Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname

Part 17

Chapter 174,018 wordsPublic domain

[Molli-boom.] Molli-boom, zijne vrugten zijn klein en rond, de telgen zijn desgelijks klein en onvergelijkelijk groen; de kernen zijn uitwendig aan de bast zoet, inwendig een weinig bitter: uit deze bereid men een zeer lieflijken drank, vermits de vrugt in ’t water zo lang gedrukt werd, datze eindelijk haren nectar van zig moet geven. Deze Boom werd by d’ Indianen in zulk eene hoge agtbaarheid gehouden, dat de zelve de Goden hebben toegewijd.

[Guiti-iba.] Guiti iba, deze zoort vind men menigerlei; de bast is grijs, de stam overtreft Teiken-hout in hoogte, vastigheid, hardigheid en geduurzaamheid. Aan de takken zitten de bladeren d’ eene onder d’andere, lang-agtig rond gevormd als een tong; de blossem zijn lang-werpig, klein, geel en zonder reuk. De Boom bloeid lang, en krijgt langzaam vrugten; dikmaal werd d’ eene helft des Booms in dit, d’ ander in ’t volgende Jaar met rijpe vrugten bezet; in ’t derde Jaar rust hy, eindelijk werd hy in ’t vierde Jaar overal vrugtbaar. De vrugt is genoemt Guiti-coroya, is groter als een gemene Appel, vol bulten of zeer gebuchelt; de verwe der huit vergelijkt zig met swart Brood; ’t marg is week geel, zo wel van smaak als van reuk, zoet en aangenaam, over-een-komende met Brood. De grote en gedaante van de inwendige steenen verbeelden een Ey; de basten zijn hout-agtig ruig en besluiten eene witagtige kern.

[Ayaquicueramo-boom.] Ayaquicueramo-boom, of ’t geschilderde hout, van andere genaamt Tyger-boom; deze is groot en in menigte bebladert met Olmen-loof, al hoe-wel nog smalder. ’t Hout is bont-verwig geschakert, waar door buiten twijffel de naam van Tyger-boom ontstaan is; en zinkt fluks na de grond, zo haast men ’t in ’t water werpt. ’t Is inzonderheid bekwaam voor Draaijers, schoon in ’t oog en van een goeden reuk; daar druipelt een Oly uit zo goed als Styrax, en word in gebruik zo dienstig gehouden.

[Yito.] Yito, zijnde in grote de Europæische Peere-boom gelijk, met lang-agtige dunne toegespitste en na de lengte merkelijk dik geäderde bladeren, staande aan kleine steeltjes; de vrugten wassen digt aan een op de wijs der Druiven. De meeste Inwoonders is deze Boom wegens zijn zierelijke vrugten genoegzaam bekent; zijnde ondeugend tot nuttiging en van binnen geheel houtig. Men vind deze vrugten ’t gansche Jaar door, en in de Lente zeer schoon geel, korts daar na verandert ze zig in een donker gemengde verwe, zonder eenige hoop van gebruik te geven, even zo weinig als de bladeren en het hout des Booms zelfs.

[Boom Mazarandiba.] Boom Mazarandiba, mede onze Karssen-boom in wasdom, hout, bladeren en vrugten t’ eenemaal gelijk zijnde. Uit zijne wildheid in de Hoven gebragt, daar hy bloeid en draagt ontelbare vrugten, een weinig anders als de Europæische Karssen, als ook van gestalte. Wijl deze zulken rondheid niet hebben, maar een weinig plat-agtiger, ook korter, maar dikker gesteld zijn; hier by komt nog datze met eene taije huit zijn overtrokken, in ’t begin rood, dog als zy rijp zijn geworden van eene gemengde verwe en verschotene koleur; ’t zap is wonderlijk, werdende van de Inwoonders met grote begeerte genoten.

[Ibipitanga.] Ibipitanga, voortijds gerekend onder de wilde gewassen, en om zijn zierelijkheid in de Hoven verpland: zy zijn onze Karsse-bomen in alles gelijk, behalven dat de stam zig veel krommer omdraaid, en hem nevens de tak nu gins, dan herrewaarts wend. Heerlijk zijnze verzierd met een gans groene loof en witte bloemen, na welke een ronde vrugt voort komt gelijk een Moerbesi, in ’t begin van een gemengde verwe, dog allengskens rood worden; heeft ook diepe striemen en een bloem-navel. Gemenelijk werden deze vrugten in de Regen-maand rijp, niet alleen de huit, maar ook ’t vlees is gemengd rood; ’t zap rijk van een warme en eenigzins bittere smaak, egter vermengt met een aangename scherpheid een weinig zamen trekkende; van binnen zit een wit-agtige steen, waar in een warme bittere kern is. Deze vrugt diend niet alleen tot een bancquet, maar ook een aangename verkwikking voor de zieke; zy verfrissen een swakke maag, benemen de walging en verdrijven de winden.

[Guanaua.] Guanaua, zijnde een klein lustig Boomtje, dewelke een vrugt draagt byna een ’s Menschen hert gelijk zijnde; hebbende voor aan een spitje groene en harde schelpen; uitwendig is ze met een huitje omvangen, inwendig Sneeuw wit. Aan eenige Plaatzen vind men deze vrugten van eene andere gestalte en vorm, zijnde de Appel rond en goud-verwig, inwendig vol kleine besien of kernkens, welke Kastanien bruin, en in ’t eten boven-maten lieflijk zijn.

[Janipabas.] Janipabas, deze Boom strekt in een grijs-grauwe bast; zijn hout is gebrekkelijk, dog marg rijk; de telgen zijn bekleed met lang-agtige bladeren, hebbende de gestalte van Osse tongen, dog aan beide einden onder en boven spits toelopende, ontrent een of ander half voet lang; welke yder Jaar, inzonderheid in December, afvallen, al-hoe-wel niet al te zamen gelijk, maar op verscheide tijden. Egter ontbreekt het deze Boom niet aan een rok, want terstond komen weêr varsche bladeren voort, welke de plaats, der oude afgeworpene lompe, met een nieuw kleed verzieren, ’t geen yder Maand geschied. Zijn bloemen, welke hy in Maart en April vertoond, zijn klein en koekig wit van verwe; de vrugt is zo groot als een Oranje Appel en ook wel groter, dog dun van bast; heeft een lijm-agtig marg, wel-riekend, scherp van smaak en verkoelende. Midden in den Appel vind men een hol met zaat-kernen vervuld, en met wat weker vlees omringt, welke ook gegeten werden. Deze Appelen nog onrijp zijnde zijn groen, maar als die tijdig zijn geworden gelijk de Mispelen, rotten ook gelijk deze, en zijn dan ook eerst regt murwe om t’ eten. ’t Gehele Jaar door komenze voort; werden niet gezoden maar rauw genuttigt, zijnde aller aangenaamst wanneerze in Zuiker in-geleid zijn.

[Chilli.] Chilli, deze is van twederlei geslagt; d’ eene zoort heeft eene grote gladde rode-gele stam, vervuld met een taai merg; de bloemen zijn wit-agtig, de bladeren geweldig groot en bleek-rood; de vrugt is de rode Hazel-noten gelijk, overtrokken met een witte-gele huit, de smaak is bitter.

d’ Andere zoort, draagt Citroen gelijke bladeren, dog groter, beide basten zijn bitter, en in water gezoden is goed voor de Loop.

[Boom Guayaba.] Boom Guayaba, heeft de grote van een Steen of Steek-eik, of Oker-note-boom; de bast is uitwendig as-grauw, dog met vele groene vlekken beworpen; inwendig byna rood, een halve vinger dik en bovenmaten hard; zo dat men de zelve, als ’t hout eerst nieuwelijks geveld is, nauwelijks met Bijlen of yzere Knodzen van de stam kan afkrijgen, wijlze zo gans vast daar aan kleeft, dog na verloop van eenige tijd laatze zig met weinig moeite aflossen. ’t Gedagte hout schijnt van buiten byna swart-agtig; in swaarte van gewigte gaat het alle ander hout te boven, ’t minste stukje daar van, hoe klein ’t ook zijn mag, zal nooit op ’t water boven drijven, maar terstond na de grond zinken. De smaak is niet onaangenaam, schoon men straks eenige bitterheid op de tong gewaar word; de bladeren zijn dik, klein, hard, groen en veel geädert. De vrugt heeft eenige gelijkheid met de Kastanien, zommige met Pruimen, andere met twe aaneen gewassene Vijgen, nog andere de gedaante van een hert; de lengte is van een dwars-vinger, de breedte wat minder, de verwe als een verwelkte Pruim.

[Acajou.] Acajou, deze is eene grote Boom, zo hoog als onze Europæische Beuken, dog nog wijd uitgespreider van takken, welke zelfs tot op d’ aarde komen. De bladeren zijn stekelig, zeer breed, dog tegen de steel spits, en lopen voorwaarts rond toe. Zijne bloessemen draagt hy kroons wijze, zo dat ’er 8. 9. à 10. by een staan, en in een bundeltje of kroon zig over de hondert vertonen. Yder bloem bestaat uit vijf smalle bladerkens spits toelopende en van een aangename reuk: na deze bloem komt een Kastanie voort, in de gedaante van een nier; terwijl de zelve toeneemt, wast allengsken tusschen haar en de stengel of steel, een langwerpige Appel, Ey-rond, ook wel gans bal-rond, rijp zijnde, heeft hy een spons-agtig taai vlees of marg, en veel scharp zoete t’ zamen trekkende zap, dat grotelijks den dorst lescht, en dat men hout zeer nuttig voor de borst te wezen, en voor de flauwten, gemengt zijnde met wat Zuiker. Uitwendig is de schil of gans geel, of gans rood, of ook uit beide deze verwen gehalveert. Op zommige Bomen ziet men deze vrugt bloed-rood en kogel-rond, deze is wel het zuurste; aan andere wederom geel en langwerpig; aan nog andere geel en rond. Van dit Appel-zap, werden de Doeken of Langoutiens der Indianen besmet als yzer vlakken, ’t welke daar niet uit is te krijgen, voor dat deze Bomen wederom een nieuw Zomer kleed aan trekken, en hare bloei geven.

[Grote Wol-boom.] Wol-bomen, verdeelt in grote en kleine; de grote zijn hoog, ruig van doornen, en gebladert gelijk de Olijven, met witte kleine bloemen. De vrugten vergelijken zig in gestalte en grote met een kleine Meloen, zijnde vol witte vezel-agtige vlekken, tusschen welke ronde zoete kernen steken gelijk Hennip-zaad; zeer gezond zijn ze gegeten, zo wel rauw als geroost, en maken ’t lighaam vet.

[Kleine Wol-boom.] De kleine Wol-boom, hebbende een middel-matige hoogte, en is bewassen met kloek-vormige gele bloemen. Als de vrugt rijp is werd ze in vier delen geklooft, uit welke de Boom-wol voort komt, in de grote van kleine pillen; in ’t midden vind men swarte zaad-kernen, zo dik als een Boon en dragende de gedaante als een nier: van deze Wol spinnen de Indianen ’t Gaarn tot de Hang-matten.

[Achiote.] Achiote, deze Boom wast byna in alle Amerikaansche Landen, en zig begerelijk makende, niet alleen by de Wilden, maar ook by de Christenen, Barbaren en Europëers, zo door zijne gezonde eigenschappen, als door de rode verwe welke hy uit-levert. ’t Hout dezes Booms, wrijft men aan een ander hout van den zelven aard, en zo bekoomt men ’er vuur van; gelijk by ons uit staal en vuur-steen. De bast dient tot Touw-werk, ’t welk sterker is als ’t geen men uit Hennip werkt. De rode kernen uit de vrugt zijn koud, droog en een weinig zamen trekkende; dit werp men in warm water, ’t welk men roerd, tot dat het de roodheid der gedagte kernen na zig heeft getrokken. Hier na maakt men ’er kleine Koekjes van, welke niet alleen een treffelijk Heel-middel is tegens alle onordentlijke Bloed-vloeden, maar ook onder de spijze gemengt zijnde de zelve een aangename smaak en lieflijke verwe geeft; inzonderheid komenze met deze hare deugd de Chocolate te nut, in eene zekere maat daar by gedaan werdende, konnende dan deze drank veel zekerder gebruiken, gevende kragt tot reininge des bloeds en sterkinge des ingewants.

[Musa.] Musa, een Indiaans Gewas of Boom, ’t wast ontrent zes of zeven ellen hoog; de bladeren zijn gelijk die van ’t Zuiker-Riet, breiden zig ook zodanig uit datze zomtijds een gansche el lang en een halve el breed zijn, in ’t midden door trokken van eene brede rib. In de Zomer verwelken deze bladeren, ’t zy van zelfs of van de grote hitte, zo datze gezamentlijk afvallen; en in de Herfst of Groten Regen-Tijd alleen de blote ribben overig laten. De vrugten zijn niet groot, en rijp wordende zo krijgenze een geel bleke verwe; uitwendig zijnze met een huit overtrokken de Vijgen, welke zig met de vinger laat afstropen. Daar is nog kern nog zaad in; als men ze eet zo schijnenze in ’t eerst zonder smaak te zijn, maar daar na bevind men ze hoe langer hoe lieflijker.

[Guabipocacabila, of Pao-vello.] d’ Indiaansche Boom Guabipocacabila, of anders geheten Pao-vello, wijl zijne basten zeer week en gerimpelt zijn; als de bloemen afvallen, (’t welk in de Lente of Kleine Regen-Tijd geschied,) zo volgen daar op zoete, dog krom-gedraaide en onvormelijke, hulzen; in ’t begin groen, maar na verkregene volle rijpheid werdenze swart en verrotten. Dezen Boom heeft geen lust aan beschaduwde Bosschen, maar gebeert van de Zon beschenene Velden, alwaar hy de voor-by gangers lieflijk verlustigt door zijne zierlijke bloessemen en reuk, gans aangenaam voor oog en neus. In hout, bast, pit en gebrekelijkheid, komt hy met de Flier-boom byna over-een; voor aan de tak gaan lange spruiten uit, en uit de zelve vele telgjes, drie of vier nevens den anderen; de bladeren zitten altoos twe en twe tegens over malkanderen aan korte steeltjes, zijn in ’t aantasten hard gelijk Parkament; uitwendig in aderen en verwe de varsse Salie-bladeren gelijk. Onder en tusschen de blad-telgjes wassen desgelijks steeltjes, twe of drie vingeren lang, en aan de zelve twe of vier-en-twintig bloemen op een trosje, yder aan vijf bleek-gele bladeren, in plaats van de bloem-lellekens hangen ’er vele draden uit ander halve vinger lang, de binnenste helft geel, de buitenste rood-agtig en gekruid zijnde. Deze bloemen maken zig gans aangenaam door haren behaaglijken reuk, en te gelijk de gehele Boom: de vrugt komt in hulzen, vier of vijf vingeren lang en voor toegespitst. ’t Marg uit de wortel is wit-geel; eerst doet men de dunne bast daar van, daar na snijt men ze in stukken, en men leegt ze in Fontein-water eene gehele nagt lang onder den open Hemel; dan zo drinkt men ’t voor velerlei gebreken en swakheden des lighaams met groot voordeel.

[Tzapotl of Chochizapotl.] Tzapotl of Chochizapotl, deze Boom is groot en van een wild aanzien, zijn loof is als dat van de Citroen-bomen dog dun; drie en drie bladeren zitten altijd by een. De stam is met witte vlokken besprenkelt; de bloessem bleek en klein; de vrugt van gestalte en grote als een Quee, wel lieflijk t’ eten, maar niet zeer gezond, vermits de kern, des daar aan zittende steens, een dodelijk vergif in zig heeft.

[Timbo.] Timbo, deze vind men in veelderlei en wonderlijk gevormde zoorten, ’t werd ook op menigerlei wijs gebruikt en te gelijk misbruikt; zijnde van een vermakelijke aanschouwinge. Vertonende zig gelijk Touwen in de Lugt uitgespannen, en schoon hare dikte nauwelijks die van een duim is, zo verheffen zig egter de takken zo hoog als den top der aller hoogste Bomen, verootmoedigen dan van boven zig nederwaarts ter aarde, klimmen dan ander-maal weder op, en formeeren op deze wijs ontelbare veel zodanige Touwen, waar door ten laasten, uit deze hoog opklauwterende, gansche toegewassene en byna ondoordringelijke Bosschen komen te ontstaan. Eenige vind men zo dik als een Menschen been, nu van een vierkante, dan van een rond figuur.

[Papayo of Papaye.] Papayo of Papaye, is een Boom die zonder takken groeid, tot de hoogte van vijftien tot twintig voeten, dik na gelijkmatigheid, hol en sponsie-agtig van binnen, daarom gebruikt men hem om over-al waar men wil de vlieten van de water-sprongen te leiden. Daar zijn ’er van twe zoorten, waar van d’eene gemeenlijk gezien word in vele Plaatzen. Zijne bladeren zijn verdeelt in drie puncten, byna als het blad van den Vijge-boom, zy zijn gehegt aan lange staarten, die dik zijn gelijk den duim, en hol van binnen: zy komen uit den top van den Boom, van waar gebogen zijnde, verscheide vrugten bedekken, die rond zijn, en van grote als een Quee-peer, zy wasschen rondom den stam, waar aan ze gehegt blijven.

[Papaye-boom van een ander zoorte.] d’ Andere zoorte van Papaye-boom, is schoonder en meer beladen met bladeren als den anderen. Maar het gene hem meer doet agten, dat is zijn vrugt die van de grote is als een Meloen, en van de gedaante als een Vrouwe borst. Inwendig is ’t vlees rood agtig en boven-maten zoet, zo morw, dat men ’t met een Lepel kan uit scheppen; de hoedanigheid is gans koud, ja tot zo verr’ toe datze te veel gegeten zijnde, een Man tot het Egt-werk onbekwaam maakt. Dikmaal vind men aan deze Boom Lelijen gelijke bloemen, en te gelijk zo wel onrijpe groene, als rijpe gele vrugten. Deze Bomen, hebben dit byzonders, dat zy nieuwe vrugten geven yder Maand van het Jaar. Als men maar een blad, of een stuk van de stam in d’ aarde werpt, zo schiet dit gedeelte terstont wortelen, en wast veerdig op tot een zeer groten Boom. Deze vrugt gesneden in riemen, als Rapen, en gestooft, met een of ander stuk Gezoute, of Vars of Rook-vlees, Spek of gerookte en ingeleide Worsten, daar een hongerige eere voor dragen kan.

[Caarobo.] Caarobo, van deze Boom vind men verscheide geslagten, ’t zaad hier van zig vergelijkende met het Radijs-zaad; gedroogt, gestoten en met zekere Hars vermengt, geneest de been-breuken en verstruikte leden. De bladeren werden gebruikt tegen allerlei smerten des lighaams, zelfs ook tegen de vuile Pokken; dog men moet voorzigtig hier meê omgaan, na regte maat en gewigte, of anders een wanzinnigheid, of zeldzame Phantazy verwagten.

[Hoitzxochitl.] Hoitzxochitl, deze is klein maar gans loof-rijk; de bladeren zijn groter als die van de Myrthen, en met verwondende stekels gewapend. Is verzierd met kleine ronde Karmosijn-rode bloessems, welke de Indianen aan een draad rijgen, werdende gebruikt tot Conserven. De bast pulverizeert men tot verdrijving der lit-tekenen der vuile Pokken. De kern der vrugt in water gesmolten en in de neus-gaten gedruppelt zijnde, verzagt de Hoofd-pijn, en neemd weg de Tand-smerten.

[Mandyba-boom.] Mandyba-boom, heeft een stam ontrent een duim dik met knobbels zes, zeven à agt voeten hoog opschietende; heeft in zig een marg gelijk dat van de Flier-boom, en geeft een zap of Melk. Boven heeft deze stam vele takken, en uit de grote spruiten vele kleine telgen, waar aan drie, vier of meer smalle bladerkens zijn, langagtig van gestalte, gevormd als een Starre, groen verwig, en de Pæonien-bladeren niet ongelijk. Deze staat op eene wortel die twe of drie voeten lang, en zo dik is als een Menschen been, onder aan ’t einde rondagtig; uitwendig van verwe gelijk de bast der Hazel-noten-boom; inwendig wit, morw en vol lijmagtig zap, ’t welk een zeer dodelijk vergif is.

[Govoua.] Govoua, deze Boom heeft een vrugt, in grote en gestalte de Pompoenen niet ongelijk; ja zo, dat men nauwelijks eene der zelve in de hand kan houden. Dit gewas snijden de Vrouwen aan stukken, en werpen ’t in een groot aarde Vat; doen ’er water op en roerent met een stok geweldiglijk om tot dat het schuim van zig geeft: ’t welke de Indiaansche Vrouwen gebruiken in plaats van Zeep, en de gedagte Hang-matten zo wit als Sneeuw mede maken.

[Aloë-boom.] Aloë-boom, ’t welk de Indianen tot kennis hebben; de zelve is een genoegzaam groten dikken Boom, dragende bladeren die gelijken naar die van een Persich-boom, dog een weinig groender en blinkender. De Boom eigentlijk vervat in zijn hart een swart en Oly-agtig hout, bijtende en van een zeer goede reuk zijnde, wezende die van de dikte eener Tonne, hebbende hy in zijn hart niet meer dan dit swart hout, gelijk men pitte in een kleine Amandel-boom van 6. à 7. Jaren van binnen zoude mogen vinden. Dit hout is heel hart, en waar het swart is aldaar stuit de Bijl in ’t houwen op af; en gaat te gronde, in ’t water geworpen zijnde, als een steen.

[Sandel-hout-boom.] Sandel-hout-boom, of by andere genoemt Roze-bomen-hout, hebbende byna die reuk, bezonder als zy eerst vars gehouwen is; dog by vervolg van tijd verliest het weder de zelve.

[Tamarinde.] Tamarinde, de bolsters zijn van gedaante byna als de Roomsche Bonen in hare basten, dog breder en wel groter.

[Bananas-boom.] Bananas-boom, zy klimt in de hoogte van twaalf tot vijftien voeten uit ’er aarde. De vrugt is lang van twaalf tot dertien duimen, een weinig gekromt na het uit-einde, dik byna als den arm; brengt in zijn tros niet meer voort als vijf-en-twintig of dertig ten meesten, die niet al te digt gedrongen zijn d’ eene tegen d’ andere; hebben het vlees vast en digt, bekwaam om gebraden te worden, of onder d’ assche, of in den Pot by de spijze, of gekonfijt, en gedroogt in den Oven, of in de Zon, om beter bewaart te konnen worden. Om van deze vrugten te hebben, zo snijd men de Bomen (die niet meer dragen als een eenige reize in haar leven) by den voet af, en men ondersteunt met een vork den dikken tros, uit vreze dat hy zoude blutzen in het vallen. Maar men zet ’er het Sny-mes niet graag in, dan als men bespeurt dat ’er eenige van de Vrugten van yder tros zijn, die een geluwe huit hebben; want dat is een teiken van rijpigheid: en dan te Huis gebragt zijnde, zo rijpen d’ andere die nog groen waren d’ eene na d’ andere, en men heeft yder dag nieuwe vrugt.

[Jak of Gjak.] Jak of Gjak, groeid op geen veel hoger Boom als de voorgaande; de vrugt gelijk in grote een Pompoen, van buiten is hy goud-geel, door streept met kloven, vol kernen, daar onder eene steen die niet wel stukken te kraken is. Deze vrugt is eenigzins onvermaaklijk in ’t eerst in de mond, als zijnde slijmagtig en klam, maar geeft een dubbeld goed aan de maag, als zijnde zeer versterkende en goed voor de lendenen.

[Duroyen.] Duroyen, deze is de Gjak eenigzints gelijk, rond van gedaante, de aangenaamheid van buiten, is ongelijk die van binnen; op ’t eerste openen geeft het een reuk gelijk als een verrotten Ajuin, ’t gene men daar van eet is wit-agtig, in twaalf Cellekens door de vliezen verdeeld, welke gevult zijn met steenen, zo groot als Haze-noten, die heel wit, en dies te neffens hartsterkende zijn.

[Arak-boom.] Arak-boom, deze groeid in de hoogte gelijk de Palmites-boom; de vrugt is een sponsie-agtige holle zelfs-standigheid, boven op met pluimen voorzien, daar de fruit in verborgen hangt, in zijn kluisters besloten, het heeft de gedaante van een Oker-noot, van gelijke grote, van binnen wit, dog de schil is niet ligt te breken. Het heeft nog reuk, nog smaak, en word ook zelden alleenig gebruikt; zijnde gemengt met de Betel zeer goed voor Colijk, voor swaarmoedigheid, voor de Wormen, het wekt ook de Venus op, zuivert het ingewand, en voor komt den honger.

[Boom Aovai.] Boom Aovai genaamt, de zelve stinkt zo misschelijk als of het Knoflook waar, dan als de zelve afgehouwen word kan men kwalijk by de stank duren. Zijn vrugt is mede de Kastanie gelijk, dog heel giftig; maar de Wilden houden de zelve in eeren, dan zy maken hare Rasselen daar van.

[Hivourac.] De Boom Hivourac, wiens bast zo dik is als een vinger; is een vrugt die niet wel gelijkenis kan gegeven werden, dog van een zeer goede smaak als die vars plukt.

[Ehonne.] De Boom Ehonne is redelijk hoog, als een Lauwerier; dier zelver gewas is groen, en geformeert als een Hoender Ey, makende daar ook wel hare Maraka uit.

[Cujeté.] De Boom Cujeté, deze draagt een vrugt als een Appel, twe vuisten dik, zijn geformeert als een Kelk, onder in de zelve zijn kleine kernen als Amandelen, hebben byna ook de zelve smaak; de schalen gebruiken zy ook tot Kalebassen om uit te drinken.

[Ayri.] De Boom Ayri genaamt, de bladeren zijn den Palmboom gelijk, dog zijn stam is rondom vol scharpe doornen; wiens vrugt is redelijk dik, heeft midden in een Sneeuw witte kern, en om t’ eten is hy ook niet goed. Van des zelfs hout maken de Wilden hare Pijlen.

[Bannijani.] De Boom Bannijani, gelijkende eenige aanmalkanderen gebonden, welker takken zig van de hoogte of top punt af, wederom in een regte linie planten, in ’t water, zo wel als in de grond, spruitende alzo wederom uit eene gehele Akker in ’t ronde, door welke groeizaamheid gehele Velden als in-gesloten zijn.

[Arabauten.] De Boom Arabauten, is de alderberoemste, voornamelijk wegens de rode verw, zo de Schilders daar uit maken konnen; hy is in de hoogte en de menigte der takken de Eiken-boom gelijk. Eenige dier Bomen zijn zo dik dat zy drie vadem in de ronte houden; aan de bladeren de Palm-boom gelijk; draagt gene vrugt. ’t Hout is zo hard dat men het kwalijk splijten kan; in zig zelven van natuur of eigenschap niet groen, of vogtig, maar droog, zo dat als men het aansteekt geeft het een weinig rook van zig, en de as valt ook rood, daar een Loge van gemaakt en wit Linnen daar in genat, zal het zelve ook vast rood worden, en zodanig dat men het met Zeep niet kan uitwassen.