Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname
Part 15
[Dodotono.] Dodotono of Vleder-muis, een naam welke haar gegeven is ten aanzien harer een-voudigheid; een Vogel dewelke, ter oorzaak van zijn gestalte en zeltzaamheid, eene Phenix zoude mogen genaamt worden; het lighaam is rond en in alles vet, veroorzaakt door haar eigen traagheid en gang; weinig zijn ’er die minder als vijftig ponden wegen; beter om aan te zien als te gebruiken. Haar gedaante is swaarmoedigheid als gevoelig van het onregt der natuur haar aangedaan, zo een groot lighaam te voeren, om gedreven te worden door zulke kleine vleugelen, dat ze nauwlijks waard zijn de naam te voeren, als niet vermogen het lighaam van de grond op te heffen; het hoofd is ook verscheide in gedaante, aan d’ eene zijde gehuift met swarte veren, en aan d’ andere zijde volkomen naakt, alleenig met een zeer dunne doorschijnende (als wol) vlies; hebbende onder ’t lijf ligt groene veren; haar oogen zijn rond en klein, blinkende gelijk Diamanten, d’ andere vederen op ’t boven lighaam zijn van ’t alderfijnste Dons, haar steert is als een spits uitstaande knevel-baard eens Mans, de beenen dik, swart en sterk, hare klauwen en sporen scherp.
[Hallebranches.] Hallebranches, de zelve Vogels leggen hare Eijeren in ’t zand en begraven die in het zelve, zo dat het moeite heeft die te vinden, dog de wind waaijende komt men de zelve wederom te ontdekken, deze Eijeren zijn zeer goed om t’ eten, en met de vederen drijven zy handeling.
[Cormorans of Struis-vogel.] Cormorans of Struis-vogels, deze eten Serpenten; van deze Vogels houd altoos een der zelver de wagt op dat zy niet mogten verrast worden; houden haar altoos aan de Zee-kust. Zijnde zo groot, dat, wanneer eenige daar van by malkanderen zijn en men verre van daan was, men zoude denken het een Compagnie Soldaten te zijn; de vederen zijn scharlake verwe, zo door geen konst na te bootzen, gevende zodanig een glans van haar, dat zy in schijn van glans meest de oogen verduisteren door ’t flikkeren.
De Indianen houden in grote waarde een zonderling Vogel, die zy zelfs geen leed doen, maar straffen den gene die hem kwaad bedrijf; zijnde zo groot als een Duif, heeft as grauwe veren en een klagende treurende stem, men hoort deze meest by de nagt en ’s daags niet veel. En hebben een gelove en zeker vertrouwen, aan deze, zo dat de verstorvene Vrienden de zelve tot haar zenden, als mede dat zy haar lieden geluk by brengen, en dat zy haar een goede moet geeft om hare Vyanden in den Oorlog sterker aan te vallen; zy houden ook als zy op hare beduidinge agt geven, dat zy hare Vyanden in dit leven overwinnen zullen, en na hare dood hare zielen over ’t gebergte zal vliegen, en met hare Ouderen als dan in veel vreugde leven.
Men vind een klein Vogeltje wat groter als een Cijsken, diens naam my onbekend is; men zeide my dat het nooit van Zee en ging, nogte aan Land kwam, en dat wanneer het Wijfjen d’ Eijeren wilde leggen, ’t zelve uit het gezigt om hoge vloog en alzo zijn Eijeren leide, namentlijk; eene t’ elken maal, en dat dit Ey, terwijl het aldus door de lugt nederdaalde; eer het in Zee viel door de hitte van de lugt word uitgebroeid, en daar na door de Zee het Schepzel gevoed word, dat ongemeen in de Natuur te bezeffen is.
[Duivels-vogel.] Een swarte Zee-vogel met lange vleugels, by de Zee-lieden het Duivels-vogel genoemt, alzo ’t eerder een waarschouwinge van God is, dat nooit gezien word, dan op het aanstaan van Onweer.
[Tuppin-unbastonis.] Tuppin-unbastonis, is zo groot als een Spreeuw, de steert is lang met Safferaan-verwige vederen, anders zijnze gans groen.
[Araracanga.] Araracanga, deze zijn zo groot als onze Ravens, hebben een grote boven platte en brede kop, schone Hemels-blauwe oogen met een swartagtige oog-appel, en uitwendig een wit oog-lid, ook zijn de kinne-bakken en ’t onderste deel des snavel wit, ’t welk krom van gestalte groot, bovenwaarts witagtig, onderwaarts swart, de boven snavel is ontrent drie vingeren lang, diep en breed; hare voeten en beenen zijn swart, ’t gansche hoofd, den hals, de borst, ’t lijf, ’t bovenste der beenen, en ’t onderste des staarts desgelijks; ’t begin harer vleugelen opwaarts geven een lieflijke rode glans van zig, ’t overige der vederen tot de helft der vleugelen is groen; ’t laaste halve deel, tot aan ’t einde der pennen, is gesmukt met Hemels-blauw; ’t einde van de rug na by de steert, gelijk ook de steert zelfs, bestaat uit ligt-blauwe pluimen, daar evenwel eenige bruine doorlopen, de lengte dezes steert is van ontrent tien vingeren en strekt zig onder de vleugelen zeer wijd uit.
[Ararauna.] Ararauna, is de voorgaande in gedaante dog niet in verwe gelijk, toond een swarte bek, blauwagtige grauwe oogen en swarte oog-appels, de witte huit by d’ oogen werd geborduurt met swarte pluimen, gelijk als op ’t konstigste met de naalde gestikt; de beenen en voeten zijn swart bruin, ’t hoofd heeft voor boven de snavel een kuifje van groene vederen, onder de onder-snavel aan de keel staan swarte vederen, ’t overige van de keel, de zijden van hals, de gansche borst, en ’t onderste deel des lijfs, zijn bedekt met gele pluimen; aan ’t laaste deel des hoofds en hals, desgelijks over de gansche rug en ’t buitenste der vleugelen, spelen Hemels-blauwe vederen; aan de uiterste spits der vlerken met geel door-mengt; de steert bestaat uit lange heb der blauwe pennen, door vlamd van eenige gele, in ’t gemeen zijn de blauwe onderwaarts swart, en trekken ook eenigzins deze swartigheid van zig na de zijde toe.
[Tuiete.] Tuiete, deze is de grote der Leuweriken gelijk, en over al groenagtig, behalven aan den aanvang der vleugelen zijnde zierelijk blauw, gelijk ook ’t begin van al de slag-vederen.
[Tuipara.] Tuipara, deze is insgelijks zo groot als een Leuwerik, overal bleek groen, kort van steert, zo dat de zelve te gelijk met de vleugelen ophoud, de snavel is incarnaat, de beenen grijs-grauw; daar de bek begint, regt voor de stern, ziet men een Vermillioen verwige vlek in de gedaante eens halven Maans, byna als een kroon welke beneden waarts word gezien, maar midden op yder vleugel een rood-gele of oranje verwige.
[Anarca.] Anarca, heeft eene swart-bruine kromme snavel, boven op ’t hoofd lever-verwige vederen, aan de zijde nevens de oogen bruine, aan de krop as-verwige, aan de boven-hals en de zijde groene, aan de buik bruin-rode, op de rug groene, getekend met een ligt-bruine plek, en de steert is bleek bruin, aan de rand zit een bloed-rode zoom; ’t overige der vederen is groen, d’ einden der zelver zijn zee-verwig, de beenen boven met groene vederen bewassen; onder is de huit grauw, de klauwen worden swartagtig; waar uit de schoonheid dezes Vogels ligtelijk kan afgenomen worden.
[Jendaya.] Jendaya, deze is zo groot als een Lijster, heeft een swarte snavel en swarte beentjes, desgelijks swarte oogen, met een goude ring daar rondom; de rug vleugelen en steert hebben groene vederen, door-mengt met zee-verwe, dog de uiterste einden der vlerken werden een weinig swart; hoofd, hals en borst zijn ligt-geel en rood-geel gemengeld.
[Tuitirica.] Tuitirica, deze is wat groter, geheel over groen, dog op den rug en de vleugelen gemenelijk hoog-groener als aan d’ andere delen des lighaams; de snavel is krom en incarnaat verwig, d’ oogen zijn swart, de voeten blauwagtig. Deze zoort werd gans tam en gemeenzaam, zo datze zig met de handen laten vatten, en iemant de spijs uit de hand halen; leren ook klappen gelijk andere Papegaijen.
[Peroketjes.] Peroketjes, deze zijn niet groter als een Leuwerik, hebben een grijze kromme snavel, en een keel van gelijke verwe, swarte oogen, verzierd met een zilver verwige Cirkul; de tong is van de grote Papegaijen gelijk vormig, boven op ’t hoofd wassen eenige zeer schone tedere pluimkens uit even als een kam, de beenen en voeten zijn as-verwig; de steert is geweldig lang, zig uitstrekkende tien vingeren breed buiten de vleugelen, boven is ze zierlijk rood, gelijk ook het hoofd, den hals en het onderste deel des buiks, dog aan de borst en onder de steert, pronken hare vederen met een bleke roos-verwe, eindigende ten laasten met een vermengde koleur uit Hemels-blauw, wit en groen aan de vleugelen, heerschet de groene verwe evenwel met tusschen door-lopinge van eenige rode, welkers helft met roze en oranje verwe zo lieflijk gemengeld is, datze, wanneer de Zon daar op speelt, een wonderlijke weêrglans en wel duizend goude glinsterende stralen van zig werpen, zijnde daarom zeer hoog in waarde geagt.
[Ajurucurau.] Ajurucurau, deze hebben op ’t hoofd een schoon Hemels-blauw kuifje of mutsje; de keel, gelijk ook yder zijde in ’t opperste des hoofds, is met lieflijke gele, ’t gansche lijf met een ligt-groene, verwe verzierd; aan ’t einde der vleugelen tonen zig de vederen ter eener helft swart, ter andere Safferaan-koleuragtig, ten dele ook blauw, ten dele hier en gins groen; al t’ zamen zijn zy zeer schoon en de verwen vind men boven maten wel gezet; de steert is groen, dog als ze zig uitbreid, met swart, rood en blauw geborduurt. De snavel of bek uit den grauwen-donker-bruin; d’ oogen zijn swartagtig, om Cirkeld van een goud-verwige ring.
Daar zijn nog twe d’ eerste zoorte byna gelijk, behalven dat zy een weinig anders gekoleurt zijn; op ’t hoofd hebben zy een witagtig geel kapjen, boven de oogen en aan de keel zijnze gans helder geel, aan ’t bovenste deel des beks een zee-groene vlak.
[Ajurucruka.] Ajurucruka, dragen desgelijks een kuifje op ’t hoofd van blauw en swart gemengt, en is regt in ’t midden van ’t kapje verzierd met een gele vlek; onder de oogen zit een gele, aan de keel een Hemel-verwige plek, de borst is wat groender als de vleugelen en rug, de steert en d’ einden der vleugelen vallen wat bleek groen, de uiterste spitzen der vederen bestaan uit een vermengde gele, rode en donker blauwe verwe; onder aan de steert vermengt zig geel en groen, de beenen vallen van een as-verwige, op een blauwagtige koleur; de voeten zijn swaar gespoort.
[Ajuracatinga.] Ajuracatinga, werd de zelfde zoort genoemd; deze Papegaijen zijn zo groot als middelmatige Huis-hanen, gans rood van oogen, en by de zelve verzierd met een witte huit, ook met een witte snavel en witte beenen; de steert is lang en groen.
[Ajuruapara.] Met dit komt gans over-een een ander geslagt, geheten Ajuruapara, behalven alleen dat ’t wat kleinder is.
[Maracana.] Maracana, is van ’t geslagt der gener welke men Arara noemd, dog kleinder; zo groot als andere Papegaijen, en van gedaante den Arara gelijk, heeft ook een even zo lange steert en snavel; geelagtige oogen, groen verwig over ’t gansche hoofd, hals en vleugelen, welke koleur egter op ’t hoofd een weinig verbleekt en na het blauw trekt. De staart is boven met groene, aan ’t eind blauwagtig en onder met rode vederen verzierd; ook zijn de vleugelen inwendig rood, uitwendig groen; aan d’ einden donker blauw, en de vleugel begint met een Vermillioen verwige plek; de beenen en voeten zijn swart, onder d’ aanvangende snavel zit een swarte vlek; ’t geluit van de stem des Papegaijs is oe, oe, oe.
[Tuiaputuuba.] Tuiaputuuba, deze is meerder groen en aan het overige des lijfs bleek groen, dog aan de buik geelagtig en aan de vleugelen donker groen; de steert is zeer lang, d’ oogen zijn groot, swartagtig en omringt met een gele kring; boven de swarte kromme snavel zit aan ’t hoofd grote goud-verwige vederen.
[Manier hoe de Papegaijen gevangen werden en hare nesten.] De Papegaijen werden op deze manier gevangen en maken hare nesten, als volgt. Deze Vogelen zoeken voor haar in verre afgelegene Bosschen de alderhoogste Bomen, om hare nesten daar in te maken, daar ligtenze d’ Indianen uit als zy nog jong zijn. Nestelende in holle Bomen, maken van buiten een rond gad en leggen twe of drie Eijeren daar in, (de Duive Eijeren gelijk zijnde) ’t geen regt of afzonderlijk nest, gelijk andere Vogelen hebben. Dan schoon men de Eijeren betast, zo werdenze egter daarom van d’ oude niet vergeten, maar even zo gelukkig uitgebroeid als de onaangeroerde. In Augusty werden de Jongen daar uitgenomen; die dan vederen hebben gekregen, steekt in yder harer neusgaten een dik Wormken, en boven op ’t hoofd toond zig gelijk als een oplopende buil, waar in even zodanig een Worm verborgen zit, dog zy vallen van zelfs na weinig tijds uit, en ’t gat sluit zig zo wel en digt weer toe, dat men ’t minste blijk teken daar van niet zien kan; haar onderhoud nemenze van de Boom-vrugten, zo oude als jonge leven in de Natuur zeer lang.
XII. HOOFT-DEEL.
Van de Visschen en Zee-gedrogten die op deze Kust gevonden werden.
Hoe grimmelt fluks het strant, wanneer Neptunus benden, Haar Kanoes volgelaân verblijd ten Oever wenden Elk water-tand, wel ligt krijgt poes’le water angst, Is Zee-baard slegts verlieft, ’t puik zootje uit de vangst.
Hoewel het Land rijk in ’t Pluim-gedierte is; zo is het niet minder verzien van veelderleije zoorten van Visschen, als mede van Zee-gedrogten; die door de Goddelijke voorzienigheid, zo in Zee als in de Rivieren, geplaats zijn. De voornaamste dan zullen we hier ter nederstellen.
[Espadon of swaart-vis.] Espadon of Swaart-vis, die zo genaamt is, ter oorzake dat hy aan zijn bovenste kaak-been eene verwering heeft van de breedte van eenen groten Dolk, die aan weder-zijden harde en scharpe tanden heeft. Daar zijn van deze Visschen waar van die weêrbare werk-tuigen vijf voeten lang zijn, aan het benedenste einde zes duimen breed, en aan yderen rijg voorzien met zeven-en-twintig witte en vaste tanden, en het lighaam groot zijnde na gelijkmatigheid. Zy hebben alle het hoofd plat en ysselijk, van gedaante als een hert; digt by hare oogen twe snuif-gaten, daar zy uit werpen het water dat zy hebben ingeswolgen; zy hebben gene schubben; maar zy zijn op haren rugge bedekt met eene huit die grauw is, en wit onder den buik, die hompelig is als eene vijle; ook hebben zy zeven vinnen, twe aan elke zijde, twe anderen op den rugge, en dan die haar tot eenen steert dient.
[Menaty.] Menaty, een Vis die langs de Rivieren haar zelve voed met struiken of bladeren van dien. Deze werden van hare Jongen gezogen als een Koey; smakende meerder na Vlees als Vis.
[Torpedo of Num-eel.] Torpedo, of zo de Engelschen zeggen Num-eel, zo veel als een beroerde Aal of Paling, dewelke levendig zijnde eenig ander Schepzel aanrakende, geeft aan alle leden van de zelve eene zulke doofheid en beroerte, dat zy voor een tijd lang ten eenemaal ongevoelig; en het is gelooflijk dat verscheide Luiden verdronken zijn, die het ongeluk gehad hebben dat zy in ’t swemmen over de Rivieren door zo een Vis geraakt geworden. Zijn ook by andere Kramp-vis genaamt; staande de Menschen onwetende, wanneer zy door een schielijke bevinge, (het welk dit Gedierte in de Natuur heeft, en schijnt als gegeven te zijn tot een middel om daar door zijne vryheid te bekomen,) ademende zulke koude dampen uit, dat de zelve die het Gedierte aan raken gelijkzaam alle kragten verliezen. In der waarheid een vreemde en wonderlijke eigenschap, dewelke ons met geweld dringt vele andere Natuurlijke dingen, tot nog toe niet aangenomen, te geloven.
[Paling.] Paling, vind men hier wel zo swaar, dat ’er eenige wel dartig ponden van wegen, die daarom niet te hatelijker, maar boven maten zoet en lieflijk zijn.
[Reversus.] Reversus, ook Guaican of Keer-weer, deze vis is zo groot als een grote Aal, heeft agter aan de hals een huit of zakje, schijnende een grote buidel gelijk; deze houdenze onder aan ’t Schip aan een touw gebonden, ’t welk zo veel bots werd gegeven dat de Vis gants bedekt kan blijven van ’t water onder aan de kiel des Schips, wijl hy de glans van de lugt geenzins kan verdragen. Als nu de Visschers een grote Vis of een Zee-Schildpad gewaar werden, zo latenze deze Reversus los, die zo haast hy voeld dat de teugel hem lang word gelaten, sneller als een Pijl uit een Boog op de Vis konnen swemmen, en hem met het gedagte zakje zodanig vast houd, dat men hem door geen geweld den roof kan ontrukken, ten zy men hem allengsken, door ’t weder in halen des touws, met den buit tot byna boven ’t water trekt, alwaar hy de lugt gewaar werdende zijnen roof ter stond verlaat; zo haast nu de Visschers bemerken dat de buit by ’t Schip en haast boven is, zo springen eenige in ’t water, zo veel als ’er van noden zijn tot behandeling van den gevangene Vis, en beuren den zelven in ’t Schip; daar na latenze ’t touw zo verre los, als de Jager behoeft, om weer zijn vorige plaats onder ’t water te bereiken; dan werd aan een ander touw een stuk van den bejaagden roof gebonden, en den vanger toegezonden, tot een beloning van zijne gedane moeite.
[Arend-vis.] Arend-vis, een wonderlijk Schepzel, d’ oogen staan vijf vierendeel van malkanderen af; van ’t uiterste van d’ eene vin tot het einde van d’ andere heeft het meerder als vier ellen lengte; een lelijke wijde mond met tanden voorzien, de steert is lang en dun.
[Zee-Peroketten.] Zee-Peroketten, zijn van schubben als den Karper, maar van groene verwe gelijk de vederen van een Peroket: waar van ook komt dat men haar Zee-Peroketten noemen. Hare oogen zijn schoon en geweldig tintelende, d’ oog-appelen helder als Kristal die omringt zijn met eenen verzilverden kring, besloten zijnde in eenen anderen, die esmaragd-groen is, gelijk de schubben van haren rugge; want die van onder den buik zijn van een geluwagtig groen. Zy hebben gene tanden, maar hare kaak-beenen van boven en van onder zijn van een vast been, dat uitnemende sterk is, van de zelve verwe als hare schubben, en verdeelt in kleine by-voegzelen, schoon om aan te zien; zy leven van Schelp-visschen, en brijzelen met die harde kaak-beenen, gelijk tusschen twe Molen-steenen; d’ Oesters, de Mosselen, en d’ andere schelpen, om haar met het Vlees dat daar in is te spijzigen. Uitmuntende zijn zy om t’ eten, en zo groot, dat ’er gezien worden die meer als twintig ponden wegen.
[Panapana.] Panapana, tamelijk lang, op zijn lijf is ’t vel zo ruig, als een sterke Mans hairen op de hand; deze is een lelijk Monster.
[Kurema, of ook wel Paraty.] Kurema, of ook wel Paraty, een Vis gelijkende de Barber, swemmende in menigte by malkanderen, schietende daar door de zelve met de Pijlen, zo zeker, dat zy menigmaal twe en drie in een schoot treffen; deze Vis gekookt en gebraden is zeer goed, maar in den aard zagt; men droogt die ook en rijst dan de zelve tot Meel.
[Lamantin.] Lamantin, deze is onder de Zee-gedrogten goed om t’ eten, en die men in voorraad bewaart, gelijk men in Europa de Salmen en den Abberdaan doet. Dit is een Gedrogt dat met den ouderdom tot zulk eene vreemde grote groeid, dat men ’er gezien heeft die ontrent agtien voeten lang waren, en zeven dik in het midden van het lighaam. Zijn hoofd heeft eenige gelijkformigheid met dat van eene Koeije, van waar komt dat eenige hem Zee-Koeije noemen. Hy heeft kleine oogen, en zijn huit is dik, van bruine verwe, in eenige plaatzen gerimpeld en door-zaaid met eenige kleine haartjes. Droog zijnde word zy zo hart, dat zy mag verstrekken voor eene on-doordringelijke Rondas tegen de Pijlen van d’ Indianen: ook gebruiken haar eenige Wilden om de Pijlen van hare Vyanden af te schutten als zy ten strijde gaan. Hy heeft gene vinnen, maar in hare plaatze heeft hy onder den buik twe kleine voeten, die yder vier tenen hebben, geweldig swak om den last van zulk een lomp en swaar lighaam t’ onderschragen; en hy is van genige andere verwering voorzien. De Vis leeft van Kruid dat wast by de Rotzen, en op de de Banken die maar ontrent een vadem lengte met zee-water zijn bedekt. De Wijfjes werpen hare vrugt uit, op de wijze van de Koeijen, en hebben twe tepels met dewelke zy hare Jongen zogen; zy werpen ’er twe t’ elker dragt, die haar niet verlaten, totdat zy gene Melk meer van noden hebben, en dat zy het Kruid konnen afweiden, gelijk hare moeders.
Onder alle de Visschen, is ’er geen die zo veel goed Vlees heeft als den Lamantin: want men moet ’er zomtijds maar twe of drie hebben om den last te maken van eenen groten Kanoa; en dit Vlees is dat van een Land-dier gelijk, kort, blozende, smakelijk en door-lopen met vet, dat gesmolten zijnde nimmer schimmel. Als het twe of drie dagen in het zout gelegen heeft, is het beter voor de gezontheid dan vers gegeten zijnde. Men vind deze Visschen meer voor de mond van de Rivieren van zoet water, als in de volle Zee. De Lief-hebberen maken groten staat van zekere steenen die zy in haar hoofd hebben, om dat zy tot stof gemalen zijnde, de kragt hebben om de Nieren van Graveel te zuiveren, en zelf om den Steen te breken, die ’er gevormt zoude zijn. Maar om dat dit hulp-middel fel is, raad men niemant het zelve te gebruiken zonder den raad van eenen wijzen en ervaren Genees-meester.
[Comonroupony-Ovassou.] Camonroupony-Ovassou, deze is een grote Vis, heel goed om t’ eten; van deze gedenken zy ook in hare Liederen; ik kan ze niet wel ergens by gelijken.
[Ovara en Acara-Ovassu.] Ovara en Acara-Ovassu, deze twe zoorten in onderscheid zijnde de voorgaande niet ongelijk, dog nog beter voor de mond en gebruik; gelijkende de Ovara zeer wel na de Forellen.
[Acarapet.] Acarapet, deze is een brede Vis als de Braassem, als men deze kookt zo komt daar een gele vettigheid van; dit gebruikt men wel voor zout aan Tafel, dewijl die aard in alles aan zig heeft.
[Pira Ypochi.] Pira Ypochi, is zo lang als een Aal, men eetze mede dog zeer weinig, om dat ze zeer sterk roert.
[Acarabout.] Acarabout, deze is een slijmige Vis, en is de Riet-Voorn gelijk.
[Philantropia.] Philantropia of zugt tot de Menschen, by den Dolphin te vergelijken; maar de steen dewelke vast in haar hoofd gevonden word is van grote waarde, want in Wijn gelegt en nugteren gedronken, is een bezonder hulp-middel tegens de Steen en Colijk.
[Padde-vis.] Padde-vis, mede een vergiftige Vis; deze wierd haastig gegeten door de Zee-lieden, een dwalinge die zommige het leven koste; een al te kostelijke en dierbare betaling, voor een onaangename Maaltijd. Deze is de Schol niet ongelijk, maar veel swarter gesprikkelt en lelijk beschildert, en van heel afschrikkelijke gedaante.
Nog een Klip of Steen-Aaltje, Almanachs-visje genaamt.
Een donkere platte Vis met witte strepen.
Een schone Voorn met strepen.
Nog een Voorns gewijsde Vis.
Nog een Indiaansche kleine Klip-vis, of Donderpad, met donkere grijze vlakken.
Nog een rode Klip-vis.
Een gele platte Vis met donkere strepen.
De blauwe Vis, of Snot-olf genaamt.
[Tamovata.] Tamovata, deze is een span-hand lang, met een grote ysselijke kop, onder in de mond heeft hy twe steek-vederen als Elssen, en heel scharpe sterke fijne tanden, en op de rug harde schubben.
De Indiaansche donkere platte Vis.
De kleine Indiaansche Karper, in menigte.
De drie-hoekige Indiaansche Vis.
De vier-hoekige Indiaansche Vis met twe hoorns.
De gele Plat-vis met donkere kruis-wijze strepen,
[Makkerelen.] Makkerelen, deze zoort word van de Engelsche Eilanden, gezoute als gerookt, in menigte aan deze Kust overgebragt.
[Snoek.] Snoek, die edel van smaak, maar in gedaante tegens de Hollandsche verschillende.
[Querman en andere zoorten.] Querman, van smaak de Salm gelijk.
Pakkoesjes, Preparie, Warapper, Jammes, Jakjes, schone Baars en Post, by uitnementheid vet.
[Haaymaar en Bot.] Haaymaar, of anders Cabbeljauw, Bot, en nog vele zoorten van een (Vis) rijke menigte, als ik geloof ergens in de gehele Wereld zal gevonden zijn.