Bij ons in Noord-Holland

Chapter 5

Chapter 53,833 wordsPublic domain

Iets anders dan de humor doet dat ook: zulk een voorbijgaand lichtstraaltje werpen. Ik breng één mijner geregelde bezoeken aan mijn in de golven verzonken woonplaats. Wij staan--eenige zeer weinige nog niet gevluchten en ik, die hen kom opzoeken,--op de enkele vierkante meters grond, die een voor 't oogenblik nog droge plek vormen bij raadhuis en kerk. Een paar kleine motorbooten houden, over de watervlakte heen, aan op ons staanplaatsje. Het gezelschap stapt uit: de koningin! Wij ontroeren. Wij buigen. Wij voelen, wij weten niet, wat. Bovenal dankbaarheid.

"Waar zijn wij hier?" vraagt een zilveren stem.

"De kerk, het raadhuis, majesteit."

De koningin doorwandelt beide gebouwen. Tusschen de koeien in de kerk stapt zij door. De verontreinigde vloer schrikt haar niet af. Bij den preekstoel, tegenover den kerk-ingang, staat, zwaarmoedig, een boerenpaard, dat onlangs, onbeheerd, door de golven is komen aanwaden; de koningin klopt het verfomfaaide beest meewarig op den nek.

Voor ieder van de weinige aanwezigen heeft de koningin een woord, en zij bewijst haar bezit van de geheime macht, om de nu wekenlang reeds zoo mistroostige gezichten een oogenblik te laten stralen. Het komt er niet op aan, dat een oude dorpeling haar aanspreekt met: "zijn excellentie".... Wat is de koningin gewoon!

Zij scheept zich weer in met haar klein gevolg. Zij zegt bij het vertrek, dat wij allen moed moeten houden, en dat zij ons niet vergeten zal. De motors der bootjes snorren; in grauwen nevel verdwijnt de kleine flottille op de water-oneindigheid. De grauwheid en somberheid keeren weer over het vereenzaamd pleksken temidden van de baren. Maar er heeft, er heeft een voorbijgaand lichtstraaltje geflonkerd!

Doch anders, donker gaan zij voorbij, de dagen, in het verdronken dorp. Enkele vluchtelingen zijn er tijdens den watervloed heen wedergekeerd; niet naar hun huis, weliswaar, maar naar hun graf. De ramp heeft geen rechtstreeksche, wel echter haar indirecte slachtoffers gemaakt. De slag is voor sommigen te zwaar geweest. Menigeen, vooral onder de ouden van dagen, heeft, vluchtende, de hoofdstad slechts bereikt, om er te kwijnen, en spoedig te sterven. Wij hebben hen na hun dood gebracht naar de plaats, waar zij hebben geleefd en gearbeid; het was hun wensch. Dat zijn aangrijpende tafereelen: zulke begrafenissen op het kleine kerkhof midden in het golfgeklots. Over de water-onbegrensdheid komen wij aandrijven, in een kring geschaard op een koe-schuit, de baar, met het zwarte laken bedekt, in ons midden. Terwijl de kleine sleepboot ons plat-gebodemd doodsschip voorttrekt, rillen wij van de koude. Ook van het nat, waarvan de golfslag, die nu en dan over ons vaartuig vliegt, ons weldra doet druipen. Misschien is het nog wel het meest van de onzegbare somberheid der geheele situatie, dat wij huiveren. Door den grijzen dampkring zoemen ons uit de verte de tonen tegemoet van de doodsklok, die geluid wordt. Spookachtiger iets is nauw denkbaar dan deze samenzang der begrafenisklok met het golfgerommel, welke het door den nevel voortglijdend rouwschip begeleidt. Ginds, waar zich boven de onmetelijke water-verlatenheid de silhouette afteekent van een kleine menschengroep, daar is het doel van de doodenvaart. Daar staan de enkele nog gebleven dorpsbewoners verzameld, die nagenoeg allen naar den godsakker zijn komen roeien. Zij helpen, zwijgend en strak, ons schip met zijn triesten last aan het hooggelegen kerkplein meren. De dragers lichten de baar op; hun schouders schokken en hun knieën beven van innerlijke kou. Wij volgen. Achter ons sluit zich het geringe overschot der dorpsbevolking aan. De grafkuil opent zich op weinig schreden. De gapende diepte ontvangt haar bewoner. Het klokgebom boven ons hoofd en het golfgeklots aan onzen voet begroeten den vluchteling, die is weergekomen. Nu dreunt de klok uit. Maar de golven blijven het woord accompagneeren van den spreker bij de groeve. Dit is een oogenblik van ijzingvolle indrukwekkendheid, nu de prediking van de vergankelijkheid over de verwoestingswateren galmt. De prediking van de vergankelijkheid des menschen eindigt in een verkondiging van de eeuwigheid Gods. "De eeuwigheid Gods, amen", besluit de grafredenaar. "Amen", ruischen de baren in het rond terug. De doodsklok mengt opnieuw haar bastonen in het golvengezang. Wij schepen ons weer in. De doodenhof blijft eenzaam achter, omklotst door het water. Over eenigen tijd zal het water niet meer erom, maar erover klotsen. Dat zal den ontslapene, dien wij er achterlaten, niet meer deren. Als van die nog hier zijn weldra ook de allerlaatste zal moeten vluchten, hij mag blijven in de plaats, die geen dorpeling verlaat, dan een zwaard gaande door zijn ziel.

Ach, burgers van de groote stad, en uit dien hoofde, hetzij meer, hetzij minder, wereldburgers, zij beseffen niet, wat de vlucht uit het voorvaderlijke dorp zegt voor het één met den ouderlijken grond zijnde landvolk. "Het is mijn dood", hebben sommigen hunner geweeklaagd bij het gaan. En het werd hun dood, wat menigeen aangaat. Voor enkelen werd het erger dan de dood. Arme jongen, die niet over het verlies heen gekund hebt van het stuksken bouwland, vaders geschenk, kort voordat de groote vloed kwam, die het overstelpte! Zestien jaar, en: krankzinnig! Ik wandel door het Wilhelmina-gasthuis. Opeens achter mij een wanhopige vrouwenstem: "Dominee, dominee! Ik wil met dominee mee!" Zijt gij het, brave, knappe huismoeder, belangstellende kerkgangster? Waanzinnig! Opgesloten, als gevaarlijk, in de zoogenaamde "kooi"! Hoe komt dat zoo, beste moeder Griet? "De golven, de golven gaan zoo heen en weer", gilt de arme, "ik wil met dominee mee!" O, de watersnood heeft verwoesting aangericht, die erger is dan de verwoesting van woningen en weiden!

Op de zolders van misschien tien huizen vind ik bewoners, wanneer ik in mijn woonplaats mijn kleine roeiboot door de golven stuw. Ik leg aan bij de huisdeuren. Vandaar wijst een vlonder door het overstroomde huis den weg naar zolder- of vlieringtrap. Boven, daar zitten zij bijeengedrongen in half-donker: vader, moeder, kinderen, huisdieren, gevleugeld en viervoetig vee. Bedden gespreid op den zoldervloer. De atmosfeer bijna ondragelijk. Deze menschen kunnen niet vluchten. Zij kunnen niet, een deel hunner, dewijl de scheiding van huis en have hun _te_ zwaar is. Nietwaar, als men er toch voor heeft gewerkt en gezwoegd, een menschenleven lang! Zij kunnen niet, óók een deel hunner, dewijl elders gastvrije vriend of maag hun niet zijn beschoren, geld voor een betaald onderkomen hun ontbreekt, en het brood der barmhartigheid hun te bitter zou smaken om het te eten.

Op een bouwvallig zoldertje zit de oude moeder alleen. Vader rust reeds sinds jaren in het graf. Zoon en kleinzoon zijn zoo juist met de schuit van huis gegaan. Oud moedertje is heel moedig in hun tegenwoordigheid. Thans is zij, o, zoo mistroostig. Oud moedertje schreit op de schemerige vliering. Ze schreit, o, zoo droevig. Wij zitten tegenover elkander. God zit ook op het vlierinkje, zeg ik tot de oude grootmoeder. En dat gelooft zij. En wij leggen de vier handen ineen. En terwijl wij beneden in de woonkamer het water hooren klotsen, bidden wij op het donkere zoldertje. Ik vertel niets van het gebed; van een zoo heilig oogenblik moet men niet willen vertellen. Maar het gebed boven de golven, hand in hand met oud grootmoedertje op het zoldertje, blijft mij een glanspunt in mijn herderlijk werk. Toen ik de trap weer afklom, weende oud moedertje nog. Maar zij weende heel anders dan toen ik kwam.

De geschiedenis van den watersnood is voor het volk, dat erdoor werd getroffen, een geschiedenis van tranen. En als ook de toekomst die tranen bij velen misschien nog in langen tijd niet zal drogen,... Mogen het dan maar tranen zijn van dat andere weenen, zooals van grootmoedertje, nadat zij in het gebed haar lot in Gods hand had gegeven.

[Decoratieve Illustratie]

[Illustratie]

IX.

ALWAAR DE EENDEN KWAKEN.

I.

Op school was ik zeer verstandig. Vooral in het opstellen maken. Alhoewel ik reeds bijna vijftien ben, kan ik dat nog goed.

Nu zal ik een opstel maken over mijn zuster Trijn.

Daar komt ook in van mijzelf, van mijn kameraad Kreel, van de biggen, en van nog anderen.

Mijn zuster Trijn is "skoon van wezen," heeft Kreel eens tot mij gezegd. Dat wist hij, zeide hij, omdat hij in zijn twintigste jaar is.

Trijn "loopt op de vragenleering"; maar ik niet. Als ge "op de vragenleering loopt", zegt Trijn, kunt ge later lid van de kerk worden.

Verleden jaar heeft Trijn op de "leering" met haar vriendin afgesproken, Zondag naar de Purmerender kermis te gaan.

De vriendin zei, dat zij dan meteen voor haar grootmoeder een bewijsje, dat deze tot de kerk behoort, konden halen. De grootmoeder was uit Purmerend bij haar thuis komen inwonen. De "arrestasie" moest men maar vragen, had haar grootmoeder gezegd; dan wist dominee het wel.

Mijn zuster Trijn helpt vader elken dag de eenden voeren; maar ik niet. Ik ga veel uit fietsen, of ik maak opstellen. Ook lees ik veel in de krant.

Als Trijn de eenden voert, stapt zij, met den emmer nestvisch aan de hand, zoo maar over de hooge schotten heen, die de eendenhokken afdeelen.

Kreel, die de nestvisch bij ons bezorgt, bleef het dikwijls een poos versteld aanzien. Eens zei hij: "Trijn, het lijkt haast een kunstenmaakster uit een spel".

"Nou, borst," zei Trijn, "hoe kan ik er anders bij komen?"

Maar ik was, daar ik zoo schoone opstellen kan maken, bestemd, om naar de hoogere burgerschool te gaan. Mijn vader heeft er wel twee jaar lang over gedacht, mij daarheen te brengen.

II.

Nu begin ik over de nestvisch en over de krant. De eerste wordt door de eenden gegeten.

Wij hebben veertienhonderd eenden. Achter ons huis beginnen de eendenhokken, en dan loopen zij in lange rijen tot het eind van ons groote erf. Zij zijn met elkaar een heel eendendorp. Nevenburen en overburen hebben de eenden. De paden door het eendendorp zijn met een plankenvloer belegd. Elk eendenhok heeft een dicht binnenverblijf, dat met een schuin dak van hout afgedekt, en een open voorterrein, dat met een houten hek omgeven is. Ook is elk eendenhok veel meters lang. Maar het wordt in de dwarste door schotten in ongeveer vierkante woningen verdeeld. Dat zijn de schotten, waar mijn zuster Trijn overheen stapt. Tusschen elke twee dwarsschotten wonen tusschen twintig en vijftig eenden samen.

Wat de eenden van de meeste menschen onderscheidt, is: dat de eerstgenoemden kwaken. Als de eenden kwaken, zou het lichtvaardig zijn, zoo maar vast te stellen: nu zeggen zij dit, of: thans beweren zij dat. Bij de overbrenging van het eendengekwaak in het Nederlandsch blijft steeds veel voorbehoud noodig wat betreft de zekerheid der vertaling, want de eenden hebben een zeer ingewikkelde grammatica. Maar een bepaalde kwaak-uitdrukking houden zij erop na, waarvan de zin toch volkomen vaststaat. Wanneer zij die ten gehoore brengen, hebben zij honger en begeeren nestvisch.

Die brengen vader en mijn zuster Trijn haar dan.

Met juistheid te bepalen, wat nestvisch is, behoort natuurlijk tot de dierkunde, maar, naar ik uit de krant weet, ook tot de staatkunde. Of dier- en staatkunde nog meer gemeenschappelijk gebied hebben, is mij onbekend. Maar ik heb in de krant gelezen, dat ons kamerlid het met de eendenboeren, door wie hij is gekozen en verhoopt herkozen te worden, eens is over de leer: nestvisch is tot niets nut dan tot eendenvoer, en de vangst ervan behoort geheel vrij te worden gelaten. In dit dier- en staatkundig beginsel heeft echter, volgens de krant, ons kamerlid een verbitterd tegenstander aan zijn ambtgenoot uit de visscherijstreek; deze deelt met zijn visschers-stemmers de gewetensvolle overtuiging: nestvisch is onvolgroeid haringkroost, welks ontijdige wegvangst voor het eendengebroed roof is aan het menschengeslacht.

Vader en mijn zuster Trijn zijn er vast toe besloten, dat vader nimmer weer op ons kamerlid stemmen zal, indien ooit diens dierkundige en staatkundige welverzekerdheid met elkander in tegenspraak mochten komen te geraken. Maar daar bestaat in het geheel geen kans op. Onlangs heb ik uit de krant aan mijn huisgenooten voorgelezen, hoe in de zitting ons kamerlid aan zijn ambtgenoot heeft toegevoegd, dat een nestvischje zoomin ooit tot een haring zal worden als tot een zeemeermin. Hoewel wij niet wisten, wat een zeemeermin is, vonden wij dit een krachtig bewijs voor zijn vastheid van standpunt. Ik heb de regels over de zeemeermin uit de krant geknipt en in mijn opstellenschrift gelegd.

In elk geval is het nestvischje een geschubd lijkje, klein van maat, zilver van kleur, rot van geur.

Toen, terwijl onze Trijn met den nestemmer naar de eendenhokken wandelde, twee stadsdametjes op haar rijwielen voorbijkwamen, drukten zij haastig beiden tegelijk haar zakdoekjes tegen haar neusjes.

Maar onze Trijn, ree van besluit als zij is, zette snel den emmer neer, keek de stadsdametjes strak aan, greep een punt van haar zwarte schort, en drukte die tegen háár neus.

Daar wou mijn zuster Trijn mee te kennen geven: "En ik walg van uw bereukwaterde zakdoekjes".

III.

Toen Trijn op dien afgesproken Zondag met haar vriendin naar de Purmerender kermis ging, zag moeder haar door het venster met welbehagen na. En toen Trijn in het voorbijgaan met haar arm naar het raam zwaaide, zeide moeder tot vader, dat ieder zou moeten denken: "Wat 'n gnappe maaid!" Mijn zuster Trijn had haar koonen glimmend gepoetst met zeep, en witte handschoenen aangetrokken.

Mijn vader glunderde, toen moeder het zei; daarop ging hij naar de schuur, om wat te "pluisteren". "Pluisteren" is: de slachteenden, na ze gedood te hebben, plukken. Als de eenden blauwe koppen krijgen--en die krijgen ze omstreeks eind-October--, kunt ge ze het gemakkelijkst "pluisteren"; dan zitten de veeren los. Als ge "gepluisterd" hebt, zit ge geheel onder het eendedons. Daarom moet iemand, die "gepluisterd" heeft, vervolgens ook zichzelf "pluisteren".

Nadat mijn zuster en haar vriendin te Purmerend aangekomen waren, gingen zij eerst in de rödelbaan. Terwijl zij in den wagen de baan afrolden, gilden zij. Dat doen alle meisjes, die de rödelbaan afvliegen. De jongens niet; die hebben een groote sigaar in den mond. Vier keeren hebben Trijn en haar vriendin zich over de rödelbaan laten rijden.

Daarna hadden zij honger; zij gingen poffers eten.

Daarna hadden zij dorst; zij gingen limonade drinken.

In de Breedstraat zagen zij langs de kramen mijn kameraad Kreel aankomen.

Mijn kameraad Kreel is kort en breed. Zijn gezicht is vol en wit. Zijn haar is strookleur. Hij is goed.

Mijn kameraad Kreel zegt niets, als hij niets behoeft te zeggen. Hij weet niet, wat hij dan zou moeten zeggen. Hij is, naar hetgeen mijn zuster Trijn vindt, saai.

Mijn zuster Trijn is niet saai.

Wie verwacht mocht hebben, dat Kreel de meisjes zou zijn voorbijgestapt, had onbekend moeten wezen met de gevoelens en gedachten dezes jonkmans. Hij keerde, integendeel, terug, en verzelde ze, daarbij de zijde houdende van mijn zuster Trijn.

De meisjes staken bij elkaar den arm in, en giegelden saam, in het geheel niet Kreel, doch aldoor maar elkander aankijkend.

Kreel ook gaf zich iets lacherigs, 't welk hem er zeer rampzalig deed uitzien.

Zoo bereikten zij drieën het eind van de kramenrij. Daar verleende mijn zuster voor het eerst rechtstreeks aandacht aan Kreel. Als met plotselinge verbazing over zijn aanwezigheid vroeg zij hem, wat hij wou.

"Meeloopen", zei hij.

Trijn trok haar vriendin, met een verontwaardigden ruk aan heur arm, mee rechtsomkeer, en begon met haar den gekomen weg terug te wandelen.

Maar ook op die terugwandeling week mijn kameraad niet van de zij mijner zuster. Hij keek niet naar den kant van de twee meisjes noch naar den anderen kant, maar recht vooruit. Hij floot.

En de meisjes legden den terugweg langs de kramen af, niet giegelend, gelijk op den heenweg, doch met stijf-booze gezichten. Bovendien klemden zij de lippen saam; tevens trokken zij de kinnen in.

Toen zij terugbeland waren daar, waar, bij de kerk, de kramen begonnen, riep mijn zuster tot Kreel: "Ga toch heen, jongen!" Daarbij gaf zij hem met haar vuist een harden stoot tegen den schouder.

Nu ging Kreel vlak voor mijn zuster staan. Hij zag haar een poos zwaarmoedig in de oogen. Vervolgens droop hij af in de nauwe steeg achterom de kerk, en donkerde daar weg in de schemering.

Daarna hebben mijn zuster Trijn en haar vriendin nog veel genoten. Zij gingen in den zweefmolen en in den draaimolen. In den eerstvermelden molen zweefde mijn zuster Trijn, alsof zweven eigenlijk haar normale wijze van voortbeweging was, zoo schoon. Die het aanzagen bewonderden haar zeer.

Hierop gingen zij om de "arrestasie". Die zou worden "opestuurd", beloofde de meid van dominee. Dat vonden zij goed.

Zij zijn nog in twee spellen geweest.

Daar het nu gevorderde avond was geworden, haastten zij zich naar de Koemarkt. Aldaar zijn zeer veel herbergen. Op de kermisdagen komt uit de deuren der herbergen muziek, geroes, geklots, zoomede een uit alcohol, tabak, menschenzweet en menschenadem samengetrokken walm. Maar de walm, die eruit komt, doet weinig afbreuk aan den walm, die erbinnen blijft.

Mijn zuster en haar vriendin gingen "aan de lijn". "Aan de lijn" staan dusdanige jongedochters, die zich met de kermis in een rij langs de muren der herbergzaal scharen. Zulks verrichten de jongemaagden, welke tot hiertoe geen "verkeering" hebben, noch "vaste", noch "losse". Zij doen daarmede kond, dat zij zich ter beschikking stellen van de jongemans, die haar ten dans, en, mocht het geval zoo loopen, ook ter verdere lots-samenvoeging zouden willen leiden.

Mijn zuster en haar vriendin gingen derhalve "aan de lijn" op de Koemarkt. De markt heet evenwel zoo naar de koebeesten, die er des Dinsdags aan de lijn staan, te kijk zoowel als te koop.

Herhaaldelijk kwam een "jongkerel" Trijn of haar vriendin van "de lijn" halen, danste met haar, en bracht haar terug "aan de lijn". Dat laatste was goed, om haar telkens eens wat van de warmte te laten bekomen.

Terwijl mijn zuster "aan de lijn" stond, werd haar door den bediende een glaasje brandewijn met suiker, dat zij niet besteld had, gebracht. Dit gebeurt in die gevallen wel meer. Dan heeft de ontvangster van de versnapering onder de schare een verborgen bewonderaar, die zich later wel als den geheimzinnigen weldoener aan haar ontsluiert.

Trijn nuttigde den brandewijn in veel kleine teugen. Tusschen twee teugen in roerde zij telkens de suiker. Het overschot der suiker at zij ten slotte van den kleinen lepel.

Nauw was zij hiermede klaar, of zij moest alweer dansen. Van toen af heeft zij wel anderhalf uur lang bijna onafgebroken gedanst.

En daarna zag zij mijn kameraad Kreel voor zich staan. Zij merkte hem pas nu op in de danszaal. Maar hij moet er, heeft zij later begrepen, toch reeds heel geruimen tijd geweest zijn.

Mijn kameraad Kreel voerde zwijgend een zachtwiegende beweging met het bovenlijf voor haar uit, die, gepaard aan een schroomvallige uitstrekking van de armen, duidelijk een noodiging ten dans vertolkte. Juist toen mijn zuster "ja" of "neen", maar denkelijk wel "ja", zeggen wou, kwam een jongeling op haar af, die een sigaret rookte.

Trijn wist niet, wie deze jongeling was noch waar hij woonde. Maar hij had een stoomfiets. Daarop snorde hij weleens onze eendenboerderij voorbij. Toen draaide mijn zuster Trijn haar rug naar Kreel, en danste met den jongeling.

Na dit gedaan te hebben, ging zij naarbuiten. Want zij wilde eens luchtscheppen. Zij ging alleen. Want haar vriendin was vertrokken met een jongmensch, dat de vriendin op wafelen wou tracteeren.

Mijn zuster Trijn wandelde de Koemarkt af, en de mooie, stille laan, die naar den Purmerpolder voert, in. Onder een boom bleef zij even staan. Zij keek naar de schaduwen der stammen en takken, die het maanlicht op den breeden weg teekende. Zij keek vervolgens ook naar de sterren, die zij door het dunne herfstloof heen zien kon. Zij was er blij om, dat zij een oogenblik uit de vreugde was weggeloopen. Zij nam haar zakdoek, en wischte haar warme gezicht af.

Zij zou haar zakdoek weer bergen, toen haar hand zacht werd gegrepen. Daar "verschoot" zij van. Maar het was Kreel, die het deed, zooals zij tegelijkertijd zag.

Mijn kameraad Kreel was haar over de afgevallen bladeren doodsstil nageloopen.

Mijn zuster werd heel driftig. Zij trok aan de hand, die Kreel vasthield. Maar Kreel wou de hand niet loslaten.

En hij zeide: "Trijn, het brandewijntje was van "mijn"."

Toen Trijn dit hoorde, gedoogde zij, dat haar hand met den zakdoek in Kreels hand bleef liggen.

Maar daar mijn kameraad Kreel thans ook den arm om haar schouder wilde leggen, rukte zij zich onverhoeds los. Daarop liep zij in halven draf naar de Koemarkt terug.

Doch nu mocht Kreel dan toch naast haar meedraven.

En in de herberg heeft zij daarna één keer met hem gedanst ook.

Terwijl dit een en ander aldus plaatshad, lagen mijn vader en moeder diep slapend in hun bedstede, en ik evenzoo in de mijne.

Maar ruim halverwegen den nacht schrikten wij alle drie wakker. Dat kwam door de eenden, die opeens vervaarlijk te keer gingen.

Vader sprong overeind, bemerkte ik. "Moeder, wat is er?" riep hij slaapdronken, zoo hoorde ik.

Na eenige oogenblikken zei moeder: "Onze Trijn zal thuiskomen."

Toen legden vader en moeder zich gerustgesteld neer. Zij sloten weer vredig de oogen toe. En ik ook.

Maar het duurde toch nog een minuut, voordat wij aan de klink der achterdeur hoorden, dat Trijn in huis kwam.

Zij moest eerst Kreel nog "gedag-zeggen."

Mijn kameraad Kreel had haar en haar vriendin thuisgebracht in een rijtuig. Bij zulke gelegenheden ziet hij nooit op een paar guldens. Als mijn kameraad Kreel eenmaal uit is, is hij heel niet "krimmeneel."

IV.

Wij zijn een benijdbaar huisgezin, omdat vader en moeder zooveel genoegen smaken van hun twee kinderen. Vader geeft het aan menigeen te hooren, dat hij en moeder, door kinderen zooals zij hebben, trotsch zouden worden, "bijaldien" dat in hen zat. Maar het zit niet in hen. Trouwens, ook van vrijwel alle andere fouten dan trotschheid pleegt mijn vader bij gelegenheid te belijden, dat hij en moeder eraan mank gaan zouden, "bijaldien" ze in hen zaten. Maar, gelukkig, zit geen enkele daarvan in hen. Onder al dergelijk betoog van vader knikt moeder dan zedig-vredig, dat het zoo is.

Nu, ik en mijn zuster Trijn weten ook zelf wel, dat vader en moeder boven velen bevoorrecht zijn met zoodanig kinderbezit als hun is beschoren. Ten aanzien van Trijn valt hun ouderlijk voorrecht het sterkst in het oog. Haar temidden der eenden ga te slaan is een schouwspel, om menigen jongen knecht te beschamen. Zóó ziet gij haar hier doende, en zóó alweer ginds bezig. Zij roept de eenden op, en ze hobbelen van allen kant toe; zij schopt naar ze met den klomp, en ze waggelen naar allen kant weg. "Bijaldien" onze Trijn onze Trijn niet was, zou ons eendenbedrijf niet ons eendenbedrijf zijn, zoo getuigt mijn vader. Ik, daar nu tegenover, ben tot het eendendom niet nut, maar verstrek op mijn beurt het ouderpaar tot vreugde, dewijl ik zulke "gaven" bezit. Vader kan "met een woord van waarheid" verklaren, dat hij en moeder, wanneer zij "zichzelf in beskouwing nemen", niet bevatten, vanwaar hun beider "zeun" deze "gaven" heeft. En zoo ontbreekt in ons vriendelijk gezin geenszins die betamelijke waardeering, welke tevens een zachte streeling verschaft zoowel aan dengene, die zulke waardeering betoont, als aan dien, die haar ondervindt.

* * * * *