Chapter 7
Het was mijn vader gebleken, dat de concierge van de wegen, die gevolgd, en de voorwaarden, die vervuld moesten worden, om op de hoogere burgerschool te komen, alles wist. Wat mijn vader daaromtrent had vernomen, kon hij ons echter niet volkomen meedeelen, daar hij niet alles begrepen had. En het overige, dat hij meende te hebben begrepen, begrepen wij niet. Maar mijn vader was met de beleefdheid der ontvangst, die hij van zijn zegsman genoten had, zeer ingenomen. En daarom waren wij dat ook. Wij besloten, dat de beleefde heer, die met mijn vader gesproken had, van mij, als ik op de hoogere burgerschool was, een braadeend zou ontvangen.
Wij vergaten op dezen avond, in de gezelligheid onzer beschouwingen over vaders bezoek aan mijn toekomstige wijsheidsbron, een half uur lang onze slapensklok. Toen op een bepaald oogenblik vluchtig de vraag--ik herinner mij niet, wie onzer erop kwam,--in het gesprek opdook, wat wij thans meer wisten dan voor vaders reis van heden, ontstond een moeilijk zwijgen van twee minuten in onzen kring. Mijn vader peinsde zwaar.
"Wij weten "puur" meer!" ontdekte hij opeens. Hij liet zich door moeder de jas geven, die hij in de stad had gedragen.
Denkt gij, dat hij zelf de jas van den stoel nam, waarop zij lag, met de andere zondagsche kleedingstukken, welke hij bij zijn thuiskomst van de reis uitgetrokken had? Neen, hoewel de stoel bijna onder zijn bereik stond, beduidde hij, met een waardigen armzwaai, aan moeder, dat zij hem de jas brengen zou. Indien gij aan onze gezinsinzettingen vreemd zijt, zoudt gij in vaders handelwijs allicht een teeken zien van een staat van slavernij der huismoeder in onze gezinsverhoudingen. Maar gij moet hier, integendeel, opmerken een hulde aan haar heerschappij binnen de echtelijke muren. Mijn vader moest wel hondsch van aard geweest zijn, indien hij zoo maar zelf de jas had gegrepen, in plaats van moeder daartoe den kring om de tafel te laten loopen. In onzen onderlingen omgang zijn wij heel fijnluisterend en teergevoelig.
Uit de jas bracht mijn vader een beschreven blaadje tevoorschijn, dat hij, niet zonder eerbied, op de tafel neerlei, met de uitlegging: "De spreekuren van den directeur". Die had de concierge voor hem opgeteekend.
Ik mocht de spreekuren voorlezen. Toen ik het laatste ervan noemde, sprak mijn vader bondig: "Dan gaan wij op hem af". Het bleek nader, dat hij met "hem" den directeur, en met "wij" mij en zichzelf op het oog had. Hij had bevroed, dat te gaan spreken over een leergierigen jongeling, die er zelf niet bij was, "geen werk" is. Wanneer hij dit inzicht deelachtig was geworden, zeide hij niet; mij echter docht: zoo ongeveer in hetzelfde oogenblik, waarop hij het ons ontvouwde. Maar het denkbeeld, mij aan vaders zijde eerstdaags voor het aangezicht van den geheimzinnigen geleerde te zullen stellen, vervulde mij met schroomvallige vreugde.
Vader droeg aan moeder op, "de spreekuren van den directeur" voorshands in de linnenkast te bergen.
Denkt gij, dat hij ze zelf in de linnenkast bergde? Neen, ofschoon dit meubel zich vlak achter zijn zetel verhief, droeg hij deze werkzaamheid aan moeder op, ingevolge hetzelfde grondbeginsel, waarnaar zij hem de jas had moeten aanreiken, dewelke zij nu tevens weder naar de plaats op den stoel terugdroeg.
Voor ditmaal was hiermede het onderwerp afgedaan.
Maar op den eersten Zondagavond, die volgde, trachtte mijn vader het opnieuw in te leiden, door met geveinsde onwetendheid aan moeder te vragen, waar zij ook weer "de spreekuren van den directeur" geborgen had.
De vraag mijns vaders werd echter, noodlottigerwijs, gekruist door de gelijktijdige mededeeling mijner zuster Trijn, dat zij naar haar vriendin moest. Zij stond op. Zij keerde zich naar de deur.
Achter haar rug zagen vader en moeder over de tafel heen elkander aan. Zij deden dat met bedenkelijkheid.
Mijn moeder vermande zich. "Trijn, vanavond?" vroeg zij bescheiden.
"Ik moet naar haar toe," zei mijn zuster Trijn koppig. Dat moeders lichte tegenwerping onze Trijn geprikkeld had, is niet verbazingwekkend, vermits in onze gezinnen de bewegingsvrijheid der kinderen behoort tot de kostbaarste goederen.
En toch stamelde moeder nog: "Maar, Trijn, Kreel dan!"
Ik en vader ontstelden van moeders volharding. En Trijn zorgde ervoor, onze ontsteltenis te rechtvaardigen.
Zij wendde plotseling haar gelaat tot ons. Het was, alsof vlammen langs haar wangen laaiden en vuur uit haar pupillen sprong. Zij siste: "Ik wil hem niet, dat spook, dien "iester"!" Zij stoof, het lichaam schokkend van toorn, ter deur uit.
Mijn vader mompelde iets van "de meid overstuur maken." Mijn moeder boog zich onder dat verwijt, een traan van wroeging in elken ooghoek. Voorts merkte mijn vader op, dat hij, goddank, voor Trijn nog te eten had, "bijaldien" zij den knaap dan toch niet wou.
Ik verklaarde, dat ik wat "aan den loop" ging.
"Aan den loop" zijnde, staarde ik droomerig op naar de volle maan. En weldra geloofde ik vast, dat de maan haar breeden mond tegen mij bewoog, en mij mijn taak toemurmelde.
Dientengevolge begaf ik mij tot mijn kameraad Kreel.
Hij bemerkte mijn binnenkomst niet dadelijk, daar hij, diep gebukt, zijn schoenveter zat te strikken. Toen hij, nadat de strik gelegd was, zich ophief, klaar tot den minnaarsgang naar onze Trijn, ontdekte hij mij echter.
Ik zeide: "Zij is uitgegaan, Kreel."
Hij zeide niets; maar zijn wit gezicht werd even lichtrood, en daarna opnieuw wit. Hij bukte zich andermaal. Hij begon zijn laarzen weer los te rijgen.
Ik zeide: "Het geeft niets met Trijn." Hij schopte een zijner schoenen uit, en antwoordde: "Neen."
Nog zeide ik: "Zooiets gaat aan het hart." Hij antwoordde: "Ja." Hij wipte den anderen schoen uit.
Daarna verliet ik mijn kameraad Kreel. Terwijl ik mij omdraaide, zag ik, dat zijn oogen wel "effies" vochtig leken. Hij is zacht.
Voor 't overige verkeerde mijn eigen levensstaat in een te belangwekkend tijdperk, dan dat Kreels harteleed mij overzwaar kon bezighouden. Op mijn nabijzijnde ontmoeting met den directeur was al mijn denken saamgetrokken en heel mijn verbeelding gespannen.
Dien plechtigen dag droeg mijn vader, in plaats van de pet, zijn zelden voor menschenoog zichtbaren hoed. Onder den hoed bolde zelfbewustheid zijn hoogblozende wangen. Mij aangaande, ik vrees, dat ik, terwijl ik nevens hem langs de dorpsstraat schreed, ietwat bleeker onder de oogen en om den mond was dan ik placht. In de hand droeg ik mijn opstellenschrift. Vader was van meening, met een vergunning tot inzage daarvan den directeur te zullen vergenoegen.
De eenden van ons erf kwaakten ons "goed succes" achterna. De lentemorgen, die ons omringde, jubelde. De wei, waar ons pad doorheen liep, straalde. De bloeiende vlier in de hagen, waar wij langs kwamen, geurde. In het iepegroen, waaronder wij doorgingen, zong de zwarte lijster uit alle macht, bewonderd door zijn grauwe vrouwken. Welke koning, op weg naar den roem, ontving zulk een uitgeleide als mij werd geboden?
Daarna sloften wij door het hart van Amsterdam. In het kille halflicht tusschen de hooge huizen joegen de menschen om ons heen voort. Ik liep, geloofde ik, ieder van die menschen in den weg, en ik dacht, dat zij allen boos naar mij zagen. Een sjouwer botste tegen mijn vader op, en schold hem uit. Mijn vader zag rond naar een zijner vrienden van den post- of den politiedienst, om den weg te vragen, doch vond er geen. Daarom trok hij mij met zich in een slijterij, en kocht bier voor ons beiden; de man, die ons het bier verkocht, zeide ons den weg. Toen wij moe waren, gingen wij in de vensterbank van een boekwinkel zitten; maar de boekhandelaar zond zijn bediende, om ons te verdrijven.
Hierop begon het te regenen.
Toen wij zagen, dat wij nat geworden waren, bemerkten wij, dat wij honger hadden daarenboven. Nadat wij dit laatste aan elkander hadden beleden, stond vader stil, om zich te beraden. Tevens kwam hem een klinker, dien een onachtzame straatmaker op zij wierp, tegen de scheen, weshalve mijn vader sprak: "Vooruit, zeun!" en groote stappen begon te maken. Ik deed achter hem aan drie passen tegen twee van de zijne, dacht aan mijn moeder en aan Trijn, beschouwde mijn druipend opstellenschrift, en werd moedeloos. Het was duidelijk, dat mijn vader dezelfde straten, die wij doorloopen hadden, zorgvuldig terugzocht. Hiervan was ten slotte de uitkomst, dat hij, door mij gevolgd, andermaal binnentrad bij den man, die ons het bier verkocht had.
Thans ontvingen wij van den kastelein koffie en brood. Terwijl wij het nuttigden, onthulde mijn vader hem ons reisdoel. De waard beschreef ons, hoe wandelensmoede menschen door trammen dat doel konden bereiken. Daarvoor bedankte mijn vader hem oprecht. Bij het afscheid noodigde hij den slijter uit, "onze eendenbedoening eens te komen in oogenskouw nemen."
Het stoppen der tram vlak voor de hoogere burgerschool geschiedde alleen, om ons tweeën uit te laten; althans zoo zag vader het in, en het wekte zijn voldoening. In een winkel tegenover de school vroeg hij twee sigaren. Hij betoogde den winkelier, dat "goeiïg" soort vereischt was, wijl wij ermee voor den directeur hadden te verschijnen. Nadat de koopman ons de sigaren, welke met een rood-en-gouden band versierd waren, had helpen aansteken, kruisten wij de straat over.
Tot den concierge, die de deur, waaraan vader belde, opende, zei mijn vader goedhartig: "Morjen!"
"Om den directeur?" vroeg de concierge.
"Waar aers om?" vroeg mijn vader terug.
Toen wij, binnengelaten, de schoenen begonnen uit te trekken, zeide de concierge, dat wij ze mochten aanhouden, maar dat hij, tot wij van den directeur terugkwamen, onze sigaren wel voor ons wilde bewaren.
Ik hield van den concierge. Ik gaf er bij mijzelf vader gelijk in, dat de concierge beleefd was.
Hij bracht ons een vertrek binnen, waarin een tafel met groen-lakensch kleed stond. Hij verliet ons, en wij wachtten. Wij spraken niet met elkander. Wij durfden dat, hoewel het dwaas was, niet om het groen-lakensche tafelkleed, zooals wij elkaar later bekenden. Wij staarden naar de deur, die de concierge achter zich had toegetrokken, en dan weer naar het venster, waardoor men den regen kon zien vallen.
Lang wachtten wij.
Ik bevond, dat ik licht hijgde. Het groen-lakensche tafelkleed maakte mij onbegrijpelijk beklemd. Ik hoorde mijn vader kuchen, maar het klonk als iets zeer verafs. Ik voelde een groot verlangen, om temidden van het eendengekwaak en de nestvisch-geur te zijn.
Heel lang wachtten wij.
Ik kreeg een indruk van een bril met voorhoofdrimpels erboven. De directeur stond ons aan te zien. Ik dacht, dat uit den bril naalden naar ons priemden, en dat de rimpels zich tot vraagteekens vormden. Ik was verward en ontdaan.
Mijn vader, juist andersom, hervond al zijn onbevangenheid. Met een zelfvertrouwen, dat mij ontstelde, onderrichtte hij den directeur van mijn "gaven" en van zijn voornemen, om door mijnheer wat van mij te laten maken, en vroeg den directeur, wat het kostte, hem vergunnende, te nemen, wat hem toekwam.
"Het jongemensch kan den hoed wel afzetten", was alwat de directeur voorshands opmerkte.
Dat vond mijn vader best; insgelijks, dat hij bijgevolg den zijnen mocht ophouden. Het woord hernemende, sloeg hij den directeur voor, dat door dezen in onze woonplaats inlichting zou worden genomen naar zijn promptheid van betalen. Hij verklaarde, aan ieder te geven, wat hij schuldig was. Daarin bestond, zeide hij, zijn godsdienst, dien hij stipt hield, omdat hij hiertoe niet alleen eerlijk verplicht, maar ook ruim bij machte was. Het laatste lichtte hij toe met een uiteenzetting over den aard en den omvang van zijn eendenbedrijf, waarbij hij ook de spaarzaamheid van moeder en de vaardigheid van mijn zuster Trijn met roem vermeldde. Naar dit alles luisterde de directeur met een zoo beminnelijk geduld, dat ik, allengs ten aanzien van hem op mijn gemak gekomen, onbedremmeld vermocht te antwoorden op de plotselinge vraag, die hij tot mij richtte, naar mijn leeftijd.
"Veertien jaar is oud", luidde zijn uitspraak.
Daaromtrent bracht mijn vader dit in het midden, dat mijn kennis overeenkomstig mijn ouderdom was. Hij gaf een overzicht van mijn roemvolle loopbaan op de dorpsschool. Maar, getuigde hij, het meest verstellende was hetgeen ik mijzelf geleerd had. Wat ik, na sinds mijn schoolontslag mijn eigen leeraar te zijn geworden, in het hoofd had opgegaard, aarzelde mijn vader niet met "mirakel" te kenschetsen. Ook dit vertoog doorstond de directeur met vriendelijke gedweeheid, tot en met het slot, waarin mijn vader de ronde verklaring van den directeur vroeg, of hij mij hebben wilde, al dan niet.
De directeur besliste: "Het jongemensch kan toegelaten worden, mits zijn bekwaamheid blijkt uit een examen of uit een getuigschrift van zijn schoolhoofd".
Dat was, antwoordde mijn vader, "allebei malligheid", al nam hij het den directeur niet kwalijk. "Het schrift, zeun!" gelastte vader.
Ik stak mijn opstellenschrift aan den directeur toe. Inmiddels herhaalde mijn vader des directeurs woorden: "Zijn bekwaamheid!" en lachte daarover zeer vermaakt.
Maar de directeur trok de hand van het opstellenschrift terug. "Dat is nat," sprak hij.
"Vanbinnen is het droger", verzekerde mijn vader.
Onverhoeds bracht de directeur, op een knop drukkende, een bel aan het rinkelen, 't welk den concierge tevoorschijn tooverde. Terwijl deze ons met zachten drang naar den kameruitgang voerde, hoorden wij achter ons den directeur nogeens zeggen: "Dus een schriftelijk bewijs of een examen".
"Dan moet het maar op zoo'n bewijssie af," zei mijn vader in het heengaan.
Op den terugweg naarhuis bleek, dat mijn vader over den directeur matig en over zichzelf volkomen tevreden was, maar ontevreden over den concierge, dewijl deze slinkselijk onze sigaren behouden had.
Toen vader des avonds ons wedervaren aan moeder verhaalde, zeide zij, dat wij nu nog niet wisten, wat de kosten waren.
Toen ik den volgenden dag den meester om het bewijsje kwam verzoeken, zeide hij, dat hij dit niet geven kon.
"Dan moet het maar op zoo'n examen af," zei mijn vader.
VII.
Ik zou u nog vertellen van de biggen. Het waren er zeventien. Mijn kameraad Kreel kocht ze.
Mijn kameraad Kreel had een blauwen kiel, die hem los over de knieën hing, aan, toen hij ter markt reed, om de biggen te koopen. Hij droeg de pet tot op de wenkbrauwen, en de kousen over de broekspijpen, en geschuurde klompen aan de voeten. Hij zat scheef op de voermansbank van den bakwagen. In de rechterhand hield hij paardenleidsel en zweep, en met de linker sloeg hij zich af en toe op de borst, om zich te verwarmen. De vier zijden van den bakwagen waren verhoogd met een houten hek. Ik stond binnen het hek, en praatte met mijn kameraad door de reten.
Ik praatte met hem over den marktprijs van de biggen, gevoelig zijnde voor zijn leed over de liefdesbreuk met onze Trijn. Dat hij prijsgesteld had op mijn tegenwoordigheid bij zijn biggenhandel, doordrong mij opnieuw van de voortreffelijkheid zijner geaardheid.
Wij reden voort door de kille morgenvroegte, links van ons het inkrimpende nachtdonker, rechts de opkruipende dagschemering. Evenzoo, dus dacht ik dichterlijk, zou mogelijk de ondervinding van de onveranderlijkheid mijner vriendschap voor Kreel de morgenzon kunnen zijn, die zich toch weer drong in zijn nachtelijk hart, en ik zeide tot hem, dat hij, naar mijn gedachte, de biggen zou hebben voor tien gulden het stuk.
Hij knikte traag, en zag tegelijk zwaarmoedig op naar een spreeuwen-wolk, die, met verhonderdvoudigd gepiep, uit de lucht neerviel in het grauwende veld.
"Er zijn veel spreeuwen", merkte hij op; hij is nu en dan wijsgeerig.
"Die zijn niet te tellen", bevestigde ik.
"Die zijn zwart", zei hij
Ik begreep hem; daarom zeide ik: "Die vliegen evengoed weer weg als zij aanvliegen".
Er kwamen ons boeren en boerendeernen tegen, die, de emmers aan het juk, het rundvee gingen melken, dat sinds enkele dagen uit de stallen verhuisd was naar de voorjaarswei. Zij bleven aan den kant van den smallen weg staan, om hun jukken dwars te houden, teneinde onzen breeden bakwagen voorbij te laten. Daarbij zeiden zij ons "goedenmorgen", en dan beantwoordde Kreel telkens hun ochtendgroet met zijn zweep ietwat op te lichten.
Met de minuut won de dageraad terrein op den nacht, en rees in breeder gezichtswijdte het land op uit de schaduwen. Grazende schapen plekten tot heel in de verte witte vlekken op het weidegroen. En de gevlokte ochtendwolkjes leken wel hun weerkaatsing aan het hemelblauw. Springende lammeren trokken om het statige moederschaap heen grillige lijnen. Met hun capriolen joegen zij hier en daar een reiger op van den waterkant. Hennen op de erven klokten haar kiekens naar zich toe. Ons paard stak den kop op, en hinnikte vroolijk tegen de opgaande zon. Andere paarden draafden aan de overzij der wegvaart een eindweegs over de wei met het onze mee. Verheuging golfde door de morgenlucht, en klom op tegen onzen bakwagen, en zette zich neer nevens mij en mijn kameraad Kreel.
"Misschien doen de biggen maar negen gulden het stuk", raamde ik, in mijn klimmende behoefte, om de dingen des levens hoopvol te zien. En Kreel keek nu van zijn voermansbank de wereld ook met wat lustiger oogen in dan bij de eerste wentelingen onzer wagenwielen.
In de herberg, waar wij stalden, gaf hij mij brandewijn; mij en zichzelf gaf hij dien.
Wij wandelden over de varkensmarkt. Aldaar was de overvloed van varkensmoeders met haar kroost groot.
Er was een reuze-varkensfokker; deze droeg een zwarten kiel, en krauwde met het uiteinde van zijn rotting de rose ruggetjes zijner gemarkte biggen. Kreel wierp, langs den varkensfokker loopend, een blik uit het linkeroog, en, langs hem terugloopend, een blik uit het rechteroog op de krioelende marktwaar dezes mans.
Toen hij de opmerkzaamheid van den biggenkoopman scheen te trekken, maakte hij zijn gezicht suffig, en lummelde weg. Maar daarna--en thans stond zijn gelaat zeer sluw--zond hij mij terug naar de biggen-uitstalling, met de opdracht, hem ijlings te waarschuwen, zoodra zich aan den varkenshandelaar een gegadigde mocht opdoen.
Waarna ik mij tot mijn verspiederspost, en hij zich ter herberg begaf.
Maar de varkensboer kreeg geen gegadigde. Soms is de markt willig, en soms is zij het niet. Dezen keer dan was zij het niet. De koopman begon aan toebereidselen, om zijn onbegeerd artikel van de markt te voeren.
Doch dit deed hij, hoewel hij toch mistroostig gestemd moest wezen, met een gelijkmoedig aanschijn. Want omtrent gemoedsstemming verklappen de gelaatstrekken van een waar varkensmarkter even weinig als die zijner beesten.
Des mans gemoedsstemming desondanks te ontdekken en te ontginnen is echter een der geheimen van voordeeligen handel. Gezwind zocht ik dan ook een punt, vanwaar ik den "misblijïgen" biggenboer met mijn wakend oog, en mijn wachtenden kameraad Kreel met mijn dringend armgezwaai kon bereiken.
Natuurlijk was de tronie, waarmee Kreel kwam aanslenteren, die van een nagenoeg simpele.
Ongeveer gelijkelijk redeloos blikten hij en de biggen elkander een tijdlang aan. Het gesprek werd ingezet van den kant der biggen, bij monde haars meesters, die heur volmaakte gezondheid tot Kreels kennis bracht. Mijn kameraad Kreel riep zijn onnoozelste grijns tevoorschijn. "'k Mot geen biggen", beweerde hij, en slungelde eenige stappen op. Hij wist, dat de varkensfokker hem zou naloopen.
Die deed dit dan ook. Hij legde mijn kameraad de hand op den schouder. "Handel?" vroeg hij.
Kreel schudde zich des varkensfokkers hand af. "'k Mot geen biggen", herhaalde hij.
"Voor niet te veul", beloofde de ander. Kreel bleef staan; hij krabde zich onder de pet. Hij zweeg.
Toen hervatte de fokker: "De zeventien met mekaar, elk een tientje".
"'k Mot niet", zei Kreel. Hij zette zich wederom in logge beweging.
De varkensboer voegde zich weer bij de zwijnenjongen. Maar vandaar begon hij Kreel een reeks nieuwe voorstellen na te roepen, aanvangende bij "negen en drie kwart", en voorts in snelle afdaling. Kreel was, al voortboemelend, gelijk een, die doofstom is.
Nogmaals schreeuwde de markter mijn kameraad een verlaagd aanbod toe; dit aanbod nu was een spotaanbod. In een ommezien stond Kreel tegenover den koopman. "Hou hand op!" sprak Kreel. De biggenboer hield de hand op, en Kreel sloeg erin. Daarna hield Kreel de hand op, en de biggenboer klapte erin. Vervolgens Kreel nogeens in de hand van den biggenboer, en de biggenboer nogeens in de hand van Kreel.
Na den handslag, welke plechtigheid, naar het recht aller veeliên en aller marktgoôn, een koop onverbrekelijk maakt, haalde Kreel paard en bakwagen. Van den laatsten nam hij het hek af en sloeg hij de achterklep neer; thans wierpen hij en de varkensboer de biggen stuk voor stuk in den wagen. Natuurlijk openbaarden de biggen, overeenkomstig haar dwarsen geslachtsaard, de gezindheid, zich weer uit den wagen te laten vallen, zoodra haar nieuwe of haar oude meester ze erin wierp. Maar ik stiet, schuins achter den bakwagen staande, elke big, die zich eruit wilde laten rollen, met de vuist terug. Twaalf speenvarkentjes zaten ten slotte op den vloer van den bakwagen, en de vijf overige op deze twaalf. Toen flapte Kreel het achterschot toe, en wij beiden, hij op den bok en ik op het achterwiel staande, plaatsten het hek weder op de vier wagenwanden. Alsnu restten nog de betaling en de bedrinking van den koop. Nadat beide in de herberg bewerkstelligd was, namen ik en Kreel op vriendschappelijke wijs afscheid van den varkensfokker, en plaatsten ons nevens elkander op de voermansbank. En toen wij nog geen kwartier met de biggenlading hadden gereden, liepen ons paard de zweetstrepen reeds langs de achterschonken, onder den ongebreidelden gloed der Meische middagzon.
Onze aankomst met den biggenwagen bracht de buurt in rep en roer. Terwijl wij samen de zwijntjes uit de kar in Kreels varkenskot deels joegen, deels droegen, verschenen in vijf deurposten huismoeders, om het tierige schouwspel ga te slaan. De overbuurman liep ervoor van zijn maaltijd. De kinderen, op weg naar de namiddagschool, kwamen op hun klompjes van allen kant aanklotsen. Uitroepen van verteedering en van genegenheid volgden de ronde dikhuidjes op hun gang naar het biggenverblijf.
Nu snuffelen de biggen de binnenwanden van haar nieuwe woning langs, en ruiken, dat zij thuis zijn. En nu leggen de reizensmoede krulstaartjes zich, het eene na het andere, op de zijde, lui uitstrekkend de korte, stijve pootjes. En nu sluit Kreel achter hen de deur, die niet weer voor hen zal opengaan, aleer zij, van het aanminnige volkje, dat zij thans zijn, tot zwaarlijvige matrones zullen zijn uitgegroeid.
Deze deur, die zich aan de achterzij van het kot bevindt, verzekerd hebbende, gaat mijn kameraad Kreel met de ellebogen over het half-hooge schot hangen, dat het varkenshok aan den voorkant afpaalt.
Een huisman, die over den rand van een varkenskot hangt, van de markt meegebrachte biggen beschouwende, pleegt een beeld van zielsgeluk te vertoonen. Dat beeld vertoont Kreel ook. Ik ga naast hem met de armen over het varkensschot hangen. Wij zeggen niets tot elkaar. Kreel geniet van zijn gedachten, en ik geniet van Kreels geluksstemming.
Eindelijk moet ik de zeventien bronnen van Kreels hartevreugd vaarwel zeggen.
Zijn aangezicht glimt.
Maar kon ik weten, dat het dàt was?
Hij houdt mij terug, als ik gaan wil. Hij scheurt een stuk van zijn tabakszak af. Hij schrijft daarop, het dak van het varkenshok als tafel bezigend, met groote potloodletters: "Trijn, de biggen zijn voor uwee".
Hij drukt mij het omkoopingsschrift in de hand. Hij knikt tegen mij.
Vele der biggen zijn ingesluimerd. Er gonst een vredig geronk uit het varkenskot.
Ik knik tegen Kreel. Ik neem de pet af, berg daarin Kreels brief, en zet de pet wederom op.
Ik steek de handen in de broekzakken. Ik wandel naarhuis. Ik zing binnensmonds.