Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname

Part 9

Chapter 94,067 wordsPublic domain

[Veelheid van Kinderen.] Wegens de gezeide veelheid van Wijven, is het ook wel af te meten, dat geen klein getal Kinderen moeten voortkomen, indien de Mannen anderzints maar in staat zijn, om de zelve te konnen toestellen, want verandering van Spijs, zeid het Spreekwoord, doet wel en graag eeten, en dies ontbreekt het hier aan een byna ongelooflijke Kinder-Teelt niet; want gemerkt de Vrouwtjes niet geheel onvrugtbaar vallen, en de Mannen ook wel in staat zijn, om ’er het hare toe doen, zo en behoeft men ’er niet eens aan te twijffelen, want behalven dat de Mans door hun goede wijs van leven, en ’t voedzaam eeten en drinken, nog gedurig andere middelen tot versterkinge der Natuur gebruiken, en te gelijk ook sterke [Mans-perzonen met over de twe honderd Kinderen.] en lijvige Menschen zijn, zomoet U E. zig niet verwonderen, zo wanneer voor vast en zeker zeg, dat ik hier Manlieden heb gezien, dewelke Vaders waren van over de twe honderd Kinderen; en op dat hier van in my geen twijffeling mogt overblijven, zo is my het zelve, en al de gene die ’er van ons na gevraagt hebben, met twe voorbeelden nader bevestigt; eerstelijk met een van des Konings Kapiteinen, met name Agoei, dewelke ons zedert eenige Jaren voor Tolk heeft gediend.

[Gesprek deswegens met een Kapitein.] Ik vroeg den zelven eens, in ’t bywezen van een onzer Schippers en mijn Assistent, hoe veel Kinderen dat hy wel rijk was, vermits ik hem altoos met een goed gedeelte zag verzeld? welke my daar op half verzugtende antwoorde, dat hy ongelukkig genoeg was van ’er niet te veel te hebben, en dat der zelver niet boven de zeventig stuks bedroeg. Ik vroeg wijders of hy ’er geen dood had? hy zeide, ontrent zo veel als ’er nog in levenden lijve waren. En overmits deze Man ’t gezeide getal (te zamen ontrent honderd en veertig uitmakende) voor weinig schattede, zo kond U E. eens denken, hoe veel ’er die gene wel moeten hebben, die zig rijk van Kinderen mogen noemen.

[Als ook met den Koning.] Waar over de Koning (in wiens tegenwoordigheid dit voorviel) my deze verklaring gaf, en een Perzoon aanwees, een zijner Onder-koningen zijnde, die alleen met zijn Zoons en Zoons-Zoons, nevens haarlieder Slaven, hun algemene Vyand, welke met een goede magt van Volk waren afgekomen, hadden afgewezen, en te rug gedreven. Voegende hier verders nog by, dat deze Onder-koning, met zijn Zoons, en hare Zonen, een getal van over de twe duizend konden uitmaken, zonder dat ’er de Dogters of de overledenen onder gerekend wierden.

Oordeeld nu eens, mijn Vriend, of deze Menschen niet bekwaam zouden zijn, om, of ’er elders eens weder een Nieuwe Wereld wierd ontdekt, de zelve binnen korten tijd te bevolken.

Byaldien het gezeide waaragtig is; gelijk ik het ’er zonder de minste twijffeling voor houde (mits ’s Konings zeggen, door de daar tegenwoordig zijnde Groten, wierd bevestigt) en dat het veel Kinder-maken algemeen door dit gehele Land is, behoefd men zig van nu af over de Volkrijkheid der zelver niet meer te verwonderen; nog ook, waar dat zo groten getal Slaven; als hier Jaarlijks werden ingehandeld, van daan komen.

Laat ons nu weder eens zien hoe het Opvoeden en Kinder-baren van de Swarten, op de Kust Zuriname, toe gaat.

[Opvoedinge der Kinderen, op Zuriname gebruikelijk, van de Swarte Slaven.] Hare Kinderen hebben zy zeer lief, voedende die met grote zorge na den aard der gewoonte, waar in zy menigmaal de Christenen overtreffen; schoon zy zo zagt en gemakkelijk, met veel spandering en verspillinge van geld, en anklederende Zieraden, lekkere Spijze en goede gemaniertheden, zo extra niet in heusheden, als in Europa, dienstig, niet worden opgebragt; hebbende dat alles ook niet nodig, ja spottende met mal-onnodige zinlijkheden der Europæanen, oordelende dat ’t milde Aard-land van zelfs genoeg verschaft, al ’t geen de Natuur in haar eenvoudigheid tot Levens onderhoud vereischt, zo dat ze ’t weinige dat ze begeren met zo veel te groter gerustheid en vergenoegen genieten, als de Europëers tot voldoening van hare onverzadelijke begeerlijkheden ontrusten.

[Werden wit geboren.] Deze hare Kinderen die uit de natuur wit geboren ter Wereld komen, worden van tijd tot tijd in de ledematen geel, verder bruin, als iemant die geslagen is; de plekken in hoedanigheden door smerten veranderd vind, na dat zy eenige malen met warm en dan met koud water, aan de Rivieren, gewassen worden, om haar te harder te maken, dat zelfs Oude en Jonge alle dagen in een gebruik hebben om haar te reinigen; werdende de jong gebore Kinderen dan in een Lap Ossenabrugs grijs Linnen van twe elle gewonden, en wanneer de Moeder twe à drie dagen bevallen is geweest, neemt zy het Kind met haar daar zy werkt te Velde, hebbende het op de rugge in de doek hangen die voor onder de borsten is toe geknoopt; leggende het nu en dan op de grond te woelen en spartelen, gelijk ik menigmaal aanschouwt hebbe; en my, wanneer ik eerst alhier in ’t Land kwam, als een zeer vreemd wonder scheen voor te komen, ziende in deze figuurlijke een Negerinne; hebbende haar Kind, met een Paantje of voorgemelde Doek op de rugge gebonden, in de Keuken de Spijs bereiden; ’t welk my zo dwers voor kwam dat ik voor dat maal van die Spijze niet konde eeten, vrezende voor onreinigheid; alzo men die manier van handeling der Kinderen, en zulke Swarte naakt Koks, in Europa niet gewoon is.

Dog daar na ziende des Lands gebruik, en gewaar wordende dat alles in ’t uiterste zuiver en klaarder toe ging, als van menig stinkende onnutte slons van Dienstboo in ’t Vaderland; heb ik my daar aan niet meer gestoten, nogte weiniger eeten en drinken om staan gelaten, wijl ik nagaans merkte de grote zorgvuldigheid, neffens de manier van ’t Land om zig door Swarte of Rode Slaven, zo vrije als onvrije, te laten dienen en oppassen; dan ook weinig in gebruik is, Christenen of Blanke Dienstboden, tot Huis arrebeid te gebruiken, niet verders als de ordonnantie en overleg tot de Menagie.

Hoe aangenaam, hoe zoet, smaakt de vermoeid’ het Rusten, Hoe lekker vind de Dorst een teug uit Beek of Bron, Geen smakelijker Zous de beste Kok verzon Dan die de Honger maakt, wat Spijs kan hem verlusten?

[Afkomst en Godsdienst der Slaven.] Deze Afrikaansche, in Amerika overgebragte Mooren, zijn verscheide in Religie Heidensche Slaven uit den geslagte Chams, in een verwerde menigte van gevoelens, begrave in duisternisse der onwetentheid, en kromme stegen der dwalingen die ontallijk zijn. Het bestond de geregtigheid Gods, de Menschen, die in den beginne van eenerlei Tale en Religie waren, te laten vallen in een Babel der verwerringe, zo van Talen als valsche Religien, om dat ze de Waarheid niet vast en hielden, maar gebroken Bakken die geen water houden; en dat ze de Fontein der Levendige wateren verwierpen, hun zelven te verzadigen met het vergiftige vlees der Kwakelen, die het brood der Engelen moede waren en met de Swijnen draf eeten, en de heilzame spijs hares Vaders Huis versmade.

Voedende hare beloften met zeer grote bezigheden, ziende haar ook Bedevaarde doen, eenige houden gedurig hare handen boven ’t hoofd t’ zamen geslagen; andere steken de eene hand uit in de Lugt; andere weder vele zeldzame posturen den gantschen tijd hares levens.

[Aanbidden de Duivel en andere Afgoden.] Eenige van haar aanbidden den Duivel en vele Afgoden, als nog in vele Plaatzen; zy geloven veel Goden, maar voornamelijk die al de andere gemaakt heeft, en dat alle Creaturen van water gemaakt zijn; de Vrouw voor de Man, dewelke door de hulpe van de Goden ontfing en Kinder-baarde; gevende aan hare Goden gedaantens van Menschen. Veel van hare devotie bestaat in huilen, en om het vuur te danszen, zingen, en in haar eigen vlees te snijden; andere aanbidden onsterffelijke Goden, als de Zon, Maan en de Wereld; zommige sterffelijke als Jupiter, Pan en Herkules; andere wederom die onder de Linie wonen en bidden de Zon niet aan, maar vloekenze geduriglijk als zy opgaat, om dat hare overgrote hitte haar beschadigde; andere houte Afgoden, de Negers gelijkende, aan wiens voeten leggen hopen van Horenen, van viervoetig Vee, waar by gesteld zijn de Bekkenelen van hare Vyanden die in den Oorlog gedood zijn; en hoe de vuisten in de strijd gruwelijker bloed storten, hoe zy woester en wilder vuur en vlam spuwen, als een overtreffelijke blijk van zijne Stam. Zy stellen vast dat zy [Offer van Spijs en Drank, om haar Afgod te verzoenen, zo ze ziek zijn.] nooit ziek zijn, dan als hare Afgod op haar vertoornt is; daarom zoeken zy hem te behagen, met voor zijne voeten te gieten, eenige Drank neffens Offer van Spijze. Zy zijn gewoon hare Dooden te wassen en te schilderen, begraven ook Spijze met haar, en zommige van hare gebruiken de goederen, stortende aan de voeten des Grafs het bloed van eenige viervoetig Gedierte; zomtijds brandenze de Doode, eenige kleden haar op de begraffenis als een Duivel, met veel monden en glaasse oogen, roeren met een staf de asse. Zy zijn ook zeer genegen in ’t voor-zegginge van Vogelen, en hare Leermeesters in zulke agtinge by haar, dat zy menen, dat het leven en de dood, overvloed en honger, in hare magt staat; vele aanbidden eenige Wanschepzelen.

[Die van Loango laten hun besnijden ter eere van hun Afgod.] Die van Loango komen, aanbidden Afgoden en worden besneden in ’t gezigt, aan weder zijde van de slaaf van ’t hoofd, over de waan en aan ’t kin, met twe en drie sneden, eenige aan eene zijde des wangs, ter eere van haren Afgod; andere hebben rozen en starren, door middel van Kruid gebrand, op ’t gezigte.

[Een Dogter die gebrand was over ’t lighaam.] Ik heb zelfs gezien een Dogter van hare Oudste, of liever Kapitein, en zo andere willen Koning; die van de hals af rondom het lighaam van ’t Schamelijke dele, tot aan de nagels van de tonen, in een zeer aardig figuur gebrand was, zonder eenige de minste fout in de figuren aan ’t lighaam te vinden: Diens Vader zelfs over eenige duizenden Menschen magt en bevel had, dienende voor een Huis-Slavin by een Christen, op Zuriname, dog wierd in die opzigt redelijker als andere Slaven gehandelt.

[Op wat maniere de Ambagtsman zijn Afgod verzoend.] Yder Ambagtsman verzoend zijnen Afgod met zulke dingen die zijn Ambagt aangaan; op de Dood van hare Vrienden doodenze Geiten ter eere van hare Afgoden, en houden verscheide Maaltijden ter gedagtenisse van de overledene. In de Goden-dienste hebben deze in Zuriname geen publijke Vergaderinge, ook zijn zy verscheiden in hare gevoelens in Afrika, daar zy van daan komen.

[Afgod te Kenga.] Te Kenga, Zee-haven van Loango, daar word van een Oude Vrouw eenen Afgod bewaard, de welke eens des Jaars met grote plegtigheid en Feest-houdinge, vereerd word.

[Te Morumba.] En te Morumba dertig mijlen Noord-waard, worden Jongens besworen om dezen Afgod te dienen, wordende in gewijd met harde Spijze en tien dagen stil swijgens, neffens onthoudinge van zekere Spijs, en een snee in hare schouwderen. En anderen een yder Man zijnen bezonderen Afgod.

[Te Congo aanbidden zy Wanschepzelen.] Te Congo aanbidden zy eenige Wanschepzelen. De Vrouwen zijn mede omwonden met Koralen aan de armen en benen, voor die niet in ’t Veld arbeiden; en de Mannen dragen Kristalle baggen in de ooren en eenige in de onder lip.

[’t Kwaad wijten zy de Duivel.] Als haar iets over komt of kwaad wedervaart, weten zy de Duivel te noemen en voor kwaad aan te schelden; welke hare loze Leermeesters, dat onwetende Volk vertonen in een swarte gruwlijke gedaante, zomtijds van een swarte Hond, zomtijds een afschuwelijke Padde; konsacrerende deze haren Afgod de eerste teug, van spijs en drank; indien zy haar zelven met Kalk bestrijken, zo meinenze dat ze haren God daar mede goede dienst doen. Zy hebben zekere Bomen in grote agtinge, met de zelve beraad slaande als met Orakelen; aanbidden zekere Vogel, welke vederen heeft gelijk Sterren; de Tonijn is een Heilige Vis by haar die men niet mag aanraken: Zy maken ook Goden van Stroo, om den gestorvenen in de andere Wereld gezelschap te houden, hem begravende, word hy overeinde op zijn voeten gesteld, met een staf in de hand; en indien ’t een groot Perzonagie is, een vat met Melk by hem: Hoe wel men meent dat zy niet anders als om kwaad te doen genegen zijn, zo werden zy nogtans met geweld, door vreze getempt, om het goede te ondergaan.

Dit kool Swarte Volk vermaakt zig ook met verscheide gedaanten, om zig hier en daar in de huid te snijden; pogende malkander in verscheidenheid van wezen te overtreffen, daar van eenige Duivel-banners [Voorval van de Schrijver en zijn Vriend aan een Neger bespeurd over het onweer.] zijn. Een Vriend en ik hadden ons op zekeren tijd Land-waard in, zijnde onder een Boom, begeven, om de storm van Donder en Regen te ontgaan, die doe ter tijd geweldig was; een Neger stond gedurig by ons bevende als een loof, ligtende nu en dan zijn handen op na den Hemel, en ik weet niet met wat voor woorden, den een of anderen Duivel of Bullebak aansprekende; en daar op, als wy ’er het alderminst op verdagt waren, sprong voor den dag als een dol Mensch, en rukte een lang Mes uit de gordel zijner bladeren, swaaijende het zelve 7. ofte 8. malen om ’t hoofd, hebbende nog eenige andere kuren daar mede gemaakt, stak het wederom op, kuste de vogtige aarde driemaal en rees vrolijk weder op; zonder ons eenige verschrikkinge aan te brengen, rustende het onweder van zijne Donderslagen.

[Op wat maniere zy de Cassave wortel toemaken en eeten;] ’t Brood zo by de Indianen en Negers, word bereid en gegeten, het zelve word gemaakt van de Wortel van de Boom Cassave geheten; deze Boom groeid gemeenlijk ter hoogte van vijf tot zes voeten, zijnde byna van blad als een Essen-boom, de wortel is tamelijk in substantie, van alles de Rammilas gelijkende, en ’t gene daar eigentlijk het Brood van bereid word; het welk zy op een steen of hout raspen in manier van een breede vijl, hebbende daar toe geen Mortieren om ’t te stoten, daar na leggen zy ’t geraspte in een grote tene draai korf; naar de voorsz. geraspte Vrugt wel uitgeparst te hebben, laten zy dat drogen; nagaans weken zy het wederom in ’t water en maken dan een Deeg hier van, ’t welk zy op een grote platte steen of yzere plaat voor ’t vuur uitgespreid leggen, en de gelijkheid van zeer dunne koeken geven; aldus bereid zijnde konnen die koeken wel drie à vier Jaren, op een droge plaats leggende, goed blijven. De vogt uit deze wortelen geperst is een zeer groot en sterk vergift, gelijk men heeft ondervonden als de Honden daar van drinken, zo aanstonds sterven. Dat nat word egter van haar bewaart en met Atty, dat is haar Landze Peper, gekookt tot een bekwame Drank; in den aard is deze vogt Zuiker-zoet en zeer aangenaam van smaak.

[de zelve is ook goed van smaak.] Dit is dun gebakken zijnde nog al smaaklijk, maar men kan wel oordele zo voedzaam niet te zijn als Weite Brood; daar nogtans vele Christenen meer werk van maken als van witte Brood, na het gebruik, zo word het ook zagter of harder, dikker ofte dun gebakken.

Zijnde egter het Weite Meel om 2. à 2½. stuiver ’t pond dikwils te koop, wijl het de Engelsche van de andere Eilanden aldaar genoegzaam brengen; werdende in ’t gemeen niet als fijn Brood van een iegelijk gegeten. Maar de Indianen en Negers, immer en altoos, gebruiken dit meergemelde Cassave Brood, daar zy haar mede vergenoegen zonder na iets anders om te zien of te denken.

Haar Huis-raad is zelden meer als een Pan, een Schotel en een Dek-kleed des nagts; hun kost is haast klaar gemaakt, haast gegeten, haast verteert en haast beschreven, haar Tafel is de vaste grond; voor [Wat ze aan haar Gasten geven te eeten, en hoe de Spijs toe gemaakt werd.] elk van hare Gasten leggenze een à twe Cassave koeken, beneffens een Lepel van hout met een Steel van een half el langte, en de Lepel is zelfs zo groot en wijd dat menze nauwelijks over gapen kan, daar zy de Bry, Tom; mede na de mond brengen; zommige hebben Vrugten, andere wederom niet; zommige hebben Vlees, andere niet; zommige brengen de Spijs voor zo swart als een kool, andere wederom zo wit als Melk; andere wederom groen, geel, blauw, rood, of anderzins na dat het de Kok in de zin komt.

[Van de Dranken.] De Drank, waar mede de Slaven haar vervrolijken, werd Dram, Kil-Duivel of anders gezegt Duivels-dood, genoemt; welke men de Kanne van twe Stoop voor 12. stuivers koopt. Deze gemelde Dram, werd van de vuiligheid van de Lekker of Melasjes, anders Zuiker-water, gedistileerd; waar dat zy haar na een swaren arbeid mede vrolijk maken, zo met Danssen, Springen, Trommelen, met toe doen van veel wonderlijke gebeerden, dat haar niet ligt vervelen zal, schoon zy sweten dat het nat haar van ’t naakte Lighaam afloopt; waar toe zy haar ook verzieren, van figuurlijk, met rode Verf op haar Lighaam te Schilderen, als mede haar met Koralen om de hals en armen omwinden en op ’t beste fraai maken. Het staat ook vry, buiten het regt van overtredinge, zommig werk op Feest-dagen te beneerstigen; haar Goden-dienst verbied, niemant by haar het Water te verleiden; Vogelen lagen te leggen, Bomen of te branden; een heining om zijn Land te vlegten; en de korrende Kudden in varsse Stromen af te spoelen; woelende diervoege mede om strijd, om haar Graf-Altaar, van Takken by een te stuwen, en tot op een grote hoop te vullen.

[Drank die de Engel Gabriël bereid heeft, zo de Mooren zeggen.] De Mooren bereiden een Drank van swarte Besien, en, zo zy zeggen, gezond, als afdrijvende alle swaargeestigheid en vrolijkheid makende; dog niet zo zeer daarom geprezen, als om dat het naar haar voorgeven de eerste maal toe gemaakt is by den Engel Gabriël, om daar door het vervalle menschelijk Geslagt weder op te wekken; alzo het zeer goed is om de Venus gaande te maken.

Over de Maaltijd zijn ’t de vrolijkste Gezellen die ’er mogen gevonden worden, eetende en drinkende graag, daar over niet krakeelagtig, als zig wel wetende na de Spijs en Drank te voegen, en dan voornamentlijk wanneer zy Vrouwen, ik meen gemene Vrouwen, by haar hebben.

[Straffe die aan de Negers werd gedaan over hun baldadigheid.] Ik zal hier nu mede ter neder stellen de baldadigheden van de Negers, die zy op de Plantagien zomtijds hebben uitgeregt, en de straffen die de zelve over de gedane feiten ontfangen. Wanneer nu de voorgemelde Negers hare werken niet willen doen, nog te gehoorzamen den gene die zy daar in onderworpen zijn, of als zy uit wraak eene van hare Maats met de vuist, uit al den hoop gegrepen en op de rug nederleggende, tegens een Steen-rots aan klist dat het spatte, en de vloer van bloed en etter drijft; krakende de swart bebloede beenders en schinkels, lillende tusschen zijn tanden het lauw ellendige vlees in zijn mond, brakende na weinig tijds de brokken, met de gedronkene Dram gemengt, ten kele uit. Indien deze booswigten, ’t zy Mans of Vrouwen, het haar te laste leggende werk weigeren, zo werden zy met Sweep-slagen daar toe gedwongen.

Als wanneer zy eenig kwaad, buiten de straffe des doods, verdiend te hebben, (bedrijven) zo werd de zelve door order van de Meester, of ook wel door hem zelfs; gestraft; werdende de misdadige de handen met een touw te zamen gebonden, na boven aan een Boom opgetrokken (of over een Balk van ’t Huis op een zekere hoogte van de grond) en daar vast gemaakt zijnde, zo word hem 50. ponden op de grond staande aan de voeten vast gemaakt en die aan een gebonden, om daar door het slingeren en schoppen met de voeten te beletten; gehouden zijnde deze strenge straf nog geduldig te lijden, of ten minsten met wringen en naar schreuwen haar droevige ellend te beklagen; na dat egter alvoorns door zijn Meester de misslagen hem voor gehouden zijn, en gevraagt is of hy de zelve wil belijden, met redenen waarom hy zulks gedaan heeft, en na het zelve beleden te hebben, of door eenige harer Makkers overtuigt zijnde van de zulken foute; word hem eerst door de Meester of eenige Blanke Dienaren; en gevolglijk door [Werden met een sweep van Water-Pinans gevlogten zo geslagen dat ze geen Mensch gelijken.] de Swarte Broeder-gezellen, zodanig met een Sweep (gevlogten van Water-Pinans, een zoort van zeer taai Riet met scherpe doornen) geslagen en gegezeld, dat hy eerder een gevilde of stroopte Hond gelijkende is, als een Mensch. En wanneer men bevind, dat zy door aangedronge pijne zo kwaadaardig zijn, dat zy zomtijds haar zoeken te stikken, wijl zy de kop in de borst zetten en de adem weten in te houden, daar by de tong dubbeld leggen, om door ’t stikken haar het leven te benemen, in deze rampzalige straffe zo neemt, tot voorkominge van ’t zelve te benemen, een stuk brand-hout en stoot haar dat voor de tanden, zo dat haar de lippen dikker schroeijen als die dog anders zijn, zo dat zy adem-halen, en als wanneer men oordeeld haar genoeg gekastijd te hebben, los gelaten zijnde, dat die lapperige stukkende huit met een scherp zuur van Lamoen-zap, met pulver gemengt zijnde, gewreven, dat de vorige elendige pijne moet vermeerderen voor een korte wijl, strekkende verders tot etteringe en gehele genezinge der wonden; blijvende dog de tekens daar van, als de Brand-merken, haar om ’t lijf.

[Verdere straffen aan de zelve over het weg lopen.] En zo de zelve wel in ’t Bos lopen om haar eenige weken van ’t werk te bevrijden; na dat menze wederom bekomen heeft, zo snijd men voor de eerste maal de hak-senuw uit; en by een twede fout, als iets verders willende, zo rezolveerd men haar het regter been af te zetten, om het weg lopen te beletten; in ’t welke ik zelfs oog-getuige ben geweest, dat zy dusdanig gestraft wierden. Alzo het een Volk is onmogelijk zonder slagen en straffen te konnen regeren, dog zo moet men nog daar wel zeer voorzigtig in zijn, dat ze niet onschuldig gestraft worden; dan men exempelen heeft, dat men zulke onregte straffe heeft zien wreken, aan de Meester of die des zelfs plaats is reprezenterende, dat zy schuldig zijnde by overtuiginge niet zullen doen; dog men liever hadde dat nooit gene straffen en behoorde te geschieden, schoon tusschen de Slaven mede zeer veel onderscheid van humeur is, meerder als onder de Christenen; edog goed en kwaad, sterke en swakken; hoewel in ’t algemeen onder de Slaven veel kwaadaardiger Menschen, die ook tegelijk heel sterk worden gevonden, en nootzakelijk door de straffe moeten in getoomt worden, en gedwongen tot goedwilligheid.

[Ordere die gegeven is van de Heer Gouverneur en Raden indien een Slaaf tegens zijn Meester, enz. komt op te staan.] Daarom by de Heer Gouverneur en Raden is geordonneert, zo wanneer een Slaaf tegens zijn Meester, den Neger Officier, Chirurgijn, Timmerman of Molen-Knegt, enz. of eenige Christen, tot presumtie van de dood, by dreiginge of door eenig vergift, in wrake komt op te staan, men gehouden is het zelve aan de Heer Fiskaal aan te brengen, op zekere pœne daar toe staande, om als dan daar over gestraft te worden nabehoren, door den Rigter dier Plaats. Uit reden van deze strenge wet en dees voorgevalle exempelare straffen, hoord men nu weinig van zulke harde ongelukken, nogte eenige dreigende voornemens en tumulte op de Plantagies; te meer, alzo zy meest onder malkanderen oneens zijn, en den een den anderen verdagt zijnde, de Meester aanbrengen, en door dien het Land Bos en Water-agtig in de Woestijne is, hebben zy geen de minste gelegentheid om uit de Colonie, in een ander Gewest, te konnen vlugten, zo dat zy worden, na verloop van eenige tijd in ’t Bos geweest te zijn, voor ’t meerder gedeelte wederom gevangen; ontfangende hier over de straffe als voren gezegt is.

[Jagt die op de zelve wel gedaan werd.] Daar word, door andere Negers en Indianen, wel een Jagt in ’t Bos gedaan, in zekere tijde des Jaars om de weg gelopene te vangen; of word ook wel door particuliere Jagers van de Meesters gedaan, die om Wild, in de eenzame Wouden gaan dwalen.