Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname

Part 8

Chapter 84,063 wordsPublic domain

Deze vermaaklijke Plantagien verstrooid, aan de Rivieren leggende, en wel afgezondert van de onbendige Wereld, voor die genugte neemt om zig te voeden met de natuurlijke dingen in veel veranderinge te beschouwen, als of hy herschept in een andere Wereld geworpen was, voed zijne ziele in dit zo grote genoegen, als hy met die bedaartheid gaat nederzitten, dat andere Wereld-delen zo veel bezondere eigenschappen beswangeren, daar door zy mede deelzaam worden by andere Volkeren. Dog iemant van een gezelschap levende aard zijnde, om by vele Menschen om te gaan, door een slaafze gewoonte daar hy zig zelven aan overgegeven heeft, en voor die Vrind ziek zijn, hangende aan Nigt en Neefjes, de zulke komt het in ’t eerste vreemd te voren, hem toe schijnende wel een Heremitagie of Kluizenaars Woning, zijnde van rondom met grote Bosschagien en Wildernissen omzingeld en ingesloten, vindende geen ander gezelschap, dagelijks in ommegang, als daar hy door wet der Kerk aan gehuwelijkt is, en de verdere aankleve van dien; blijvende by de zelve vreze, begeerte en droefheid als de blijdschap verbannen zijnde. Daar die Mensch, ziende na den Hemel, haren Oorsprong te rugge, hem een vereisste genoegdoeninge kan geven om zig te leren kennen, in verlochinge zijn zelfs, als maar zijnde eene Pellegrim dezer Wereld; zijnde geduld de regte zuilen van alle ongevallen en beswaarnissen, schuilende dog hier de koele Dalen van Hermus, bedekkende het hoofd met een breede schaduwe van Takken.

De dagelijkze ommegang der Christenen, en wel bezonder die der Vrouwen, blijkt hier vry wat gemakkelijk te zijn, zullende het byna tegens de pligt, en eere der zorgvuldige Huis-houwster Marta hare bezigheden, rekenen, hare handen ergens aan te slaan om iets zelfs te doen, haar in deze wonderbaarlijk schikkende, na een overvloedig gemak en ontzaggelijke bevelen, dat haar met dit luy en lekkere Land als aan geërft word, schreuwende om hare gedienstige Huis-Slaven, die dan de name voeren van Coffy, Theé, Chocolade, en vele andere snaakze opgeraapte namen, al eer zy, na de yver zugtige Europiaansche wijze, haar met een dit of datje zullen bezighouden; zo dat ik tot een glorije van dit ziel verheugend geslagte genootzaakt ben te zeggen, dat een Planters en ingevolge een Directeurs Vrouw, het in alle dingen veel beter heeft (als over een komende met hare eigen zelfs hoogmoedige gedagten, daar deze liefkozende harten dog mede bedwelmt zijn) als eenige voorname Vrouwen in andere Plaatzen: Dog moet ik, overtuigt zijnde, tot haar ontschuld hier by doen, dat het schijnt zig toe te dragen een schande te zijn, ten opzigt der Slaven, als een Christens Vrouw hier eenig werk doet, na welkers voordelig gemak de zelve haar ook wel schikken konnen, voedende hier door de ellendige begeerte om luy te leven; en ’t schijnt dat de Slaven zelfs voor de arbeidzame Christenen zo geen agtinge hebben, door dien de waardigheid van haar pligt tot de blanke zig zeer verre strekt, zo dat men ter eere van de Europiaansche zeggen kan het een Aards Paradijs voor de zelve zou zijn, wijl men die al te maal van een goede gestalte vind, in een wellustig levendig humeur, om dat die niet veel de hitte des Lugts, nogte de overvloed van sterke Drank zig onderwerpen, haar doorgaans vernoegende met een Kopje voetzame Chocolade, Coffy en de Theé, neffens eenige kleine ververssinge van goede en nutbare aangename Vrugten; zijnde dit Klimaat des Lands dienstbaar aan deze zin-spelende dwingelandige pijn Wigjes, als daar in gekoestert wordende, tot een welgevallig teder vergenoegen des natuurs en menschelijke leven.

[Welke de voornaamste Plantagie is.] Onder alle Plantagien is wel die de voornaamste van de Zuster der Edele Heer van Sommelsdijk, zijnde de hoogste aan de Rivier Zuriname opwaarts gelegen: Zy heeft voor dezen de Woon-plaats geweest van zekere Labbadisten, die uit Holland, Friesland en andere Plaatzen daar na toe getrokken zijn, met oogmerk om hier een beter leven te leiden tot bevorderinge der Zaligheid, en leefden met malkanderen in gemeenschap der Goederen. Maar alzo in zulke gevallen de zinlijkheden der Menschen met malkanderen niet over-een-komen, zo heeft dit ook geen stand gehouden, en is deze verzameling met onderlinge goedvindinge wederom gescheiden, zommige zijn na het Vaderland getrokken, andere hier en daar in ’t Land gebleven.

VI. HOOFT-DEEL.

Aard, Natuur en Eigenschappen der Swarte Slaven, des zelfs Geboorte Plaatzen en verdere over voeringe aan de Amerikaansche Kusten, enz.

Eer ik verder gewag maak, tot de Beschrijvinge der Swarte Slaven en Slavinnen, zo zal ik eerst handelen van des zelfs Vaderland daar zy van daan gehaald werden, met de overvoeringe na de andere Kusten, en voorts eenige geschiedenissen, deze Volkeren betreffende, aantekenen.

[Uit wat Land de Swarte Slaven afkomstig zijn.] Het Vaderland van deze Swarte Slaven is de Zuidwestlijke en Westlijke Kust van Afrika, hetende het Grote Negerland, de Kusten zijn Guineesche, Congosche en Angolasche; hier hebbenze haar Steden, Dorpen en Koninglijke Land Regeringen, de Stad Benua in ’t Rijk van Benin is wel vijf mijlen groot. De Edele Heeren Bewindhebberen van de West-Indische Compagnie hebben alhier, over de Guineesche Kust, de zouverine bezittinge; ’t Fort d’ Elmina is de Hooftplaats alwaar de Gouverneur Generaal zijn verblijf heeft, en voert ook gezag over de Gouverneur van Curacao, leggende omtrent hondert mijlen bewesten Zuriname, tegen over de vaste Kust die de Spanjaarden in bezitting hebben: Vorders handelt de Maatschappy ook Slaven op de Kusten van Congo en Angola, die de Portugezen in bezitting hebben, op de zelve mogen alle Natien van Europa vry handelen, maar niet op de Guineesche.

[Misverstand van eenige in ’t verkopen der Slaven.] Te onregt wanen vele, die menen, dat hier de Ouders hun Kinderen, de Mannen haar Vrouwen, of den eenen Broeder den ander verkoopt. De gene, welke van dusdanige gedagten zijn, bedriegen haar zelfs; want dit nooit en gebeurt dan uit nootzakelijkheid, en om deze of gene misdaad; dog de meeste Slaven, die na andere Kusten werden gebragt, zijn Menschen die in den Oorlog zijn gevangen, en die door de Overwinnaars, als hun Buit zijnde, werden verkogt.

[Overvoeringe en verkopinge van de Slaven.] De Slaven werden van de voorsz. Kusten, ten getalle van 400. à 500., in gescheept, en na Amerika in deze Colonie Zuriname, als mede Curacao; aldaar ten dienste van de Planters en alle verdere Ingezetene, by paren publijk verkogt, gemeenlijk Man en Vrouwlijk geslagte t’ zamen uitgeveilt, daar zy ook, gelijk een Creatuur, eerst gemonstert worden, en draven voor uw heen en weder, spreidende de armen van malkanderen, de beenen ook op alle manieren bewegende, en eindelijk de mond open doen of haar ook iets mogte schelen; zo aan Man als Vrouw, Jong en Oud, tot aan de gaven van Adam en Eva toe, word opzigt genomen. In middeler tijd van de Reis zo worden ook wel vele ziek, en hebben, als zy in de Schepen geladen worden, het eene of ander Venus-kwaad onder de leden, de zelve worden Malinkerts genoemt, wordende voor veel minder prijs als de gezonde verkogt; daar door men ook een goed voordeel behaalt, als men zo gelukkig is dat zy herstelt zijnde wederom op komen, hebbende daar dan eenige goede Spijze van de Meester, en thans bekwame Geneesmiddelen van een Doctor, daar het dan zonder gemengeling van ’t eene voor ’t andere op heen loopt. Verkogt zijnde, zo word de naam van de Meester, haar in twe en drie Merk-letteren, op de Borst gebrand, na dat de plaats al vorens met een weinig Boom-Olie bestreken is, zijnde het zelve van zilver of koper daar toe gemaakt, geschiedende dat t’ elke malen als zy een ander Meester bekomen, werdende de vorige namen, als te veel zijnde, uitgeswore.

Zelfs worden de kleine Kinderen van het zoete lot des harer liever Ouderen versteken, als die van de Moeders borst afgerukt worden; als een ongelukkig Ner haar verspiede, door die gene, dewelke haar valschelijk zonder lotinge en zonder Regter hier toe verleid, verdag vaardende den groten hoop der Swarte, en neemt kennis van handel en wandel, als bedrukte die haar leven moede, hare zielen verruikelozen, ziende eerst haar noot-lot der Inscheping en het zeewater, willende liever zuure armoede en sware arbeid in haar geboorte plaats uitstaan, als tegens haren wil hunne Kusten en Land verlaten.

[Redenen waarom de Slaven onwillig zijn om haar te laten vervoeren.] Deze Natie houden haar meesten tijd wel te vrede als zy in de Colonie zijn, maar onderwegen heeft haar de vreze zodanig bezet, dat zy vermene onder de Spanjaarts vervoert te worden, als wetende van de Tijrannie, die te Mexico en Peru, door haar gepleegt was, door ’t verbeelde van de Jodendom: Zo dat zy veeltijds ondernemen om het Schip af te lopen, of haar in zee te werpen, om haar van die wanhoop uit een nog ellendiger leven te verlossen, daar de Kapiteins dier Schepen, door goede wagt houdinge aan de Luiken van ’t Schip, zorg voor dragen; werdende ook van haar Natie eenige van de stoutste Venten tot Gidszen of Opzigters over haar gestelt, gedurende de Reis, die daar wonderlijk mede opgeschikt zijn. By dag werden alle uuren vier Slaven boven gelaten op het dek, om haar wat te verluftigen en af te wasschen, om dat ze van haar sweet zo vreeslijk stinken. ’t Schip werd mede ’s daags twe à drie malen gespoelt, om de frisse lugt hier door te genieten.

De West-Indische Maatschappy brengt nu ter tijd geen Slaven meer over na andere Kusten, voor en al eer hondert Guldens op hand word gegeven by de inteikening in Holland, en dan moeten ze zo lang wagten, tot dat ’er zo veel ingeteikent zijn, dat zy ’er bekwamelijk een Schip op kosten van dien konnen toe rusten, waar door het zomtijds lang aanhout eer een Schip in Zuriname met Slaven komt.

In de laaste onderneming der Franschen, hebben de Zurinamers ook grote schade geleden aan haar Slaven, want buiten de gene die ze mee namen, zijn ’er over de zeven hondert of veel meer, in de Bosschen, weg geraakt.

[Gevoelen van de Slaven-Handel of die overeen-komstig is met de Goddelijke Wet.] Vele Menschen peinzende zieltogen op de Slaven-Handel, wijl het zig niet gegrond zoude vinden met de Goddelijke Wet, daar over zal ik niet oordele, maar heen wijzen aan de bladeren des Ouden Testaments, daar staat wel uitdrukkelijk van Heidensche Slaven te kopen van de Volkeren die rondsom wonen, en die als vremdeling in ’t Land zijn, ziet daar van Levit. 25: vs. 44. daar ook verscheidene Wetten gegeven zijn, van de manier hoe men haar handelen zal, ziet Exod. 21: vs. 20. en op andere plaatzen meer.

[Voorval van een Swartinne.] Eenige Christenen willen, dat men behoorde die Menschen te bekeeren en tot de Christelijke Religie te brengen, daar veel moeite nu voor en na om gedaan is. Men heeft een exempel, dat een Swartinne in Amsterdam is overgebragt met hare Meester, alwaar zy, na eenige tijd geweest te zijn, het Nederlands geleerd had, wierd eindelijk gebragt tot de Gereformeerde Godsdienst, zelfs tot de Belijdenisse van dien; na verloop van zeven Jaren, dat zy wederom in de Colonie Zuriname gebragt wierd, begaf zy haar wederom tot het leven en gezelschap van haar eigen naatsionaal Volk, tot een liber en vrije drift, zeggende dat zy onder geen dwang van Conscientie met die beswaarnis wilde leven, om dat de vryheid van dien alles te boven kwam, enz. Zijnde hare Religie veel aangenamer aan de zinnen dan die van ’t Christendom; want die Menschen zijn meer ingenomen met wezentlijke betogen, als gevoelens van vermaaklijkheden, die by haar min bekent zijn, daarom by haar niet gegrond en aangenomen worden.

[Gestalte van een Swarte Slaaf en Slavinne.] De Swarte Slaven zijn over-een-komstig van grote en swaarte van lighaam met de Europianen, maar platagtig van aangezigt; (dog verschillig met de Karaïbanen wiens aangezigten veel platter zijn,) hebben een holle ingevallen neus, haar oogen-wit is heel wit, verschelende hier in met de Swarten die men Mooren noemd, wiens oog-wit veel rood of rosagtiger is; hare tanden zijn zo wit als Elpenbeen, niet groot, en zo wel gereguleert als men in Europa niet vind, ook makenze daar zeer veel werk van, ’t hair is wolagtig, dat zy met willens kort houden, maar de Vrouwen hebben ’t wat langer, zo dat zommige het tot een tuit dragen, en andere hebben het regt opstaande een hand breed hoog, by de kanten om scherenze ’t met een Scheermes op het vel af, en als ’t dan een weinig ruig is, zo makenze met een Scheermes ronde kringen en slangen langs het hoofd in het dunne ruige haar, in ’t kort de Negers en Negerinnen zijn tamelijk mooy besneden van aangezigt en lighaam; de kleding is niet veel van belang, dog hun Meester of Meesteresse zijn verschuldigt aan haar, van vijf Jaar af (want dus lang lopenze naakt van haar geboorte aan) iets te geven om hun Schamelheid mee te dekken, van grijs of blauw Oessenabrugs of Haarlems Bond, na dat ze in gunst zijn; dat van de Slaven is een smal strook zes ellen lang en de breedte van een hand, dit windenze eenige malen om de middel, maar zo gereguleert dat een slag tusschen de beenen door gaat, alwaar de Schamelheid in verborgen is, en de twe enden hangen neer, alwaar zy hun Geld of iets anders in beknopen: De Slavinnen hebben van ’t zelve stof twe ellen lang; zo breed als het goed is, de zelf-kant op en neer, en slaan ’t een slag of twe om ’t lighaam, dat dan als een schort hangt. Zie nader, van ’t gestel der zelve, op nevensstaande Plaat; de beduidenis daar van is

A. De Neger. B. De Negerinne. C. ’t Zuiker-Riet. D. Een Pagaal, of Korf, daar de Vrugt in gedragen werd.

[Zondags werken de Slaven voor haar zelven.] De gene die nu wat Geld kunnen verdienen, want Zondags hebbenze vry en dan mogenze voor haar zelf werken, mits dat het Huis-werk van eenige gedaan werd; die op de Plantagien moeten ook haar eigen Kost-gronden bewerken, daar ze de gehele week van moeten leven, zo ze dan iets tot overvloed kunnen krijgen, dat brengenze na Paramaribo, als mede Hoenders, Eynen, en ander Vee, dat ze zelfs aankweken, om het aldaar te verkopen. De Slaven in de Stad Paramaribo gaan Zondags aan de Waterkant, of lopen na de Savana Baaljaren, zijnde een zeker zoort van Danssen, alzo by haar genoemt; maar dit is verboden, om dat ze te veel verstand met malkander hielden, en al zingende haar zaken, die d’ eene d’ ander toe wilde te weten, ondekten, zomtijds daar onder ook wel fluitende met de mond. De gene nu die voor andere werken op de voornoemde dag dat is dan voor haar zelven; (’t gebeurt ook wel dat de Negerinnen een Schellinkje met het Venus-spel verdienen van een Blanke,) hier voor kopen de Slaven wel een mooijer strook om hun middel, ook Tabak, Pijpen en Dram, daar ze haar zomtijds wel in verlopen: De Slavinnen kopen dan mede een mooijer kleetje, van Haarlemmer of ander gedrukt Bond, ’t geen zy Paantje noemen, en een borst-lap daar de borsten inhangen van streept Bond, ’t welk van haar werd genoemd Bobbe-lap, maar de meeste lopen met de borsten bloot; ook kopenze Koralen om de handen, armen en hals, ook mooije witte tanden die tot een snoer geregen worden, de zelve dragen zy dan om de hals; deze tanden werden uit haar Land, van de Slaven die hier komen, mede gebragt, en dan verkopenze de zelve onder malkanderen.

[Kwaadaardigheid dier Volkeren.] De Swarten zijn kwaadaardiger van geneigtheid dan goeder, haatdragend en strijfkoppig, daarom moetenze dikwils slagen hebben dat ze voorby konden, zy zijn mede heel kijfagtig onder malkanderen, en de Wijven plokharen altemets ook wel; voor het overige zijn zy weinig met de jaloezy bezet, en ook redelijk leerzaam om eenige Hand-werken te leren, als Timmeren, Kuipen; de Vrouwen daar-en-tegens Naaijen, en doen diergelijke dingen.

[Manier van Trouwen.] ’t Trouwen op deze onze Zurinaamsche Plantagien gaat op volgende wijze toe, de Negerman een Negerin ter Vrouwe begerende, zo vraagt hy zijn Meester om konsent, daar toe, om dit of dat Wijf te mogen hebben, die hun gemeenlijk zulks toe staat, die haar als dan vermaand om wel en vreedzaam, als te zaam gebonden Luiden Man en Vrouw, te leven, zonder eenige verdere Ceremonie van Trouwen door een Priester, maar door dit zeggen alleene zijn zy dan gehuwelijkt, ’t welk zy meest alle doen, zo haast zy tot eenige Jaren komen; alleene om dat zy van hare Huis-vrouwen zullen worden opgepast en gedient, om haar het eeten en drank te bereiden, in hare gedwonge arbeid en zuure armoede; en voorts leven zy in de Egte gemeenzaam, houdende het egter alle hare Vrouwen, en de Vrouwen het alle hare Mannen, te zijn, wel wetende dat twe meerder konnen als een, en de verandering een nieuwe lust by brengt. De Man gaat (zo hy een Vrouw van een ander Plantagie heeft als die gene daar hy op woond) alle nagten na zijn Liefje toe, de Kinderen die ’er geboren werden horen de Meester of Vrouw van de Slavinne toe. De Planters hebben liefst dat haar Slaven en Slavinnen op hun eigen Plantagien Trouwen, om dat ze anders te loopagtig en diefagtig worden: Die van Paramaribo zouden ’t liefst ook zo hebben, dog dit kan niet geschieden, wijl zy van zo veel Slaven niet zijn voorzien, daarom moeten zy zomtijds tegen haar zin toestaan, dat haar Slaven buitens Huis Trouwen.

Op dusdanige wijze werd het Trouwen op Zuriname verrigt, gelijk voor heen gesproken is, tusschen de Swarte Slaven en Slavinnen, maar zeer verschillig by haar eigen Land, waar van wy den Lezer iets zullen mede delen, zo als de Heer Bosman ’t zelve heeft aangetekent.

[Verdere zeden der Fidase.] De verdere zeden en gebruiken der Fidase (welke niet met den Godsdienst vermengt zijn) hebben met die van de Goud-Kust een goede over-een-komst, behalven dat deze in alles vry rijkelijker te werk gaan; want daar de Negers van de Goud-Kust zig vernoegen [Trouwen zonderling veel Wijven.] met een, twe, drie, en de voornaamste op zijn meest met agt, tien of twintig Wijven, daar hebben ’er deze wel veertig of vijftig, en de voorname Kapiteinen drie à vier honderd, ook eenige wel duizend, en den Koning tusschen de vier en vijf duizend stuks.

’t Grootste gedeelte dezer Wijven dienen maar zimpelijk om voor hun Mannen in ’t Land te arbeiden; dog de mooiste en fraaiste blijven in Huis; waar dat ze mede van den arbeid niet zijn bevrijd, behalven dat ze nog daar-en-boven hun Mannen moeten oppassen en dienen, gemerkt de Negers, die van eenig vermogen zijn, geen Mans-perzoon in de Woningen, waar dat hy zig met zijn Wijven onthoud, zullen laten komen.

[Zijn op de zelve zo min-yverig, dat ze die op het minste vermoeden van oneerbaarheid aan de Europianen verkopen.] De Mannen zijn hier zo wonderlijk min-yverig op hun Wijven, dat ze de zelve op het alderminste vermoeden aan de Europianen, om vervoerd te werden, verkopen; en niet als de Negers van de Goud-Kust, welke zig niet ontzien, om met hare Wijven een openbaren Handel te drijven.

Hier gaat het geheel anders in zijn werk; want by aldien iemant hier een ander mans Wijf afzoend, zo is hy genoegzaam lijveloos, indien de Beledigde maar van eenig vermogen is; ja zelfs geraakt, om de misdaad van zo eenen, zijn gehele Geslagte zomtijds in slaverny.

[Sware straf over ’t beslapen van een voornaam Perzoon zijn Wijf. ’s Konings Wijven mogen zelfs niet aangeroert werden.] Aangaande des Konings Wijven; indien een Mans-perzoon de zelve maar aanraakte, ’t zy by ongeluk of al willens, zo zou zo eenen zijn kop, of ten minsten zijn vryheid kwijt zijn; en tot boete van zijn onnozele misdaad, zig zelven een eeuwige slaverny moeten onderwerpen. Waarom ook al de gene, die ontrent ’s Konings Woningen iets te doen hebben, zig met roepen laten horen, op dat ’s Konings Wijven mogen verdagt zijn, dat ’er een Mans-perzoon ontrent is.

Om die zelve reden laat zig de Koning, zo als ik hier voren van de voornaamste ook heb gezegt, binnens Huis van zijn Wijven dienen; zonder dat ’er ooit eenig Mans-perzoon in komt, ten zy ’er iets te vermaken of te verhelpen is, in welk geval de Wijven zig zo lang aan een andere kant moeten begeven.

[Ook eenige niet bezien.] Wanneer de Arbeiders op de Daken, om iets te verstellen, moeten zijn, zo roepenze mede gestadig, ten einde de voornaamste Vrouwen des Konings zig zo lang binnens Huis houden; want het bezien van de zodanige zelfs voor een misdaad werd gerekend.

[Hoedanig ’s Konings Wijven zig buitens Huis gedragen.] Zo wanneer ’s Konings Wijven na ’t Land gaan om te arbeiden, ’t geen dagelijks met veel honderden te gelijk gebeurt, zo zullenze, wanneer haar een Mans-perzoon ontmoet, al van verre roepen, sta ruim; dewelke dan aanstonds van de weg af op zijn knien valt, en, zonder haar eens ter degen te derven aanzien, voorby laat gaan.

[De Koning verkoopt zomtijds een goed gedeelte zijner Wijven, zonder dat het getal verminderd word.] Om het alderminste ongenoegen, en wegens beuzelingen, verkoopt de Koning zomtijds een stuk of twintig van zijn Wijven, zonder dat der zelver getal ooit komt te minderen; want drie van zijn Kapiteins, niet van de minste Rang, en welke over het Fidase Serrail opzigt hebben, leveren hem alle dagen weder in de plaats; want zo zy maar een fraai Vrou-mensch zien, zo brengenze de zelve tot de Koning, waar tegen zig niemant in ’t gehele Land derf stellen.

Als een Dame by den Koning gebragt is, en dat ze hem behaagt, zo werdze een reis of drie van hem bekend, daar na moet zy ’t vervolg van haar leven als een zedige Non verslijten.

[Niemant wil gaarn een Vrou des Konings zijn, maar geven eenige zig liever aan de dood over.] Om deze oorzaak werden de Vrouwlieden ook gants ongaarn tot een Vrouw des Konings verkoren; kiezende de zommige liever een haastige dood, als zo een verdrietig leven.

Voor twe Jaren wilden gezeide Kapiteins een mooi jong Meisje tot den Koning brengen; dog mits zy niet veel behagen in het Nonne-leven had, zo ontvlugte zy uit hunne handen, en zig vervolgt ziende, werpt zig uit mistroostigheid in een diepe Put, waar in versmoorde. Ik zal het aan de Vrouwtjes overlaten, om te oordelen, of zo een, die dat gene, ’t welk, haar het meeste vermaak kan geven, niet ongelukkig is, wanneer ze het zelve na een reis zoenens of twe met p .... moet verslijten. Veel beter was ’t dan nooit, als wanneer ze zo ligt in verzoekingen zouden vallen. Dog, niet hoger.

[De Oudste Zoon is Erfgenaam van alle zijn Vaders Goederen en Vrouwen.] By ’t afsterven van den Vader des Huisgezins, erft de oudste Zoon alle des zelfs Goederen, ook zijn Wijven, die hy voortaan voor zijn eigen houd, en bezigt; uitgezondert de gene die hem ter Wereld heeft gebragt; dewelke hy een afgezonderde Woning, en nodig onderhoud (indienze van zig zelven niet kan bestaan) verschaft. Dit is by den Koning, de Kapiteinen, en ook den Gemenen Man, gebruikelijk.

[Den Koning aan zijn eige Dogter getrouwt.] Dezen tegenwoordigen Koning is ook aan twe van zijn eige Dogters getrouwd geweest, dog welze bereeds beide overleden zijn, en zijn vreugd met de zelve van een korte duur geweest is, zo beeld hy zig in, dat de Goden hem hier mede over de Schenddaad hebben gestraft; en dies heeft hy ook gesworen, dusdanigen daad nooit meer te zullen ondernemen.

[Uittrouwen van een Dogter des Konings aan den Engelsche Koopman;] Om in geen verzoekinge te vallen, trouwden hy te mijner tijd zijn eenige Dogter uit aan den Engelschen Koopman, die alhier den Handel wegens dien Landaard waarnam. Ik zeer vry met hem zijnde, bestrafte hem hier over; en om dat hyze my niet eerst had aangeboden, besloeg ik hem al lachende in een zekere Boete, ’t geen hy gewilliglijk betaalde; met byvoeging, dat zijn Dogter, schoon getrouwd, egter tot mijn dienst was, indien ik ze maar begeerde; dat om de zelve wederom te halen, het hem maar een woord had te kosten.

[en redenering deswegens met den schrijver.] Wat dunkt U E. Mijn Heer, zijn de Dogters van dezen Koning niet redelijk veil en goed koop, maar ’t is van den brui, dat het Trouwen van zo een Konings Kind hier te Land niet veel voordeel kan geven; anderzints had het aan my zelven moeten haperen, byaldien ik niet al voor lang gelukkig was geweest.