bracht, de concierge was geweest.

Mijn vader had reeds dadelijk ontwaard, dat den concierge of den directeur te spreken op hetzelfde neerkwam. Maar, zoo vertelde de eerste mijn vader, den directeur kon men alleen op diens spreekuren raadplegen, en den concierge te allen tijde. Dat vonden wij mal van den directeur en redelijk van den concierge.