Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname

Part 6

Chapter 63,955 wordsPublic domain

Zo als de Coloniers, door het ligt van aangestoken vuuren ter wederzijden van de Rivier, zagen dat ze overtrokken, gaven een laag uit al haar Geschut, dat haar had moeten ophouden, waar door alleenig vijf Mannen wierden dood geschoten, en vijf gekwetst in de Sloep van Monsr. Gotteville Bellisle die aan een arm wierd gewond, en een gedood in de grootste Canoë, die door Monsr. Du Bretuil wierd gevoert. De Meduze gevoert door Monsr. De Hericourt, en de twe Schuiten die hem mede volgden, niet tegenstaande ’t vuur uit het Geschut, waar van ’t door-boort was, raakten ’er door; maar alzo het niet langer kon besturen, ging Monsr. Cassart daar voor en boegzeerde het met de Schuiten, tot dat ’t zelve buiten bereik van het Geschut was, en deedze aanstonts en met haast herstellen. Monsr. Hericourt deed by deze gelegentheid, die zeer delicaat was, alles wat men van zijne ervarentheid zou hebben konnen verwagten. De troepen dan in dezer voegen verzamelt zijnde, maakte Monsr. Cassart in de boven gemelde Woning een Campement, en liet daar in de helft van het Volk, onder gezag van Monsr. De Sorgues; detacheerde wijders Monsr. De Espinoy met 50. Granadiers, om zig van een voordelige post aan de andere kant van de Rivier van Para te verzekeren, en door dat middel de Coloniers alle gemeenschap te benemen. Met de overige Manschap trok Monsr. Cassart, aan het hooft der zelve, 20. mijlen opwaarts langs de Rivier.

De Heer De Goyer dies tijds Gouverneur, schikte middelerwijl 200. Man om Monsr. De Espinoys post aan te grijpen; dog de zelve der Inwoonderen beweginge gewaar wordende, voorkwam haar, toogze met de Banjonet op de tromp van de Snaphaan tegen, sloeg de zelve, nam de Commandant, zijnde de eerste Kapitein van de Stad, gevangen, nevens vier Gemene, doode en kwetste verscheide en dwong de overige in de Bosschen te vlugten. Espinoy verloor in dit treffen, dat scherp was, maar twaalf Granadiers, en bekwam zelfs een schoot in zijn Voor mouw.

Monsr. Cassart kwam, na dat Monsr. Moans met een detachement boven aan de Rivier had gelaten, om die post te bewaren in het Campement, om met de Spring-vloeden die naderden zijn voordeel te doen, en zo de Stad als het Kasteel, ’t welke Monsr. Bandeville vijf dagen bleef Bombarderen, zonder merkelijke schade aan beide te doen, werpende daar in over de hondert Bomben, aan te tasten; de Heer [De Heer Gouverneur accordeert wegens Brandschatting.] Gouverneur hier van verwittigt, wierd alzo genootzaakt, na een rijp beraden, met Monsr. Cassart over een Brandschatting te accorderen: Waar toe gemelde Cassart zig geerne gereed vond; wijl hy niet zonder groot gevaar de Schepen, om de banken en het weinige water dat ’er in deze engte was, konde doen naderen.

[Kloekheid der Inwoonderen.] De Inwoonders niet verflauwende, verweerden haar onvermoeit, tonende alle goede welvaardigheid, om de Vyanden tegenstant te bieden, met alle goede voorzorge en beleid, als immers mogelijk was, dog met zonderling misnoegen en kragtig nadeel, door het vlugten van de Negers, waar door vele harer magt zal gebroken zijn.

[Als mede van eenige Zee-Kapiteins.] ’t Zelve deden de Kapiteins Jaques Sirodet, Willem de Goyer, Cornelis en Pieter Karsten, Cornelis Tomas, en Steven van Lind, die toen alle daar ter Ree lagen; bewijzende een iegelijk zo veel tegenstant, als van eerlijke dappere Zee-Luiden zoude konnen gedaan worden, zonder eenigzins hare pligt te verwaarlozen, op dat des noot zijnde, het voorval genoegzaam naar ware geschapentheid, van haar kon verantwoord worden, ter plaatze daar het behoorde.

[Schepen die in de Colonie binnen kwamen.] Gedurende het beleg, kwamen in de Colonie uit Europa aan de Kapiteins Jan Schouten, Kasper Keysberg, Pieter Verwer, neffens het Schip de St. Clarida uit Guinea, voor de mond van de Rivier Zuriname het Anker latende vallen, zondenze de Boot van Keysberg op, die door de donkerheid van de nagt de Fransche Schepen passeerde, zonder aangehouden te worden; daar op zond de Heer Gouverneur de Loots te rug, met ordere aan de Kapiteins om op ’t spoedigste weder in zee te lopen, en na Barbados of Curacao te gaan, aan welke laaste plaats deze Schepen behouden gearriveert zijn, en alzo geret uit de handen der Vyanden, zijnde reets meerendeels verloren geagt.

[Voorwaarde op welke het accoort met Mr. Cassart getroffen is.] Ondertusschen was het accoort van Afkopinge tusschen Monsr. Cassart en de Coloniers getroffen, op volgende voorwaarde: te weten, dat men aan hem 15000. Oxhoofden Zuiker zou geven, tot 48. Gulden 15. Stuivers het Vat; belopende alzo in ’t geheel eene zomme van 731250. Guldens; welke gestelde zomme men in ’t volgend betaalt. Als bestaande in

3500. Oxhoofden Zuiker, 750. Slaven, à 350. Guld. ’t stuk, 180000. Guld. aan verscheide Waren, 65000. Guld. in gemunt en ongemunt Zilver, 37000. Guld. in Wissel-Brieven.

Deze gehele omslag van schade is van de Maatschappy, door eene Reductie onder de Ingezetenen van de Colonie, gereguleert op agt à tien ten hondert van yders Capitaal.

Dit is wel ’t voornaamste van ’t gene op deze Togt van Monsr. Cassart in de Zurinaamsche Volk-Planting is voorgevallen. De tijdingen, dien-aan-gaande van Parys zelfs ingelopen, melden, dat de onkosten van ’t toerusten der Vloot meer bedragen, als de getrokke Krijgs-Schattingen. Zo dat de Vyanden met deze onderneming voor haar zelve geen voordeel behaalt hebben, maar alleen afbreuk aan de Nederlanders toegebragt. Waar voor de Colonie in ’t toekomende genoegzaam bevrijd zou kunnen zijn, zo men op de plaatzen, boven aangewezen, een of twe nieuwe Forten bouwde. Want dan zouden gene Vyandlijke Schepen konnen aankomen om eene Landing te doen, als onder ’t bereik van ’t Geschut der Vestingen.

[Bezettinge die aan de Mot-kreek is.] Nog is ’er een zekere zoort van Bezettinge aan zee, aan de mond van de Mot-kreek, zijnde een op-geworpene Battery, verzien met eenig Geschut en een groot Wagt-huis voor de Soldaten, leggende elf mijlen verr’ van de mond Zuriname langs de Kust heen; de dienst hier van is, dat zy al de voor by gaande Schepen, en voornamelijk die na Zuriname willen, konnen zien, zo menig schoot werd ’er gedaan als ’er Schepen gezien werden, welke geluit van ’t Geschut byna de gansche Land-strek werd overgehoort, zo dat als dan de Inwoonderen altijd op hun hoede konnen wezen.

[Fort aan de Kreek Para.] Aan de mond van de Kreek Para legt ook een zoort van een Fort, zijnde een vierkante Steenen Muur, dog nu vervallen, dit diende voordezen tot een Vastigheid tegens de Karaïbanen, doe zy Lieden eenige opstanden aanvingen tegens de Zurinamers om hun te overvallen, maar nu het Vrede met de zelve is, werd ’er geen gebruik van gemaakt.

[Bezettinge op de Paramhil.] Op de Paramhil legt nog een Bezettinge, aldus van de Engelsche genoemt, maar van de Nederlanders de Blauwe Berg; deze legt aan de West-zy van Zuriname 21. mijlen van zee de Rivier op-waarts, deze Berg is zonder geboomte en ontfangt alzo de zuivere lugt, dat een grote gezontheid voor de Bezettelingen baart, die in getal van vier bestaan, en wonen in een zeker Huis aldaar opgebouwt; deze Wagt is dienstig tegens de opstand der Karaïbanen, indien ze onverwagt mogten opkomen om alzo de Blanke te overvallen.

Men vind op de Zurinaamsche Kust gene Landwegen, langs welke Menschen en Goederen van de eene plaats naar de ander met Ry-Tuigen konnen vervoert worden; naardien ’t Land, zo als we reets hebben aangemerkt, byna over-al met Bosschagien bezet en met ontallijke Water-Vlieten doorsneden is. Maar alles moet naar en van en naar de Plantagien, meest alle aan gemelde Rivieren en Kreeken gelegen, met bekwame Vaart-Tuigen te water af en aangebragt worden. En dus worden de Zuikeren en andere Vrugten, op de Plantagien vallende, met grote Ponten door Negers voortgeroeit, van alle kanten naar de algemene Rede voor Parimaribo opgezonden, om op de gestelde tijd in de daar leggende Koopvaardy-Schepen ingeladen en naar Europa vervoert te worden. Voorts zullen we hier op verhandelen van het Zuiker-Riet, des zelfs bewerkinge en verdere toestel ’t geen daar toe van noden is.

V. HOOFT-DEEL.

Hoe het Zuiker-Riet in Amerika is overgebragt. Van ’t Riet Mambou en Rotang. Planting en Aankweking van het Zuiker-Riet op Zuriname. Schade der Mieren. ’t Gestel der Zuiker-Molens, en des zelfs Bewerkinge. ’t Zuiker-Riet op alle Kusten waar het gevonden werd. Woon-Huis der Planters, Neger Huisjes en ’t Stook-huis. Wat een Plantagie wel zou kosten om van nieuws aan te leggen.

[Zuiker-Riet is aan Amerika niet eigen.] Onder alle Gewassen, die op de Zurinaamsche Kust vallen, en waar van ’t getal en de verscheidenheid der zoorten byna onbeschrijvelijk is, word ’er geen met meer voordeel aangekweekt, als het vermaarde Zuiker-Riet. ’t Welk egter aan Amerika niet eigen is, maar, na des zelfs ondekking, eerste door de Spanjaarts en Portugezen van de Kanarische Eilanden op de Amerikaansche, en dus voorts op de Vaste Kust van Brazyl en Zuriname, daar het zo uitnemende wel tiert overgebragt en geplant.

Men vind wel hier en daar in Amerika, voornamelijk omtrent den Silver-Stroom of Rio de la Plata, een zoort van Riet in het wilde wassen, waar uit door de zonne-hitte een honing-zoet zap sweet, maar niet zo goed als het zuiker-vogt der Kanarische Rieten.

[’t Riet Mambou en Rotang.] In Oost-Indiën geeft het groot Riet Mambou, doorgaans Bamboes genoemt, en ook ’t klein Riet Rotang een lieflijk zap, dat, door de zonne allengs verhard en van smaak verandert, een wezentlijk zout verbeelt, gelijk het ten dele is, en daarom van de Grieken en Romeinen ook zomtijds Indiaansch zout genoemt. Want dat dit het zelve is, ’t geen nog hedendaags van de voornoemde Rieten verzamelt word, blijkt [Indiaansche Sacar.] zo uit de eige Indiaansche Sacar, waar onder het nu nog, gelijk oud-tijds, bekent is, als uit de hoedanigheden, die de zelve zijn. Uit de jonge Struiken dezer Oost-Indische Rieten, word het gemelde zap, als dan nog zeer zoet en vloeibaar, van de Indianen gretig gezogen: en van der zelver teerste en zappigste spruiten maakt men voornamelijk het aangenaam [Achar.] Achar, dat, naar Europa overgezonden, de Lekker-Monden zeer wel smaakt. Dit zoete merg der Mambous en Rotangs verliest zijne floeibaarheid, gelijk gezegt is, en verandert van kleur en smaak, wanneer de Rieten hoog opgeschoten zijn en oud worden, puilende als dan tusschen de lidden uit, word aldaar zo hard, dat het kan gebrokkelt worden, en is dan het zo zeer ge-agte en regte Sacar, of Tabaxir. Men vind het evenwel aan de gemelde Rieten niet overal in Oost Indiën, en, daar het valt, op de eene plaats [’t Sacar tot artzeny gebruikt.] beter als op de andere. ’t Sacar word nu, gelijk by ouds alleen, voor artzeny gebruikt tegen vele uiterlijke en inwendige kwalen van ’t menschelijke lighaam, en van de Indiaansche, Arabische, Afrikaansche, Persiaansche en Turksche Geneesmeesters, door verzekerde en eenparige ondervinding van zo een zonderlinge deugt bevonden, en daarom zo hoog ge-agt, dat het byna doorgaans tegen zilver word opgewogen. China heeft behalven de Mambous en Rotangs een Zuiker-Riet, dat in meest alle Landschappen wast, maar in zeer grote menigte in dat van Suchuen, alwaar het ook de beste zuiker uitlevert. In Guinea groeit insgelijks een zoort van Zuiker-Riet, als mede in Egypten, in Syrien, op ’t Eiland Cyprus, en zelfs op zommige plaatzen van Frankrijk, daar het nogtans de Winter-koude nauwlijks kan verdragen.

[Het Zuiker-Riet wast weeligst op de vlakke Velden.] ’t Kanarische Zuiker-Riet, dat gelijk reets aangemerkt is, met ’t meeste voordeel word geplant, wast, zo in Zuriname, als elders in Amerika, weeligst op de vlakke Velden, alwaar de grond mullig en vetst is, en best bevogtigt. Daar men eene nieuwe wil aanleggen, worden de Bosschen, waar mede ’t Land uit de natuur meest overal digt bezet is, in ’t laast der Grote Droogte, gelijk gezegt is, eerst om verr’ gehakt, en in brand gestoken, ’t geen van eene dubbele nuttigheid is, zo dat de grond door de vlammen gezuivert word van allerlei schadelijk ongediert, als dat ’t verbrande Geboomt aan de grond tot mest verstrekt. De grote Boom-stammen, die niet mede verbrand zijn, worden voorts in stukken gezaagt en gehakt, om te zijner tijd onder de Ketels, waar in men ’t zuiker-zap kookt, gestookt, te worden.

[Poting der Riet-Planten.] De grond verder gezuivert en omgekeert, word verdeelt in voren, waar in men de Riet-Planten gedurende den Kleinen Regen-Tijd zo poot, dat der zelver einden elkander raken, en de voren gevult zijn. Die daar na met de zelve aarde worden aangehoogt, meest gedurende de Grote Droogte, op dat de grote hitte de wortels der Zuiker-Rieten niet verzenge. Elke kwast der gepote Planten schiet eene Spruit met haar wortel. De Planting van ’t Zuiker-Riet en van de andere Vrugten geschiet op deze Kust gewoonlijk, gelijk boven gemelt is, in den Kleinen Regen-Tijd, wanneer de grond daar toe bekwaamst is.

Voorts groeit en tijd het Zuiker-Riet best als het matig bevogtigt blijft, en hoe groter de lidden der Rieten zijn, hoe overvloediger oogst de zelve beloven. [’t Zuiker-Riet moet byna een rond Jaar op ’t Veld staan.] Dit Gewas heeft doorgaans byna een rond Jaar van noden, eer het tot volkome rijpheid koomt; gemeenlijk snijd men ’t Zuiker-Riet, als het genoegzaam rijp is, Jaarlijks af: Dog zomtijds laat men ’t zelve een Jaar op ’t Veld overstaan, tot dat het nieuw Riet, volwassen en rijp, te gelijk met het oude word ge-oogst. Indien de Rieten langer, als twe Jaar, staan, verliezenze hun zap en verdorren allengs. De jonge Zuiker-Planten, in een goede grond zorgvuldig aangekweekt, konnen, zo men verzekert, tot veertig en meer Jaren goed blijven. Dog ’t gewas daar van gaat zomtijds verloren door de grote hitte en de langdurige droogte, die de Rieten doen sterven. Als dit gebeurt, word het Gewas in ’t begin van den kleinen Regen-Tijd in brand gestoken, op dat de wortels weer konnen uitspruiten. De Zuiker-Rieten verstikken ook wel als de Velden door de Regenen en het overvloeijen der Water-Vlieten te lang plas staan.

[Schade der Mieren.] Daar-en-boven krielt het in Amerika onder de gansche Hete Hemel-Streek van twe zoorten van Mieren, waar van de eene de Europeïsche volkomen gelijk is; de andere driemaal zo groot en gevleugelt. Dit Ongedierte doet dikwils zeer grote schade aan ’t Zuiker-Riet en de andere Gewassen en is, door ’t beknabbelen der wortels, veeltijds oorzaak dat de Rieten sterven. Waarom het wenschelijk was, dat de Mier-Eters wat menigvuldiger waren, om eenige millioenen van dit Gewormte te verslinden, of dat men een ander middel tegen deze algemene plaag kon uit vinden. De Hete Landen worden evenwel Jaarlijks door de Plas-Regens en ’t overlopen der Rivieren, gelijk de Gewesten van Europa door de Sneeuw, van deze Mieren en andere schadelijke Diertjes veel gezuivert. Het Onkruid verstikt ook zomtijds de Zuiker-Rieten, als men de grond niet eenige malen wied, tot dat ze ’t zelve zijn te boven gewassen. ’t Gerijpte Riet, tot den oogst geschikt, word by de grond afgesneden, en van bladeren ontbloot en in bundels gebonden naar de Molens gevoert om uitgeparst te worden.

[Van de Zuiker-Molens.] ’t Gestel dezer Zuiker-molens bestaat doorgaans uit drie sware houte Assen, met dikke yzere banden beslagen, en boven en onder voorzien met yzere Pinnen, waar mede ze, regt op en neder staande, draijen in balken die ten dele ook met yzer zijn beslagen, en welker onderste op twe andere dwarze balken rust. Gelijk hier van te zien is in bygevoegde Plaat:

A. ’t Woon-Huis van de Planter. B. De Zuiker-Molen. C. ’t Stook-Huis. D. ’t Magazijn. E. De Neger Huisjes.

Men heeft nogtans ook Zuiker-Molens, die maar uit twe sware op malkander leggende Rollen zijn zamen gestelt. Zo deze als de andere worden gemeenlijk met Raderen door de drijft van ’t water der Vlieten en Kreeken, waar aan de meeste leggen, omgedreven. ’t Welk zomtijds, zonder Raderen, alleen door zes of agt sterke Ossen of Peerden geschiet.

[Kook-Huizen.] Aan de Molens staan de Kook-Huizen, voorzien met vier, vijf, zes en zomtijds zeven Ketels om de zuiker te bereiden. ’t Zuiker-Riet, dat men wil uit parssen, word van Guineesche Slaven gestadig tusschen de Assen of Rollen der Molens gestoken, en dus zo geklemt en geplettert, dat al het zoete zap uit het zelve geparst word. Dit vogt loopt in een onderstaande Bak, die nevens de Assen tusschen dag en nagt twe maal moeten gezuivert zijn. Uit deze Bak vloeit het zuiker-zap door eene houte goot in de grootste van de kopere Ketels, om tot zuiker gekookt te worden.

[’t Zuiker-zap kan geen dag duuren.] Welk zieden te gelijk met het uitparssen moet geschieden, om dat het gedagte zuiker-zap niet eenen dag kan duuren zonder zuur te worden, en maar twe dagen staande zo sterk is, als de scherpste Edik, waar voor het dan ook wel gebruikt word. De gepletterde en uitgeparste rieten worden zomtijds aan de Varkens gegeven, die ze zeer gretig eeten, daar van vet worde, en zulk een mals vlees bekomen, dat ze van vele boven Kapoenen worden gestelt, en als eene gezonde spijze zelfs aan ziekelijke Menschen gegeven. Andere werpen ’t gekneusde Riet op ’t Land, en steken het daar na in brand, om voor mest te dienen. Andere werpen ’t onder de Zuiker-Ketels tot voetzel der vuuren, die men dag en nagt onder de zelve zo sterk stookt, dat men in een etmaal van vijftien tot veertig voeders aan hout daar door verteert worden, waar toe gehele Bosschen worden afgehakt.

[De zuiveringe van het Zuiker.] De zuiker-most zelfs word in de grootste Ketel eerst met een zagt vuur gezoden en gereinigt van schuim, dat aan ’t Vee tot spijs en drank verstrekt, of anders als onnut word weg-geworpen. ’t Geschuimde zap laat men ondertusschen in de twede Ketel lopen, waar in het met een sterker geloed gekookt word, en na vereisch en weder geschuimt. In deze Ketel laat men op zekere tijden wat loog druppelen, om ’t zuiker-vogt te zuiveren. ’t Word van zommige uit deze Ketel door een doek gezijgt; dog van anderen nog eerst in een derde Ketel gezoden en gezuivert. ’t Schuim en de droessem der twede en derde Ketel is voor de Slaven, die ’er, een weinig water by [Drank Garappa.] doende, de sterke drank Garappa van maken. Voorts vloeit het zuiker-zap uit de grote Ketel in de kleine, waar in het verder word gekookt en sterk geroert, tot dat het dik genoeg en bekwaam is, om in de Vormen gedaan te worden. Onder het koken giet de Zuiker-Meester in de kleine Ketels eenige druppels van Olijf-Oly of een weinig Boter, om te beletten, dat het zap door het sterk vuur niet overlope en in brand gerake, om welke reden de koude loog ook in de grote Ketels gegoten word. Indien men verkeerdelijk de Oly in de grote en Loog in de kleine Ketels sprenkelde, zou het zuiker-zap bedorven zijn, en insgelijks zo ’er limoen-zap of eenig ander zuur in de Ketels wierd gedaan.

Het honing-zoete vogt, door koken op de verhaalde wijze gezuivert en verdikt tot een zyroop, word met een lepel uit de Ketels geschept en gegoten in aarde Vormen, waar in men het verder roert tot dat het zig genoegzaam gezet heeft. Deze Vormen, rond en van boven naar onder spits toelopende, en doorboort, worden op houte banken, waar in ronde gaten zijn, gezet, en de gaten onderin de Vormen ge-opent, om de zuiker zijne laaste zuivering te geven door het uytzyperen van den zyroop, die door byzondere gootjes in een grote Bak vergadert word. Om de zuiker wit te maken, word elke Vorm boven bestreken met grauwe lijm, die men door water wel bevogtigt.

[De Zuiker in Oxhoofden om verderte zuiveren.] De zuiker dus volkomen geloutert word uit de omgekeerde Vormen geschut, hebbende de gedaante van grote broden, waar van men het spitze end, dat eenigzins swartagtig is, af-snijd. Waar na het een en het ander in stukken geklopt word, en in de zonn’ naar vereisch gedroogt, en voorts in Oxhoofden gedaan; die men nog zeven of agt dagen op houte traly-stellingen laat staan, op dat ’t overige van de zyroop geheel van de zuiker scheide, hebbende elk Oxhoofd van onder een opening waar door ’t vogt zypert in een onderstaande Bak. De zuiker dus bereid gezuivert, word als de voornaamste Koopmanschap van de Zurinaamsche Plantagien, gelijk voren gezegt is, Jaarlijks op de Rede van Paramaribo in Schepen geladen en naar Europa overgebragt.

[Zuikeren goedheid.] De verscheide goedheid der zuikeren, hangt ten dele af van de grond, waar op ’t Riet, waar van ze gekomen zijn, gewassen is. Ten dele van de kennis om de zelve wel te koken en te zuiveren. Dus leveren de Joodsche Plantagien, die boven aan de Rivier Zuriname zijn aangelegt, en welker grond zandig en schraal is, deze leveren de witste zuikeren uit.

[Verhaal van Benzo.] Van de verplanting des Zuiker-Riet uit de Kanarien in Amerika schrijft Benzo dus: Als Hispaniola en andere Eilanden ingenomen wierden, hebben eenige Spanjaarts Zuiker-Rieten uit de Kanarische Eilanden in Amerika gebragt en geplant. Consalvus de Valoso is de allereerste geweest, die voordeel en winst met ’t Zuiker-Riet gedaan heeft: want dese heeft op zijne eige kosten Zuiker-Makers uit ’t Eiland Palma gehaalt, en aan den Vloed Nigna een Molen, om ’t Riet te malen, laten oprigten. Waar na vele andere zijn voorbeelt gevolgt hebben.

Men heeft twederlei Zuiker-Molens. Want zommige worden op den oever van een Vlietend water opgerigt, en de Raderen daar door omgedreven, gelijk die van de Water-Molens by ons, en dit zoort is wel ’t gemakkelijkste en voordeligste en daarom meest in gebruik. ’t Twede slag word door Paarden of Ossen, op de wijze der Oly-Molens en Ros-Molens by ons, omgedraait.

Als ’t Riet gemalen en wel uitgeparst is, word ’t uitgedrukte zap gezoden tot dat het dik word. Daar na doenze het by een in een Vorm, van de gedaante eens kegels, leggen ’t daar henen en maken ’er klompen van die 10. 15. of 20. Ponden wegen. Om de zelve te zuiveren en wit te maken word ’er asch op gestrooit.

[Bereidinge van ’t Zuiker op de Kanarische Eilanden.] Als de Zuiker gezuivert is, leggen ze de kegels uit hare Vormen om te drogen op een daar toe geschikte plaats, gelijkende na een ruime Schuur, die, zonder eenige togt gaten, rondom digt gesloten is, en waar in ze een gestel van Planken, als een Toneel, 7. of 8. voeten hoog op palen oprigten, waar op de Zuiker-kegels met rijen worden gezet. Onder dit Toneel leggen ’t allerdroogste hout en steken ’t aan. ’t Welk in deze beslote plaats weinig rook en vlam gevende, en zig allenkskens gelijk kolen verterende de Zuiker-kegels gans droog en hard maakt. Dus handelt men ’t Zuiker-Riet op de Kanarische Eilanden.

De Franschen, die met Lery in Brazyl waren, weekten toen tertijd ’t Riet alleen in water, om zo de zoetigheid daar uit te trekken, of zogen ’t zap met de mond daar uit, dewijl haar de nootwendigheden om ’t Riet te parssen en ’t Zuiker te bereiden ontbraken. Z. Lery in 13. H. van zijne Hist. van Brazyl.

[Reinigen der Zuiker van de Hollanders.] De Hollanders reinigen de Zuiker op de volgende wijze: ’t Zuiker-Riet afgesneden en van zijne bladeren ontbloot word in kleine stukken gesneden, waar uit ’t zap door een Pars gedrukt word. Deze Pars bestaat uit twe op malkander leggende ronde Cylinders, die van de Molen gedurig omgedreven worden. Uit deze Pars loopt ’t zap in een Ketel, word daar in eerste met water gemengt, daar na gezoden en geschuimt tot dat het genoegzaam uitgedampt, gegoten word in aarde Vaten, boven breed en naar onder spits toelopende, waar in de Zuiker hard word als zout. De gaten die in de spitzen van deze Vormen zijn, worden eenige dagen gestopt tot dat ’t zap regt geronnen is, daar na worden ze ge-opent, op dat ’t grove en slijmige zap daar uit lekke. ’t Breedste dezer Vaten word met kley tot verscheide malen toe besmeert.