Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname
Part 5
[Legt op 6. graden 45. minuten.] Parimaribo of Nieuw Middelburg voorsz. legt vlak aan de Rivier Zuriname, op de hoogte van 6. graden 45. minuten, ruim vijf Duitsche mijlen van zee de Rivier op-waarts, het is ontrent met vijf hondert Huizen verzien, altemaal van Hout gebouwt omdat het luftiger als Steen is; aan de Water-kant is het meest met Oranje-bomen beplant, dat een heel vermakelijk gezigt geeft, en rondom heeft het een grote Vlakte, gemeenlijk Sarana genoemt, dat wederom met digte Bosschen is bezet.
[Tot gemak van de Kost-Plantagies is ’er een Weg.] Daar is een Weg van Parimaribo door ’t Bos gehouwen eenige uuren lang, tot gemak van de Kost-Plantagies die aldaar zijn, om haar waren gemakkelijk na de Stad te brengen. Dit waren de schuil-hoeken der Parimaribosche Vrouwen, doe deze Plaats van de Franschen Belegert wierd, waar van hier na iets omstandig zal gehandelt werden.
[Van de Kerk en het Stads-Huis.] De Kerk en ’t Stads-Huis van Parimaribo zijn een, het bovenste deel werd tot de Gods-dienstige Oeffeninge gebruikt, en het onderste tot de Vergadering der Heeren van ’t Land en Stad, het is een redelijk Gebouw van Klip-steen opgemetzeld, dat zig aan de Water-kant van de Schulp-mijnen t’ zamen zet; dat daar gemakkelijk was te krijgen, alzo Parimaribo op Schulp-grond gebouwt is, dat daar heel zindelijke Straten maakt, want de swaarste Regen is niet in staat om de Straten ombekwaam te maken, alzo het Water door zekere Water-leidingen binnen de tijd van een half uur al weg is.
[Begraaf-plaatzen.] By de Kerk is een schoon Bos, bestaande alleen in Oranje-bomen; zijnde voor de Kerk en onder het geboomte de Begraafplaats van de aanzienlijkste Beampte of Societeits bediende. Hondert schreden verder is de Rust-legginge voor alle de Ingezetene dezer Plaats.
[’t Huis van den Gouverneur en Commandeur.] Het Huis van de Gouverneur is ook een heel groot Gebouw, dog van Hout, heeft aan de zy een Gallery; van zijn Huis na ’t Fort loopt een Wandelary, aan beide zijden met Oranje-bomen en een geschoren Heining bezet, dat heel fraai staat: het Huis van de Commandant van ’t Fort is ook heel aanzienelijk, maar zo groot niet als het voornoemde; dit was voordezen de Woon-plaats van den Gouverneur.
Dit is de vergader-plaats van Parimaribo alwaar de Planters t’ zamen komen, daar de Heeren van de Regeringe hun bevelen uitgeven, en het gehele Volk de zelve ontfangt; hier varen de Schepen of en an, want by Vredens-tijd leggen hier gemenelijk omtrent twintig Schepen op de Ree, terwijl eenige al na het Vaderland varen, en andere op komende wege zijn, ’t welk het Land voor minder prijs, als anders, grote ververssingen veroorzaakt.
[De Bewoonders] De Bewoonder van deze Plaats zijn ten dele Neerlanders, Franschen, Duitschers en Joden, de laaste hebben alhier een vrije Synagoge; de Franschen Leren by zekere tijden in de Nederduitsche Gereformeerde Kerk; de Rooms Catholijke mogen hier niet Leren: Het bestaan van deze Menschen is, in alderhande Koopmanschappen en eenige Handwerken.
[Wat elk met de Slaven verrigt.] De Huis-houdingen gaan in dezer voegen, elk heeft zo veel Slaven als hy met fatzoen kan onderhouden, en laat zig daar heerlijk genoeg van bedienen, zo hy ze niet van noden heeft, laat hy de zelve uit Werken gaan by andere om een dag huur, en dan krijgenze 12. stuivers met de Kost, dog zonder de zelve 15. stuivers.
[Daar zijn twe Huizen van Steen.] Niet tegenstaande al de Huizen van Hout gebouwt zijn, zo zijn ’er nog tegenswoordig twe van Steen, die met Pannen gedekt zijn en met Glaze Vensters verzien; maar men oordeelt de zelve zo gezond niet te zijn als die van Hout, want de hitte des daags al te sterk door de Pannen in komende, kan zo ras door de Muuren niet heen dringen als door de Houte schuttingen of wanden, om dat ze niet heel digt gemaakt werden. Verders werden in de Houte Huizen geen Glazen gevonden, maar men zet voor de Vensters gemeenlijk Raamten met grof Gaas bekleed om de voorby gaande het inzien te beletten; de Huizen haar langtens staan meest alle neffens de Straat, om dat ’er de Wind beter kan door waaijen.
[Meubelen en Huis-zieraden.] De Meubelen of Huis-zieraden vind men hier zo menigvuldig niet als in Europa, meest bestaande in ’t geen men tot een nootwendig gebruik ten uitersten van noden is, als Bedden en haar toebehoren, om in de Na-nagt te slapen, dewijl het dan kouder is als in de Voor-nagt, voorts een Kast of Kabinet, Ledikant, Spiegel, Tafel en Stoelen, daar beneffens het gebruik van de slingerende Hang-matten, met de Keuken nootwendigheden, zo dat alles uit Europa voornoemd hier moet gebragt werden, voornamentlijk Provitie in Eet-waren, als mede velerlei zoorten van Drank, waar door de Menatie aan Parimaribo heel kostelijk valt, buiten ’t gene het Land in Vrugt- en Aard-gewassen, voor de Keuken, nog rijkelijk daar toe geeft; zo dat by ’t weg blijven der Schepen het hier heel zober uitziet, anders leven de Menschen zeer mildadig, en zo wel buiten gebrek als in Plaatzen daar gestadig toevoer was.
[Van de Kledinge.] De manier van Kleding onder deze Volkeren, is voor tegenswoordig op de Hollandsche of liever gezegt de Fransche dragt, naar een yders believen en welgevallen, dragende de Mans nu alle ligte Lakenze en andere zoorten van Stoffe Kleding met Zijde gevoert; daar men te voren pleeg gekleed te gaan met witte Doorniks of Haarlemmer Streep, gemonteert met swarte Hare Knopen en Knoop Gaten, dat wegens het gestadige Wassen der zelve Kledinge veel kosten veroorzaakte, dat nu de tijd anders heeft by gebragt: Dog omtrent de gemene Luiden, zijn doorgaans wel zo pragtig en uiterlijker als in ’t Vaderland, wordende byna niets te kostelijk geoordeelt, ’t welk dan mede by de andere Christenen, in hoger aanzien, door het gehele Land word na gevolgt, schijnende aan de vermaaklijkheden des Lands eigen te zijn, wijl al het geile Groen des Menschen ooge dartelt, en ’t herte doet huppelen in genoege.
[De Sterkte Zelandia, en waar die naam afkomstig van is.] In ’t Noord-oosten digt aan Parimaribo en de Rivier Zuriname, legt de zeer voordelige Sterkte Zelandia, deze naam bekomen hebbende van die van Zeeland, die ze eerst bezeten hebben, en de gansche Volk-Planting den Engelschen afnamen in ’t Jaar 1667. door beleid van de Admiraal Krijnzen en de Vice-Admiraal Culeward, met een Vlootje van drie Oorlog-Schepen en eenige kleindere Vaartuigen, van alles wel voorzien, en op hebbende drie hondert Soldaten, onder ’t bestier van de Generaal Ligtenberg. De Vesting van Zelandia, is van Schelp-steen gebouwt, met goede Gragten en aarde Buiten-werken versterkt, en van binnen genoegzaam voorzien met Geschut en Manschap, als mede van de nodige Magazijnen, Wapen-kamers, Kruit-kelders, Wagt-huizen, enz. De Stroom, door de zee-vloeden opgestuwt, bespoelt zelfs de voet van de Vesting, wordende ’t gewelt van ’t water door ingeworpe Stenen gebroken en daar door ’t af en weg-spoelen verhindert.
[Begraaf-plaats van de Heer Goyer.] Het ruime Plein in ’t voorsz. Fort, is vereerd geworden met de Begraaf-plaats van Mijn Heer de Goyer, Gouverneur over geheel Zuriname, zijn E. is Overleden in ’t Jaar onzes Heeren 1715. den ... July, en ter Aarden bestelt den eersten Augusty, met zeer grote stoet, onder het lossen van ’t Geschut der Schepen en ’t Fort, en ’t Salvoos schieten der Soldaten, tot grote bedroeffenis van zijn Huisgezin en der Gemeente. Wijders is het Fort Zelandia tot bescherming van de Stad Parimaribo en de Rivier Zuriname, wanneer ze van Vyanden overvallen mogten werden. De Rivier is hier omtrent een half uur breed, zo dat het Geschut maar effen kan toebrengen.
[Van de Vesting Cottica of Sommelsdijk.] De Zurinaamsche Maatschappy heeft, behalven Zelandia, nog een andere Vesting, Cotteca of Sommelsdijk genaamt, om datze eertijds de Woon-plaats is geweest van den Hoog Ed. Heer Sommelsdijk, Opper-Bestierder van de Volk-Planting; waar van wy des zelfs Leven en Sterven hier kortelijk zullen ter nederstellen.
[Onderneminge van de Hr. Sommelsdijk om zig na Zuriname te begeven.] Anno 1683. De Heer van Sommelsdijk besloten hebbende om in Perzoon, de Colonie van Zuriname, welke zijn H. E. W. voor een derde deel toekwam, te gaan bestieren en in eenen beter staat te brengen als tot nog toe was, en alles ter reize vervaardigende, wierd by zekere gelegentheid van zijne Hoogheid den Prins van Oranjen, namaals Koning van Groot Britannien Hoogloff. Mom., gevraagt, wat zijne E. dog bewoog zulken moeijelijken last op zig te nemen, als reeds zo grote goederen en aanzien bezittende, waarop dat zijne E. antwoorde, dat de voornaamste beweegreden daar toe was, om regt en geregtigheid te oeffenen.
De Heer van Sommelsdijk dan vertrokken om ’t Gouvernement van de Colonie zelf te aan vaarden, heeft kort na zijne aankomst in Zuriname Vrede gemaakt met de Indianen tot zonderling voordeel van de Coloniers. Zijne E. heeft ook grotelijks tot welstant van de Colonie ingestelt een Raad van Justitie. Zie Rom. de H.
De Wetten van zijn E. ingestelt dienen ook eeniglijk om de Colonie in eenen bloeijenden staat te brengen, als blijkt uit deze volgende:
Dat gene van de Colonie voortaan meer met Swarten zou Trouwen, ook met streng verbod van met gene Swarte te Hoereren.
Dat gene particuliere Planters hunne Slaven in ’t toekomende niet meer zouden mogen verminken of met de Dood straffen, maar de zelve zulks verdienende aan den Raad van Justitie zouden moeten overgeven.
Om tot eenige byzonderheden van ’t Leven van zijn H. W. G. te komen.
[Zijn E. Woninge.] Zijne E. Woninge aldaar was maar van Hout gelijk die van de meeste Planters, zonder pragt of wereldlijke verzierzelen.
[Dagelijkze Kledinge.] Zijne E. ordinaire dagelijkze Kleding was maar van gemein fijn ongebleekt Linnen, dragende zijn eigen Haar zonder Poeder, zinlijk en rein zijnde over zijn Lighaam, zig dagelijks in zijn Binnen-kamer wassende [Spijs en Drank.] en badende. Matig in ’t gebruik der Schepzelen van God doorgaans zijne bekomst eetende uit eene Schotel, hoewel ’er op zijne E. Tafel dagelijks zevenerlei verscheide zoort van Spijze wierden opgedischt voor de mede aangezetene. Gemeenlijk geen ander als grof Roggen Brood, en voor Drank Wijn met Water gemengt gebruikende. Gelijk zijne E. een grote liefhebber was van ’t Planten van allerlei Gewassen, was zijn dagelijks divertissement in de Tuin te gaan wandelen en werken.
[Voorval van een Vorst der Indianen.] Kort na dat de Heer van Sommelsdijk ’t bestier van de Colonie had aangevaart, gebeurde het, dat een van de Vorsten der Indianen, onder het district van ’t Fort Zelandia, eene van zijne drie Vrouwen, waar op hy vergramt was, gedood hebbende, daarover op bevel van zijne Excell. in arrest genomen wierd, geexamineert zijnde en schuldig aan Doodslag geoordeelt, en daar over de Dood hem aangezegt wierde, was hy zelf en de andere Indianen daar door zeer ontstelt, zeggende dat het hen vremd voor kwam dat hy om een Vrouw zou gedood worden, dewijl hy nog twe andere hadde. Waar op zijne Excell. door een Tolk, zijnde de Overste van de Synagoge der Joden, die de Indiaansche tale verstont, hen liet zeggen, dat de God die de Hemel en Aarde geschapen heeft ons geboden had, dat die des Menschen bloed vergiet, diens bloed weder zal vergoten worden. Waar op de Vorst en andere Indianen antwoorden, weten wy dat niet zo zijn wy en onze Kinderen slimmer als de Peerden, en daar op hielden ze zig stil, en lieten toe dat de straffe van Onthoofding over den schuldige Vorst wierd uitgevoert.
[Zijne E. was tot de Godsdienst zeer geneigt.] Zijne E. was van een edelmoedig inborst, hebbende eene zonderlinge liefde voor den Godsdienst, agting voor de God-vrezende en yverig om hen te beschermen en te begunstigen; gemeenzaam en weldadig iegens een iegelijk: integendeel een groten afkeer hebbende van de ongebondenheid, tot voorkoming en vertoning van deze ondeugt in de Soldaten; deze aan den arbeid doende zetten en aan hem daarom maar een matig gebruik van voedzelen toestaande, als zijnde het beste middel tegen de ongeregelde geneigtheden. Dog zijne E. wierd wel van eene zijner Zusteren, die toen ook in Zuriname residerende, ge-adverteert van de Peerlen niet voor de Zwijnen te werpen, om dat ze zig omkerende hem niet mogten [Des zelfs Dood.] verscheuren. ’t Welk zijne E. door eene droevige en geweldige dood is overgekomen, gelijk bekent is, in den Jare 1688. den 19. July. Dit Feit wierd uitgevoerd door elf zamen geswoorne rebellen, die met geweld meer en beter rantzoen eischten als dagelijks uitgedeelt werd, terwijl zijne E. met den Commandant Verboom ’s morgens voor zijn Huis ging wandelen in de Oranje-bomen allée. De voornoemde elf rebellen kwamen op eene ongeschikte wijze met hun geweer en half dronken zijnde ’t gezeide van zijne E. afvorderen, waar op zijn E. Excell. naar een Houwer taste om deze baldadige te rug te drijven, en de arm opheffende, schoten ze gelijkelijk op hem, waar door dood ter aarden viel, wordende de Commandant met een ook swaar gekwetst en negen dagen daar na aan zijne wonde stervende.
[De Muitelingen beroven het Huis van zijn Excell.] Een van de elf muitelingen wierp zig voor hooft van hen op, en zy namen gezamentlijk het Huis van zijne Excell. in, maakten zig meester van den besten Inboedel als van Zilver en Goud, enz. De opperste rebel trok zijne Excell. beste Kleed aan en ging daar mee pronken. Deze ontboot de gansche Militie uit het Land, en nodigden de zelve zig by hem te voegen (de Gouverneur van kant zijnde en de Commandeur swaar gekwetst) voegden zijn vijftig â zestig gemene Soldaten by de voorsz. elf muitelingen, willende de overige Militie en Officieren daar mede niet te doen hebbende, maar hielden zig stil dewijlze niet magtig genoeg waren, om de rebellen te wederstaan. Welke de Burgery van ’t Vlek ontwapent hebbende, zig meester maakten van ’t Fort Zelandia, begravende in ’t zelve Fort het Lijk van zijne Excell., en eenige Kanon schoten ter gelegentheid van zijn E. begraaffenis doende.
[Verdere onderneming van de zelve.] De rebellen ziende, dat ze geen meer aanhang kregen, dagten weg te gaan met zijne Excell. beste goederen, zig daar toe willende bedienen van een groot Schip van de Societeit, dat met Zuiker geladen voor ’t Fort gereed lag om naar Europa te varen.
De Schipper van ’t voornoemde Schip aan Land gegaan, om te vernemen wat daar gaande was, werd van de rebellen in verzekering genomen, en deze maakten zig daar op meester van ’t Schip, ondertusschen met de Burgers van ’t Vlek accorderen voor zekere zomme Gelds onder beding van hen dan niet te beschadigen.
De Raad van Justitie hier door tijd hebbende bood het gehele Land op, komende daar op de op ontbodene met verscheide zoort van kleine Vaartuigen, en een groot Hollands Schip, dat uit de handen van de rebellen naar boven ontsnapt was, de Rivier Zuriname boven ’t Fort afzakken en bleven aldaar in order geschikt eenige dagen leggen: Komende insgelijks uit de Commewyne eenige Hollandsche Schepen met vele andere Vaartuigen der Planters, beneden het Fort leggen; zijnde alzo ’t Schip dat de rebellen ingenomen hadden tusschen beiden bezet. Waarom de Planters zig stil hielden tot dat de rebellen eenige Zuiker uit het Schip ontladen hebbende, de plaats der zelve vulden met de beste goederen van zijne Excell., waar op de elf muitelingen met de rest die zig by hen gevoegt hadden t’ Scheep gingen, en gereed zijnde om te vertrekken, wierden van boven en beneden door de Planters en Hollandsche Schepen in slagorde omzingeld. Dog eer het tot een hooft-treffen kwam, boden de gene die niet schuldig waren aan de moord van zijne Excell. aan, de elf rebellen over te geven indien men hen wilde vry laten. [In handen van Justitie werden de elf rebellen overgelevert.] Welk verzoek van de Raad van Justitie en de Planters aan hen werd toegestaan, en waar op ze de elve in handen van Justitie overgelevert, die agt dagen daar na, door de Raad van Justitie gevonnist en veroordeelt wierden, te weten, dat agt zouden opgehangen en drie gerabraakt worden, hen verdiende straf ontfingen.
De overige zestig werden niet langer in dienst gehouden, en voor en na by vijf à zes naar Holland overgevoert en daar volgens belofte vrygelaten.
Zo ras de van de Societeit in Holland de tijdinge van de dood van zijne Excell. ontfingen, offereerden het Gouvernement aan de Zoon des overledenen doenmaals Heer van Chatillon genoemt. Waar toe zijne E. nog Mevrouw zijne Moeder niet konde bewilligt worden, om dat zijne Excell. op zo eene moordadige wijze was omgebragt. Waar op dan de Heer Scherpenhuyzen tot Gouverneur wierd verkoren, en met secours van nieuw Krijgs-volk en voorraad van Ammunitie en Vivres tot opvulling van de Magazijnen naar de Colonie overtrok, nevens de Heer van Chatillon, die derwaarts overging om de zaken van zijnen Heer Vader te redden.
[De Sommelsdijkze Vesting legt op een moerassige grond.] Om weder tot de voorgemelde Vesting Sommelsdijk te komen, ze is dan gelegen op een moerassige grond, ruim zeven mijlen van zee, ter plaatze daar de Stromen Commewyne en Cotteca te zamen vloeijen, en versterkt met goede aarde Wallen. Om dat de buiten Vyanden nergens geen voet aan Land zullen zetten, zo is uit dien hoofde verboden geen Plantagies te mogen leggen aan de Rivier Commewyne beneden ’t Fort Sommelsdijk; en alzo leggen ook geen Plantagies aan de Zuriname beneden het Fort Zelandia: Deze twe Forten zijn de voornaamste Sterktens in de gansche Colonie of Volk-Plantinge.
[Om een Nieuwe Sterkte te bouwen.] ’t Zou voor de Nieuwe Colonie zeer voordelig zijn, en grotelijks tot hare bescherming tegen allen Vyandlijken aanval dienen, zo ze ook een Sterkte had op de zamen vloeijing van de grote Stromen Commewyne en Zuriname, alwaar nu het Krabbe-Bos leid, dus by genaamt van de grote Zee-Krabben, die hier in menigte van de Bewoonders gevangen worden. De grond van deze plaats is tot het aanleggen van een Vesting wel eenigzins onbekwaam, als wezende moerassig en slijkerig, lopende door de Vloed t’ elkens onder, maar zou door ingeheid Paalwerk wel goed gemaakt kunnen worden. Aan de overkant van ’t Krabbe-Bos, ook op de Gaar-Vliet der gemelde Hooft-Rivieren, konde insgelijks een Kasteel van groot gewigt tot beveiliging van die beide Stromen gebouwt worden. De onkosten, tot zo een werk vereischt, zoude volgens gemaakte Calculatie 300000. Guldens, of iets meer belopen. Zo zulks eens uitgevoert wierde, was de Volk-Plantinge niet als met een over-grote Zee-magt aan te doen, dewijl dan gene Schepen de Stromen aan de eene of andere kant zouden kunnen opkomen, of een Landinge ondernemen, zonder zig bloot te stellen voor ’t Geschut van die Vestingen. Welkers aangelegentheid, of liever nootzakelijkheid men wel kan afmeten uit de onderneming der Franschen tegens deze Colonie. Van welke twe togten, om ons voorstel te bevestigen, wy hier een nauwkeurig verhaal zullen by voegen.
[Eerste onderneminge op de Zuriname van de Franschen.] Gelijk de Franschen; die het steets aanwassend welvaren van deze Nederlandsche Volk-Planting met een loer oog aanzien, met schade en schande ondervonden in ’t begin van deze Eeuw, wanneerze onder ’t bewind van Monsr. Du Cassé met negen Oorlog-Schepen, een Bombardeer-Galjoot en verscheide andere Vaartuigen de Stroom Zuriname opkwamen en met geweldig Schieten en Bombarderen de Vesting meenden te vermeesteren; maar door ’t Geschut van ’t Fort en de daar byleggende Koopvaardy-Schepen, boven verwagting zo dapper be-antwoord wierden, dat ze tegens wil en dank weder van daar vertrokken; hebbende vele doode en gekwetste, en van hare Schepen, die zeer ontrampoeneert waren, behalven vele kleine verloren een Oorlog-Schip van vier-en-twintig Stukken en hondert en zestig Man; dat door onkunde van de gronden gestrand was en tot buit bleef aan de Nederlanders.
[Twede onderneminge van de zelve.] ’t Was den 10. October 1712. wanneer Monsr. Cassart voor de twede maal binnen zes Maanden met agt Oorlog-Schepen, zeven Barken en dartig Barkassen, op hebbende vijf-en-twintig hondert of drie duizent Man van Guadaloupe, een Eiland der Franschen in Amerika, de Zurinaamsche Volk-Planting aantaste. De Oorlog-Schepen konden wegens de ondiepte niet verder als aan de bekende Modder-Bank komen: dog een gedeelte van ’t Volk, op twe grote Barken, twintig Barkassen en een klein Oorlog-Schip gezet, voeren vroeg in de morgen-stond na de overkant van de Stroom, eerst aandoende en plunderende de Plantagie van de Heer Amzing, een der Raden van de Colonie, een Man van vele goede hoedanigheden. Het zelve lot van verwoestinge moesten eenige andere Planteryen, voor aan op de vlakte staande, mede ondergaan. Deze verwoesting deed de Negers, als mede de be-angste Vrouwen der Blanken in de Bosschen vlugten voor ’t gevreesde gevaar. De Inwoonders, van der Franschen onderneming te voren verwittigt, schikten zig met alle mogelijke vlijt tot een dappere tegenstand. Ten dien einde haddenze over de tagtig stukken Geschut tegen de plaats der ontscheping geplant, de Wallen der Vestingen verbetert, en de zelve van alles wel voorzien. Waar door Monsr. Cassart genootzaakt was het uiterste geweld aan te wenden, om de eer van zijn Koning en eigeagting, door ’t mislukken van de eerste onderneming schandelijk verloren, te herstellen, en niet meer schande te behalen. Hy liet derhalven de Schepen en Fregatten in de Rivier komen, behalven het Schip de Neptunus, dat te diep gong, hy deed de Galjoten naderen, en hield zijn troupen ter Landinge gereed. Maar de Schepen die hem moesten begunstigen, en zo de Stad als het Fort beschieten, raakten twe Kanon schoten verr’ van de zelve aan de grond. Het geen Monsr. Cassart verpligte te wagten, tot dat ze door de Spring-vloeden vlot wierden, om de Stad en het Kasteel in te sluiten, en zig met zijne troepen meester te maken van de Rivier Zuriname. Maar alzo deze tegen over het Kasteel en de Stad nauwer word, en een bogt maakt, die maar een sterke Musket schoot breed is, en door 30. stukken Geschut wierd beschermt; was het nootzakelijk, na dat de troepen het vuur zouden uitgestaan hebben, en aan de andere kant van de Rivier komen, een weg over Land te maken, die de bogt van het eene einde tot het andere overdwarste, om de gemeenschap vry te maken voor de troepen en de Schepen, en de zelve de Inwoonders te Water en te Lande af te snijden. Hier op detacheerde Monsr. Cassart, Monsr. Beaudinard, met 100. Granadiers, om die dwars door het Bos en byna ondoorgankelijke Moerassen te zoeken: Deze liet des anderen daags weten aan Monsr. Cassart, dat hy de zelve had gevonden, en van de eerste Woning aan de andere kant van de Rivier al meester was. Waar op Monsr. Cassart, aanstonts het twede battaillon derwaarts dede trekken, om hem in die post te ondersteunen, en volgde zelfs twe dagen daar na met de overige troepen over de Rivier, met het Fregat de Meduze; terwijl twe Schuiten hem Mond-kost en Oorlog-behoeftens bragten.