Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname
Part 16
De Indianen in vlietende wateren Vis vangende, (eer zy van yzer of staal waren voorzien) staken zy een zonderlinge Vis-steert, die een Zee-Kreeft gelijkt, zo inwendig hol is, of van een andere bekwame Vis, in plaats van Vis-hoeken, aan het einde van haar riet of een stok, met dewelke zy de Vis by nagt en dagen weten te door-steken en te vangen. Zy konnen ook van dunne tenen Korven vlegten, die aan de mond of ingang heel wijd zijn, en hoe langer hoe wijder vallen, dog met een middel-schot; die zy aan stokken binden en zo in de grond zetten, door welk middel zy Visschen, dat niet onvermaaklijk te zien is, overtreffende de Europeaansche Viskonst; werdende door de menigte gemaklijk de vangst volbragt.
[Homars.] Homars, zijn een zoorte van Kreeften; zo groot dat ’er maar eenen van noden is om eene Schotel te vullen; haar Vlees is wit en smakelijk, maar wat hard om te verteren. d’ Indianen vangen haar by nagt op het zand, of op de platen van de zee; en met de hulpe van een Toorts-ligt of de helderheid van de Mane, zo door-rijgen zy haar met eene kleine yzere vorke.
[Kreeften.] Kreeften, deze zijn van de zelve gedaante als die men in Europa vischt; daar zijn ’er van onderscheide grote, maar d’ ongemeenste zijn die van roof leven. Zy houden haar onder de struiken van de Bomen aan den oever van de zee: en na het voorbeeld van die Kik-vorschen die men Vissige noemt, zo verspieden zy uit hare sterkte d’ Oesters en de Mosselen, om haar tot buit te maken, en zy vangen haar door eene verwonderlijke listigheid. Die deze is; dat zy bespeurt hebbende hoe hare tanden en hare verweringen niet sterk genoeg zijn om de Schelpen te breken, die deze lekkere Visschen dekken: en ook vernomen hebbende hoe zy verscheide malen op eenen dag hare Schelpen openen om de versche lugt te scheppen, verspieden zy dien tijd zorgvuldiglijk, en haar voorzien hebbende met eenen kleinen ronden Keizel-steen, die zy uit het drijf-zand hebben gekoren, zo houden zy hem gereed in d’ eene van hare tangen, en naderen by den Oester, of by den Mossel, laten zy hem met zulk eene gauwigheid vallen in hare geopende Schelpe, dat zy haar niet weder konnende toe-sluiten, den Vis tot eenen roof blijft van deze loze jageren.
[Krabben.] Krabben die men Tourlourou noemt, deze zijn wel de kleinste; haar bast is rood geteikend met eene swarte vlekke, zy zijn tamelijk aangenaam van smaak: maar ter oorzake dat ’er vele aan te pluizen is, en weinig af te halen, en dat men ook houd dat zy den bloed-gang voort brengen, worden zy weinig gezogt als by nood.
[Witte Krabben.] Witte Krabben, alzo genaamt om dat geheel wit zijn; deze onthouden haar aan de voeten van de Bomen, by den oever van de Zee, en in gaten die zy in d’ aarde maken, waar in zy haar vertrekken, gelijk de Konijnen in hare holen. Dit slag zijn de grootste van allen, en daar worden ’er zodanige gezien, die zo veel Vlees in eene van hare poten hebben als de grote van een Ey, alzo lekker als die van de Rivier-Kreeften. Zy vertonen haar zelden by dag: maar gedurende de nagt komen zy met benden uit hare holen, om onder de Bomen te gaan eten; en by dezen tijd is het ook dat men haar gaat vangen, met Lantaarnen of Toorts-ligten. Zy verlustigen haar voornamentlijk onder de Paretuve-bomen, en onder d’ andere Bomen die aan den oever van de Zee zijn, en in d’ allermoeraschigste plaatzen. Als men in d’ aarde of in het zand delft om haar in hare vertrek-plaatzen te zoeken, vind men haar altijd half-lijfs in het water; even als het meeste gedeelte van d’ andere Twe-naturige Dieren.
[Beschilderde Krabben.] Beschilderde Krabben, deze zijn de schoonste, de verwonderlijkste, en de meest-geprezene van allen; zy hebben wel de gedaante als de voorgaande, maar zy zijn met zo vele verwen beschildert, die alle zo schoon en zo levendig zijn; dat ’er niet vermakelijker is, als haar op den vollen dag te zien kruipen onder de Bomen, daar zy haar voedzel zoeken. d’ Eenen hebben het gants lighaam van violet verwe, gepluimt met wit; d’ anderen zijn van een schoon geluw, dat geschakeert is met verscheide kleine grijsagtige en purper-verwige trekjes, die aan de kele beginnen, en haar slingeren over den rugge. Daar zijn ’er zelf eenige die op eenen taneiten grond, bestraald zijn met rood, met geluw, en met groen, dat haar de rijkelijkste en beste-gemengde verwing geeft die men zig zoude konnen verbeelden. Men zoude zeggen in haar van verre te zien, dat alle deze aangename verwen, daar zy natuurlijk mede zijn geëmaillieert, nog niet droog zijn, zo blinkende zijn zy; of dat men haar nog vers met vernis heeft uit-gehaald, om haar meer luister te geven. Deze Beschilderde Krabben, zijn niet gelijk de Witte, die haar by dag niet derven vertonen: Want men ontmoet haar boven al des morgens en des avonds, en na den Regen onder de Bomen, daar zy haar met troepen verkwikken. Zy laten haar ook wel van na-by komen; maar zo ras als men gebaar maakt gelijk of men haar wilde tegen houden met een roede, (want het zoude te gevaarlijk wezen daar de handen toe te gebruiken) wijken zy zonder hare vervolgers den rugge toe te keren, en al af-schuvende zijelinks uit tonen zy hare tanden; en aanbieden hare opene verweringen, dat die twe tangen of bijters zijn, die zy aan hare poten hebben, zo beschutten zy ’er het geheel lighaam mede, en zy doen die van tijd tot tijd den eenen tegen den anderen kletzen, om hare Vyanden schrik aan te jagen; en in dit postuur winnen zy hare sterkte, die gemeenlijk is onder de wortel, of in het hol van eenigen verrotten Boom, of in de kloven van de Steenrotzen.
XIII. HOOFT-DEEL.
De Aard der Bomen, dier Vrugten en Aardgewassen.
De Aarde is de leegste hooft-stof van de wezentlijke stoffen, gelijk een grond of grondvest van de overblijvende; want al wat d’ andere stoffe op de zelve doen nedervallen en afkomen, dat ontfangt zy alles; bewaart het gene bewaart moet worden, en brengt te voorschijn ’t welk openbaar moet wezen. Zy is de trouwe Schat-kist aller dingen, in welke al het voortgebragte blijft, en door de bewegende warmte in de zelve verrot zijnde, werd door de zelve vermeerdert. Het reine van het onreine gescheiden zijnde, ’t gene in haar swaar is werd verborgen; het ligte werd van de bewegende warmte na de vlakte uitgedreven, en gelijk die bestaat in een slijkagtigheid, alzo is zy aller Zaden en vermengder dingen voester en Moeder.
[Van de Cinaas-bomen.] De Bomen deze kragt ontfangende geeft zulk een sterke drang, zo dat de Cinaas-bomen hier zo groot worden als de Vaderlandsche Linden, zo ook in dikte van hare stammen en pronk zieraden harer kronen, mild dragende van rijpe Appelen, groene, aankomende (ook bloeizels) gezegend met een dun schilletje, daar ’t wel-smakent vogt in huis-vest, om de lekker tandige te vervarssen.
[Oranje-bomen.] Oranje-bomen, zijn mede van de zelve gestalte, wilde de top nog wel trotzer in hoog-moet opheffen. Pralende met een rijke schat harer natuurlijke baarmoeder, in twe zoorten zure en zoete, met hare rijpe, groene en aankomende telingen, neffens de bloeizelen.
[Lamoenen.] Lamoenen, zure en zoete, van een extraordinarie grote vind men hier; en daar op de Plantagies, deze als de vorige Bomen wel vrugt-dragende, maar de Bomen wassen zo zierelijk niet, zijnde meerder in verwerringe met kleine takken uit de grond opgeschoten, in maniere als grote Hagedoorn, en zijn niet veel met vogt beladen ter oorzaak van hare dikke binnen en buiten schil. Maar de
[Lemmetjes.] Lemmetjes, zijnde een kleinder zoorte, even als de kleinste Spaansche Lamoentjes; deze zijn bezonder dun van schil, zijnde byna even gevliest, zo dat daar zeer weinig wit aan is. Deze zijn heel rijk van zap en dragen boven alle voorgaande Vrugten zeer mildadig, en nog veel scherper van zuur-vogt als de Citroenen. Waar van ook vele geperst, gezouten, en de kleinste gekonfijt, na Europa gezonden word. Leggende door meer als rijp te zijn genoegzaam op de grond gevallen, die ook elk zonder prijs mag kopen, zonder nogtans schade aan de Bomen by te brengen.
[Palmites-boom.] Palmites-boom, deze wassen ter hoogte van stam van 150. tot 200. voeten zonder takken, alleen hebbenze een struik, van natuur en smaak als een witte Kool, daar de bladeren en zaat uit voort komen. Buiten deze zoort vind men nog vierderlei andere Palmites, als Latanir-palmites, Epinu-palmites, Vin-palmites en Copelet of Palmit de Montagne, enz.
[Goyavis.] Goyavis, is mede een zeer aangename Vrugt, zijnde de Bomen van een matige dikte, van twe en vier duimen in ’t ronde. Deze wassen in de Savanes, of vrije Wei-landen hier en daar een Boom. Die gekookt worden als Kruis-besien pap; gestooft de Que-peer gelijk in smaak zijnde; en groen gegeten zijnde den buik te stoppen: waarom hem vele ook gebruiken tegen den bloed-loop; maar rijp gegeten zijnde, heeft hy een tegen-strijdige uitkomst. De koleur is geel aan de Bomen; de grote hebbende als een Appricoos en ontrent het zelfde gewas gelijkende; zijnde mede gemeen en genoegzaam tot vervullinge der Huis-houding.
[Pompelmoessen.] Pompelmoessen, een zoort van Oranje Appels, de vrugt is zo groot als een ordinarie Pompoen, maar meer in de ronte kees-gewijze, zijnde de schil mede als de Oranje, en ’t vogt zuur en zoet in twederlei zoort. Deze hangen door de swaarte nederwaarts aan de Bomen, en zeer mild dragende.
[Suersakken.] Suersakken, deze in hoedanigheid de voorgaande naby komende, alleene dat zy wat langwerpig zijn, en de buiten schil aan den groene; wordende mede tot refrissementen gebruikt.
[Cacaos-bomen.] Cacaos-bomen, van deze zijn mede Plantagien, en wassen in dunne stammen van de hoogte als een middelmatige Karsse-boom; heeft een aangename opwassinge en een zierlijke Bloem.
[Karsse-bomen.] Karsse-bomen, zijn van grote als die in Neerland; maar de vrugt is geribt met agt kanten, hebbende zo veel steentjes in hem gesloten als ’er verdelinge zijn. Dragende mildadig vijf en zes malen ’s Jaars Vrugten, die ook wel in ’t wild in de Bosschen groeijen.
[Mandepore.] Mandepore, daar van de Vrugt niet gebruiklijk is; deze heeft grote brede bladeren met een rand opstaande daar in het water staan blijft, zo dat het daar niet uit kan, nog en verteert zig niet; even als of het een Schotel was daar zig een half mingelen water in onthouden kan. De Indianen maken uit de Wortel mede een Drank die zy in een Vijzel stoten, gevende dan een vogt als Melk; en zo men dit vogt met water mengt, geeft het de smaak als Wijn.
[Coparibas.] De Plant Coparibas, beproeft heilzaam tegens wonden en vergift.
[Palm-boom.] Palm-boom, deze Boom heeft geen gebruikende Vrugt, wassende linie regt als de Sparre-boom met lange smalle bladeren, de stam redelijk dik en in zig heel zagt. Deze om verre gehouwen zijnde, zo word het pit uit de zelve Boom genomen, dat werd gekookt, en dan zo lang in riemen gesneden als men het begeert; in manier als Aspersien bereid en gebruikt, dat heel wel smakend en goed is.
[Vijge-bomen.] Vijge-bomen, in zoorten, deze zijn niet min smaaklijk groen gegeten, van grote als een Peer; hangen byna het gansche Jaar aan de Bomen. Zijnde twederlei in aard, d’ eene Mannelijk en d’ ander Vrouwlijk; de eerste draagt en baart ontelbare menigte van Vrugten welke nooit rijp worden, dog dat die ontbreekt heeft de Vrouwlijke Vijg overvloedig in haar, derhalven is ’t dat de Plantende, op dat de rijpheid der Vijgen te eerder volvoert werde, met de Vrouwlijke Vrugt de Mannelijke Vijgen omzetten, waar door de zelve in ’t korte volkomen rijp werden. De reden hier van is, dat ’er van d’ eene iets kragtig uitgaat, ’t welk in d’ andere als een Simpatie ingetrokken werd en de rijpheid veroorzaakt.
[Mancenillie.] Mancenillie, een Boom die Appels draagt in gelijkheid van de Kannetjes Appelen, deze zijn zeer vergiftig van natuur; zo dat, wanneer iemant de zelve aanraakt zoude door zijn sterk vergift het vel van de hand afknagen, en aan de oogen komende zoude men de zelve daar door verliezen. Als men de zelve begeert te hebben, zo maken de Swarten of Indianen, de handen eerst nat in zout water. De Boom in zig zelven is egter schoon hout tot het maken van Kasten en Kabinetten, het is wit en fraai flammig, maar de Boom moet eerst gebrand worden eer dat men de zelve kan gebruiken. De Wilden, zeer wel de nature van deze Mancenillie-bomen kennende, vermengen ook de Melk van den Boom, en den dauw die ’er af-valt, en het zap van de Vrugt in haar vergif, daar zy gewoon zijn hare Pijlen mede te vergiftigen.
[Marmelade.] Marmelade, deze Boom is ook van een gemene hoogte, wassende de Vrugt tusschen twe schelpen byna als de Roomsche Bonen, die de schil niet zo dik maar wel zo breed is. Deze Vrugt is van buiten mede geel en van binnen roodagtig, smakende als iets dat gekonfijt is.
[Katoen-boom.] Katoen-boom, die de Wilden noemen Manoulou-Akecha, waar van de zelve grote gemakken konnen trekken. Hy wast tot de hoogte van een Persich-boom: zijne schorze is bruin, de bladeren zijn klein, in drie verdeelt. Hy draagt een bloem van de grote als eene Roze, die ondersteunt is van beneden, op drie kleine groene en stekende bladeren, die hem besluiten. Deze bloem is te zamen gezet van vijf bladeren, die guldig-geluw zijn, zy hebben in haren grond kleine strepen van purper-verwe, en een geluwe knop, die omringt is met kleine draden van de zelve verwe. De bloemen worden gevolgt van een vrugt na de gedaante van een lang-werpig rond, die van grote is als eene kleine Note met hare schelpe. Als hy tot zijne rijpheid gekomen is, is hy gans swart van buiten, en hy opend zig op drie plaatzen, die de witheid van het Katoen doen zien, het welke hy onder dit harde dekzel besluit. Men vind in yder vrugt zeven kleine Bonen, die het zaad zijn van den Boom. Daar is eene andere zoorte van Katoen-boom, die langs der aarde kruipt, gelijk de Wijngaart van stutten ontbloot: dezen is het die het fijnste en het meest-geagte Katoen voort brengt. Men maakt van den eenen en van den anderen webben, en verscheide kleine stoffen, die van groot gebruik in het Huishouden zijn.
[Mispel-boom.] Men heeft ook de Mispel-boom, dog de onze aan smaak en koleur ongelijk, dan die vrugt is rood als Karssen en heel zoet, dog niet zo wel van smaak; en ook witte van deze zoort, dog beide zonder steenen.
[Paco-Aire.] Paco-Aire, deze Boom is tien à twaalf voeten hoog, en maar een span dikte in de ronte; en mede heel zagt en teer, zo dat men hem met een streek van een Zabel kan nederhouwen. De Appel die ’er op wast, Paco genaamt, is een hand lang, aan de koleur als een Comcommer, de groene schil bulterig. Wassende twintig à vijf-en-twintig aan een klomp, die de Indianen daar van halen, en kwalijk in de hand houden konnen; de schil daar af zijnde is ’t korrelagtig. Werden mede voor Vijgen gehouden; zijn bladeren zijn in ’t gemeen zes voeten lang en twe voeten breed, dog worden weinig gegeten.
[Sagatemener, Osamener en Pummukkoner.] Sagatemener, Osamener en Pummukkoner, zijnde driederlei vrugten, de Peere gelijk, die de Inwoonders drogen, en als zy die eten willen laten zy die eerst in water weken; gekookt zijnde eten zy het, of in zig zelfs alleen, of verstoten het tot Meel, makenden een Bry daar uit; daar zy ook, rauw zijnde, eene zeer zoeten Olie konnen uitparssen.
[Sapummener.] Sapummener, een Boom-vrugt; deze is klein, gekookt en uitgedrukt smaakt ze als Kastanien; daar van bakken de Land-aard ook wel Brood.
[Mangummenauk.] Mangummenauk, wast op een Boom de Eiken-boom gelijkende, niet groter als de Ekkels. Deze word mede eerst gedroogt, nagaans in ’t water gelegt en gekookt; dat ook de Land-aard, by manquement van Brood, tot Vlees en Vis eten.
[Carpok-boom.] De Carpok-boom, deze heeft een vrugt aan zig tot ververssinge, maar moet veel gebruikt worden.
[Wandelende Limoen-boom.] De Wandelende Limoen-boom, zo genaamt om de gedurige beweginge zijner bladeren zo ze afgebroken zijn; dat my voor waarheid is mede gedeelt, zijnde iets na oordeel boven natuurlijk.
[Betel.] Betel, een wonderlijke schone uitmuntende Boom, wegens een zekere deftige Genees-balssem die hy van zig geeft.
[Janipapa-Poceywa.] Janipapa-Poceywa, na de Land-tale; deze heeft mede een vrugt de Appels niet ongelijk. Het zap daar uitgeparst bestrijken d’ Indianen zig mede, zijnde eerst om ’t lijf als water, na eenige tijd word het swart als Inkt, en na dat het negen dagen op ’t lighaam gezeten heeft zo vergaat het wederom; daarom het van de Christenen negen-dagig Swart genaamt word, zijnde verscheide in zoort.
[Peruviaan of Gannaperida.] De Boom Peruviaan of Gannaperida, deze is een Medicinaal; de bast van deze Boom voor eenige Jaren in Europa gebragt, welkers poeder tot de Koortzen gebruikt word. Gannaperida is te zeggen Koorts-hout, en deze bast China genaamt; hebbende een koleur als roestig yzer, bitteragtig van smaak. ’t Is eerst aan den voor-deftigen Kardinaal de Lugo gezonden, en van daar is het in Neerland gekomen. Te Romen is het by de Vaders der Maatschap van Jesus te koop, die alleen deze bast een tijd herwaarts bekomen hebben; zijnde nu des zelfs deugt by de Medicijn-meesters genoegzaam bekent. Dog deze vind men alhier niet overvloedig.
[Turbit.] Turbit, is een Wortel; die heel wit is word meest gezogt, en is zo ligt dat het weg stuift als men het breekt. De Indianen gebruiken egter het grauwe, dat beter ruikt, daar van een dragma meer werking heeft als ’t witte van drie.
[Cocos-boom.] De Cocos-boom, deze alleen geeft alles wat byna de Indianen van noden hebben. Van de stam maken zy Planken en Scheepjes; van de baste die om de Cocos-noot zit bereiden zy Touwen, van de bladen ook Zeilen en dekzels voor hare Huizen, Waaijers, Matten en Tenten. In de Neut vinden zy veel zoet, klaar en gezond water; ook de bladeren in de mond genoemen voet de Mensch voor honger en dorst. In yder Neut is wel een halve Kan vol nat, als zy onrijp is; als de Neut rijp word, dan is dat water in een smakelijk pit, gelijk dat van de Hazel-noten, in een vaste substantie geheel verandert. De harde schil van de Neut is bekwaam om Lepels en Bekers, neffens Kalebassen, en alle andere gebruik van te maken. Zy drukken uit het pit een zap als zoete Melk, en ook een zeer lieflijke Olie, als die wat Oud is. Als zy een blossem af-trekken en op die plaats een Kan hangen, zo hebben zy alle dagen een Kanne vol nat als zoet Wei; als dit zap een uur in de Zon gestaan heeft, dan zo is het goede Azijn; zy maken ook van deze vogt goede Zuiker. Op het pit van de stam des Booms groeit een dun wit vlies, toegevouwen als Papier, wel 50. à 60. stuks dik op een, ’t welk ook Papier van de Indianen is. Daar-en-boven als deze Boom heeft beginnen te dragen; vind men hem nimmer zonder vrugt: want hy brengt ’er nieuwe voort by yder Maand van het Jaar.
[Kanelen-hout.] Kanelen-hout, deze Boom mag plaatze grijpen, onder die tot de Genees-konst dienen, dewijl dat zijne kruidige schorze gezogt is van alle die met koude trekkingen gekweld worden, en gebruikt word om de mage t’ ontlasten van alle drabbige en slijmagtige vogtigheden die haar ’t onder houden. Den goeden reuk en d’ eeuwigdurende groenig van dezen schonen Boom, hebben eenige over-redet dat dit eene zoorte van Lauwerier was; maar hy wast veel hoger, zijn stam is ook dikker, zijne takken zijn meer uit-gespreid, en zijne bladeren die niet wel zo lang zijn, zijn veel zagter en van een vrolijker groen. Zijne schorze die bedekt is onder een as-verwige huit, is dikker, en van eene wittere verwe als de Kanele die van den Op-gang komt; zy is ook van een scherper en van een bijtender smaak; maar in de schaduwe gedroogt zijnde, geeft zy een zeer lieffelijken geur aan de spijzen.
[Aygans of Duivels-boom.] Aygans of Duivels-boom, waar van men een tak of blad plukkende, het zelve altoos in beweginge is en over de aarde heen en weer sweeft; daarom een Wandel-boom, of Blad, genaamt word, daar de Indianen zeer veel agtinge voor hebben en supperstitie opbouwen.
[Een wonderlijke Boom.] Volgens getuigenisse der Indianen, vind men een zeldzame Boom dewelke vrugten draagt als Eike, en bladeren als Oker-noten Bomen, zeer schoon en wel riekende. Staande op een Eiland daar geen Put, Bron, nogte water te vinden is, en aldaar geen Regen van den Hemel valt, (gelijk als men zegt in Egypten) uit welkers bladeren druipt gestadig zo veel water, terwijl dag en nagt even lang zijnde de dikke nevel op die Boom hangt, dat alle de Menschen en Beesten, op het gehele Eiland, overvloed van water konnen krijgen; ’t welk een wonder-werk in de Natuur is.
[Druive-boom.] Den Druive-boom, die de Karaïbanen noemen Ouliem, wast tot eene middel-matige hoogte, en kruipt byna by der aarde aan den oever van de Zee: Maar in eene goede aarde word hy hoog, gelijk een van de schoonste Bomen van het Wout. Zijn bladeren zijn rond, dik, door-mengt met rood en groen. Onder de schorze van den stam, na dat men daar heeft af-geligt een bast van ontrent twe duimen dik, zo vind men een hout dat violet, vast en zeer bekwaam is om uitstekende Schrijn-werken af te maken. Hy brengt aan zijne takken vrugten voort, die men, als zy rijp zijn, nemen zoude voor grote violette Druiven: Maar in plaatze van korlen, heeft yder graan onder een tedere schelle, en onder zeer weinig stoffe die zuur-agtig, verversschende, en van tamelijk goeden smaak is, een harde kraak-steen gelijk die van de Pruimen.
[Sassefras-boom.] Sassefras-boom, beter als het Fransche van Doctor Monardes, daar hy veel van geschreven heeft.
[Tuna.] Tuna of Vijgen-boom, welke schoonze geen vrugt dragen egter hoger werden gehouden als d’ andere van die naam. Want van deze bekomt men het bekende Cochinillie; onder aan de bladeren kleven Wormkens zijnde bedekt met een dunne huit, de gemelde Wormkens zijn van buiten wit, van binnen Scharlaken-rood; werden genereert uit de zaad-kornkens, die men derhalven Purper of Scharlaken kornen noemd; dog deze Bomen vind men weinig.
[Honus-boom.] Honus-boom, deze is hoog en zierelijk; werd zeer geroemd wegens zijne schaduwe, als lieflijk en gezond zijnde. Derhalven zo dikmaals als d’ Indianen zig ten Oorlog begeven, over Land reizende, (onder den open Hemel leggen,) legeren zy zig alle onder deze Bomen om hare schaduwe te mogen genieten; wijl die daar onder slapende het hoofd daar door niet beswaart en word, gelijk als onder andere Bomen gebeurt.
[Boom Acaia.] De Boom Acaia wast byna in alle plaatzen, dog meest aan Berg-agtige wel-gematigde dalen. Zien ’er gans woest en doornig uit, de bladeren zijn klein, subtijl en smal gelijk Vogel-vederen; hy maakt zig aangenaam door een lange zeer lieflijk smakende hulzen, vrugt vol zaad hier en gins af hangende; van de zelve bakken d’ Inwoonderen mede Brood.
[Samouna-boom.] Samouna-boom, aan ’t bovenste en onderste des stams heeft hy een gemene dikte, dog in ’t midden is hy meer als twemaal zo lijvig. Hebbende zo een tonnige en dik buikige gedaante, dat de voorby Reizende zig niet konnen onthouden van stil te staan. Uit de takken komen lange strengels, yder voorzien met een vijf bladig kwasje, zeer zierlijk verdeelt, gekerft en met veel aderen overtogen. Hy brengt lang-agtige hulzen voort, waar in zig rode Erweten onthoud, zijnde goed om te eten.
[Copeja.] Copeja, deze heeft zeer wonderlijke bladeren, dewelke zig aan beide zijden laat beschrijven gelijk Papier, want yder blad is dikker als een dubbelt Parkament, en gans taai: terwijl hy nog vars is, schoon dit lof-groen is, zo vertonen egter die daar opgestelde letteren zig wit; als de gedagte bladeren droog zijn geworden, werdenze wit en zo hard als een paneel van hout; dan nemen die daar op geschrevene eene geele verwe aan. Dit Boom papier verderft ganschelijk niet, en ’t daar op-staande schrift kan men niet weg nemen, niet anders als ’t door ’t vuur te verdelgen.