Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname

Part 7

Chapter 73,878 wordsPublic domain

Na dit eerste werk word de Zuiker om verdere zuiverheid te bekomen op nieuws gezoden en geschuimt, daar op doende een loog van ongebluste kalk met ’t wit van eyeren. Dan kookt en roert men de zelve onophoudelijk tot dat de overige slijm ten eenemaal daar af geschuimt is. ’t Overlopen van dit vogt word met ’t inwerpen van een weinig Boter belet.

De Zuiker dus gezoden word door een haire zeef gezygt, en daar na weder zo lang gezoden tot dat de loog geheel verteert is. Daar na wordze weder in de bovengemelde aarde Vormen gedaan, wordende ’t breede einde met zuiverder kley bestroken, en deze droog zijnde word ’er weder andere over geplakt. En dus zypert al ’t slijmagtige voorts onder door ’t spits uit.

[Toestel van de Portugezen om ’t Zuiker te zuiveren.] De Water-Zuiker-Molens gaan met drie Raderen kleiner en groter. De Portugesche Molens, die door Ossen gedreven worden, hebben gene Raderen, dog zo wel deze als de andere drie dikke houte Assen, met dikke yzere platen beslagen, ook boven en onder voorzien met yzere Pinnen, draijende in dwars balken, die ook met yzer zijn beslagen, waar door ze worden omgedreven. De onderste balk word onderstut door twe andere dwarsbalken. Nevens d’ Assen is aan beide kanten een houte Tafel, waar op men de Rieten legt, die men tusschen de Assen steekt om uitgeparst te worden. Aan de eene zijde staan twe Mooren, by deze Tafel, die ’t Zuiker-Riet gedurig tusschen d’ Assen stoten. Welke Rieten nu uitgeparst aan de andere zijde van eenen anderen Moor worden weggenomen, en door twe andere heen gedragen en op eene byzondere plaats by een gehoopt. Yder dag worden meer als 40. of 50. voeders uitgeparst.

De eerste Ketel waar in de Zuiker-most geleid word noemen de Portugezen Caldeira de Mear descumos. Deze word daar in by een zagt vier gezoden, met een grote kopere lepel geroert en geschuimt, tot dat ze genoeg gereinigt is. Dit eerst afgeschepte schuim [’t Eerste schuim dat afgeschept werd is voor het Vee.] word of aan ’t Vee gegeven of weg geworpen. ’t Geschuimde zap laat men dan in de twede Ketel lopen, Caldeira de Mear geheten, waar in ’t met een sterker gloet gekookt word, en na vereis geroert en geschuimt. Op zekere tijden laat men ’er een weinig loog in druppelen (waar van boven gewag gemaakt is) als ’t eenige middel om de Zuiker te zuiveren. Dit tot hier toe nogtans maar een dun zap is. Waarom ze in de derde Ketel, Caldeira de Coan genoemt, gebragt word, en van daar door een doek gezygt. [’t Twede voor de Slaven.] ’t Schuim van de twede Ketel word in een bystaand Vat gedaan, en aan de Slaven gegeven, die ’er de drank Garapa van maken. Uit de derde word het in de vierde, en nog zomtijds in een vijfde Ketel gegoten, en gedurig met een grote kopere lepel omgeroert, zomtijds ook met eenige druppelen koud water verkoelt. Daar na word ’t Zuiker-zap weer in een ander Vat gedaan, en hier uit laat men ’t door een zyg-doek in een ander vars Vat lopen. Uit dit weer in een grote Ketel genoemt Tacha de Recever, uit deze in een ander Tacha de Cozir, en hier uit in de laaste Tacha de Bater geheten, wordende alzo te deeg gekookt en geroert, en dan genoemt Agra de Tachas, dat als de Zuiker zelf is, en waar uit ’t beste Garapa gemaakt word.

[’t Zuiker-zap op de Koel-ketel.] Als ’t gedagte zuiker-zap eindelijk genoeg gekookt is, word ’t in een Koel-ketel gedaan, waar in men ’t een weinig koud laat worden; en als dan bekwaam om in de Vormen gegoten te worden. Onder ’t koken in de kleine Ketels, giet de Keuken-Meester, die de Portugezen Maestre da Sucar noemen, eenige druppelen Olijf-Olie in ’t ziedend zuiker-zap, op dat het door ’t sterk vuur, dat onder de Ketels gestookt word, niet in brand rake, maar een weinig daar door verkoelt worde. En om deze oorzaak sprengt hy ook eenige druppelen loog in de grote Ketelen, als gemelt is. Maar indien hy verkeerdelijk de Oly in de grote en de loog in de kleine Ketels sprenkelde, zou ’t zap niet alleen niet gereinigt worden, maar gans onbekwaam zijn om zuiker daar van te maken.

[En vorders in Vormen gedaan.] Dit zap nu de dikte van zyroop hebbende word met een lepel in aarde Vormen gegoten, en gedurig met een houte spaan geroert op dat ’t zig zette en behoorlijk bestalle, wordende de Vormen voort vol gedaan. Dus word ’t koud nu tegelijk hard in de Vormen, die daar na in ’t Huis of Hut der reiniging, Casa de Purgaz, gebragt, en op houte banken in ronde gaten gezet worden. Dan word ’t gat onder in de Vorm ge-opent, om de zuiker voor ’t laast te zuiveren, door uitdrupping van ’t swart agtig zap, of den zyroop, die door byzondere gootjes in een grote Bak vergadert word. Tot bevordering van deze laaste zuivering word elke Vorm boven gedekt met een dekzel van grauwe lijm door koud water bevogtigt, zonder welk de zuiker niet wit te maken is. In eenen dag vult men dus van 20. tot 70. Vormen, na dat de Welkluy veel in getal zijn.

[De Zuiker nu wit zijnde werd de zelve in kisten gedaan.] De zuiker dus volkomen geloutert, word ze uit omgekeerde Vormen geschut, en als witte klompen of broden gedragen op een grote houte Tafel, daar ze in stukken geklopt, in de zon gedroogt, en dan in houte kisten gestampt word. ’t Spitze end der zuiker-broden, dat eenigzins swart agtig is, word ’er eerst afgesneden eerze gebroken en gedroogt worden. De volle kisten worden met een dekzel toegespijkert: Elke brood weegt van 30. tot 42. Ponden. In yder kist gaan 20. of 30. arroben zuiker, zijnde een arrobe 32. Portugesche of 30. Hollandsche Ponden.

De oven daar ’t vuur, om de zuiker te koken, word in gedaan, is zeer groot, heeft gemeenlijk vier deuren; door welke ’t hout daar in word geworpen. Van dit hout heeft men een grote menigte van noden, naardien dit stoken nagt en dag moet duuren zo de Molen gaat. V. Markgr. Hist. Plant. L. 1. C. 16.

[Zuiker-Riet op Guinea van 7. à 8. voeten hoog.] In Guinea wassen ook Zuiker-Rieten 7. à 8. voeten hoog, hebbende een zeer zoet merg, en bladeren die omtrent twe ellen lang zijn, dog smaller, maar van de zelve kleur, als die van ’t Amerikaansche Riet, de bloey verspreid zig wijd uit. De wortel van dit Guineesch Riet is wat zoeter en niet zo houtagtig als ’t ander, brengende zomtijds uitspruitzels voort, die daar na afgesneden en weder geplant worden. ’t Zou twe Zomers van noden hebben eer het tot volkome rijpheid komt.

[Alkair en Arabien.] By Alkair in Egypten en in Arabien wast ook zuiker in een geringe en lage plant, en word daar binnen door de zonne hard gemaakt, als kristal.

[In Syrien.] In Syrien by Tripoli vind men ook Zuiker-Rieten, die beneden digt aan de wortel ’t kragtigste en beste zap hebbende, wordende van de Inwoners met lust geknauwt. Die eerst de lange bladeren daar af stropen, en ’t bovenste en kragteloze deel van ’t Riet afgesneden wegwerpen, houdende alleen ’t zappige end over, dat byna een el lang is. Veeltijds dragen ze een dezer Rieten op de straat in de hand, snijden ’er gedurig stukjes af, die ze schillen en waar van ze ’t binnenste eeten, dat, als een klompje welgekookte zuiker, tusschen de tanden murruw word en smelt. ’t Zuiker-Riet wast hier niet van zaad of wortelen, maar van zijne eige stukken, die twe of drie gelederen lang, worden ingelegt, met doorboring van tamelijke grote gaantjes tusschen de knorven, om te eerder voort te spruiten. Als ze dan uitschieten wast uit yder lid een Riet.

[’t Eiland Cyprus.] Op ’t Eiland Cyprus word ook diergelijk Zuiker-Riet byna op de zelve wijze geplant, wassende tot de hoogte van een Man.

De Zuiker-Candy zou volgens de mening van Barlëus van een verdorven woord der latere Grieken Καντόν, om dat ze kantig en hoekig is.

[Zuiker waar van de Ouden gemelt hebben.] De zuiker waar van de Oude, als Galenus, Dioscorides, Plinius en andere melden, is een geheel ander Gewas als ’t West-Indisch Zuiker-Riet. Want de zuiker der Ouden was in ’t Riet zelfs geronnen en hard geworden, daar de hedendaagze maar een vlietend zap is, dat uit ’t Riet geparst, daar na over ’t vuur zijne hardigheid eerst bekoomt.

[Des zelfs hardigheid.] De zuiker der Ouden moest men met de tanden in stukken breken, gelijk ’t zout, daar de onze van zelfs in de mond smelt. De andere was verfrissende en de dorst eenigzins temperende, ook dienstig voor de Ingewanden ge-agt: Deze daar-en-tegen is van eene regt tegenstrijdige hoedanigheid.

[Zoet zap als honig.] In Arabien en vele Oost-Indische Eilanden vind men in zeker Riet een zap, waar voor de honig zelfs in zoetigheid swigt.

[Hakra is een Boom op ’t Eiland Ceylon.] Op Ceylon wast een zeker slag van Bomen, daar Hakra geheten, hebbende zeer grote bladeren, en voortbrengende de zo genaamde swarte zuiker, waarom ze ook van de Hollanders zuiker-bomen genoemt worden.

Men verhaalt dat op deze Bomen zeer grote Appelen wassen, van buiten kastanje-bruin van binnen geel. De basten afgeschilt zijnde worden weggeworpen, waar na men een grote witte kern vind, die hard, van eene zonderlinge zoetigheid en zeer goed om t’ eeten is.

[Wat Plinius van de Zuiker schrift.] Van de zuiker der Ouden gewaagt Plinius in zijn Elfde B. ’t 8ste H. met deze woorden: Arabien draagt ook zuiker, maar Indiën veel beter. De zuiker nu is een honig, welke zig in Riet heeft verzamelt, zo wit als gom, ligt verbrekelijk, in grote als een der grootste hazel-noten, en dient maar alleen tot artzeny.

[Galenus.] Galenus L. 7. de Simpl. Med.: Sacchar of zuiker welke uit Indiën en ’t vrugtbaar Arabien herwaarts word gevoert, wast, gelijk men zegt, in de Rieten t’ zamen, en ’t zelve is een zoort van honig, wel niet zo zoet als de onze, maar van gelijke kragten (te weten in de Genees-konst).

[Besluit van Salmasius.] Waar uit Salmasius besluit, dat wijl ’t zap Sacchar of Tabaxyr zo veel zoetigheid niet heeft als de honig, ’t zelve niet gehouden kan worden voor de zuiker der Ouden. Dog dit besluit is niet regtzinnig, want dat de Ouden de zuiker een slag van honig noemden moet in een breden zin en als by gelijkenis verstaan worden. Men verzekert daar-en-boven dat ’t zap van ’t Oost-Indisch Zuiker-Riet, nog vars zijnde, veel zoeter is, als wanneer het oud is, en na andere gewesten verzonden word; zo dat het daarom der Ouden zuiker wel kan zijn. Zie Piso Mantiss. Aromat. Ind. Cap. 10. & 11.

[Zuiker-Riet van 6. à 7. voeten lang en 2. duimen dik.] ’t Ander kleiner Zuiker-Riet wast zo wel in China als in Oost-Indiën, en best by Poelen en Moerassen. De bladeren zijn als ’t gemeen Riet in Europa, en zeer scherp snijdende. ’t Is gemeenlijk zes à zeven voeten lang, twe duimen dik en overal vol gelederen, een grote hand breed van elkander staande. Boven aan den top ziet men een gehelen bos bladeren. Inwendig is ’t vol van een wit zappig merg, waar uit zoete zuiker word geparst.

[’t Amerikaansche is 7. à 8. voeten hoog en een duim dik.] ’t Amerikaansche Zuiker-Riet en byzonderlijk ’t Braziliaansche, wast 7. of 8. voeten hoog, en eenen goeden duim dik. Is van eene spons-agtigen aard, en van binnen vol wit en zoet merg. De bladeren zijn 2. ellen lang. De bloezem heeft lang-agtige haren. De wortel is lieflijk (van geur) en niet zeer houtagtig, brengende eenige uitspruitzels voort, die daar na tot nieuw Zuiker-Riet opwassen. De Portugezen hebben ’t derwaarts uit de Kanarische Eilanden gebragt, wordende voor heen maar een wild Zuiker-Riet in Brazyl gevonden. Z. Piso de Fac. Simpl. L. 4. C. 1.

[Sacar of Tabaxir Gewas.] ’t Oost-Indische Sacar of Tabaxir Gewas is op verre na zo goed niet als ’t Braziliaansche Riet, ’t welk de Brazilianen Viba noemen. Hoe groter de gelederen vallen hoe rijker de oogst is; en hoe korter men die vind, hoe minder voordeel ze geven. ’t Riet tiert best en weelderigst op lage en vette Landen, die zo van de overvloeijende Rivieren, als van de Regen mildelijk bevogtigt worden, en daar door bevrijd zijn van de Mieren en ander schadelijk ongediert: gelijk breder gezegt is.

Van de Planting en verdere behandeling van ’t Zuiker-Riet, zie Piso.

[’t Gestel van een Planters Woninge.] Om nu nog iets te melden van ’t gestel der Woninge van een Planter; de zelve vertoont zig in ’t aanzien als een rijke Huismans gestel, of een vermakelijke Heeren Hof-Stede: Voor de Huizinge van de Plantagies heeft men gemeenlijk een Wandeling, beplant met Oranje en Cinaas-Appel-Bomen, te weten, van beide zoorten zuur en zoete; beneffens de weelderige dragende Lemmetjes, of om wel te verstaan kleine zuure Limoenen, met meerder Keuken en lekkere tandige Vrugten. Hoe wel in voordele om te vergenoegen, alle andere heerlijke Woninge en Hof-Steden te boven gaat, ten meenigste na de zittuatie van ’t Landschap, zijnde de zelve in korte Jaren reeds aangegroeit ten getalle van twe hondert, alle dwars leggende met de Huizen voor de Rivier. De meeste voortegenswoordig voorzien van goede Woon-Huizen, alle van hout gemaakt, daar van eenige met Zingels van hout, in forma van Leijen, en andere met grote Bladeren, die men Tas noemt, gedekt, welkers boven endige stallen gevlogten en over een Lat gestrengeld, geeft een zeer net en zierlijk Dak van binnen; maar nieuws opgelegt zijnde, van buiten een wild en vreemd gezigt, zo lang als dit raassende wild blad niet beregent is, als dan plat op malkanderen in een egaliteit perssende, gelijk een gelegt Riet-dak.

[Van de Huizinge van binnen.] Binnen in de Huizinge zijn gemeenlijk 2. 3. à 4. Kamers, op het meeste, alle gelijk Vloers, onder een verdiepinge, zonder middel-schot of Boven-kamers, nog Zoldering, maar van de grond tot het Dak de hoogte; eenige zeer fraai, zonder ontzien van kosten van Cederen en Wanen-hout gemaakt, met welke hout het Huis berookt, verdrijft de schadelijk Adder-Dieren en Huis-Slangen.

[Zuiker-Molen en verdere Gereedschap.] Naast aan de Woninge, ter eener zijde, ziet men gemeenlijk de Zuiker-Molen, in maakzel als een Ros-Molen, maar met drie Raders en Stenders; voorts aan ’t Molen-werk vind men ’t Zuiker, Kook-Huis, Koel-bakken en Vaten, met het toebehorende Gereedschap.

[Maakzel der Neger Huisjes.] De Swarte Slaven of Negers hare Huisjes en Woninge zijn van gespleten hout, in forma als Latten of dunne Pallizaden geklooft, op de dikte van een Spar, in plaats van Planken omheimt, en alles met voorgaande gemelde Tas-bladeren gedekt; staande gemeenlijk met een halve Maan aan de zijde van de Planters Woon-Huis, of daar agter, groot zijnde 20. 30. à 40. voeten in ’t vierkant, makende gemeenlijk t’ zamen het viguur van een klein Dorpje: In elk Huisje zijn zomtijds zes tot agt apparte Cellekens of Kamertjes, hebbende daar in twe à drie Huisgezinnen wonen; zy gebruiken zeer weinig en byna geen Hang-matten, om in plaats van Bedden daar in te slapen; gelijk de Indianen alleene maar hebben tot hare Rust-plaats een harde Cederen Plank voor haar naakte Lighaam, leggende by wijlen met hare kool swarte rugge op een zagte Mey-Bloem of zoekt een Morinne.

Agter het voorsz. Woon-Huis, neffens het andere Werk, ziet men het vrugt-dragende beplante Land met Zuiker-Riet, en des zelfs uitgestrektheid van een ruim Land gezigt en eenzame Wildernissen, dat de zorgvuldige Meesters op goede gewassen doet hopen, als de tijd des oogst zal gekomen zijn om de zegen in hare Schuure te doen stremmen, en van zijn eerste eigen zelfs hoedanigheden te veranderen.

[Goede meninge die de Hr. van Sommelsdijk heeft gehad om de Colonie in goede staat te brengen.] Zo als mijn ooge speeld op de zittuatie van ’t Land in zig zelfs en de Plantagien, kan men genoegzaam zien, de grote zugt die de Edele Heer van Sommelsdyk, in een goede meninge voor de welstant en ook tot een volkomen vermaak voor de Colonie heeft gehad, om het spoedig te brengen in een welgeschikte order, ten voordele van hem zelfs en de nieuws in komende Ingezetene; zo dat mogelijk die dienst hem tot zijn vroeg eindige dood gebragt heeft, dan hy alle tekens heeft gegeven van deze Plaats, tot genoeg voldoenende Ordonnantie, te zullen aanleggen, gelijk de beginzelen daar nu nog voor hem van getuigen.

[Grote middelen die de Plantagien kunnen opbrengen indien ze met magt werden voortgezet.] De Eigenaars der Plantagien, alle aan de Rivieren en Kreeken aangeleid, kunnen rijkelijk van de zelve bestaan, voornamentlijk als in staat zijn om gemelde Planterien met kragt van middelen genoegzaam voort te zetten. Want ’t Land dat aan de Planters, zonder iets daar voor te betalen, word uitgedeelt, geeft niet alleen de Hooft-zomme tot des zelfs beplanting wederom, maar brengt boven dien in korte Jaren zeer aanmerkelijke schatten tot overwinst op, waar van men genoeg levendige voorbeelden heeft, aan Luiden die zelve niet veel gehad hebben, en alles voornamentlijk hebben moeten aanleggen en beginnen, met het behulpzaam Credijt dat de Edele Maatschappy de nieuwe Planters verleent; hoe ze in weinige Jaren uit de opgeleide schuld geraakt zijn, en een vrije rijke staat bezitten. ’t Geen genoegzaam bekent is aan die gene, die deze Colonie bevaren: Maar die zelfs geheel zonder vermogen, met kleinen Credijt van byzondere Koopluiden en met maar weinige Penningen een Plantagie willen aanleggen, hebben lange Jaren werk om de zelve in staat te brengen. De Kooplieden willen hare gelderen met geen voordeliger vertrouwen opschieten, op dat ze haar eigen in Holland te beter kunnen bewaren, wordende daar door zodanig een Planter t’ elkens de zenuwe zijner magt benomen, missende het gene waar door hy te eerder zig zoude konnen bevorderen tot een goede staat, waar door die Meesters byna nooit konnen uit de schulden geraken, en door toevallige ongelukken van verloop en versterfte van Negers of Arbeidende Slaven, ter oorzaak dikmaals door kwade Regeringe der Meesters of hare Directeurs zodanige schade en ruwijne opleggen; bezonder als de voorzorge tot de Kost-grond voor de Negers niet word genomen, als hier na verder zal blijken.

[Kosten die tot een Plantagie van noden is om van nieuws aan te leggen.] Een Plantagie aan te leggen word, by exempel, aldus gerekent

50. Slaven, zo Mans als Vrouwen, à 250. Gl. ’t stuk, bedraagt 12500 0 0 4. Paarden en 4. Ossen tot het beeste werk 1600 0 0 Voor Woon-Huis, Molen-stel en Koe-Huis 6000 0 0 Voor extra Onkosten in ’t Timmeren en Kost-gelde, als eenige Plantagie Gereetschappen, 3000 0 0 --------- Bedraagt t’zamen, 23100 0 0

Zo kan op die maniere een Zuiker-Plantagie aangelegt worden, daar van de Meester in de tijd van 18. à 20. Maanden zijn uitgeschoten Gelde wederom voor zig vind, dan na de menigte der Negers vind men ook de kwantiteit van de beplante grond. Nu werden deze Plantagien in een kleine beginzel ondernomen, als met 6. 8. of 10. Slaven, dat veel tijd weg neemt eer men ’t in die staat kan hebben, gevolglijk eer de Revenuen in komen. Deze werden gemeenlijk Kost-Plantagien genoemt, en bestaan door het Planten van Tyer, Jammers en Petattes, die ze aan de Zuiker-Planters, wanneer haar iets ontbreekt, of te Paramaribo verkopen, zijnde meest Kost voor hare Slaven.

[De Bedienden op een Plantagie.] De Bewoonders van de Plantagien zijn Europianen uit verscheide Natien bestaande; de Eigenaar, als die op een Plantagie woond, word een Planter genoemt, maar als deze geen zin daar meer toe heeft om op de zelve te wonen, zo gaat hy in Paramaribo of in ’t Vaderland zijn verblijf nemen, en stelt een Opzigter over ’t zelve, die het Plantagie leven wel verstaat, welke men Directeur noemt, op deze moet hy alles laten staan: Maar die wat gemakkelijk vallen nemen wel een Directeur by haar; de mindere bedienden zijn een Boek-houder, een Wond-heler en een blanke met een swarte Neger Officier; maar deze ordre werd altijd niet gehouden, zomtijds hebben ze maar een Boek-houder, en een blanke en swarte Neger Officier, ook wel dat de Directeur met een Boek-houder is, en tot zijn gezelschap een blanke heeft, de blanke Neger Officier is zomtijds ook wel Boek-houder. Dit zijn nu de Huis-bedienden na dat de Plantagien groot of klein is, of na dat de Eigenaar het verstaat; daar zijn ’er op zommige Plantagien mede een blanke Molen-maker en Huis-Timmerman, dog het werd beide van een verrigt, nog is ’er een blanke Kuiper of swarte die ’t geleert heeft, tot het voltallig maken der bedienden.

[Werk en Jaar-geld van een Boek-houder.] Het bewint van de Boek-houder is, dat hy al het gene op en af gaat van de Plantagie aantekent, Brieven te schrijven, en als ’er Zuiker gestookt werd zijn nagt-wake op zijn beurt waarneemt, om toe te zien dat de Slaven wel werken; zijn Jaar-geld is twe of derde half hondert Guldens, Zurinaams geld.

[Van de Wondheler of Chirurgijn.] De Wond-heler moet al de blanke en swarte, die op de Plantagie zijn, genezen, zo hy een schikkelijke Meester heeft, als dan kan hy wel buiten kansjes maken, om de gebrekkelijke op de naast gelegene Plantagien te genezen, mits dat hy ook de nagt-wake op zijn beurt waarneemt; zijn Jaar-geld is hondert vijftig of twe hondert Guldens Zurinaams.

[Blanke Neger Officier.] Een blanke Neger Officier moet dagelijks twemaal na ’t Veld gaan, om te zien wat de Slaven aangevangen en uitgeregt hebben, om ’er zijn Meester kontschap van te geven, dit verrigt hy ’s morgens en ’s avonds, dewijl het over dag te heet is, hy neemt de nagt-wake mede waar; ’t Jaar-geld van deze is tagtig, negentig of hondert Guldens Zurinaams.

[Molen-maker.] De Molen-maker krijgt ’s Jaarlijks derde half of drie hondert Guldens, en moet bywijlen voor zijn Meester, als hy niet te doen heeft, op andere Plantagien gaan werken: Daar zijn ’er wel die ’s Maands 30. à 40. Guldens krijgen voor een Jaar à drie, dog dan is ’er wat veel te doen, en moeten zomtijds een nieuwe Molen of Huis maken.

[Kuiper.] Twe hondert Guldens ’s Jaars krijgt een Kuiper, als ’er geen Swarte is.

[Swarte Neger Officier zijn werk.] De swarte Neger Officier moet de gehele dag in ’t Veld zijn, en ziet nauwkeurig toe of het Volk al werkt, ’s avonds doet hy van alles kontschap aan zijn Meester, legt ’et mede met hem over wat ’s anderendaags dient verrigt te zijn; zo de Slaven het verkorven hebben, straft hy ze in ’t bywezen van zijn Meester, en na dat ze gestraft zijn, moeten ze de zelve bedanken.

De Planter of Directeur die over de gehele Plantagie Meester is, moet op alles nauw agt geven, de Slaven niet al te wreed, ook niet al te zagt behandelen, want als ze te wreed behandelt worden zo lopen ze uit mismoedigheid weg, en als ze te zagt behandelt worden dan lopen ze uit baldadigheid weg, daarom diende men eerst yder Slaaf zijn aard wel ter degen te leren kennen. Een Directeur zijn Jaar-geld [Jaar-geld van de Directeur.] is zeven, agt, negen, tien, tot vijftien hondert Guldens.

Op de Plantagien werd een goede Tafel gehouden, zo dat de Menschen hier gemakkelijk konnen leven, zomtijds haar Naburen eens aan te spreken, brengende haar tijd zo al Gastererende door, wanneer ze redelijk gezond zijn.